Verhalen‎ > ‎

Aad de Boe - onderwijzer

Het onderwijs van toen: Oud-onderwijzer Aad de Boe

Wie van de (wat) ouderen onder ons herinnert zich niet die gezellige lagere schooltijd? Met houten schoolbankjes, inclusief de verzonken inktpot in het tafeltje en niet te vergeten de kroontjespen die zo ‘heerlijk’ kon vlekken? Leuke herinneringen, dat wel! Wie kan daar beter over vertellen dan meester Aad de Boe.

Hij is nooit meer weggegaan uit de gezellige woning aan de Oranjestraat in Berkel. Daar zoeken we hem op.
Hij kijkt met plezier terug in de tijd. Een periode waarin hij zowel leuke als minder leuke dingen beleefde, daar kunnen we eigenlijk allemaal wel over meepraten!
Aad de Boe, nu 74 jaar oud, is in Pijnacker geboren. Hij komt uit een arbeidersgezin met 12 kinderen, waarvan 9 broers en 3 zussen. Hij was de oudste van het stel. “We woonden toen in de Zuiderstraat waar meer arbeidersgezinnen woonden”, begint hij zijn verhaal. “We zijn in die jaren nog enkele keren binnen Pijnacker verhuisd.


Aad de Boe
(foto: J. Hofman)


Ik maakte daar ook de oorlogstijd mee. Omdat de school door de Duitsers was gevorderd, moesten wij lessen volgen in het Parochiehuis.
De ene dag de jongens en de andere dag de meisjes, want gemengd was er toen nog niet bij. Regelmatig werden er alarmoefeningen gehouden, voor als er soms bommen mochten vallen.”
Hij kon in de hongerwinter niet tegen het eten uit de gaarkeuken, daarom deed mijnheer pastoor vanaf de kansel een oproep of er een gezin was dat één keer per dag een warme maaltijd aan een jongen wilde verstrekken.
Het was een boerengezin dat zich meldde. “Ik ben toen maanden lang iedere dag lopend naar de boer gegaan en vandaar weer lopend naar school op houten slippertjes.” De oorlog heeft hij bewust meegemaakt zoals razzia’s, honger, het bombardement op Rotterdam en de bevrijding.

Na die nare periode gingen de jongens, als ze van school kwamen, meestal naar een ambachtsschool. Een enkeling ging naar de Mulo. In 1948 ging De Boe naar het Stanislascollege in Delft, dat gevestigd was in een oud bankgebouw.
Na drie jaar zei vader: ”Het wordt wel eens tijd dat er geld op de plank komt, dus kies maar een opleiding voor je toekomst”. “In feite wilde ik graag ingenieur worden, maar ik koos uiteindelijk toch voor het onderwijs omdat ik graag met kinderen omging.”
Er stond hem een 4-jarige opleiding aan de kweekschool in Den Haag te wachten. Dagelijks fietste hij van Pijnacker naar Scheveningen. Ook op die school zaten alleen maar jongens. “Waren de eerste twee jaren een algemene opleiding met veel ‘uit je hoofd leren’, het derde jaar werd mij een stageplaats aangewezen voor één dag in de week op een lagere school.” Hij herinnert zich nog dat hij in die tijd geen goede regenkleding had en dus bij slecht weer kletsnat op school aankwam en zo in de klas moest gaan zitten.

“Ik kwam uit een arm gezin”, aldus De Boe. In die periode moest hij zijn schoolgeld zelf betalen.
Men kreeg toen geen studiebeurs, dus ging hij in zijn vrije tijd bij een tuinder werken. Hij ging ook zo’n vijf jaar voor een bakker met brood langs de deuren. Eerst met een bakfiets of soms met de transportfiets, met voorop een grote mand. “Ik moest altijd de buitenwijken met vaak slechte wegen doen.
Op zaterdag mocht ik wel eerst voetballen, maar daarna de hele dag weer met brood langs de weg en dat voor fl 2,50 per week.”
                                                                  Meester De Boe voor de klas in 1959.

Terugkomend op zijn stageperiode vertelt hij eerlijk dat hij toen dacht: “Wat ben ik begonnen.”
Op de eerste stageschool heerste er een kadaverdiscipline. “Alles ging met een fluitje: een fluittoon en je moest naast je bank gaan staan, na het volgende fluitje moest je naast elkaar de klas uit marcheren. Weer een fluitje betekende steeds iets anders. Om een baan in het onderwijs te krijgen moest ik ook een godsdienstdiploma halen.
Dan had je uiteindelijk het A-diploma maar om hoofd van een school te worden, moest je het B-diploma behalen.”
In juni 1955 deed De Boe examen. Zijn hoofdakte moest hij in zijn vrije tijd zien te halen.

Ook hij moest zijn militaire dienstplicht vervullen, maar was er niet zo op gebrand om de onderofficiersopleiding te gaan doen, dus hield hij zich wat dommig. “Toen ik bij de kapitein moest komen zei deze: ’Of je maakt de opleiding af, of je dient de volle 21 maanden uit.’ “Uiteindelijk heb ik de opleiding af gemaakt.
Ik heb toen wel veel mensenkennis opgedaan. Als sergeant kreeg ik de probleemgevallen in mijn groep.
Gelukkig heb ik toen veel jongens met hun problemen kunnen helpen.

Het team van leraren rond 1965 vlnr: juf Van Maarle, juf Cappendijk, juf Pia van der Werf (?), hoofdmeester Van Ouwerkerk, meester Aad de Boe, meester Van der Spek, meester Jan Stigt en meester Verberk.

Eenmaal uit dienst werd ik direct benaderd door de pastoor in Pijnacker met de vraag of ik op de jongensschool aldaar wilde komen werken. Op 3 mei zwaaide ik af en op 7 mei stond ik, zonder enige ervaring, voor de klas.
Ik moest de plek innemen van een onderwijzer die min of meer was weggepest. Dat beloofde dus wat!
Ik kreeg 42 leerlingen in mijn klas. Hele rijen schoolbanken en de grote kolenkachel achterin het lokaal.
In die tijd had je nog een klasseverschil: rijkere en armere kinderen en dat was zelfs op het schoolpein te merken door de vele vechtpartijen die plaatsvonden. Je had toen nog geen teamvergaderingen.
Je werd zo voor het blok gezet: ga maar les geven. Contact met ouders was er niet. Het schoolsysteem was een soort opzitten en pootjes geven. Ik heb geprobeerd daar wat verandering in te krijgen, hoewel dat niet mee viel.
Iets proberen te veranderen viel niet in goede aarde. De andere onderwijzers waren allemaal ouder dan ik.
Toch is het gedeeltelijk gelukt.


Meester De Boe geeft zijn leerlingen les in het damspel, 1966.

Tot oktober 1959 stond ik in Pijnacker met als hoofd de heer Drummen. Ik heb later nog zijn zoon als collega leren kennen.
Als onderwijzer moest je jezelf waarmaken.
Waar ik moeite mee had was dat alle kinderen in dezelfde periode, dezelfde prestaties moesten neerzetten.
De minst bedeelden hadden het erg zwaar, terwijl de goede leerlingen in feite te kort werden gedaan.
Dat ik een jonge onderwijzer was, bleek voor de school toch een verademing te zijn.”

Denk niet dat De Boe in die tijd veel verdiende. Mensen met lagere opleidingen verdienden vaak veel meer.
“We waren echter snel tevreden met wat we hadden,” zegt hij welgemeend.

Fijnste periode
Wat later in de tijd zag hij een advertentie staan: onderwijzer gevraagd in Berkel en Rodenrijs. Woning beschikbaar. En dat was wat hij graag wilde: een eigen onderkomen en een eigen gezin stichten. In 1959 werd hij onderwijzer op de Jozefschool in Berkel. In eerste instantie ging de woning aan zijn neus voorbij: iemand anders had deze al toegewezen gekregen. Gelukkig kreeg hij toch een woning in de Oranjestraat waar hij nog steeds woont.
De Jozefschool lag toen midden in de polder. Woningen stonden er nog niet. De school was bereikbaar via een pad dat bij ‘de Acht Zaligheden’ naar beneden liep (nu de Van Naeldwijcklaan, red.) of via het pad tussen de tuin van mijnheer pastoor en het kerkhof door. Vlakbij de school lag het voetbalveld van T.O.G.B. Nu ligt er de Burg. Hendrixstraat.
                
Carnaval op school in 1965. Links ziet u de oude gymzaal. Achteraan de
gebouwen van T.O.G.B.

