De mens veranderen betekent zijn doelen veranderen
 
Brigitte Titze
 
Bron: “Psychologie Heute” febr. 1977 Den Menschen verändern heisst: seine ziele verändern.
Eerder verschenen in “Mensenkennis, Opvoeding en Persoonlijke groei, maandblad voor Individualpsychologie Uitgave STIP Westervoort 1984
 
De individualpsychologie van Alfred Adler is de theoretische grondslag van de “teleo-analyse”, een door Dr. Rudolf Dreikurs ontwikkelde nieuwe techniek binnen de psychotherapie.
Met behulp van deze techniek kunnen niet de oorzaken maar de doelen van verkeerd gedrag worden veranderd.

Het opheffen van een op-zichzelf-gerichte houding ten gunste van een wij-gerichte instelling - en daarbij de versterking van het gemeenschapsgevoel, is het doel van de therapie. De teleo-analyse behoort ongetwijfeld tot de nieuwe technieken op de psychotherapeutische markt, ofschoon zij direct berust op de traditie van de oudste psychologische scholen, t.w. de Individualpsychologie van Alfred Adler (1870-1937)
In deze nieuwe techniek lijkt de sinds tientallen jaren doodgezwegen leer van Adler die erkenning te krijgen, die haar in onze humanistisch- en sociaalwetenschappelijk georiënteerde tijd toekomt.
 
Rudolf Dreikurs (1897-l972), één van de belangrijkste leerlingen van Adler, heeft de door hem verder ontwikkelde individualpsychologische therapie de naam ‘teleo-analyse’ gegeven, waarbij het hoofdaccent van de therapeutische bemoeiingen op het INZICHT en de VERANDERING van het DOEL van de cliënt ligt. (Grieks: telos = doel) De methoden van deze therapie komen zowel in praktisch als in theoretisch opzicht overeen met de onderzoekingen van deze tijd en met de stand van zaken binnen de sociale wetenschappen.
 
Adlers Individualpsychologie
Ook wanneer de teleo-analyse een verdere ontwikkeling van de individualpsychologische psychotherapie betekent, liggen daaraan toch de onderzoekingen van Adler over de menselijke persoonlijkheid ten grondslag. Het is daarom niet oninteressant, de tegenwoordige stand van zaken met betrekking tot deze theorie en therapie een nader te beschouwen. Ze heeft zich sinds Adler in belangrijke mate verder ontwikkeld en wezenlijk geleid tot aanrakingspunten met sociaalpsychologische en communicatief-theoretische beginpunten. Desondanks moeten enige kernbegrippen van de psychologie van Adler worden toegelicht, om de ontwikkeling van de teleoanalyse begrijpelijk te maken.
Adler was niet zoals vaak per vergissing wordt verondersteld een leerling van Sigmund Freud, doch in het gunstigste geval een medewerker, die zich echter al gauw (1911) van Freuds opvattingen distantieerde en zich steeds meer consequent richtte op een geheel subjectivistische en sociale psychologie. Deze stond in scherpe tegenstelling tot Freuds biologische, mechanische en individualistische denktrant!’
 
De mens als eenheid
Adler leidde het begrip ‘individualpsychologie’ af van ‘in-dividuum’, van het ‘on-deelbare’, om daarmee het ‘heelheidsaspekt’ van de persoonlijkheid te beklemtonen - in tegenstelling tot de atomistische en reductionistische modellen, die de menselijke persoonlijkheid in verdere basiseenheden proberen op te delen. (In persoonlijkheidsfactoren, persoonlijkheidsindelingen etc. bijv.) Het menselijke organisme betekent voor Adler een doelgerichte eenheid, waarvan de wetmatigheden slechts vanuit de doelgerichtheid van het geheel begrepen kunnen worden.
 
Doelgerichtheid
De Individualpsychologie beschouwt het menselijk handelen in zijn totaliteit als op een doel gericht. Zij onderscheidt zich daarmee van het causale, oorzaken-zoekende, denken van de psychoanalyse. De psychoanalyse veroorlooft zich zoiets als ‘archeologisch’ werk. Zij gaat terug tot het begin van de psychische ontwikkeling en probeert de oorspronkelijke opbouw van het psychische ‘apparaat’ na te gaan. Daarentegen gaat de Individualpsychologie uit van de doelgerichtheid van de persoonlijkheid. Zij richt haar belangstelling op het STREVEN, de INTENTIE van de mens. Dientengevolge ligt het hoofdaccent van de therapeutische bemoeiingen op het inzicht in en de verandering van de doelen van de cliënt en juist daarom heeft Rudolf Dreikurs ook de door hem verder ontwikkelde individualpsychologische therapie de naam ‘teleo-analyse’ gegeven.
 
