Home‎ > ‎De Bezetting‎ > ‎Verzetshelden‎ > ‎

Geheim Leger zone II/Limburg

;

Tijdens de oorlogsjaren groeide in België het verzet tegen de Duitsers gestaag. De kleine, onafhankelijke groepen uit de eerste oorlogsjaren waren in 1944 uitgegroeid tot een waar guerrillaleger. Het aantal leden van het ‘Geheim Leger’ liep na de landing in Normandië op tot meer dan 54.000. De organisatie werd op een militaire wijze bestuurd. Zo had elke provincie een provinciaal bevelhebber en meerdere zone-commandanten. Het commando was grotendeels in handen van oud-militairen, zoveel mogelijk leden werden getraind in het gebruik van verschillende soorten wapens. 
 

Het logo van het Geheim Leger.

Waar andere weerstandsorganisaties zich vooral bezighielden met het helpen van onderduikers en het verspreiden van illegaal drukwerk, werd het Geheim Leger vooral berucht door het plegen van sabotageacties en aanslagen op Duitse doelwitten. Er was zeer regelmatig contact met Londen. De RAF dropte bovendien grote hoeveelheden wapens, waardoor de verzetsorganisatie zeer goed voor haar taak was uitgerust toen de geallieerde troepen in september 1944 aan de Belgische grens stonden. Die taak was in theorie redelijk simpel: De weerstanders zouden zich schuilhouden tot de geallieerden er waren. Ze zouden zich dan aansluiten bij deze troepen en samen ten strijde trekken tegen de Duitsers. Toch werden er ook voor de aankomst van de geallieerden nog verschillende acties uitgevoerd, waarbij zeer regelmatig Duitsers gevangengenomen of gedood werden.

Het noordoosten van Belgisch Limburg was het terrein van het ‘Geheim Leger, Zone II/Limburg. Hoewel precieze cijfers ontbreken, werd het aantal manschappen van deze groep beschreven als ‘de grootte van een regiment’. De ‘Zône-overste’ was Gustaaf Beazar uit Kessenich. Beazar was afkomstig uit een familie van rijkswachters. Zelf was hij Eerste Wachtmeester. Gustaaf Beazar was al sinds het begin van de oorlog actief geweest in verschillende weerstandsgroepen. Sinds juli 1943 zat hij ondergedoken, omdat de Duitsers hem verdachten van verschillende feiten.

Gustaaf Beazar 


Eerste Wachtmeester der Rijkswacht Gustaaf Beazar (rechtsboven) en zijn familie. 
Ook oudere broer Placide (linksboven) was bij de Rijkswacht, vader (midden) was rijkswachter in ruste.

Het ‘zone-regiment’ was ingedeeld in verschillende bataljons, waarvan het Bataljon Maaseik met een sterkte van 1800 à 2000 man het grootste was. Deze groep stond ook bekend als de ‘Witte Brigade Maaseik en Rotem’.
In de overgangsdagen van augustus naar september kwam er vanuit Londen het bericht dat de opmars richting Limburg voorspoedig verliep. De leden van het Geheim Leger kregen opdracht zich op 5 september te verzamelen in het schuiloord ‘Anatol’. De mannen leefden in zelfgebouwde hutten, diep in de bossen tussen Rotem, Neeroeteren en Opoeteren. De belangrijkste verdediging tegen het Duitse leger was de Zuid-Willemsvaart, die ten oosten van het bos liep. Het hoofdkwartier werd gevestigd aan de overkant van het kanaal in een winkel in Rotem, omdat het minder opviel als er veel verschillende mensen een winkel in- en uitliepen. In de zinkfabriek aan de Zuid-Willemsvaart werden bovendien 27 Duitse soldaten gevangengehouden.