Het was ook een jongensschool. Eén klas zat nog in de oude Jozefschool aan de Noordeindseweg.
Als populaire jonge onderwijzer zijnde, richtte hij een schaakclubje op voor de vrije woensdagmiddag.
Na het schaken mochten ze nog wat gymnastiek doen in de gymzaal. Dat vonden de leerlingen wel wat.
Het was een gezellige, maar ook hectische tijd. Op een gegeven moment werd hij door de toenmalige wethouder Pörtzgen gevraagd docent te worden op de Roncalli Mavo in Rotterdam. Ze zochten iemand die bereid was om de kinderen wat meer individueel te begeleiden.

“Ik ben daar drie jaar geweest, want daarna kwam de vraag vanuit Berkel of ik hoofd van de Jozefschool wilde worden. Dat heb ik toen aanvaard, echter met de voorwaarde dat het weer zou terug gaan naar een zesklassige lagere school.
Dat was in 1971. Ik heb daar dertien jaar met ongeveer hetzelfde team collega’s met veel plezier gewerkt.
Een van de fijnste periodes uit mijn loopbaan, mag ik wel zeggen. Ik heb er de nodige veranderingen meegemaakt, zoals een jaarlijkse sportdag, een werkweek en ouderparticipatie, zodat ook de ouders wat meer bij het schoolgebeuren werden betrokken. Vernieuwingen? Prima, maar je moest het wel kunnen behappen.
Er kwam ook wat meer individueel onderwijs (bepaalde leerlingen kregen leeslessen) en er was meer groepswerk zoals projecten. Zo startten we ook met technisch niveau lezen. Nu is dat gemeengoed geworden.
Ik ben toen ook op speelse wijze begonnen met het geven van bridgelessen aan kinderen als voorbereiding voor later. Ook kwamen de musicals er aan.”

Orde en regelmaat
In 1985 fuseerden de Petrus- en de Jozefschool, mede omdat het aantal leerlingen af nam. De meeste docenten waren er niet zo van gecharmeerd, maar het ging toch door.
Bij de fusie wilden Paul Groos (directeur St. Petrusschool, red.) en ik beiden directeur worden. Mij maakte het op zich niet zo veel uit, als ik maar dezelfde faciliteiten (rechtspositie, salaris en dergelijke) mocht behouden.
Mijn wens was om gewoon groepskracht te blijven en geen adjunct-directeur.
Later heette de school ‘de Wilgenhoek’ en nog steeds wordt deze naam gebruikt. Omdat de meeste kinderen ver weg woonden en dus ver moesten lopen, mochten ze overblijven.“

In 1995 mocht De Boe, na 40 dienstjaren, in de VUT zoals dat heet. Na zijn afscheid heeft hij nog geholpen met het ordenen van een schoolbibliotheek. Het moet hem oprecht van het hart dat hij altijd bewondering heeft gehad voor zijn collega’s. “Ze hadden beslist geen 9 tot 5 mentaliteit en keken dus niet op een uurtje extra.
In die tijd nam je ook alle schriften mee naar huis om het huiswerk en de gemaakte proefwerken na te kijken.”
De Boe vindt dat de rol van de ouders in de loop van de jaren is veranderd. “Die zijn tegenwoordig vaak te meegaand, ook wat betreft de opvoeding. Kinderen zijn minder snel tevreden.
Zelf hecht ik waarde aan een zekere orde en regelmaat, je grenzen stellen, al moet je altijd wat flexibel blijven.”

De grootste klas die hij ooit heeft gehad? “Dat was er een met 52 leerlingen gedurende een gedeelte van het jaar!
Dat komt nu niet meer voor.” En die inktpotjes? Die werden later vervangen door de bekende balpen, al had die in het begin ook kuren zoals lekken of breken. Ook de calculator ging een zekere rol spelen bij de rekensommen.
Mede daardoor ging het hoofdrekenen langzaam aan minder vlot dan in het verleden.
Maar zijn er nu nog veel kinderen die uit het hoofd kunnen rekenen? U mag deze vraag zelf beantwoorden!

                                                                  Meester de Boe, in 1975

(De schoolfoto’s zijn afkomstig uit het album van Aad de Boe).

John Hofman

Lijst met subpagina's