Verhalen‎ > ‎

J. Blaauw - hoofdcommissaris

Het moordonderzoek in historisch perspectief

lezing door J. Blaauw

Op maandag 24 april is de jaarlijkse Ledenvergadering gehouden in gebouw De Ark. Dat was maar goed ook, want de opkomst voor de lezing na de ledenvergaderinwas enorm. Na de pauze werd het woord gegeven aan de heer J. Blaauw. In zijn werkzame leven heeft hij als hoofdcommissaris van de politiin Rotterdam vele moorden helpen oplossen. Hiervoor volgde hij in Washingtoeen opleiding aan de FBI Academy, waarvoor hij in 1966 stage liep bij dAfdeling Homicide (moordzaken) in Chicago en in Kansas City. Na zijn pensionerinschreef hij een aantal (10) boeken (non-fictie), met name over zijervaringen in moordonderzoeken.

De moord op Ripping
De heer Blaauw vertelde dat hij voorafgaande aan de lezing nog is gebeld met het verzoek of hij voor de radio alvast de oplossing van de beruchte moordzaak kon geven. Hij deelde deelde echter mee dat hij hierover geen mededelingen kon doen in verband met het onderzoek en hield de spanning hoog!

Stelt u zich eens voor: Berkel en Rodenrijs in 1899. Een stil boeren dorp, met enkele pachters en vele landarbeiders.
De grote groene polders waren nog leeg en de lintbebouwing kronkelde van noord naar zuid, onderbroken door de Herenstraat en de Kerkstraat. Er gebeurde nooit iets, tot de avond van 17 januari 1899.
De 74-jarige Machiel Ripping opende de deur en werd meteen overvallen door twee mannen en moest dit met de dood bekopen. Zijn huishoudster Gerrigje Vrielink schoot hem, te hulp en werd daarop ook neergeslagen.
De volgende ochtend werden zij gevonden. Machiel Ripping lag in een grote plas bloed, zijn hoofd was ingeslagen.
Hij had nog getracht zich te verweren want naast hem lag zijn sabel. Gerrigje leefde nog, maar was bewusteloos en overleed een dag later.

Hoofdcommissaris J. Blaauw

Veldwachter Volkert van der Zande en de arts Finkenflügel waarschuwden meteen burgemeester Van der Meer-de Walcheren, die vol afschuw verklaarde dat ze letterlijk waren afgeslacht.
Het huis van werd doorzocht en meteen werd duidelijk dat het om een roofmoord ging. De kasten waren opengebroken en een pakket aandelen ter waarde van zo’n dertigduizend gulden was verdwenen.

Een dergelijk misdrijf was te groot om door de veldwachter af te handelen en dit werd meteen aangegrepen om meer politie in de gemeente te krijgen.

De burgemeester stuurde een brief aan het Ministerie van Justitie met het verzoek om bijstand. “....in verband met de alhier plaats gehad hebbende misdaad, zijn de gemoederen van mijne ingezetenen zeer verontrust...”schreef hij, “...het valt echter niet te ontkennen dat het platteland en voornamelijk deze gemeente, door hare groote uitgestrektheid en het algeheele gemis aan Rijkspolitie bij uitstek een geschikt terrein is om capitale misdrijven, als zich nu hebben voorgedaan, te plegen.”

De Rotterdamse inspecteurs Alberda en Bergsma werden daarop voor verder onderzoek naar Berkel gezonden.
Na het verhoor van zeven getuigen hun onderzoek leverde twee verdachten met een twijfelachtige beschrijving:
De een groter dan de ander, beiden knap gekleed. Een droeg een gleufhoed en de ander een pet. een van de mannen had een opvallend spitse neus en de ander droeg een vals snor, die contrasteerde met de kleur van zijn haar.
De verdachten waren richting Rotterdam verdwenen. Intussen waren de lijken van Machiel Ripping en zijn huishoudster naar Leiden gebracht voor nader onderzoek.
Later is een gevonden stukje been, dat in de volksmond “de vinger van Ripping” werd genoemd, in een lucifersdoosje met zwart band nagestuurd.

Een boef 1e klas
De moord werd in het Rotterdams Nieuwsblad van 30 januari 1899 aangekondigd. “...Het gemoedelijke stille dorpsleven dat daar in de betrekkelijke verlatenheid van de polder heerscht, is heden op afschuwelijke wijze verstoord. Wie het dorpje kent weet, dat van de hoofdstraat een grindweg zich buigt naar rechts op Zegwaard aan. Langs dien weg staan pachthoeven en kleine landhuisjes, in een lange gebroken rij, met de nieuwe Katholieke kerk in het midden...”