Doch keren wij terug tot het kernbegrip van de Adleriaanse psychologie die aan de teleo-analyse ten grondslag ligt:
“Mens zijn betekent: zich minderwaardig voelen” zegt Adler en brengt daarmee een basisbegrip van zijn leer tot uitdrukking.
De mens komt op de wereld, als ‘fysiologisch voortijdige geboorte’ en ervaart zich zelf in de kring van het gezin (en andere sociale verbanden) als ZWAK, HULPELOOS en aangewezen op de hulp van anderen.
Het subjectief ervaren van “klein-zijn’ wordt de motor tot zijn handelen. Deze motor zet het kind aan tot verdere ontwikkeling in de richting tot volkomenheid.
 
Sociale interesse
Wanneer het kind zich in zijn doelstelling richt op nuttig gedrag dan zal het met zijn handelen een voortdurende bijdrage leveren tot het welzijn van de gemeenschap. Het ontwikkelt ‘sociale interesse’ of ‘gemeenschapsgevoel’ en neemt daarmee de spelregels over, die aan iedere sociale organisatie ten grondslag liggen. Het oriënteert zich in zijn handelen op de eisen van de gemeenschap, van de situatie, en krijgt op deze manier een ‘wij-gevoel’ in plaats van een ‘ik-gerichte’ instelling.
 
Streven naar macht
Deze op-zichzelf-gerichte instelling ontstaat, wanneer het kind zich richt op de onnuttige kant van het leven. Gedreven door de motor van minderwaardigheidsgevoelens probeert het kind deze onaangename gevoelssituatie te compenseren - of beter te óvercompenseren, in die zin, dat hij het doel van persoonlijk superioriteitsgevoel nastreeft. Adler spreekt in dit verband ook van ‘machtstreven’. Dit begrip heeft op zich weer tot menig misverstand geleid.... De “Wille zur Macht”(Friedrich Nietzsche) is volgens Adler geenszins een streven dat positief gewaardeerd kan worden. Het machtsverlangen overschaduwt en doordringt als een urgent fictief doel het leven van de neurotische mens en in veel grotere mate ook dat van de psychotische mens. Het gaat hier in principe om een streven naar absolute veiligstelling van het “IK”.
Is dit doel van de persoonlijke superioriteit voor de mens eenmaal voorgewend waarbij we ervan uitgaan, dat dit doel hem onbewust blijft - dan bepaalt het al zijn besluiten en concepties en komt met andere, bewuste doelen die het individu zich stelt, in conflict.
De ontwikkelingspsycholoog Fritz Künkel gebruikt in dit verband het buitengewoon belangrijke begrip van de “Umfinalisierung”. Met dit begrip kan precies worden beschreven hoe uit een zakelijke, aan de zaak georiënteerde wij-gerichte doelstelling en handelingswijze een onzakelijke, niet meer aan de zaak, maar aan persoonlijke ik-vergroting georiënteerde doelstelling kan ontstaan.
 
Een voorbeeld:
De heer A. is een wetenschapper en het behoort tot zijn beroep om af en toe lezingen over zijn onderzoekswerk te, houden. Als hij voor zijn toehoorders staat, probeert hij het zakelijke en tegelijk “wij-gerichte” doel, zijn kennis op een zo duidelijk en effectief mogelijke manier over te dragen, te bereiken.
De heer B. is eveneens wetenschapsman en ook hij houdt lezingen die als doel hebben het publiek te informeren. Wanneer je hem naar het nut van zijn lezingen vraagt, zal B. ook juist deze doelstelling bevestigen.
Maar B. streeft met deze lezingen echter nog andere, onbewuste doelstellingen na: een lezing houden voor een groot gehoor is voor hem een mogelijkheid om zichzelf te presenteren en door zijn kennis en spreekvaardigheid uit te blinken. Bij zijn lezing gaat het erom, zijn superioriteit te demonstreren, de aandacht van het publiek op de eigen persoon te vestigen. De kennisoverdracht, dat het zakelijke doel van iedere lezing is, wordt voor B. onbelangrijk of komt op de tweede plaats. Primair gaat het hem om de ‘ik-vergroting’ en versterking van zijn gevoel van eigenwaarde. Zijn doelen zijn ‘ik-gericht’ en ‘onzakelijk’; er heeft een “umfinalisierung” (omkering van het doel) plaatsgevonden.
 
Het zal de lezer duidelijk zijn, dat de heer B. bij zijn lezing sterker emotioneel betrokken zal zijn dan de heer A. Het gaat hier niet slechts om wetenschappelijke lezingen, maar om persoonlijke eerzucht. Het streven naar persoonlijke superioriteit is tegelijkertijd verlokkend en gevaarlijk. Als B. in zijn lezing faalt, zal hij in zijn eigen ogen gezichtsverlies lijden. Hij voelt zich geblameerd, zijn gevoel van eigenwaarde daalt en zijn minderwaardigheidsgevoel, dat door een geslaagde lezing zou zijn verdwenen, komt nu des te sterker naar boven.
Voor B. kan de lezing tot een persoonlijke triomf of tot een grote nederlaag leiden. Daarom is B. bij de hele zaak emotioneel méér betrokken dan A.; hem ontbreekt een zakelijke instelling.
Misschien zal B. vóór zijn referaat gebukt gaan onder angstgevoelens. Hij kan zich bijvoorbeeld voorstellen hoe hij de draad kwijtraakt en zelfs begint te stotteren. In de nacht voor de lezing zal hij niet kunnen slapen. Angst, onrust en nervositeit zullen zich nu regelmatig voordoen als B. een lezing moet houden. Op een dag zal hij misschien helemaal niet meer in staat zijn een lezing over zijn werk te houden; hij verschuift de afspraken, wordt ziek en zal zich misschien onder behandeling stellen.
 
In het kader van een teleo-analyse zou dan worden aangetoond, dat angst, onrust enz. een uitgesproken doelgericht en intelligent ‘arrangement’ betekenen ten dienste van het vérmijden van situaties waarin het gevaar van het verminderen van het gevoel van eigenwaarde groot is. Tenslotte dient zo’n ‘arrangement’ het gevoel van zekerheid.
 
Praktijk van de teleo-analyse 
Bij iedere individualpsychologische therapie - en daarmee ook de teleo-analyse - ligt de verantwoording voor de genezing, voor het behandelingsresultaat, alleen bij de cliënt. “De therapeut moet zichzelf op nul instellen” zegt Adler. Het zij slechts vermeld, dat de therapeut daarmede vanaf het begin weerstand en ‘negatieve overdracht’ van de cliënt kan controleren, want hij stelt meteen aan het begin van de therapie de vraag, wanneer de cliënt denkt zijn problemen zelf te kunnen oplossen, dus ‘gezond’ te zijn. Het feit, of de cliënt zich nu op een definitieve termijn kan vastleggen of niet, geeft de mogelijkheid om gevolgtrekkingen te maken ten aanzien van zijn weerstand om zich te veranderen...
In principe wordt ervan ‘uitgegaan, dat een teleoanalyse 15 tot 20 uur kan duren. Als de cliënt van mening is, dat hij in dit tijdsbestek niet ‘gezond’ kan worden, dan wordt het aan hem overgelaten een andere therapiemogelijkheid te zoeken, zich bijv. te wenden tot de klassieke individualpsychologische analyse, of eerst dan weer terug te komen, wanneer hij meent, dat hij binnen de aangegeven tijd het therapiedoel kan bereiken.
Dit moge hard klinken, maar het is bewezen, dat cliënten die besluiten kunnen er na ongeveer 15 uur op eigen houtje uit te komen, inderdaad ook genoeg hebben aan dit aantal therapeutische zittingen, omdat ze voor een verbetering van hun situatie gemotiveerd zijn.
De teleo-analyse kan volstrekt worden beschouwd als een psycho-agogische behandeling, want deze behandeling probeert de cliënt in de kortst mogelijke tijd INZICHT te geven in het doel van zijn afwijkend gedrag en hem dan methoden aan de hand doen die hem in staat stellen om zich meer aangepast te gedragen.
 
Levensstijl 
De eerste stap in de teleo-analyse bestaat uit het blootleggen van de levensstijl van de cliënt. Onder het begrip levensstijl wordt verstaan: het totaal van meningen en ideeën die ieder mens zich in de eerste zes levensjaren over zijn medemensen, het leven en ‘de wereld’ vormt.
De levensstijl blijft onbewust, voorzover hij niet geanalyseerd wordt. Hij verandert zich in hoofdlijnen nauwelijks meer, maar verbeeldt het levensplan, dat de mens voor zijn verdere leven heeft uitgestippeld. Ieder mens heeft zijn heel persoonlijke levensstijl, die zijn voelen, denken en handelen beïnvloedt. Is de levensstijl eenmaal verankerd dan ‘doet’ de mens zijn ervaringen op in de richting van zijn verwachtingen.
Adler noemt dit mechanisme ‘tendentieuze apperceptie’. De uitdrukking ‘apperceptie’ betekent de gebeurtenis, waarbij een waarneming (perceptie) in het centrum van de aandacht komt. Op een selectieve manier wordt nog slechts datgene waargenomen, dat de eigen meningen (je kunt ook zeggen ‘vooroordelen’) bevestigt.
Vaak heeft een kind zich al in zijn vierde levensjaar voor een deel juiste en voor een deel ook onjuiste voorstellingen (‘privé-logica’) over het leven gemaakt. De voorstellingen- of ideeën - zijn slechts verklaarbaar vanuit de vroegere werkelijke levenssituatie en levenswijze van het kind. Op grond van zijn ‘tendentieuze apperceptie’ kan het ze echter tegen iedere verdere controle op zakelijk logische juistheid afschermen.
In de levensstijl zijn ook de afgelegen doelen begrepen die de mens nastreeft. Deze zijn onbewust en voor een groot deel van de privé-logica afgeleid. Hoe meer deze privé-logica afwijkt van het gezonde verstand, des te meer zal deze mens zich onaangepast aan de werkelijkheid gedragen. Zo bezit,de psychotische mens een extreme privé-logica, waarmee hij zich het verst verwijderd heeft van de voor andere mensen geldende regels. Inzicht in de levensstijl is vereist wanneer men de individuele mens en zijn gedrag wil begrijpen.
 
Gezinsconstellatie 
Ieder mens vormt zijn persoonlijke levensstijl in relatie met zijn eerste sociale omgeving; het gezin. De overige gezinsleden, moeder, vader, broers en zusters zijn de eerste sociale partners. De plaats van elk gezinslid is uniek. Het maakt een groot verschil, of een kind als oudste opgroeit, of het de jongste is of als enigst kind in het gezin leeft. Ieder kind verwerft zijn subjectieve indruk van de plaats in het gezin en probeert zijn eigen plaats in het gezin te veroveren.
Persoonlijkheid, gedrag en belangstellingssfeer verschillen het meest tussen het eerste en het tweede kind van het gezin. Deze verschillen kunnen worden verklaard door de naijver die onder kinderen bestaat. Je kunt er van uitgaan, dat ieder kind het meest in concurrentie is met het broertje of zusje van wie het naar zijn mening het sterkste afwijkt.
De oudste voelt zich door het tweede kind ‘onttroond’ en ziet in hem een rivaal. Het tweede kind heeft in de oudste altijd een concurrent vóór zich, die een voorsprong heeft en hem in veel opzichten de baas is.
De doelstellingen van het tweede kind vinden hun hoogtepunt daarin, dat hij de oudste wil inhalen of zelfs voorbijstreven.
Op grond van deze concurrentie kan ieder voor zich een gebied zoeken, waarop hij ‘succesvol’ kan zijn of de ander kan overtreffen. Is de eerste een goede leerling in exacte vakken, dan kan de tweede bijzondere prestaties leveren op creatief terrein. Kan de eerste door een rustig, bezonnen gedrag binnen het gezin overtuigen, dan kan de tweede door luidruchtig haantje-de-voorste gedrag opvallen.
Het is dus belangrijk om van cliënten de gehele gezinsconstellatie door te lichten, omdat deze wezenlijke informatie over zijn plaats in de eerste sociale omgeving oplevert. Veel kan men al uit het feit concluderen, dat de cliënt een enigst kind of enige jongen onder alleen maar zusjes of enigst meisje onder louter broertjes was.
De teleo-analyse gebruikt ter vaststelling van de gezinsconstellatie een vragenlijst die de therapeut heel vlug overzicht en een beeld geeft van de positie die zijn cliënt binnen zijn gezin inneemt en onderhoudt. Ook de opvoedingswijze van de ouders, (voortrekken, speciaal verwennen, onzelfstandig houden, bestraffen enz.) is van belang evenals alle invloeden die voor de ontwikkeling van de levensstijl van belang kunnen zijn. Het overzicht over de gezinssamenstelling is een sleutel tot de levensstijl van de cliënt.
 
Vroege jeugdherinneringen
In de teleo-analyse wordt de cliënt verzocht zijn vijf tot tien vroegste kinderherinneringen te vertellen. (Nog beter: te laten opschrijven. Red.) Deze geven de belangrijkste aanwijzingen tot het kennen van zijn levensinstelling. Uit een groot aantal herinneringen kiest hij namelijk tendentieus die belevenissen uit, die zijn ideeën (meningen) over zichzelf, de anderen en de wereld het meest exact uitdrukken.
De herinneringen uit de vroege kindertijd zijn overigens ook een uitstekende criteria voor het behandelingssucces. Wanneer de levensstijl en de doelen van de cliënt na de behandeling zijn veranderd, herinnert de cliënt zich ook ándere belevenissen uit de kindertijd (of herinnert de zelfde situatie ánders), zodanig dat die de nieuwe levensinstelling weerspiegelen. (Vandaar dat het beter is de herinneringen op schrift te stellen, dat maakt controle achteraf gémakkelijker. Red.)
De analyse van de herinneringen uit de vroege kinderjaren is een projectieve techniek en lijkt daarmee op andere projectieve technieken zoals bijvoorbeeld de ‘Rorschach inktvlekkentest’ of de ‘thematische apperceptietest (T.A.T.)’. De cliënt ‘ziet’ een bepaalde voorstelling in het per geval ontstane beeld en maakt daarmee zijn persoonlijke instelling en motieven voor de therapeut toegankelijk.
 
Beslissingsvrijheid
Een niet alleen meer psychologisch probleem is de vraag naar de beslissings-of wilsvrijheid van de mens. Iedere psychologische school neemt stelling op dit punt, want hier wordt het mensbeeld van dat moment in beschouwing genomen, dat tenminste impliciet in elke persoonlijkheidstheorie is vervat. De beantwoording van deze vraag heeft verstrekkende gevolgen met betrekking tot de therapeutische doelstelling en praktijk.
Is de ontwikkeling van een mens genetisch bepaald of is de mens een product van zijn opvoeding?
Kan een mens vrij beslissen of resulteert zijn gedrag uitsluitend uit zijn aanleg, de beïnvloeding door zijn leefomgeving of een wisselwerking van deze factoren?
Met overwegingen, of aanleg of leefachtergrond of beide de ontwikkelingsmogelijkheden van een mens bepalen, wordt met de creatieve, scheppende vermogen of kracht van de mens geen rekening gehouden. Ieder kind bepaalt in de ontwikkelingspsychologie en ethologie als ‘sensibel’ aangeduide fase van zijn kindheid, wélke van zijn ervaringen voor zijn verdere leven van belang zullen zijn en welke niet.
 
Ervaringen
Historisch en cultureel wordt ieder mens bepaald door een grof kader, dat een groot aantal ervaringen die de enkeling kan opdoen, opmerkt; mensen in de middeleeuwen of mensen in ‘Indië’ hadden of hebben onvermijdelijk een andere ervaringshorizon als de West Europeanen in de twintigste eeuw. Een verdere inperking van de potentiële ervaringen is het gevolg van genetische bepaaldheid van een mens en het milieu waarin het opgroeit; een vanaf de geboorte in zijn ontwikkeling gestoord kind heeft andere ervaringsmogelijkheden als een gezond kind. Een kind uit de lagere sociaal-economische kringen met veel broers en zusters heeft andere ervaringen als het enig kind uit de hogere middenklasse, enz.
Zo zijn de ervaringsmogelijkheden van ieder mens bij voorbaat begrenst door biologische, historische, culturele, sociale en economische omstandigheden. Maar binnen zijn kader kan de mens een enorm aantal ervaringen opdoen.
‘Beslissingsvrijheid bestaat daarin dat ieder mens, vooral in de gevoelige periode van zijn kindertijd, besluiten kan, door welke ervaringen hij zich wil laten beïnvloeden. Hij maakt (onbewust) uit, welke ervaringen de vormende zullen zijn, welke relevantie ze voor zijn latere beleven en handelen hebben.
Hij neemt dus actief stelling t.a.v. zijn vroegkinderlijke situatie. Is echter op deze wijze zijn levensstijl eenmaal gevormd, dan richt de mens zich in zijn besluitvorming naar deze vastgelegde meningen en doelstellingen.
 
Een voorbeeld:
Bij een poging op een stoel te klimmen valt een kind op de grond. Hetzelfde kind lukt het later voor het eerst om zelf-de deur te openen. Twee ervaringen die het kind opdoet! De vraag is nu welke ervaring een vormend karakter heeft. Als het kind zich later eens aan een levensstijlanalyse onderwerpt en zich daarbij de eerste belevenis herinnert kan daarbij worden vastgesteld dat de beleving van de falende handeling van beslissende invloed is geweest op de gevoelens van de latere volwassene; dat de hem omringende wereld gevaarlijk is en dat hij niet in staat is om hindernissen op zijn levenspad te overwinnen.
Wanneer het kind zich als volwassene de tweede gebeurtenis herinnert, dan is het succes van de gebeurtenis bepalend voor zijn instelling tot zichzelf en tot het leven.
Vanzelfsprekend gaat het hier om sterk vereenvoudigde voorbeelden. In werkelijkheid is het meer complex.
 