De Rotemse zinkfabriek

Aan de oproep tot verzamelen hadden ongeveer 1200 mensen gehoor gegeven. Vanaf 5 september wachtten zij op de beloofde materiaaldroppings van de RAF. Tevergeefs, zo zou later blijken. Door slecht weer boven de Noordzee en het kanaal konden de piloten hun missie niet uitvoeren. Hoewel er van tevoren al grote voorraden waren aangelegd, was het voor de commandanten van de weerstandsgroep ontzettend moeilijk om iedereen te voeden. In de hele omgeving werden er koeien ‘gevorderd’, die in een nabije boerderij tot vleessoep werden verwerkt. Desondanks bleef het voedselgebrek nijpend. Op de avond van 8 september waren er daarom nog maar 200 manschappen overgebleven.
 
In de oorlog bestond er altijd het risico van verraad, zeker in grote verzetsgroepen. Ook de guerrillastrijders die zich al enkele dagen in ‘Anatol’ bevonden werden waarschijnlijk verraden. In de late namiddag van zaterdag 9 september deden de Duitsers een aanval op de spoorbrug over het kanaal. Een verzetsstrijder met de schuilnaam Henri Hermans, vermoedelijk een Nederlander, werd hierbij gedood. Door de schermutselingen bij de brug werden de goedbewapende mannen in het bos gealarmeerd, waarna er onmiddellijk een felle tegenaanval volgde. De Duitse soldaten, die zoveel weerstand niet verwacht hadden, konden niets anders doen dan zich terugtrekken.


De spoorbrug bij Rotem bestaat nog steeds en is tegenwoordig bestemd voor fietsers.

’s Avonds kwam er vanaf de oostkant van het kanaal verontrustend nieuws: Lokale verzetsstrijders uit onder andere Rotem, Dilsen en Stokkem meldden de aankomst van een groot aantal Duitse soldaten. Desondanks besloten de Belgische bevelhebbers om hun verdedigingsposities te behouden.

Op zondag de tiende september, even voor 12 uur, deed de bezetter opnieuw een poging om het verzet te breken. Ooggetuigen spraken van zeker 10 vrachtwagens met ieder ongeveer 20 soldaten. Behalve de spoorbrug werd nu ook een houten passerelle als oversteekplaats gebruikt. Ten westen van het kanaal bevonden zich niet alleen verzetsstrijders, maar ook nog enkele tientallen burgers. De meeste van deze burgers vluchtten dieper het bos in toen de aanval begon. Ook sommige weerstanders namen al snel de benen. Niet iedereen zag kans om te ontsnappen. De Duitsers maakten een omtrekkende beweging, waarbij ze zowel verzetsmensen als burgers omsingelden. Ongeveer 40 personen werden opgepakt. Onder hen was ook hun leider, Gustaaf Beazar. De gevangenen werden per vrachtwagen naar As vervoerd, waar ze werden opgesloten in verschillende kelders. De bewaking was in handen van de Feldgendarmerie, geassisteerd door Belgische Rexisten. In de loop van de dag werden er nog een aantal gevangenen uit Maaseik aan de groep toegevoegd, waarvan de meesten waren opgepakt omdat ze Britse vuurwapens bij zich droegen. 
 
In de vroege morgen van 11 september werden alle gevangenen verzameld en te voet naar Hotel Mardaga gebracht, tegenover het station van As. Frappant detail: Naast hotel Mardaga lag het Café de la Gare, dat tijdens de oorlogsjaren diende als het communicatiecentrum voor de Limburgse weerstandsgroepen. Gedurende de dag ondervroegen leden van de SD en de Gestapo de gevangenen. De Duitse soldaten die in de zinkfabriek gevangen hadden gezeten identificeerden bovendien verschillende leden van het Geheim Leger. Een aantal mensen kon bewijzen dat ze ten onrechte waren opgepakt, zij werden uiteindelijk vrijgelaten. Dat de ondervraging van de weerstanders er hardhandig aan toeging blijkt onder andere uit het feit dat Beazar verschillende bajonetsteken opliep. 
 

Hotel Mardaga in As werd opgericht in 1909. Het is er vandaag de dag nog steeds.

Van de 40 arrestanten werden er 21 verdacht lid te zijn van een weerstandscel. Bovendien werden er 5 strijders uit Maaseik vastgehouden, die vermoedelijk eveneens onderweg waren geweest naar het schuiloord. Op de avond van 11 september werd de volledige groep opnieuw in vrachtwagens gezet. De rit ging in zuidelijke richting en eindigde uiteindelijk ten oosten van Heer, waar de gevangenen werden vastgezet in de kelder van het gesticht Huize Sint Joseph, dat deels door de Duitsers gevorderd was.
  

Huize Sint Joseph, dat tegenwoordig deel uitmaakt van de Penitentiaire Jeugdinrichting 'Het Keerpunt'.
 
Eén voor één werden de gevangenen uit de kelder gehaald en weggevoerd. In een nabijgelegen mergelgroeve werden ze vervolgens gefusilleerd. Waarschijnlijk werden de Duitsers en de Rexisten ernstig in hun macabere taak gestoord door de oprukkende Amerikanen, aangezien het gebulder van de kanonnen steeds dichterbij kwam. Even plotseling als ze gekomen waren vertrokken de vrachtwagens ook weer, dit keer in oostelijke richting.

Korte tijd later werd het massagraf ontdekt door mannen uit Cadier en Keer die zich in de mergelgroeven schuilhielden. Onder leiding van de burgemeester van Heer onderzocht men de slachtoffers. Eigendommen en kledingstukken werden nauwkeurig beschreven en later ter identificatie naar België verzonden. De indeling van het massagraf werd eveneens opgetekend door de burgemeester. De paters van Sint Joseph begroeven hen vervolgens op het kleine kerkhof van hun instelling. Vandaag de dag zijn er echter maar 11 namen bekend. De 12de man was vermoedelijk een ontsnapte Russische krijgsgevangene. Vlak voor zijn executie zou hij het op een lopen hebben gezet, waarna een schot in het achterhoofd hem velde.

De 14 overgebleven weerstanders, 12 mannen en 2 vrouwen, werden naar Schinveld vervoerd. Omdat er voor dit deel van het transport open vrachtwagens werden gebruikt moesten de arrestanten de hele weg geknield zitten met hun gezicht naar beneden. Uiteindelijk werden ze opgesloten in de kelder van het ‘Klein Patronaat’ in Schinveld, waar ze ruim 2 dagen doorbrachten in erbarmelijke omstandigheden. Ondertussen gingen de verhoren door de SD en de Gestapo onverminderd door. De ‘verdachten’ werden onder andere geconfronteerd met namenlijsten van het geheim leger en met valse paspoorten van onder andere Beazer. Eén van de ondervragers was de beruchte Max Günther, vermoedelijk een Belg die zich gedurende de oorlog als Duitser voordeed. Naast de verhoren moesten de gevangenen zeer vernederende taken uitvoeren, zoals het schrobben van de Schinveldse straten met hun tandenborstels. De Schinveldse bevolking had medelijden met deze vreemde mensen, maar hen werd duidelijk te verstaan gegeven dat hulp bij ontsnapping van deze 'terroristen' zou leiden tot een soortgelijke straf of erger.

Op 14 september werd de groep plotseling in tweeën gesplitst. Of dit al dan niet willekeurig gebeurde is niet bekend, maar de beide vrouwen in het gezelschap bleven achter in het Patronaat, net als 5 mannen. De 7 andere mannen werden in opnieuw in de vrachtwagen gedwongen. Dit keer eindigde de korte rit in Mindergangelt, net over de Duitse grens. De mannen kregen opdracht om een groot gat te graven, volgens de bewakers om 'vaten met brandstof te begraven'. Toen het gat diep genoeg was werden de mannen gedwongen op de rand te knielen en te bidden, waarna de werkelijke bedoeling snel doordrong. Jaak Langers, getrouwd en vader van twee jonge kinderen en bovendien ouder dan de andere gevangenen, kreeg toestemming om met de Duitse commandant te gaan praten, die een vijftigtal meter verderop stond. Terwijl Langers met de officier in onderhandeling was werden de andere 6 mannen op last van Max Günther alsnog met een nekschot gedood. De commandant besloot naar Langers' argumenten te luisteren en hem te sparen, maar deelde deze mening niet met Günther. Voor hem was Jaak Langers slechts een getuige van zijn oorlogsmisdaad. Hij schoot hem daarom persoonlijk dood met zijn pistool.

Enkele mensen uit de buurt, waaronder bewoners van het gehucht Etzenrade en een Duitse douanier buiten dienst, waren van tevoren door de Duitse soldaten gewaarschuwd vooral niet naar het bos te komen, omdat daar 'Belgische terroristen' geëxecuteerd zouden worden. Max Günther had de Rexisten opgedragen alle ongewenste getuigen eveneens om te brengen. Onder andere de bewoners van de Etzenrader molen hadden duidelijk de schoten kunnen horen. Molenaar Paul Piepers en zijn kinderen waren dan ook de eersten die in het bos op zoek gingen naar lichamen. Ze vonden één lichaam, dat snel bedekt was met losse aarde en dennentakken. Piepers bedekte het lijk weer en ging onmiddellijk aangifte doen op het gemeentehuis van Gangelt, waar men hem doorverwees naar Nederland. Op 20 september, de dag nadat Schinveld bevrijd was, ging Piepers zijn verhaal eveneens doen op het gemeentehuis van Schinveld. Gemeentesecretaris en OD-lid Wim Nelissen ging onmiddellijk samen met een collega op zoek naar het stoffelijk overschot. Niet lang nadat ze het daadwerkelijk gevonden hadden, liepen ze een Amerikaanse voorhoede tegen het lijf. De Amerikanen vonden het onverantwoord om de burgers in de frontlijn te laten rondlopen en dwongen hen dan ook om te vertrekken. Nelissen wist echter een vriend uit Gangelt in te schakelen, die kennelijk meer lef had en die op 21 september het lijk uit het bos kon halen. De onbekende persoon werd diezelfde dag begraven op het kerkhof van Gangelt.

De 7 resterende weerstanders werden enige tijd na het afvoeren van de eerste 7 eveneens in een vrachtwagen geladen. Hun reis ging naar Duitsland, waar ze terechtkwamen in verschillende concentratiekampen. Van de 7 zouden slechts 3 de oorlog overleven: Surix kwam waarschijnlijk om in Buchenwald. Ook Bongers vond daar de dood. Panis en Reners verdronken allebei terwijl ze een schip met bakstenen moesten lossen in de haven van Hannover. De bewakers deden geen enkele moeite om hen te redden, de andere medegevangenen waren simpelweg te zwak. Alponsine Vliexs en Helène Vanlaer zaten onder andere in de kampen Ratingen en Ravensbrück, waar ze slavenarbeid verrichtten. Toen ze door de Russen bevrijd werden zaten ze in een satellietkamp van Sachsenhausen. Ook Gaspar Caris overleefde de oorlog. Hij zat achtereenvolgens in Sachsenhausen en Buchenwald. 
 
Op 29 april werd het kamp Sachsenhausen door de Russen bevrijd. Alphonsine Vliexs was meer dood dan levend, maar had verschillende ontberingen overleefd, waaronder 3 verschillende kampen en een tweedaagse ontsnappingspoging. Bij haar thuiskomst op 8 juni 1945 wachtte haar een nieuwe schok: Haar zussen Pia en Bertha, die waren opgepakt bij een andere verzetsactie, waren op 11 september 1944 allebei gefusilleerd door de Duitsers. Alphonsine was echter wel degene die de familie Langers uitsluitsel kon geven over het vermoedelijke lot van Jaak. Mevrouw Langers stuurde een brief aan de pastoor van Schinveld, die hem doorspeelde aan de gemeente. Hier kwam ze in handen van Wim Nelissen, die vroeg om een foto van Langers. Toen Nelissen de foto onder ogen kreeg was het meteen duidelijk: De onbekende op het kerkhof van Gangelt was Jaak Langers!

Aan de hand van het verhaal van Alphonsine Vliexs wist men nu dat er zich waarschijnlijk nog 6 lichamen in het bos moesten bevinden. Op 21 mei werd er een zoekactie gestart. Behalve Wim Nelissen en zijn collega, dhr. Tobben, zochten er ook leden van de Nederlandse Rijkspolitie en van het Krijgsgerecht van Tongeren mee. Ook verschillende opgepakte Rexisten werden gedwongen om mee te zoeken. In januari 1945 hadden er in de omgeving nog zware gevechten plaatsgevonden tussen Duitsers en Canadezen. Het Canadese leger had er af en aan gereden met tanks. Bovendien hadden ze geen boom recht laten staan. Desondanks werden er op 22 mei, een dag na het begin van de zoektocht, Duitse hulzen gevonden, waarna spoedig ook het massagraf ontdekt werd. De stoffelijke resten werden nog dezelfde dag in Gangelt herbegraven. Persoonlijke eigendommen werden overgebracht naar Tongeren, om daar door de families geïdentificeerd te kunnen worden.


De brief van het krijgsgerecht in Tongeren aan de familie van weerstander Harie Brouns met daarin de kennisgeving over de vondst van diens lichaam en de oproep om zijn persoonlijke eigendommen te komen identificeren.
  

Een herdenkingsplechtigheid bij het gezamenlijke graf in Gangelt, mei 1946.
 
Op 8 juni werden alle resten uit zowel Heer als Gangelt overgebracht naar Maaseik, waar een herdenkingsplechtigheid plaatsvond. Hierbij was ook een groot aantal mensen uit Schinveld aanwezig. In de week daarna, de pinksterweek, werden alle weerstanders begraven in hun eigen woonplaats.


De verzetsmensen die werden gedood bij Heer. Vlnr, boven: Alfons Leroy, Mathieu Lenders, Pierre Driessens en Jean Wolfs. Centraal: Jules Wolfs (l.) en Jacues Teelen. Vlnr, onder: Pieter Jaeken, Guillaume Langers, Gustaaf Beazar, Jozef Eerdekens en Willem Conen.


De verzetsmensen die werden doodgeschoten bij Mindergangelt.


Het gezamelijke bidprentje voor de 7 slachtoffers die bij Mindergangelt werden doodgeschoten.

In 1947 werd er in Cadier en Keer een monument onthuld voor de elf die daar gedood waren. Saillant detail is dat de mysterieuze Rus niet op het monument staat. In juli 1959 werd er een definitieve gedenksteen onthuld.  Aanwezige hoogwaardigheidsbekleders waren onder andere de Belgische koning en het Nederlandse koningspaar.


Het monument bij Huize Sint Joseph, tegenwoordig Cadier en Keer.




In 1946 werd er een provisorisch houten kruis geplaatst op de locatie in het bos bij Mindergangelt, waar de gefusilleerden gevonden waren. Nadat er in 1949 in Schinveld een stichting was opgericht ter herinnering aan de fusillade, kwam er een eerste definitieve gedenksteen. Geholpen door het feit dat Gangelt in 1949 als schadeherstel bij Nederland was gevoegd, werd de plaats beter bereikbaar gemaakt. In 1959 werd er het monument nogmaals vernieuwd. Vandaag de dag bevindt het zich vlakbij de ingang van Wildpark Gangelt, de lokale dierentuin.


Het houten kruis dat vanaf 1946 de plaats van het massagraf markeerde.


Het eerste monument bij de inhuldiging in 1949.

Door de ontberingen die Alphonsine Vliexs had doorstaan in de kampen, was ze ernstig verzwakt. Ze bracht de jaren na de oorlog daarom grotendeels door in verschillende Zwitserse sanatoria.


De ernstig verzwakte Alphonsine Vliexs na terugkeer uit het concentratiekamp, omringd door familie en vrienden.

Helène Vanlaer verbleef in Ravensbrück toen de Russen dit kamp bevrijdden. Door hen werd ze naar Sachsenhausen gebracht, waar de omstandigheden in verhouding beter waren. Zij kwam op 30 juni 1945 thuis.


Helène Vanlaer in het concentratiekamp Sachsenhausen, dat dan al bevrijd is door het Rode Leger.


Gaspar Caris, in het dagelijks leven veldwachter, was de enige mannelijke overlevende van de oorspronkelijke 26 gevangenen.

    Lees ook: