Herinneringen

INTRO


Jan Rozendaal (geboren 28 juli 1915, overleden waarschijnlijk in jaren '90) was werkzaam als ploegbaas in het tuindersbedrijf van gebroeders van der Kaaden in "Siberie", maar is vooral bekend geworden als de verzetscommandant in de oorlogsjaren als leider van de groep Berkel, Bergschenhoek en Bleiswijk.

Rozendaal had weliswaar geen militaire achtergrond, maar hij beschikte over grote leiderscapaciteiten en had zich van eind 1942 af zeer verdienstelijk gemaakt in de L.O. (Landelijke Organisatie voor onderduikers) voor Rotterdam en omgeving.

Al spoedig kreeg hij van zijn medestrijders de bijnaam 'Tito', naar de grote partizanenleider in Joegoslavië. Het was voor leiders te gevaarlijk om met hun eigen naam door het leven te gaan. Voor de bezetter had Rozendaal als schuilnaam Jan Roos.

Maar Jan Rozendaal was natuurlijk niet alleen. Zijn hele familie (broers, zussen) zaten in het verzet en niet voor niets is er een straat genoemd naar deze familie, de Rozendaallaan in het Rodenrijs (zie helemaal onderaan deze pagina).
Ook op deze pagina is te lezen dat Koen Rozendaal, een broer, is gefusilleerd in de oorlog.

De ploeg waarover Jan Rozendaal in de oorlog kon beschikken bestond uit : Karel van der Kaaden, Jan van der Kaaden, Arie Rozendaal, Siem Rozendaal, Dirk Rozendaal, Henk In 't Veen, Cees In 't Veen, Johan Rozendaal, Leen Muis, Teun de Gelder Wzn, Wim van der Spek, Jac. Hordijk Gzn, Arend Hordijk Lzn, Johan Bette, Arie Smit, Tinus Grootendorst, Jan Hensen en Jan Rozendaal zelf.
Korte tijd later kregen zij versterking van:
Isaak Havenaar, Gerrit van der Kaaden Gzn, Paulus Rozendaal, R. de Bruin, C. Heystek, Frank van der Burg, Piet Hordijk, A. Haalboom, Jan van der Lugt Jzn. en Gerrit Rozendaal.
(bron: namen uit Op 5 mei ben ik opnieuw geboren, Leo Bolleboom)

De familie Benschop zat ook, letterlijk en figuurlijk, dicht bij het vuur.
Een zoon en 4 schoonzoons (waaronder Jan Rozendaal) namen deel in het verzet.
Lees ook hoofdstuk Bedrijf, winkel, café e.d. / Stationskoffiehuis.
Ook Jan Hensen (zie foto rechts), één van die schoonzoons, kwam uit de oorlog als een verzetsheld.
Lees zijn herinneringen bij het hoofdstuk Oorlogsjaren 1940-1945 / Herinneringen

Sieb Eldering (foto links). Eerst woonachting in de Nieuwstraat 6, in 1951 verhuisd naar Prins Bernardlaan 1, overleden in 2003. Hij was vanaf 1940 werkzaam op het gemeentehuis van Berkel en Rodenrijs. Nieuw op het gemeentehuis, maar direct al volop in de administratieve oorlogsverwikkelingen. Hij had o.a. te maken, samen met Riet Mostert (zijn latere echtgenote), met het opschonen van het bevolkingsregister. Bijv. door het “niet nauwkeurig” verwijderen van de overledenen uit het register kon hij andere mensen helpen in de latere oorlogsjaren. Zo wist hij te voorkomen dat diverse mensen naar Duitsland moesten om daar te gaan werken. En anderen werden "jaren ouder" gemaakt op papier.

Sieb Eldering had nauwe contacten met leden van het Verzet, dat moest ook wel omdat hij enerzijds als spin in het web zat op het gemeentehuis maar anderzijds ook op datzelfde gemeentehuis aanspreekpunt was voor de Duitsers.
Het Verzet maakte bij overvallen blanco persoonsbewijzen buit, en ook zegels voor de distributiekaarten, waarna Sieb en Riet (die op een distributiekantoor werkte) deze konden bewerken.
Ook had hij nauwe contacten met burgemeester Gründemann die in de oorlogsjaren was ondergedoken in Zoetermeer.
(info via HVBR)

Maar ook en vooral tientallen niet-genoemde anderen werden helden, zie ook de foto's van de secties/knokploegen van het verzet onderaan deze pagina, en waarvan er 9 mede-dorpelingen waren die in deze moeilijke oorlogsjaren de confrontatie met de Duitsers niet hebben overleefd (hoofdstuk Oorlogsjaren 1940-1945 / Gevallen dorpsgenoten).

Het waren spannende tijden in de oorlog, hetgeen wel blijkt uit de diverse verhalen op deze pagina, zoals "Het laatste gevecht op Nederlandse bodem" en ook, in net wat andere woorden "Bevrijdingsdag werd oorlogsdag".

Jan Rozendaal, in de jaren '90 overleden, werd na de oorlog in 1959 kantinebeheerder van de nieuwe veiling.
Hij nam daarmee eigenlijk het stokje over van Arie Benschop die in de tientallen jaren daarvoor in het Stations-koffiehuis de "horeca" verzorgde voor de veilingklanten (zie hiervoor het hoofdstuk Bedrijf, winkel e.d. / Stationskoffiehuis). Jan zelf woonde met zijn gezin in de Bonfut, waar hij voorheen met zijn ouders ook al woonde.



Herinneringen van mevr. Eldering

Mijn moeder werkte in de oorlog op het kantoor in Pijnacker.
Op basis van deze kaart kreeg je voedselbonnen, kledingbonnen etc. Op de stamkaart werd dan aangekruist welke bonnen je had gekregen waarmee je in de winkel spullen kon kopen.
De stamkaart werd geldig door een zegel en een stempel van het distributiekantoor. De voedselbonnen etc moesten allemaal afzonderlijk van een stempel worden voorzien, anders waren ze niet geldig.

Er was een enorme (verzets-)organisatie om bonkaarten en stempels te distribueren voor onderduikers. Niet alle kaarten en bonnen konden natuurlijk uit Berkel en Pijnacker komen, net als de persoonsbewijzen, omdat dat teveel in de gaten zou lopen.

De stempels werden bewaard in een kluis op het distributiekantoor in Pijnacker. Mijn moeder nam ze vaak mee naar huis, om kaarten voor onderduikers af te kunnen stempelen. Ze vervoerde op de fiets ook pakken bonkaarten voor het verzet. Deze kring had nummer 377, mijn vader kreeg via het verzet bonnenboekjes (zelf heeft hij ook meegedaan aan overvallen). Mijn moeder stempelde de boekjes af zodat er voor onderduikers spullen gehaald konden worden.

Onderweg van Pijnacker naar Berkel en weer terug, kwam ze uiteraard vaak Duitsers tegen. Het is gelukkig altijd goed afgelopen.
De directeur van het distributiekantoor in Pijnacker, de heer Barendse, is aan het begin van de oorlog gefusilleerd. Voor zover bekend had hij joodse onderduikers in huis in Voorburg en is verraden. Er stond een foto van hem op kantoor met bloemen er bij. Door de landwachters is dit aangegeven, een aantal collega's van mijn moeder zijn opgepakt. Mijn moeder weet niet waarom er maar een paar opgepakt zijn, en zij zelf en andere collega's niet.
Hoe minder je van elkaars activiteiten wist, hoe beter. Eentje is gefusilleerd, eentje is ondergedoken, een aantal anderen zijn naar het concentratiekamp afgevoerd. Slechts één iemand van die groep is na de oorlog teruggekeerd uit het kamp.

Mijn vader werkte op het gemeentehuis in Berkel en heeft in samenwerking met collega's van andere gemeentes in Zuid Holland onder andere gemeentelijke administraties 'aangepast', waardoor zij persoonsbewijzen voor onderduikers, neergeschoten Engelse piloten en verzetsmensen konden maken met gegevens van overleden bewoners uit de hele provincie.

De oorlog heeft altijd zijn sporen nagelaten in het leven van mijn ouders. Ze hebben bloedstollende dingen meegemaakt. Maar mijn ouders - en velen met hen - vonden dat ze niet anders konden. 'Het kwam op mijn pad' zei mijn vader. Hij is zijn gesneuvelde vrienden en kameraden nooit vergeten. Mijn moeder zegt dat ze zich vooral de kameraadschap en het vertrouwen herinnert. Maar de angst en het verdriet natuurlijk ook.

Ik ben dankbaar dat wij in ons land in vrede leven. Ik heb nog nooit de keuzes hoeven maken die mijn ouders en hun vrienden en collega's toen moesten maken. Het is goed om daar 4 mei gezamenlijk bij stil te staan.

(bron: Facebook / (dochter) Erna Eldering)



ILLEGAAL DRUKKEN EN STENCILLEN

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd er ook illegaal blaadjes gedrukt en/of gestencild. Het gestencilde blaadje dat in Berkel en Rodenrijs bij de familie van Herk aan de Zuidersingel (nu Molenkade) werd gemaakt, heette
"Het nieuws van de Fronten".

Het was in de nazomer van 1944 toen men begon met dat blaadje, dat de moed onder de bevolking erin moest houden. Daarvoor had men een oude drukpers te leen gekregen van meester van der Berg van de Margrietschool in Oude Leede. Deze drukpers stond daar toch maar als curiositeit.

Maarten van Herk heeft de pers, samen met zijn broer Aad van Herk en ook Jaap de Kroes, bij hem thuis op zolder geïnstalleerd. Het nieuws werd vergaard met ontvangapparatuur dat verborgen werd gehouden in de hooitas. Er lagen ook wapens en voedsel verborgen op het erf, hetgeen redelijk eenvoudig was omdat pa Joris van Herk boer was.

Het lukte om de drukpers aan de praat te krijgen en het duurde dan ook niet lang voordat het eerste exemplaar kon worden gedrukt van
"Het nieuws van de Fronten". 
Deze hoofdtitel was verzonnen door Aad van Herk en Jo de Kroes.
Door koeriers werd de oplage, die per dag werd gedraaid, weggebracht naar mensen van wie men zeker wist dat ze aan de goede kant stonden.

Dat wegbrengen gebeurde meestal in de avonduren als het donker was geworden. Deze contactpersonen woonden in de Oude Leede, Pijnacker en Berkel en Rodenrijs en op hun beurt zorgden zij er weer voor dat de blaadjes werden bezorgd.

Omdat er op het laatst van de oorlog steeds meer nieuws kwam drukte men bijna dagelijks een exemplaar.
Door laster en verraad is het ook voorgekomen dat men moest verhuizen naar een andere locatie, die werd gevonden boven de Margrietschool in de Oude Leede.
Op zaterdag 12 mei 1945 verscheen het laatste nummer van "Het nieuws van de Fronten". In totaal zijn er 145 verschillende nummers van dit blaadje in Berkel en omstreken verspreid.

De familie van Herk hield niet alleen wapens, vlees en een drukpers verborgen voor de Duitsers, maar ook hebben leden van een Rotterdamse verzetsgroep er een veilig onderkomen gevonden.
Door middel van een koerierster die elke dag langskwam onderhielden zij contact met Rotterdam. Zij nam dan de gegevens mee die op die dag verzameld waren.

Ook de gebroeders Aad en Maarten van Herk droegen op die manier hun steentje bij met het verzamelen van gegevens en dat kon wel eens verrassende gevolgen hebben, zoals onderstaand blijkt :

Met een oud Kodakje trokken zij er dikwijls op uit om bepaalde objecten te fotograferen, zoals bijvoorbeeld de autosloperij van Fuik aan de Oude Rotterdamseweg, waar toentertijd hoge Duitse officieren waren gevestigd.
Nadat hun gegevens over deze zaak via Rotterdam in Engeland waren aangekomen hoorden zij op een zondagmorgen dat de zaak van Fuik dezelfde middag zou worden gebombardeerd en inderdaad verschenen op het afgesproken uur enkele bommenwerpers van de R.A.F. om het gebied met brandbommen te bestoken. Het duurde niet lang of alles stond in brand.
En zo had een niet eens zo belangrijk bericht via een lange communicatielijn in Engeland geleid tot een speciale opdracht voor een gerichte aanval!

(bron: Op 5 mei  1945 ben ik opnieuw geboren, Leo Bolleboom)

Er waren begin 20e eeuw 4 broers van Herk rondom de Molenweg (toen zelfs nog geen Zuidersingel genoemd, maar Polderweg), namelijk :
- Joris van Herk die de boerderij had aan (nu) de Molenkade waarin later zoon Maarten van Herk zijn garage begon,
- Willem van Herk (van de Molenweg),
- Piet van Herk (die o.a. het huis van v.d. Spek aan de Molenweg 44 op eigen grond bouwde)
- Janus van Herk (die o.a. de huizen van Aldert v.d. Spek en Cees Eijgenraam bouwde, ook op eigen grond).

                                            (bron: "Op 5 mei ben ik opnieuw geboren", van Leo Bolleboom)



VERZETSMAN JAN HENSEN


Tijdens de tweede wereldoorlog zette Jan Hensen zich actief in voor het Berkelse verzet. Het was een avontuurlijke en heftige tijd, waarvoor hij onlangs een belangrijke Amerikaanse onderscheiding ontving.

Jan Hensen was 20 jaar en zat in militaire dienst toen de oorlog uitbrak.
Het Nederlandse leger werd ontbonden en Jan ging aan de slag in de tuinderij van zijn ouders in Berkel en Rodenrijs.
Jan was anti-Duits en in 1942 sloot hij zich daarom aan bij het Berkelse verzet. Hij herinnert zich de verzetswerkzaamheden als de dag van gister.

“In Berkel en Rodenrijs zaten zo’n 400 onderduikers, voornamelijk jongens die de arbeidsplicht ontdoken. Wij hadden nauwe banden met het Rotterdamse verzet. Wij deden van alles: ik verspreidde verboden lectuur, we hadden onderduikers in huis en ik hielp tientallen keren mee met de droppings van wapens.
Het was een spannende tijd en je moest absoluut een avonturier zijn wilde je meedoen met het verzet.
Ik heb ook veel erge dingen meegemaakt, zoals verzetsleden die werden gefusilleerd.”

Jan leerde in 1942 zijn vrouw Aafje kennen. Via Aafje kwam hij in contact met zijn zwager Jan Rozendaal, een belangrijk persoon in het Berkelse verzet. “De familie Rozendaal heeft tijdens de oorlog veel offers gebracht, maar dit weerhield hen er niet van om door te gaan. Mijn zwager zat bij de Knokploeg en ik sloot mij hier ook bij aan. We pakten mensen op, maar wij gebruikten weinig geweld.” Het was in die tijd oppassen geblazen voor de patrouillerende Duitse soldaten op de fiets. Jan lacht. “Was het slecht weer, dan waren de soldaten in geen velden of wegen te bekennen. Dat was de reden waarom wij vooral met slecht weer opereerden!
Maar ook: De meeste invallen werden gedaan nadat iemand ons had verraden. Zo hadden wij enkele fietsen gekocht bij een zwarthandelaar. Die had vervolgens een brief geschreven naar de Duitsers. Gelukkig is deze brief in Rotterdam onderschept door het verzet!” 

September 2012, tijdens de Amerikaanse Memorial Day, ontving Jan op de luchtmachtbasis in Seattle een belangrijke Amerikaanse onderscheiding voor zijn verzetswerk: de Prisoners of War / Missing in Action.
Jan’s kleinzoon woont in Amerika en werkt bij de Amerikaanse luchtmacht. Deze kleinzoon had zijn opa in het geheim aangedragen voor de eremedaille.
Jan: “Het was een emotioneel moment toen ik de onderscheiding in ontvangst nam. Ik voelde mij vereerd"

(bron: De Heraut)



HERINNERINGEN OVER HAVENAAR


V.l.n.r. piloot Ralph Casstevens, Joke Hakman, Riet Havenaar-Hensen en piloot Josepth Walker, voor het huis aan de Klapwijkseweg, kort na de bevrijding.

Izaák Havenaar was in de oorlog tuinder aan de Klapwijkseweg in Berkel en Rodenrijs. Mensen uit stad kwamen regelmatig langs voor eten. Tomaten en komkommers waren welkom. Op een keer kwam er een vrouw uit Schiebroek langs. Izaák was een gevoelig mens, vooral als het om vrouwelijk schoon ging.
Hij nodigde haar binnen om thee te gaan drinken met zijn vrouw Riet.
Zij heette Joke Hakman, haar man was ambtenaar bij de gemeente Rotterdam. Zij kwamen eens per week langs, vaak samen.
De Havenaars vonden het wel een aardig stel. Ze boden aan om bij hen te komen inwonen. Tot na de oorlog zijn zij gebleven.

Ook mensen van de TROUW - groep, toen een verzetskrant, kwamen geregeld in Huize Havenaar, beter bekend als “Riet van Berkel”, vergaderen en eten.
De ondergrondse brachten er op een keer twee piloten, Joseph Walker en Ralph Casstevens, die bij een wapendropping waren neergeschoten, die twee konden er ook nog wel bij.

Gevaarlijk was het natuurlijk wel. Want voor het verbergen van geallieerde militairen gold slechts één straf: de kogel. Op een keer werd er een huiszoeking gedaan. De jassen van de piloten hingen in de gang aan de kapstok. Riet Havenaar en Joke Hakman gingen voor de jassen staan, de Duitsers hebben echter niets gemerkt.
Eén van de piloten, Joseph Walker, werd ziek, de dokter moest komen. Dokter Hoogerbrugge werd niet helemaal vertrouwd en daarom werd dokter Nijsten erbij geroepen. Die is toen gekomen en heeft Joseph een middeltje gegeven waar hij veel baat bij had. De andere dag was de koorts al aanzienlijk gedaald. Dokter Nijsten stuurde later wel een gepeperde rekening.

Daar de onderduikers gewoon in de huiskamer verbleven leerde Izaak bij het licht van een carbidlamp de mannen klaverjassen en zwikken, ze werden al gauw meesters in het stiekem onder tafel doorgeven van kaarten.
Er was maar één moeilijkheid, beide mannen kenden geen angst. Ze bleven hun leren vliegjacks dragen, sloten zich aan bij de ondergrondse van Berkel en Rodenrijs en droegen altijd een pistool op zak. Ze maakte er een gewoonte van om in de dakgoot naar overvliegende geallieerde toestellen te kijken en luidkeels in het Engels hun commentaar van de daken te schreeuwen. 

Na de bevrijding kwam er van de (voormalige) ondergrondse een auto om de piloten op te halen. Eén van hen mocht het hondje van de familie, waar hij gek op was, meenemen.
Van dat ophalen waren de Havenaars tevoren niet op de hoogte gebracht.
Later is Ralph Casstevens nog op bezoek geweest, voor Joseph Walker (foto) sloeg in 1948 het noodlot toe, toen hij zich tegen een berg te pletter vloog.

De KP (de “knokploeg” van de ondergrondse) was actief bij wapen-droppingen achter in de polder. Ik ben er op een nacht bij gaan kijken. Al was het stikdonker, eng was het wel. Je zag de lichtseinen op de grond naar de vliegtuigen, je hoorde het gekletter van de vallende containers, waarin de geweren waren verpakt.


Na de oorlog was er voor de ondergrondse een grote happening in de veiling. Ds. Vink had er de leiding. Ik ben er bij geweest, het was fantastisch. Maar Izaák was niet uitgenodigd!

Bij de jaarlijkse dodenherdenking werden vele kransen gelegd, Izaák is pas veel later, hij was al oud, daar een keer voor gevraagd.
 
Rechts de oorkonde die Izaak Havenaar als dank heeft gekregen van Dwight D. Eisenhower (opperbevelhebber geallieerde troepen) voor de hulp aan de twee piloten.

(bron: mevr. Luijt-Hensen/Johan Koot/HVBR)









ONDERDUIKPLAATS






















Gerard Olsthoorn, een zoon van een boer, bij de ingang van een onderduikplaats in een boerderij in Berkel en Rodenrijs, onder de vloer in een kast. 

Tijdstip: 1940-1945

(bron: Beeldbank WO2)





DUITS KAMP OP WILDERSEKADE

Er werden door de Duitsers voorbereidingen getroffen voor een grootscheepse aanval op Engeland. Hiervoor was Nederland natuurlijk een uitstekende plek. In de omgeving van Rotterdam werden zelfs krijgsgevangenkampen gebouwd waar de Engelse krijgsgevangenen naar toe zouden kunnen worden gebracht als de aanval op Engeland is gelukt. Hitler zag later af van een invasie in Engeland, maar toen was o.a. dit kamp al gebouwd.

Één van deze kampen werd gebouwd aan de Wildersekade. Gestart werd in het voorjaar van 1941 en nog hetzelfde jaar komt het gereed. Er stonden toen maar liefst 267 gebouwen en barakken!
Behalve enkele honderden Duitse soldaten, die er komen uitrusten van frontdienst, zou er nooit een krijgsgevangene in worden ondergebracht.

                                                                       Het Duitse kamp aan de Wildersekade

Het koetsje van de fam. Persoon verlaat het erf op weg naar de Bonfut / Rodenrijseweg. Goed waarneembaar zijn de barakken aan weerskanten van de weg. Op de achtergrond is de schoorsteen van Hordijk te zien.
In 1945, als de Duitsers het kamp al lang hebben verlaten, wordt het afgebroken.
Deze foto is van net na de oorlog want de barakken zien er nog goed ongeschonden uit.
Grote delen hiervan werden later gebruikt voor het bouwen van schuurtjes en zelfs voor huizen.



Nog een (van de weinige) foto's waarop een deel van de barakken van het kamp zijn te zien, met hier rechts op de achtergrond ook een uitkijk/bewakingstoren.

De meisjes voor het kamp zijn Beb Jansen en Toos van der Bulk Pd.





(bron: Op 5 mei 1945 ben ik opnieuw geboren, Leo Bolleboom)




INUNDATIE RONDOM BERKEL EN RODENRIJS


                                       Het inundatie gebied aan weerszijde van het kamp aan de Wildersekade,
                                              op de achtergrond is de schoorsteen van Hordijk goed te zien.
                                                                        (bron 2 foto's: HVBR/Johan Koot)

De Duitse legerleiding was er niet gerust op. Het aantal bombardementen op Nederland werd steeds groter. Door spionage was duidelijk dat er in Engeland een enorm leger werd opgebouwd. Duizenden schepen en vliegtuigen stonden klaar om de oversteek naar Frankrijk, Belgie of Nederland te maken. Er moesten maatregelen worden genomen, en niet alleen aan de kust.
Om zweefvliegtuigen te hinderen bij het landen werden in open stukken land houten palen in de grond gezet.
Bij de landing zouden de vliegtuigen hierop botsen of over de kop slaan. Maar parachutisten of tanks zouden hier nauwelijks door worden gehinderd. Er was meer nodig: het onder water zetten van aaneengesloten stukken land in een groot gebied rond o.a. Rotterdam.

De Duitsers hadden in 1944 het polderbestuur in Bergschenhoek opdracht gegeven om een groot stuk van de polders onder water te zetten met water uit de Rotte. Ongeveer krap een halve meter op het maaiveld.
Voor de geallieerden te veel water om een luchtlanding uit te voeren en te weinig om doorheen te varen. (obstakels)

In maart 1944 was het zover. Om ervoor te zorgen dat niet al het land onder water kwam te staan mochten er dijkjes en kades worden aangelegd. Op die manier konden boeren ook hun eigen boerderij en erf drooghouden.
De Duitse overheid gaf 10 dagen de tijd voor het maken van zulke kades en dijken. Daarna zou het inunderen, het onder water zetten, beginnen. Op sommige plaatsen waren de dijken na 10 dagen nog niet af en de inundatie werd dan gelukkig nog een paar dagen uitgesteld. Sommige dijkjes waren achteraf niet hoog genoeg omdat niemand had verteld hoe hoog het water zou komen.

Per oproep van gemeentewege worden vele mannen uit Berkel en Rodenrijs gedwongen dit werk te doen.
Na enkele weken graven wordt het water ingelaten en lopen de polders vol.

Toen het polderbestuur in eerste instantie niet snel genoeg handelde dreigden de moffen met kwalijke maatregelen. Er stond vanaf station Rodenrijs een strook onder water langs de Landscheiding tot aan de Boterdorpseweg en dan een groot deel van de Boterdorpsepolder tot aan de Rotte. En dan via de Oosteindsepolder naar de overkant van de Rotte en daar stond tussen Oud Verlaat, Kruisweg/Moerkapelle en Zevenhuizen alles onder water. Voor de bevolking was deze toestand uiteraard een ramp en toen moest de hongerwinter nog beginnen.
Gelukkig liep het goed af. Direct na de bevrijding werden de polders in ongeveer 30 dagen weer droog gepompt.

(bron: SHBL)

                                          Inundatie bij het Zwarte Pad tussen Berkel en Rodenrijs en Schiebroek


Inundatie in 1944.
Links bovenaan de Hofweg. Daar haaks op de Oude Bovendijk, met halverwege rechts de Rodenrijseweg.
Een groot gebied tussen de Bovendijk en Hofweg stond blank.

Jacques Bak die met zijn ouders aan de Bovendijk woonde kan zich herinneren dat de dijk om hun huis op 7 September 1944 brak. Toen stond ook de boerderij onder water en moesten ze met strobalen naar de dijk.

Hun nicht die in de naastliggende boerderij woonde met haar vader en broers moest bij een Duitse inval vluchten.
Een van de broers zat bij de ondergrondse, ze hadden een zender in huis. De dochter vluchtte naar ons toe door uit het schuurraam te springen in de sloot. Ze kwam met baggerbenen bij ons binnen terwijl we net met de hele familie aan tafel zaten. Mijn moeder verstopte haar in een voorraadkast en veegde snel de sporen uit.

Mijn vader zei tegen ons kinderen die sprakeloos hadden toegekeken: ‘Bek houden, vreten’.
Het is gelukkig goed afgelopen, de Duitsers hebben bij ons gezocht maar haar niet gevonden.”

Toen de polder in 1945 eindelijk weer droog gemaakt werd heeft Piet Hoogerbrugge, die nog steeds aan de Hofweg woont, zich tegoed gedaan aan vis. “Het stikte van de Snoeken in de ondergelopen polder. Toen ze de polder leegpompten kwamen de vissen allemaal in boezem terecht bij het gemaal. Je kon ze met netten er met tientallen tegelijk uit scheppen. Ik heb toen zoveel snoeken gegeten dat ik die nu niet meer lust.”



NSB-BURGEMEESTER

De burgemeester van Berkel en Rodenrijs, de heer A.A.M. Gründemann heeft het lang volgehouden in de oorlog, maar moest na enige jaren toch onderduiken en zo kwam de burgemeesterspost vacant.
Van een bevriende kennis uit N.S.B.-kringen hoorde de heer P.G.C. Stuiver (uit Voorburg) hiervan, solliciteerde ernaar en zodoende deed hij in april 1944 zin intrede in Berkel en Rodenrijs als waarnemend burgemeester.

Hij had zijn ambtswoning nog maar een dag betrokken in juli 1944 of deze brandde tot de grond toe af. Alleen door vliegensvlug en in nachtkleding naar buiten te rennen kon de familie Stuiver aan de dood ontkomen.
Wie precies de daders zijn zal wel nooit bekend worden al zijn de geruchten niet van de lucht. Voor alle duidelijkheid moet worden opgemerkt dat deze daad werd gepleegd zonder de toestemming van de plaatselijke verzetsleiding.
Ondanks dat zouden er toch enkele leden van de toenmalige ondergrondse bij de brandstichters aanwezig zijn geweest.
 

Het huis van Benjamin Vermeer, aan de Noordeindseweg (naast van Wijk Warmte). Het huis staat er nog steeds.

Het gezin Stuiver wordt voorlopig ondergebracht in het op dat moment leegstaande huis van Benjamin Vermeer aan de Noordeindseweg.
Op bevel van Stuiver moet het huis 's nachts worden bewaakt om herhaling te voorkomen. Een deel van de manlijke bevolking wordt hiertoe opgeroepen. Daar heeft men niet veel zin in.

Zo presteerde Jan van der Kaaden het eens om een hele nacht met een houten geweertje rond te lopen, anderen waren er weer op uit om burgemeester Stuiver zo min mogelijk nachtrust te geven.
Daarvoor liep men dan overdreven hard door het grind te banjeren dat voor het huis lag.

Op 25 augustus 1944 werd (toen nog waarnemend burgemeester) Stuiver benoemd en twee dagen later geïnstalleerd  als burgmeester. Na zijn minder prettige ervaringen op Dolle Dinsdag (zie bij het item hieronder) vertrok hij reeds op 17 september 1944 weer uit Berkel en Rodenrijs. Met de wetenschap dat de Duitsers hem hadden laten vallen hield hij zich schuil bij een partijgenoot in het Gelderse Putten.
Afgezien van wellicht enkele onaangename voorvallen tegenover de plaatselijke bevolking  is het niet bekend dat er onder zijn burgemeesterschap schokkende dingen zijn gebeurd.
Na de bevrijding werd hij gearresteerd en voor een tribunaal gebracht. Hij werd veroordeeld tot drie jaar gevangenis.

(bron: Op 5 mei  1945 ben ik opnieuw geboren, Leo Bolleboom)



DOLLE DINSDAG

Degenen die stiekum naar de uitzending van Radio Oranje hadden geluisterd in de eerste dagen van september 1944 hadden het toch duidelijk gehoord (en verder verteld) : "Het uur der bevrijding waarop Nederland had gewacht, was nu zeer nabij!".
Toen ontstonden de geruchten, zoals "Breda was reeds bevrijd". Zo zag iemand in Leiden al Engelse tanks rijden. En ook Dordrecht zou door de bevrijders zijn bereikt. Van de bevrijders echter geen spoor.

Een van de vele met macht beklede N.S.B.'ers die op 5 september 1944 probeerde de benen te nemen was burgemeester Stuiver van Berkel en Rodenrijs. Hoewel deze man voor het dorp van weinig (negatieve) betekenis was geweest besloot verzetscommandant Jan Rozendaal toch hem te arresteren, om het recht zijn loop te laten hebben.
Enkele verzetsleden pakten hem op en men bracht hem onder bij de familie Cor de Gelder aan de Zuidersingel.

Naargelang de dag vorderde en de bevrijders maar niet kwamen opdagen kreeg men het bange vermoeden dat alle feestvreugde die er heerste voorbarig was, zo ook de arrestatie van de burgemeester. Hoe moest men dit nu oplossen?
Allereerst werd Stuiver weggehaald bij Cor de Gelder, om diens gezin niet in gevaar te brengen. Men bracht de burgemeester onder tussen het hout van de firma Hordijk, waar een schuilplaats was gemaakt.

Jan Rozendaal besloot om naar Arie de Vrij te gaan, omdat die als lid van de N.S.B. connecties met de Duitsers had.
De kaarten werden eerlijk op tafel gelegd, het was een kwestie van wederzijds vertrouwen dat bij de Vrij wel goed zat omdat hij, als N.S.B.'er waarschijnlijk wel wist van het verzet in Berkel maar daar nooit iets mee had gedaan.
Er werd de afspraak gemaakt dat als ooit Arie de Vrij of burgemeester Stuiver naar Rotterdam zou worden geroepen, zij dan vier namen van de ondergrondse mochten noemen.

Hoewel men wist dat men hiermee zijn eigen doodvonnis zou tekenen, meldden zich vier vrijwilligers, namelijk : Karel van der Kaaden, Wim van der Spek, Cor de Gelder en Simon Rozendaal.
Toen Stuiver enkele dagen later inderdaad werd verhoord in Rotterdam heeft hij zich keurig aan die afspraak gehouden en alleen de vier opgegeven namen genoemd, hoewel hij zeer werd geprest voor meer informatie.
Van Stuiver werd door de S.D. ook verlangd dat hij de verantwoordelijkheid op zich zou nemen voor het fusilleren van 25 mannelijke inwoners, het afvoeren van de gehele mannelijke bevolking en het platbranden van het dorp.
Toen hij dit weigerde werd hij in arrest gesteld en ontslagen. Met behulp van enkele mensen in Berkel is hij toen gezwind uit Berkel vertrokken en ondergedoken.

Op 12 september 1944 kreeg Berkel en Rodenrijs bezoek van Kurt Blaese van de S.D. (foto links) met zijn manschappen. Ze gingen naar de Bonfut, naar de huizen van Karel van der Kaaden en van Gerrit Rozendaal en gooiden handgranaten naar binnen waardoor de inboedel en een deel van het huis werd vernield. Bij van der Kaaden stichtten zij ook brand.
Daarna naar het huis van Cor de Gelder aan de Zuidersingel maar men had dit huis al leeggehaald (na melding van de gebeurtenissen) zodat de schade beperkt bleef.

De S.D. had nog steeds de vier namen van de verzetstrijders, met noodlottig gevolg!

Hoe het (verkeerd) afliep voor enkele personen kunt u lezen in het enerzijds boeiende en anderzijds trieste verhaal
"Het verzet in Berkel en Rodenrijs" bij hoofdstuk Oorlogsjaren 1940-1945 / Verhalen.

(bron: Op 5 mei 1945 ben ik opnieuw geboren, Leo Bolleboom)


Persoonlijke aantekening van iemand, geboren en getogen in Rodenrijs (naam bij websitebeheerder bekend):

Vanwege die actie van de "ondergrondse" zijn er, volkomen willekeurig, een aantal mensen, op de Molenweg en naar ik vermoed ook de Zuidersingel, opgepakt. Er werd gedreigd deze mensen dood te schieten, maar een passerende Duitse officier greep in en liet de mensen gaan.
Na de oorlog werd de "ondergrondse" ongeveer heilig verklaard, maar toch lang niet door iedereen. Ik heb mensen gekend die daar dreigden het leven te verliezen voor iets waar ze niets mee te maken hadden, en die hadden een heel andere mening over sommige acties van de
"ondergrondse".



ROZENDAALLAAN

Tussen de Zuidersingel en de Rodenrijsevaart ligt de Rozendaallaan, genoemd naar de familie Rozendaal. Zeer bijzonder was namelijk het feit dat alle kinderen van Simon Rozendaal (13 totaal) actief waren in het verzet in de Tweede Wereldoorlog.

Vanuit Oud-Beijerland kwam het gezin in 1926 in Berkel en Rodenrijs wonen, aan de Bonfut.
Zonder anderen tekort te doen was de belangrijkste man toch wel Jan Rozendaal, commandant van de plaatselijke Binnenlandse Strijdkrachten. Hij is overleden in de jaren '90 in Berkel en Rodenrijs.

Familie Rozendaal voor het huis aan de Bonfut ter ere van het 40 jarig huwelijksfeest van vader Simon en moeder Gijsje.

Bovenste rij v.l.n.r. : Jan Rozendaal, Arie Rozendaal, Paul Rozendaal, Teun Rozendaal, Coen Rozendaal, Jan van der Kaaden, Karel van der Kaaden, Siem rozendaal, Adrie Rozendaal, Piet Rozendaal, Gerrit Rozendaal en Dick Rozendaal.

Voorste rij v.l.n.r. : mevr. Teun Rozendaal-van der Steen, mevr. Paul Rozendaal-Teeler, mevr. Gerrit Rozendaal-Boere, mevr. Karel van der Kaaden-Rozendaal, moeder Gijsje Rozendaal-Visser, Simon Rozendaal sr. , mevr. Jan van der Kaaden-Rozendaal, mevr. Jo Rozendaal-Hoogeboom en Jo Rozendaal.

Behalve vader Rozendaal, die in 1944 een natuurlijke dood zou sterven, zou ook zoon Koen de oorlog niet overleven.
Als hoofd van de K.P. (knokploeg) Purmerend werd hij door verraad begin juli 1944 door de Duitsers opgepakt en naar de Weteringschans in Amsterdam gebracht. Zie verder het item hieronder.

(bron: Op 5 mei ben ik opnieuw geboren, Leo Bolleboom)



 ROZENDAAL GEFUSILLEERD
 
Simon Rozendaal die destijds tweeëntwintig was, herinnert zich nog goed wat er toen in zijn toen nog piepkleine dorpje gebeurde. Hij komt uit een tuindersgezin van dertien kinderen. “Alle dertien zaten we, net als onze ouders, in het verzet. Ook de mannen van de meiden, mijn zusters. De Rozendaals waren eigenzinnige mensen. Wat anderen niet durfden, dan durfden wij wel. Eén van mijn broers, Koenraad, is in juni 1944 gefusilleerd.
Als ik aan de oorlog terugdenk, moet ik wel zeggen: Godnogantoe, we zijn toen wel erg link bezig geweest.” 


Koen (Koenraad) Rozendaal (Oud-Beijerland, 19 april 1911)
(‘Koen Visser’) werkt als tuindersknecht in Berkel.

In 1943 duikt hij onder bij landbouwer Jan Ruijter in de Beemster. Als medewerker van de verzetsgroep rond E.B. Brune is hij later actief bij spionagewerk, diverse kraken en liquidaties. Daarnaast voorziet hij onderduikers van distributiebescheiden.

Als leider van de in maart 1944 mede door hem opgerichte KP-Waterland, organiseert Rozendaal overvallen op een politiebureau, distributiekantoren en het postkantoor.
Daarbij worden grote hoeveelheden bonkaarten buitgemaakt.
Bij de overval op een andere politiepost worden wapens bemachtigd.
Hij is bij meerdere overvallen betrokken.

Begin 1944 heeft Rozendaal alles in het werk gesteld om de gearresteerde Brune te bevrijden. Begin juli 1944 echter wordt hij verraden door dezelfde Brune, die na zijn arrestatie en zware mishandeling voor de Sicherheitspolizei is gaan werken. Rozendaal wordt gearresteerd.

Op zondagmiddag 16 juli wordt Koen Rozendaal samen met 13 anderen verzameld in het hoofdkwartier van de SD. Men wordt naar het duingebied in Overveen vervoerd. Daar worden allen door de Duitsers doodgeschoten.



WAPENDROPPINGS

"Bericht voor Marie, thuis gaat alles goed" of "Is pappa al klaar met het lezen van de Franse roman?".

Het zijn codeberichten uit de Tweede Wereldoorlog waarmee de geallieerden aan het Nederlandse verzet duidelijk maakt dat er wapendroppings zullen worden gedaan.
In september 1944 wordt het besluit genomen in wapens en explosieven uit te werpen boven bezet Nederland. Verzetsmensen kunnen met de wapens de strijd tegen de Duitsers ondersteunen.
De koningin in ballingschap ondertekent op 5 september 1944 een besluit waarbij het ondergrondse leger in Nederland wordt gelegaliseerd. Alle vrijwilligers in erkende verzetsorganisaties worden vanaf dat moment beschouwd als militairen.

Jan Rozendaal krijgt de leiding over de afdeling Berkel, Bergschenhoek en Bleiswijk.
Hij gebruikt daarvoor de schuilnaam Jan Roos.
Rozendaal schrijft al kort na de bevrijding een verslag over de wapendroppings in 'zijn' gebied.
Voor zo'n dropping is een terrein nodig dat aan vijftien eisen moet voldoen. Zo moet het minstens vijftien kilometer verwijderd zijn van Duits afweer geschut en moeten er transportmiddelen naartoe kunnen om de gedropte wapens zo mogelijk af te kunnen voeren.

Via de gecodeerde berichten krijgt het verzet te horen dat er wapendropping zullen volgen. In de nacht wachten de verzetsmensen bij het terrein om de wapens in veiligheid te brengen.

De eerste dropping in de B-driehoek is op 15 september 1944. Jan Rozendaal schrijft in zijn verslag dat er grote spanning heerst die nacht. Er worden 20 wapencontainers (foto linksonder) afgeworpen.

Het verslag van Jan Rozendaal hoort tot de collectie van het
Oorlogs Verzets Museum in Rotterdam. Daar is ook een wapencontainer te zien.


Foto: de verborgen wapenkamer in de bloemenveiling.

De knokploeg van Berkel en Rodenrijs die uit zo'n dertig man bestond, hield zich niet alleen bezig met kraakwerk (brandstoffen en voedselvoorraden van de Wehrmacht) en in de hongerwinter met inbeslagname van vee en landbouwvoorraden bij zwart handelende boeren, maar vooral met wapendroppings.

Daarvan zijn er in het laatste oorlogsjaar in de buurt van Berkel niet minder dan negentien geweest.
Zes bij boer Jan Job aan het Noordeinde, acht in Benthuizen, drie in Bleiswijk en op 23 en 24 april 1945 nog twee in Rodenrijs en in Moerkapelle.


's Nachts kwamen de wapens in containers (zie foto links) aan parachutes omlaag waarna ze verzameld en vervolgens verborgen of naar Rotterdam werden vervoerd.
“Het transport van wapens (handgranaten, mijnen, explosieven, stenguns, lichte machinegeweren, karabijntjes en Lee-Enfield-geweren) die voor het gewapend verzet in Rotterdam bestemd waren, was bijzonder riskant werk.

Bij het neerkomen van de containers liep je weinig gevaar want de Duitsers waren te bang om 's nachts in de polder te komen. Maar bij het vervoer moest je heel koelbloedig optreden”, aldus Rozendaal.

(bron: NRC, 1995)