Van belangrijke betekenis, in het bijzonder voor de therapie, is de vaststelling dat de mens in principe vrij kan beslissen. Het is noodzakelijk de cliënt duidelijk te maken, dat hij zich op elk moment van zijn leven, bewust of onbewust, kan kiezen voor handelen, gevoelens en motieven. Zo kun je de beslissing nemen om je aan je vrouw of kind te ergeren, zo goed als je ervoor kunt kiezen om je vakantie in Italië door te brengen.
Vaak verloopt het beslissingsproces echter onbewust, terwijl in het tweede voorbeeld het gaat om een in alle opzicht bewuste beslissing.
Het is belangrijk om de cliënt het verschil tussen zulke bewuste en onbewuste keuzen of beslissingen duidelijk te maken, omdat hem dat aanvankelijk ontgaat, dat je voor stemmingen en gevoelens ook kunt kiezen, ofschoon deze in de regel niet aan een bewuste contróle zijn onderworpen.
 
Tegenstrijdigheid
Vaak zijn bewuste en onbewuste beslissingen van gedrag tegenstrijdig. Een cliënt b.v. die lijdt aan slapeloosheid ligt ‘s avonds in zijn bed en geeft zichzelf de ‘opdracht’ om te gaan slapen. Desondanks blijft hij wakker! Onbewust heeft hij namelijk besloten om niet in slaap te vallen. Zo lang bewuste en onbewuste beslissingen niet parallel lopen, bevindt hij zich in strijd met zichzelf. Zou men de situatie met de cliënt analyseren, dan zou men kunnen vaststellen, dat achter deze schijnbare tegenstrijdigheid van de bewuste en onbewuste intentie één eenheidsgerichte persoonlijkheid staat met ondubbelzinnige doelen.
Deze ambivalentie komt eerst dan tot stand, wanneer men een doel niet volledig bewust is. In het geval van deze cliënt zou het kunnen zijn, dat hij zich de volgende dag aan een belangrijke taak moet wijden, waarvan het resultaat voor hem nog niet vaststaat of onduidelijk is. Zou hij met dit werk inderdaad schipbreuk lijden, dan zou hij kunnen zeggen dat hij niet op grond van persoonlijke onbekwaamheid heeft gefaald, maar vanwege een slechte nachtrust!
Het (onbewuste) doel van het -niet kunnen slapen- zou in dit geval een ‘verontschuldiging voor eigen gebreken’ zijn.
In gevallen zoals deze, waar dus sprake is van tegenstrijdigheid tussen bewuste en onbewuste keuzen, is het noodzakelijk, het bewuste doel te bedekken met het onbewuste doel. Men moet de onbewuste beslissing (om niet te slapen) accepteren.
 
“Paradoxale intentie”
In praktisch - therapeutisch opzicht zien we hier overigens parallellen met de techniek van de paradoxale intentie die door de Weense psycholoog Viktor E. Frankl gesystematiseerd werd. Frankl was oorspronkelijk een leerling van Adler, ontwikkelde echter zijn eigen “logotherapeutische” school en behandelingsmethode. De methode van de paradoxe intentie werd overigens al eerder door Adler zelf toegepast. Hij gaf bijv. een kind, dat door zijn getreuzel (onbewuste keuze) iedere morgen het gezinsleven tiranniseerde (onbewust doel) de opdracht om iedere ochtend bewust zó veel tijd te vertreuzelen als maar enigszins mogelijk was.
Tegenwoordig wordt de techniek van de paradoxale intentie vooral in de communicatietheorie gebruikt.
 
Negatieve ’dichtbij’-doelen
De mens streeft bij alles wat hij doet een doel na. Zoals reeds opgemerkt, kunnen deze bewust of onbewust zijn. Een bewust, zakelijk doel zou bijv. daar uit kunnen bestaan, dat men geld gaat sparen om een auto te kopen. De onbewuste doelstellingen zijn meestal van onzakelijke aard en zijn dikwijls gericht op ‘ik-verhoging’. Daarbij kunnen zogenaamde verte-doelen van dicht-bij doelen worden onderscheiden, waarbij vooral de laatsten het actuele gedrag van de mens bepalen.
Ieder storend gedrag streeft bijna altijd één van de vier hieronder, door Rudolf Dreikurs geformuleerde, doelen na:
 
1. verontschuldiging voor eigen tekortkomingen,
2. aandacht trekken,
3. superioriteit verkrijgen (inferioriteit vermijden)
4. vergelden.
 
Het gaat hier om ‘ik-betrokken’ en onzakelijke doelstellingen, waarbij verhogen, bewaren respectievelijk herstellen van het gevoel van eigenwaarde in het middelpunt staat.
 
Verontschuldiging voor eigen gebrek.
Wie bijv. vlak voor een examen niet kan slapen, verklaart dit meestal vanuit de samenhang met zijn opgewondenheid. De in slapeloosheid doorgebrachte nacht dient echter uiteindelijk ter verontschuldiging wanneer men de volgende dag voor het examen zakt. Gelijktijdig kan het derde dichtbij-doel (superioriteit) worden nagestreefd, want wanneer men voor het examen slaagt, is dit wel een zéér bijzondere prestatie, aangezien als extra belasting naast het eigenlijke examen doen óók nog de onuitgeslapenheid in aanmerking moet worden genomen. Je bent dan dus wel een superieure figuur wanneer je zélfs onuitgeslapen nog slaagt!
 
Aandacht trekken
Aandacht trekken kan logischerwijze als negatief nevendoel altijd in die gevallen worden aangenomen, wanneer een mens zich op de voorgrond dringt en in het middelpunt wil staan. Hij kan dit met verschillende middelen proberen, o.a. bijvoorbeeld door ziekte (fobieën, tics depressies etc.) die hem verzekeren van de bijzondere aandacht van zijn omgeving.
 
Superioriteit verkrijgen
Dit is altijd de intentie wanneer een mens zich vermaakt te koste van anderen, de anderen bekritiseert en omlaaghaalt om zichzelf daaraan op te trekken. (Ter compensatie van het minderwaardigheidsgevoel)
 
Vergelding
Het doel van vergelding moge in zijn onzakelijkheid en egoïsering een ieder duidelijk zijn. Wie dit doel nastreeft wil zijn gekwetste zelfbewustzijn herstellen, maar bereikt in zakelijk opzicht met zijn gedrag over het algemeen niets.
 
De voorbeelden zijn ontleend aan de ‘alledaags-psychopathologie’, maar ook klinische symptomen kunnen bij de teleo-analytische aanpak tot deze zeer simpele dichtbij-doelen worden teruggeleid. Na het blootleggen van de levensstijl worden in de teleo-analyse de vier negatieve dichtbij-doelen met de cliënt besproken en de therapeut en cliënt proberen gezamenlijk het storende en onaangepaste in het gedrag m.b.v. deze doelen te analyseren. Hier heeft de teleo-analyse overigens raakvlakken met de gedragstherapie.
Verder is het belangrijk, dat de cliënt de samenhang tussen bewust en onbewust, de verte-doelen en de dichtbij-doelen en de levensstijl duidelijk te maken. De cliënt begrijpt zeer snel, dat zijn levensstijl de rode draad van zijn levensvoering betekent en dat negatieve dichtbij-doelen altijd dan worden nagestreefd, wanneer er gevaar bestaat dat de door de levensstijl bepaalde verte-doelen, (die tenslotte gericht zijn op een beveiliging van het ‘ik’) niet worden bereikt.
Tijdens de therapie wordt het actuele gedrag van de cliënt steeds weer met betrekking tot deze doelen onderzocht en met de levensstijl in verband gebracht. De cliënt wordt uitgenodigd om zich voortdurend rekenschap over zijn gedragsdoelen te geven.
 
Groepstherapie
Vanzelfsprekend is de teleo-analytische methode niet alleen in een individuele therapie te gebruiken. Ze kan ook in het kader van een groepstherapie worden toegepast.
Op klinisch stationair gebied werden goede ervaringen met een combinatie van individuele- en groepstherapie opgedaan. In enkele kortdurende privé-zittingen wordt met de cliënt de levensstijl doorgewerkt. Alle verdere therapeutische stappen volgen dan uitsluitend binnen de groep. Het voordeel van groepstherapie t.o.v. individuele therapie ligt - afgezien van een economisch aspect in de betere mogelijkheid om de sociale interesse, het gemeenschapsgevoel te bevorderen. Een zekere mate van gemeenschapsgevoel is volgens Adler het criterium voor ‘normaliteit’ of ‘psychische gezondheid’. Gemeenschapsgevoel hebben of sociale interesse hebben betekent: zich bezighouden met de opgaven die een mensengemeenschap nu eenmaal stelt, vertrouwen te hebben in die gemeenschap, de innerlijke zekerheid te hebben dat men erbij hoort zonder altijd in het middelpunt te moeten staan en daarbij ook bereid te zijn tot medewerking binnen de gemeenschap door dat te doen wat de situatie vereist. Wie gemeenschapsgevoel bezit, interesseert zich voor andere mensen, heeft het vermogen tot empathie en richt zich in de omgang met anderen naar de in de cultuur geldende spelregels. Het hebben van gemeenschapsgevoel is gelijk te stellen aan een ‘wij-gevoel’ (op de gemeenschap gericht) in tegenstelling tot een ‘ik-gerichte’ instelling.
Men kan er van uitgaan dat mensen die volgens de gangbare psychiatrische normen als ‘abnormaal’ worden gekenschetst (d.w.z. als ‘neurotisch’ of ‘psychotisch’ worden beschouwd) volharden in een ‘ik-gerichte’ houding ten opzichte van het leven en te weinig gemeenschapsgevoel opbrengen om met de levensproblemen ( arbeid, relaties en gemeenschap) te kunnen omgaan.
Het therapiedoel van een individualpsychologisch geleide groep bestaat, evenals bij een individuele therapie, uit de afbouw van de ‘ik-gerichte’ instelling ten gunste van een ‘wij-gerichte’ instelling om zo te komen tot versterking van het gemeenschapsgevoel.
 
Leerproces
In overeenstemming met de gehele opzet van de individualpsychologie staat de groep als geheel in het brandpunt van de belangstelling. De groep moet een leerproces doorlopen, waarbij het leerdoel uit de ontwikkeling van het gemeenschapsgevoel bestaat.
Bij de groepsleden gaat het in doorsnee om mensen, die moeilijkheden met de sociale spelregels hebben; die in de omgang met hun medemensen veel dingen verkeerd doen, die dus, om Adlers woorden te gebruiken, ‘slechte mensenkenners’ zijn. Zij beschikken over een ontoereikende mogelijkheid tot zelfkennis en kennis van anderen. Omdat ze niet het vermogen hebben anderen te beoordelen en niet weten hoe ze zelf met hun gedrag op anderen inwerken, gelukt het hen niet op een zodanige wijze aan het sociale samenspel deel te nemen, dat het voor henzelf en voor anderen ook bevredigend is.
Verder bestaat bij deze mensen de tendens, het sociale gebeuren als onbevredigend, moeilijk, angstverwekkend enz. te waarderen en zichzelf bovendien als inadequate - en in andermans ogen lastige -medespelers te beschouwen.
Het is belangrijk deze mensen in een groep met een op realiteit gerichte waarneming van de sociale verbanden, te trainen en ze gevoelig te maken voor de nuances van de sociale interactie.
Binnen het groepstherapeutische werk moet vooral rekening worden gehouden met de ‘lichaamstaal’. De groepsleden leren (door te letten op de lichaamsexpressie) met meer aandacht hun medemensen tegemoet te treden en daarbij niet alleen gevoelig te zijn voor het gesproken woord, maar voor de gehele mens in zijn functioneren als ‘universele overdrager van boodschappen’. Dat daarbij de non-verbale (onbewust gestuurde) mededelingen vaak niet overeenstemmen met de (bewust gestuurde) verbale mededelingen, kan binnen het kader van de groep intensief worden uitgewerkt.
 
Rollenspel
Tot de belangrijkste methode van het individualpsychologische groepswerk behoort het rollenspel. In het rollenspel kan het sociale gedrag meteen worden geoefend. Er is nog een veelvoud van andere technieken voor groepstherapie, die geëigend zijn om het gemeenschapsgevoel te versterken. Door het blootleggen van hun negatieve dichtbij-doelen ervaren de cliënten de doelgerichtheid van hun gedrag en leren ze hun specifieke moeilijkheden te overwinnen.
 
Dat naast de teleo-analyse (die immers een kortdurende therapie is) nog de klassieke individualpsychologische ‘kuur’ volgens Adler’s ideeën wordt gebruikt en als langdurende therapie bij bepaalde ziektebeelden is geïndiceerd, mag tenslotte nog worden vermeld. Wie zich daarvoor interesseert, zal de tijd moeten nemen om de geschriften van Adler, die ons ter beschikking staan, te lezen.
 
(Uit het Duits vertaald door Frans Wertwijn