Rotselaar: Terheyden

Historiek
: B. Minnen wijdde een grondige studie aan het ontstaan van het Hof Terheyden en identificeerde tevens de opdrachtgever voor de bouw van de toren. Wij kunnen zijn argumentatie dienaangaande (1989) volledig  onderschrijven. Terheyden was een ontginningshoeve uit de 13de, mogelijk uit de 12de eeuw, die zich duidelijk onderscheidde van alle omliggende. Terheyden bestond reeds vóór 1265: in een oorkonde van Arnold V, heer van Rotselaar, getuigde "Gerardus dictus de Heyda" als schepen. Terheyden was een leen van de heren van Rotselaar. Niettegenstaande de nabijheid, op motte, van de grote donjon van deze laatsten kon een latere eigenaar van Terheyden toch een indrukwekkende toren op zijn goed optrekken. Gerard II van der Heiden, een bloedverwant van zijn leenheer, Jan II van Rotselaar, verschijnt voor het eerst in een schepenbrief van 1338. Tussen 1342 en
1350 wordt deze Gerard drossaard van Brabant. Hij verbleef vaak in de nabijheid van hertog Wenceslas en hertogin Johanna: tussen 1356 en 1374 bezegelde hij mede een aantal hertogelijke charters. In 1356-57 vocht hij mee tegen Lodewijk van Male en in 1371 als kapitein in de slag van Bäsweiler. Hij vervulde, in opdracht van de hertog, enkele missies naar Engeland. Door zijn huwelijk met Bertha van Duvenvoorde werd Gerard vander Heiden tussen 1350 en 1379-80 ook heer van Boutersem. Deze Gerard II vander Heiden liet ongetwijfeld omstreeks 1350 de donjon Terheyden op zijn hof oprichten.
In 1363 stichtte Jan II van Rotselaar vijf nieuwe kapelanieën in de kerk van Rotselaar. De kapelanen moesten wekelijks een mis opdragen voor Gerard II en zijn vrouw Bertha: in domicilio eorum ter Heyden.
De eerste zekere vermelding van de toren dateert van 1430-40: Hughe Roelofz van Lovene, vanden torre ter Heyden met sinen toebehoirten ... ende waeren sheren van Boutersem. Na de opstand tegen Maximiliaan van Oostenrijk in 1488 blijken zowel de donjon van Rotselaar als die van Terheyden verwoest te zijn: Die  plaetse van des heerenhuys van Rotselair met vervallen ende gebranden toeren, mueren ende manieren van bewoentheyt,
in t'oirlog gedestroyeert en verder: Item eenen toeren genoemt den toeren van der heyden onbewoent ende gedestroyeert (1526). Omstreeks 1580 spreekt men van: tHof ter Heijden, et est vngfort haut thour de bricques, encloz deaue en: au lieu nomme ter Heyden ... ayans vngfort belle et haulte tour de bricque. Op het einde van de 16de eeuw komen nog een aantal vermeldingen voor waaruit blijkt dat de toren nog steeds niet hersteld was: Joncker Joachim Dermonde hebbende eenen gebranden thoren met een vervallen pachthoeve (1594) en: twee steenen torrens daeraff den een en es toebehoorende den hertog he van Aersschot, d'welck verbrant ende ledig he  es staende, en d'ander geheeten 't Hoff ter Heyden, rontomme staende in 't water, daerop een en pachter es woenende, toebehorende Jonker Joachim de Thermonde (1598). Hij staat afgebeeld in baksteen met een overkraging zonder dak op een figuratieve kaart van de Croij uit 1596-1601. We moeten wachten tot Arnold van Eynatten Terheyden in 1619 aankoopt vooraleer de restauratie op gang komt en de toren zijn huidige bovenverdieping en  dak krijgt. In het Typographie boeck van de Parkabdij (1657) en op de gravure van Harrewijn staat het huidig dak er dan ook op.

Beschrijving: de zeer hoge bakstenen donjon kan worden beschouwd als een vierkante toren met dunne muren, waarvan elke hoek geschraagd wordt door een holle steunbeer. Deze bieden niet alleen de mogelijkheid om de leefruimte uit te breiden, maar ook om er de wenteltrap (a) en de latrines (b) in onder te brengen. Onder de ingang (c) met ophaalbrug (d) op niveau 1 werd een ruimte (e) in de kelder (0) uitgespaard voor de beweging van het tegengewicht van de ophaalbrug: deze put is nu tot de helft herleid. Op het ontvangstniveau (1) zijn alleen de tongewelven in de kruisarmen primitief; het tongewelf boven de middenruimte beschouwen we als posterieur omdat het steunt op een schouwstijl (f) die van latere datum is. Een latrine (g) in een zeer complexe garderobe (h) staat in verbinding met de schacht (i) van de latrines van de niveaus 2 en 3.
Het residentieel niveau (2) is het laagste niveau met rechthoekige vensters (j), dus geen spleten. Drie ervan zijn aangebracht in een rondbogige nis. De schouw werd vernieuwd: er blijven aan weerszijden nog schaarse resten over van de primitieve. De kruisarm rechts naast de schouw is in twee niveaus verdeeld. Men bereikt de latrine (k) via een deur met sponning (1), vier treden naar beneden (m) en een overwelfde gang (n). De schacht (0) naast
de latrine (k) komt van de verdwenen latrine van niveau 3. Het tussenniveau (p) boven de latrine (k) was waarschijnlijk te bereiken via een houten trap tegen de binnenmuur (q). Was hier de huiskapel ingericht of was het de optrek van het personeel? Het nachtelijk niveau (3) is voornamelijk verlicht door drie rechthoekige vensters met twee zitbankjes in een rondboognis (r). Een naad (s) en een spleet (t) geven de plaats aan van de afgebroken latrine. Tegen de vloer van niveau 3 bevinden zich afvoeropeningen naar buiten (u) tussen twee zandstenen. Dit doet ons de hypothese formuleren dat dit niveau minstens voor een korte periode open is geweest, waarbij de traptoren als een spietorentje boven dit platform uitstak: dit laatste wordt gesuggereerd door de hoekversterking in ijzerzandsteen (v), die nu binnen ligt. Een korte werkonderbreking suggereren de steigergaten, alleen  aanwezig vanaf de basis van niveau 3.
De werpgaten, oorspronkelijk te bedienen vanop de in de 17de eeuw volledig verbouwde weergang (5), mondden uit onder de rondbogen aan weerszijden van de enorme consoles (w). Brandsporen (beschadigde bakstenen en
consoles, verbrande bepleistering) op de niveaus 2, en vooral 3 en 4 wijzen erop dat de toren er in 1488 reeds volledig stond.