De inspecteurs gingen met het resultaat van hun onderzoek en de getuigenverklaringen aan de slag en kwamen met vijf mogelijke daders. Cornelis Uitenboogert, boef 1e klas; Antony Kraaijenbrink, rasboef; een 1e klas boef genaamd Schmitz en dan nog eene Hanneman en Alberts, maar die laatste drie bleken te zijn verzonnen.
De moord was intussen in heel Nederland en in Belgie bekend geworden, vandaar dat Kraayenbrink werd herkend toen de Antwerpse kleermaker die zijn kleding moest verstellen bloed vond op zijn kleding. Uitenboogert werd gearresteerd toen hij in de Amsterdamse Kalverstraat probeerde de gestolen aandelen te verkopen.

Getuige Emons verklaarde ook hem te herkennen, waarop Uitenboogert zei: “...die staat te klessen!”
Na het proces werd hij in 1903 veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf. Men was destijds niet in staat om aan te tonen of het bloed aan de broek van Antony Brinkman van een mens of een dier afkomstig was, laat staan van Machiel Ripping. Hij werd vrijgesproken bij gebrek aan bewijs. De kosten van het hele onderzoek waren aanzienlijk.
Aan timmerman Overmeer moest 16 gulden voor twee grafkisten worden betaald, het vervoer van de lijken naar Leiden heen en terug kostte 60 gulden met de overige kosten zoals de verstuurde telegrammen van de burgemeester kwam tezamen op een bedrag van maar liefst f. 93,85

Op deze ansichtkaart van de Noordeindseweg uit 1930 zien we links achter de
bomen het huis waar Ripping met zijn huishoudster woonde.
Het tweede huis staat er nog steeds. Even verderop staat de RK kerk.


De Zeven “W’s”
In zijn onderzoeken naar moord vanaf 1880 kwam de heer Blaauw ook een aantal gevallen tegen van kinderen die ontvoerd en vermoord waren, zoals in 1880 toen de ontvoerder een briefje schreef met de eis om losgeld.
In 1910 uitte de moordenaar van een 10-jarig meisje zijn wraakgevoelens in een brief aan haar ouders, met de aanduiding van haar laatste rustplaats.

Meer recent is het geval van een 8-jarig jongetje dat in de sloot langs de Boterdorpseweg werd gevonden.
De tipgever werd later door het vinden van voetafdrukken in zijn kelder, ontmaskerd als de dader die de jongen daar had misbruikt en gewurgd. De heer Blauw gaf ons aan de hand van voorbeelden les in het oplossen van moord.
Een rechercheur gaat altijd uit van de zeven W’s: wie, wat, waar, wanneer, waarom, waarmee en welke wijze.
In een geval had de moordenaar het lijk met een antennedraad en een steen verzwaard, zodat het op de bodem van een rivier zou blijven liggen. Het werd toch gevonden en na onderzoek bleek dat er “slechts” 15km van deze kabel in Nederland was verkocht. Een speurtocht van de fabriek leidde via de winkel naar de moordenaar.
Een moord in Kralingseveer kon worden opgelost door het tijdstip van de moord te bepalen en dit te vergelijken met de duur van de route die de dader kan hebben afgelegd.

De politie grijpt daders ook undercover, zoals de als vrouw verklede agent die zo een aanrander arresteerde.
Er zijn, zo legde Blaauw uit, ook mensen die niet alleen een valse verklaring afleggen, maar ook zelfs een niet door hen gepleegde misdaad bekennen. Dergelijke mensen zijn sterk in het ontfrutselen van gegevens om ze te misbruiken in hun eigen verhaal en op deze wijze aandacht krijgen. De drang van de rechercheur om een dader te pakken (tunnelvisie) kan er dan toe leiden dat de verkeerde wordt veroordeeld.
De Amerikaanse Henri Lucas bekende elke moord die op hem werd afgeschoven tot een aantal 360. In zijn gesprek met de heer Blaauw bekende hij tenslotte ze allemaal om de tuin te hebben geleid.

Hoofdcommisaris Blaauw eindigde zijn verhaal met de opmerking dat alleen in krimi’s op televisie 100% van de gevallen wordt opgelost.
Op een vraag uit de zaal over de beruchte zaak van Dokter O. grapte hij: “Speelde dat ook in Berkel?”
Hij had dit geval nog niet onderzocht....

Ron Tousain

Lijst met subpagina's