Verhalen‎ > ‎

Arend Mostert - raadslid

Inleiding
Sommige Berkelnaren hebben een ‘bekend’ gezicht voor veel mensen. Eén daarvan is Arend Mostert die, inmiddels de tachtigjarige leeftijd bereikt hebbend, kan terugzien op een werkzaam en actief leven.
Jaren achtereen was hij ouderling in de Hervormde Kerk en tevens vele jaren gemeenteraadslid voor het CDA in Berkel en Rodenrijs. We willen u zijn levensverhaal, dat hij op verzoek van de redactie heeft geschreven, niet onthouden.

Aan de Meerweg nr. 9 (het huisnummer zal inmiddels wel zijn gewijzigd) zag ik in 1928 het levenslicht.
Een van de meest dierbare herinneringen is, dat ik in de bedstee sliep in de slaapkamer bij mijn ouders.
Veel woonruimte had je in die tijd niet. Op 6- jarige leeftijd ging ik lopend naar school. De wegen waren toen nog niet verhard. Op zowel de Meerweg als de Klapwijkseweg lag een zogeheten paardenstraatje waar je overheen kon, want de wegen waren met name in de winter vaak heel slecht te begaan.
De school in de Kerkstraat was een Hervormde school. Hierop was de keuze gevallen omdat mijn ouders meelevend Nederlands Hervormd waren. De eerste twee jaren waren niet zo’n groot succes. Ik werd door mijn moeder naar school gebracht. De eerste maanden was ik meestal eerder thuis dan mijn moeder en dan kroop ik weg achter het konijnenhok, waar ze mij uiteraard ontdekte.

Vanwege een sterfgeval in de familie trokken mijn ouders in bij Oom Giel van Wijk in de Kerkstraat, dus naast de school. Dat kwam doordat diens vrouw was overleden (hij was zelf ongeveer 28 jaar oud) en hij achterbleef met een dochtertje. Mijn ouders wilden voor hen zorgen. Na ongeveer twee jaar kwam daar een einde aan en verhuisden mijn ouders naar de Rodenrijseweg 8a.
Dat stond zo scheef, dat als je soep op schepte, het er aan één kant over de rand van je bord weer uit liep.
Je had dus nooit een vol bord! Dat waren ook de jaren dat je als jongen steeds meer besefte wat er al zo leefde in Berkel.
’s Zondags gingen we meestal twee keer naar de kerk en de jongelui moesten rond de kansel gaan zitten, zodat ze in de gaten gehouden konden worden. Nou, dat ging niet altijd even goed, zodat ds. Stigter opdracht gaf aan koster Leeflang om ons daar vandaan te halen en bij laatstgenoemde plaats te laten nemen, met het risico een flinke draai om je oren te krijgen.

En eerlijk gezegd: als jongen was ik op z’n zachtst gezegd ook niet zo’n lieverdje. Het volgende deed zich op een keer voor: Dominee Stigter stapte niet gewoon op zijn fiets, maar had aan het achterwiel een soort opstapje en dan ging hij met één been daarop staan om vervolgens het andere been met een zwaai over het zadel te tillen.
Als ik dat dan weer eens had gezien, zei ik tegen mijn vader: “Ik heb de broer van onze Lieve Heer gezien”.
U zult begrijpen dat dit niet in goede aarde viel!

Mijn tienertijd. Er was in Berkel niet zo veel ontspanning. Ja, wel een zwembad, maar dat was uiteraard op zondag gesloten. Maar omdat je die dag vrij was, klom je met je kameraden over de hokjes en ging dan toch zwemmen, maar o wee: een bestuurslid, de oude Piet de Vogel, had dit vanuit zijn woning met zijn verrekijker gezien en dan liep het slecht af.
In 1942 kwam ik van school af en ging daarna bij mijn vader in de tuin werken van ’s morgens zes tot ’s avonds zes en wérken met je tabberd! In die jaren was er weinig te beleven. Je moest ’s avonds om tien uur binnen zijn.
We hebben minstens twee winters volop van het ijs kunnen genieten. Van de Boterdorpseweg tot aan de Kralingseplas kon je schaatsen, omdat de polders onder water werden gezet. ’s Winters veel ijs en ’s zomers regelmatig zwemmen. Over zwemmen gesproken: dat mocht niet in de vaart maar ja, wat niet mag doe je toch, totdat de politie ons maande er uit te komen. We gingen zelfs onder aan de Klapwijksebrug hangen, maar dat geintje koste toen wel geld.

Als jongen werkzaam in de tuin bij je vader, werd je ‘omgeschoold’ tot aardbolstoffeerder en u zult begrijpen wat ik daarmee bedoel. De teelt van toen was kleinschalig, maar de variatie was veel groter dan nu.
Nu zijn de teelten grootschaliger, maar wat eenzijdiger. Die ontwikkeling is in 1945 begonnen en het einde is nog niet in zicht.
Gelukkig maar, anders zou de bedrijfstak verpauperen. Denk alleen maar aan de brandstof: begonnen met kolen, daarna de olie en dan nu het aardgas.

Gevormd
Na wat rondgekeken te hebben na de bevrijding in 1945, gaan op een gegeven moment de wilde haren eraf.
Dat alles was niet zo verwonderlijk, want in de oorlogsjaren was er weinig of niets mogelijk.
In 1948 ontmoette ik Alie Riethoff en na vijf jaar verkering zijn we in 1953 getrouwd. Dat zou ik willen betitelen als de tweede fase van mijn leven.
Toen was ook de periode ‘Jongelingsvereniging’ voorbij waar je als jonge knaap een behoorlijk stukje werd ‘gevormd’, wat me echter goed van pas is gekomen in mijn verdere leven.

Foto links: Arend Mostert met zijn zoon bij de kas

Vanuit onze woning aan de Klapwijkseweg 68 heb ik voor mijn verdere leven een aantal zaken op een rijtje gezet.
Eén wens van mij was, dat ik niet het voorbeeld van mijn vader wilde volgen: hij was ouderling bij de Hervormde gemeente, gemeenteraadslid, bestuurslid in de CBTB (Chr. Boeren- en Tuinders Bond) en bestuurslid bij een plaatselijke bank. Maar dat hield ik slechts vol tot mijn 35e levensjaar. Daarna heb ik toch het voorbeeld van vader gevolgd en in feite dezelfde functies gehad.

De eerste ‘roeping’ diende zich al snel aan, want ik werd secretaris van de CBTB en later kringbestuurder.
In de zeventiger jaren verkeerde de tuinbouw in zwaar weer. Er is toen volop actie gevoerd om het beter te laten worden. Dat ging toen uit van de HLO (Hollandse Landbouw Organisatie) plus dat de veilingen er aan meewerkten.
Er speelden toen twee zaken: de energie concurrentie vanuit de Oostbloklanden deed de tuinbouw de das om. Vervolgens kwam de oliecrisis, die er toe heeft geleid dat er massale protestbijeenkomsten in de veilinghallen en sportstadion Galgenwaard in Utrecht werden gehouden. Uit die dip zijn we gelukkig ook weer gekomen.

 Het volgende probleem diende zich daarna aan. Eind zestig, begin zeventiger jaren kampte de tuinbouw met een groot tekort aan medewerkers. Een onderzoek wees uit dat het ging om ongeveer 150 mensen.
Vanuit Berkel zijn twee tuinders plus een Marokkaanse tolk de benodigde tuinbouwmedewerkers in Marokko gaan werven. Een maand later is er toen een groep Marokkanen naar het tuindersgebied gekomen.
Het heeft heel wat voeten in de aarde gehad en de nodige spanningen gegeven voordat ze mochten komen.
We hadden er alles aan gedaan, onder meer via de desbetreffende Ministeries, om werkloze Hollanders in te zetten maar helaas, die vonden het werk te smerig en te zwaar en bovendien zouden we volgens hen te weinig betalen, ondanks het feit dat er een heel goede C.A.O. bestond.

‘Roepingen’
De tweede ‘roeping’ was die van ouderling in de Hervormde kerk. Ik bracht menig huisbezoek bij de mensen waarbij ik altijd heb geprobeerd ze te adviseren en te helpen indien dat nodig én mogelijk was. De kerk had en heeft tenslotte nog steeds niet voor niets een diakonie-‘potje’ van waaruit mensen zo nodig financieel geholpen kunnen worden.
Twee periodes heb ik dat, met een rustpauze tussendoor gedaan: één van tien en één van zes jaar. Dat ik dat ambt aanvaardde zag ik als een opdracht. Heel moeilijk, maar zeer dankbaar werk door tal van mensen die de weg waren kwijtgeraakt, of door overlijden van zijn of haar levensgezel het niet meer zagen zitten, bij te staan.

De derde ‘roeping’ was die van gemeenteraadslid, door de inwoners gekozen, om mee te denken over wat goed was voor onze gemeente. Met name had men mij gekozen om de belangen van de tuinders te behartigen.
Tevens ben je dan de vraagbaak voor alle ingezetenen van de gemeente. Naar ras of politieke kleur keek ik niet. Iedereen was voor mij gelijk. Ik zag dit werk als een opdracht van mijn grote ‘Opdrachtgever’.
Mijn vrouw zag dat ook zo, want als je veel tijd wilt steken in je medemens, moet ook je partner daar achter staan.
Als raadslid was ik actief genoeg, want als er problemen waren, dan ging ik mij persoonlijk van de situatie op de hoogte stellen. Dit zouden alle politici moeten doen! Je kunt meestal pas over iets mee praten, als je het met eigen ogen hebt gezien.

                                                         Klapwijkseweg 68, het huis van Arend Mostert

Zestien jaar ouderling, dertig jaar C.B.T.B. en twintig jaar raadslid, de tijd is om gevlogen. Op een gegeven moment ben je de zeventig jaar gepasseerd en al weer enige tijd ambteloos burger. Dan koop je twee nieuwe fietsen om je vrije tijd wat invulling te geven en dan overlijdt je ‘maatje’ met wie je zo veel jaren lief en leed hebt gedeeld.
Zo goed en zo kwaad als het gaat probeer je je leven weer op de rails te zetten en dat is mij gelukt, al mis ik haar tot op de dag van vandaag nog steeds. In de jaren daarna komen er dan wat gezondheidskwalen opborrelen.
Een hartinfarct was zelfs enkele jaren terug mijn ‘deel’, maar gelukkig ben ik er weer bovenop gekomen.
Dan besef je pas dat je voor elke dag die je er nog bij krijgt, blij moet zijn.
Ja, uiteraard moet je het allemaal wat rustiger aan doen en dat was voor mij, mezelf kennende, niet zo gemakkelijk.
Het gaat, wat de gezondheid betreft, gelukkig weer redelijk goed en ik hoop dat ik er nog wat jaren bij krijg.
Ik blijf echter wel de plaatselijke politiek en alles rondom de Hervormde Gemeente volgen, al maak ik me nu wat minder druk dan vroeger! En dat bevalt me prima.

(De foto’s bij dit artikel zijn afkomstig uit het familiealbum van Arend Mostert)
Arend Mostert, 2009

Lijst met subpagina's