Home‎ > ‎De Invasie‎ > ‎De invasie van België‎ > ‎

Het uitlekken van Fall Gelb


Sinds begin september 1939 verkeerde Europa voor de tweede maal in minder dan 25 jaar in oorlog. Pogingen om de expansiedrang van Adolf Hitler en zijn Nazi's te temperen hadden jammerlijk gefaald, maar behalve dreigende taal en kleine schermutselingen hadden er nog maar weinig oorlogshandelingen plaatsgevonden. Net als de andere neutrale landen had België uit voorzorg zijn legers gemobiliseerd.
 
Nadat het Belgische grondgebied in 1914 als strijdtoneel had gediend tussen de grootmachten, had na het einde van de Eerste Wereldoorlog zware maatregelen genomen om een gelijkaardig debacle te voorkomen. Nieuwe verdedigingslinies werden aangelegd, forten werden gemoderniseerd en het leger was groter en beter uitgerust dan ooit tevoren. In de laatste maanden van '39 had de wereld bovendien goede hoop dat het conflict een stille dood zou sterven. Men kon tenslotte beter voor niets mobiliseren dan onvoorbereid een vijand tegemoet treden.

Op de avond van 9 januari vond er in de officiersmess van de Duitse luchtmachtbasis Münster een ontmoeting plaats. Het was een ontmoeting zoals vele anderen, tussen twee oude vrienden die zich in geen jaren gezien hadden. Twee oude vrienden die allebei waren opgeklommen tot de rang van majoor binnen de Luftwaffe. Majoor Erich Hönmanns was een zeer ervaren piloot die zijn strepen voor een deel verdiend had tijdens de Eerste Wereldoorlog. Vanwege een hartruis mocht hij geen missies meer vliegen, maar vanwege zijn goede staat van dienst had hij het bevel gekregen over de luchtmachtbasis. Zijn collega Helmut Reinberger had een hele tijd het bevel gevoerd over de parachutistenopleiding. Per 1 januari 1940 was hij toegetreden tot de staf van de 7. Flieger-Division, de luchtlandingsdivisie die onder leiding stond van Generaal Kurt Student.


De majoors Hönmanns (l.) en Reinberger.

De twee heren raakten met elkaar in gesprek. Ze bleven tot in de late uurtjes in de mess zitten, tot Reinberger zich verontschuldigde. Hij zou de volgende morgen al vroeg de trein naar Keulen moeten nemen, waar hij een belangrijke vergadering had. Hönmanns, wiens vrouw in Keulen woonde, bood Reinberger aan om hem naar zijn bestemming te vliegen. Op die manier had hij de kans om zijn vrouw te bezoeken. Reinberger, die opzag tegen twee uur in de trein, hoefde niet lang over het voorstel na te denken. Waar Hönmanns echter niets van wist, was de belangrijke lading die Reinberger bij zich droeg. Vanwege de risico's die vliegen in die tijd nog met zich meebracht, was het ten strengste verboden om geheime documenten door de lucht te vervoeren.

Op 10 januari, rond 10 uur 's morgens klommen de twee officieren in de Messerschmitt Bf 108 van Hönmanns, voor een vlucht die een klein uur in beslag zou nemen. De Bf 108 'Taifun' was in het begin van de jaren '30 ontwikkeld als licht en snel vliegtuig, geschikt voor 1 tot 3 inzittenden. Duitsland mocht volgens het verdrag van Versailles geen gevechtsvliegtuigen bezitten. De Bf 108 was ontworpen om snel en goedkoop tot gevechtsvliegtuig te kunnen worden omgebouwd.


Een Bf 108 'Taifun' in de kleuren van de Luftwaffe.

Omdat het weer helder was, besloten de Hönmanns en Reinberger op zicht te vliegen, iets wat in principe niet zo moeilijk was, omdat ze simpelweg de Rijn moesten volgen. Onderweg kwamen ze echter terecht in verschillende dichte mistbanken, waardoor ze ernstig uit koers raakten.

Na een hele tijd gedesoriënteerd te hebben gevlogen, ontwaarden beide mannen laag onder hen een rivier. In de veronderstelling dat ze boven de Rijn vlogen, maar niet precies wetend waar, besloten ze te dalen om hun precieze locatie te bepalen. De ware toedracht is niet bekend, maar plotseling stotterde de motor van het toestel en was er geen andere optie dan in zweefvlucht naar de grond te gaan.

Het vliegtuig maakte een noodlanding op enkele honderden meters ten westen van de rivier. Beide vleugels werden van de romp gescheiden, maar de inzittenden kwamen er met lichte verwondingen vanaf.


Het wrak van de Messerschmitt op de crashlocatie net buiten Vucht.

Om uit te vinden waar ze precies waren neergestort, klampten de onfortuinlijke militairen de eerste persoon aan die ze tegenkwamen, de Vuchtse landbouwer Engelbrecht Lambrichts, die bezig was met het knotten van zijn wilgen. Al snel besefte Helmut Reinberger dat hij met zijn uiterst geheime dossier in het buitenland terecht was gekomen en wel in één van de landen dat met richtlijnen uit deze documenten aangevallen zou worden. Reinberger maakte Lambrichts duidelijk dat hij iets nodig had om een sigaret op te steken, waarna deze hem enkele lucifers gaf. In plaats van zijn sigaret probeerde de majoor echter de papieren uit zijn aktetas aan te steken, dit tot grote verbazing van zowel Erich Hönmanns als Engelbrecht Lambrichts.

Korporaal Gerard Rubens, de foerier van de troepen in Vucht, had het vliegtuig zien en horen neerstorten. Onmiddellijk sprong hij op de fiets. Niet ver van het vliegtuigwrak zag hij een vreemd tafereel: Een lokale landbouwer en twee mannen in vreemde uniformen. Ook zag hij dat er iets brandde. Rubens ondernam direct actie. Hij doofde de brand en overmeesterde eigenhandig de twee Duitsers. 

Zodra de versterking gearriveerd was werden de vliegeniers en de resten van hun documenten afgevoerd naar het politiebureau van Mechelen-aan-de-Maas. Dat het hier om zeer belangrijke en geheime documenten ging, bleek tijdens de ondervraging van Reinberger. Deze griste de documenten van de tafel en probeerde ze in de kachel van het vertrek nogmaals te vernietigen. De Belgische commandant Rodrique haalde het papier met zijn blote handen uit de gloeiende kachel. Er konden ongeveer 10 volledige bladzijden en verschillende losse stukken gered worden.

De twee Duitse officieren werden naar de Rijkswachtkazerne van Etterbeek overgebracht, waar ze nog diverse keren verhoord werden. In naam van Reinberger werd er een vals telegram aan de Duitse ambassade in Brussel verzonden, waarin stond dat de documenten volledig vernietigd waren. Vervolgens werden beide mannen uitgeleverd aan Engeland. Toen ook daar de invasie dreigde werden ze naar Canada overgebracht, waar ze de rest van de oorlog in krijgsgevangenschap doorbrachten. Naar verluid was Hitler witheet van woede toen hij hoorde over het uitlekken van de plannen. Meerdere jaren krijgsgevangenenkamp was voor Reinberger en Hönmanns dan ook een welkom alternatief voor uitzetting naar Duitsland.

De Belgische legerleiding nam de inhoud van de documenten bijzonder serieus. Met grote spoed versterkte men posities die in het aanvalsplan vermeld werden. Ook buurlanden Frankrijk en Nederland werden op de hoogte gebracht van de op handen zijnde invasie, maar in geen van beide landen werd er waarde gehecht aan de papieren. Het was tenslotte te mooi om waar te zijn dat een dergelijk aanvalsplan letterlijk uit de lucht kwam vallen. Het Franse opperbevel was ervan overtuigd dat het om een afleidingsmanoeuvre ging, en dat de daadwerkelijke aanval elders zou plaatsvinden. In Nederland hield men halsstarrig vast aan de neutraliteit en aan het idee dat voor een invasie van Frankrijk een aanval op Nederland niet nodig was. Zelfs veel Belgische officieren werden meer en meer sceptisch.

Na het bericht over het neerstorten van de Taifun op Belgisch grondgebied zond de Duitse ambassade in Brussel een gecodeerd bericht naar Berlijn, waaruit bleek dat zij ervan overtuigd waren dat de documenten vernietigd waren. Niettemin liet Hitler de invasie, die gepland stond voor 17 januari 1940, voor onbepaalde tijd uitstellen. Hij gaf zijn staf opdracht om een nieuw plan uit te werken. Hönmanns en Reinberger werden bij verstek ter dood veroordeeld wegens hoogverraad.

Op 10 mei, precies 4 maanden na de noodlanding, vond de daadwerkelijke invasie plaats. De Nazi's hadden hun aanvalsplannen drastisch gewijzigd. Hun aanvallen vonden plaats op locaties waar de Belgen ze niet verwachtten. Op de extra verdedigde locaties landden er eveneens parachutisten: Stropoppen met parachutes!

Korte tijd na het einde van de oorlog kwam er een gedenksteen op de plaats waar de Taifun neerstortte. Op deze plaquette stond het gedicht 'De Eerste Duitse Adelaar'. De zwarte steen was bevestigd op een muur.

In 2005 werd het oude monument verwijderd, terwijl er stapsgewijs een nieuw gedenkteken werd geplaatst. Als eerste verrees er een 3 meter hoge natuurstenen zuil, die een beetje doet denken aan een totempaal. De lijnen op deze stenen staan symbool voor de grillige loop van de Maas, maar ook van de geschiedenis. In het onderste deel werd bovendien een boodschap ingemetseld, die pas over vele jaren gelezen zal worden.



In 2006 werd het tweede deel van het gedenkteken geplaatst. Op de grond kwam er  een profiel van een Bf 108 in werkelijke schaal. Het roestvrije staal waaruit dit profiel bestaat is in verschillende richtingen geplaatst, zodat het licht altijd op een andere manier weerkaatst wordt.


Om het geheel af te maken kwam er een informatiebord dat de geschiedenis van deze plaats vertelt. De oude steen met het gedicht werd teruggeplaatst aan de staart van het vliegtuig, helemaal gerestaureerd en tegenwoordig bevestigd op een subtieler stuk steen.


    Lees ook: