Over Heinia, Donia en Hinnema state

Heinia State was een versterkte boerderij, gelegen ten oosten van Doenia state in de buurt Doemma, ten noorden van Engelum, in de gemeente Menaldumadeel. De hofstede, of verstevigde hoeve, lag naast de oude zeedijk die liep langs de voormalige Middelzee voorbij Leeuwarden naar Berlikum. De state komt voor op de kaart van Friesland uit 1579 van Sybe de Leeuw (Sibrandus Leonis) en op eenzelfde kaart uit 1588 van L. Guicciardini. Op de tweede versie ligt Heinia tussen Donia (Doenia) en Groustins. Met een state is meestal een versterkt huis bedoeld met een omgrachting. Het had mannen 'op poten' tot zijn beschikking (potestaat) en wist snel, sterke kerels, meestal boerenknechten (krijgsknechten) te mobiliseren. Met een zathe echter duidt men meestal een boerderij of hoeve aan met relatief slechte, natte (nasse) landen, van het zat zijn, zonder de omgracht. Een state houder met meerdere states begint bij dreiging een belangrijke factor van betekenis te worden. Wanneer men een blokhuis heeft, noemt men dit vaak de stadholder. In het aangeduide gebied moest vooral de Schieringer Hemmema (Hemma) het voortdurend ontgelden. Zo was daar eens een beruchte tweede aanval waarbij de Vetkopers de grachten om de state wisten te dempen met hooi. Hemmema stak dit hooi in brand, terwijl hij zijn zwangere vrouw Baukje Popma in veiligheid liet brengen. Zo kwam het dat de hele state toen is verwoest. Ook Eminga naast de Vrouwenbuurt moet een belangrijk doelwit geweest zijn. Vanwege deze plunderingen zijn Heinia en Donia uitgeweken naar het veel sterkere Hinnama of Hinckama met een diepe omgrachting en ophaalbrug gelegen onder Jelsum. De namen van de states leiden nu en dan tot verwarring bij sommige families. Zo was Wiarda Eminga geworden, maar werd dit later toch weer Wiarda. Door huwelijken en verkavelingen trokken geslachten dan heen en weer waardoor er tal van dwarsverbanden ontstonden. Het Bildt met vliegveld Leeuwarden is uit militair oogpunt nog altijd zeer belangrijk.

Op de oude 'schoolkaart' hier onder is Het Bildt rond 1570 door schoolmeester Jan Jansz afgebeeld. Hemmema ligt direct bij Berlicum (Berlechum), dan komen Dirck Jetzes, Hein Heinsz (Heina), Aert Bijeman (Beyma), en daarna volgt pas Doenia (DVMMA, Doema, Donia) bij Beetgum (Betechum). Donia is derhave groot danwel verplaatst. Aysma zou verderop liggen. Dit roept vragen op bij alle lokale historici of de kaart wel op schaal gemaakt is. De maker van de nette kaart zou hier en daar toch flinke kritiek oogsten.



Ten noordwesten van vliegbasis Leeuwarden, ligt een aaneengesloten complex met allerlei akkers voor het verbouwen van aardappels. Ongeveer ter hoogte van Beetgumermolen krijgt men het hele gebied in het vizier. Daar ergens middenin lag vroeger de hoofdgeul van de ingepolderde Middelzee. Deze buitendijkse aangeslibde landen noemde men in 1398 de ‘Bijlanden’ oftewel het weidse bijland nu wel afgekort tot Bildt. In februari 1505 sloot de hertog met de baard George van Saksen een overeenkomst met drie broers Dirk, Floris en Jacob van Wijngaarden. Die vonden de landaanwinning veel te gevaarlijk. Alleen met een vierde partner Thomas den Beukelaar, de schoonzoon van Floris, zou dit plan slagen. De edelen zouden de kwelders in het noorden van Friesland indijken met vrijstelling van de pacht. Die namen veelal pachters uit Zuid Holland mee. Uit Dordrecht, Leiden en Delft. In opdracht van de hertog is in 1505 een kaart gemaakt van de Bijlanden met een beschrijving van alle nieuwe bewoners van Het Bildt. Dat zou wel eens de originele kaart geweest kunnen zijn.

                   

In Leeuwarden leeft in die tijd ook een Jan Heyns in 'armoedige' omstandigheden. Hij lijkt toch wel wat bij deze familie te kunnen horen en hij wordt daarom toch opgenomen in het stamboek voor Friese adel. Het betreft daarom mogelijk zijn vader. Het is helemaal wat verwarrend die gegevens van de Nieuwestad en uit Engelum. Jan Heins was getrouwd met de weduwe Jeesck Claasdocher en zij hadden allerlei bezittingen in de buurt van Engelum en Menaldum. Hun zoon Hein Jans was getrouwd  met Sycke Tiepckes en zij hadden vijf kinderen. Nadat Jeesck en haar zoon kort na elkaar zijn overleden, mogelijk een combinatie van armoede met de Spaanse oorlog, moet begin 1619 de inventaris van zowel het echtpaar Jan Heins en Jeesck Clases als van Hein Jans en Sycke Tiepkes beschreven worden. De kinderen zijn erfgenaam via hun vader. Zij leefden met hun moeder in eenvoudige omstandigheden in een onderhuis aan de Nieuwstad. Jan Heinsz Nieuwestad z.z. in de voorkelder van de huijsinge in de Oliemolen (1619) en in de voorkelder van de huisinge in de oliemolen op de breesijde van de nieuwe stadt. Relevante bezittingen van Jan Heijns en Jeesck Claasdr. op een rijtje: 
-sathe en landen in Menaldum die Lutke Wester werd genoemd (of zoiets); 
-land dat van Jeesck en haar 1e man was (Rienck Booyens);
-land in een sathe die door zoon Hein Jans werd bewoond;
-greidland onder de klokslag van Menaldum dat Hein Jans van zijn vader had geërfd;
-sathe en land dat Lutke Brantsma wordt genoemd in Menaldum;
-land dat eigendom was van Jeesck haar 1e man land op Lyener maden.

Jeesck had een testament gemaakt in 1617 dat bepaalde dat zoon Hein 1/3 van de erfenis kreeg en zijn kinderen 2/3. Hein Jans heeft met Sycke wel in Engelum gewoond in 1608. Misschien is zij na zijn overlijden naar Leeuwarden verhuisd. Het is heel lastig om de balans te doorgronden. Er was allerlei bezit maar Hein en Sycke hebben ook veel geld geleend van zijn moeder. Dus er zijn schulden van Sycke en kinderen aan de kinderen als erfgenamen. Kom daar maar eens uit. Een broer en een oom van Sycke treden op als requiranten voor de kinderen. Er was dus blijkbaar geen familie meer van hun vader. Ondertussen kan ik nog niet vaststellen of Jan Heins eigenaar was van de Heina-state. Er zijn geen aanknopingspunten. Als hij 2 car.gls betaalt in 1587 i.v.m. de personele impositie, dan is hij wel rijk geweest. Jeesck heeft het nodige ingebracht vanuit haar eerste huwelijk. In 1581 was zij volgens de quaclappen al wel met Jan Heijns getrouwd. Hein Jans heeft in 1619 vijf kinderen en dat Hein de zoon wordt genoemd van Jeesck zijn vader en moeder welke getrouwd zijn voor 1578. Het echtpaar wordt heel wat keertjes in de quaclappen genoemd i.v.m. erfeniskwesties. Het gaat dan steeds over Jan Heins in Engelum. Ze zijn allemaal nagelopen, maar er staan geen interessante familieleden in. Jammer maar waar. Enige tijd later is Cornelis Heins in Beetgum de timmerman op Toutenburg die het bijgebouw zo wat staat te verbouwen.

Hein Heins bewoont een boerderij in het Bildt, het ingepolderde land (na 1505), terwijl Heinastate op het 'oude land' ligt rond Doenia in de buurt van Engelum bij Hemmema Nyfinne. Een finne of fenne is weer een aanduiding voor een stuk nat land. Zie ook de beschrijving van de geschiedenis van het Bildt. Pachters komen van voorouders uit de buurt of van Rijnsburg eigenlijk, Zoeterwoude ook wel Sweetwald gezegd, weg van de familie Oem of Wijngaarden, die daar polderaar en pachter zijn geworden na 1505, na een enorme inpoldering. Veel literatuur hierover betreft gedoe over de pachtprijs die na 7 jaar opnieuw vastgesteld werd. Straffen als inkwartiering hebben mijn voorvaders daar moeten verduren. In M. Schroor nog: “Het grote kloosterbezit verklaart waarom in 1511 de meeste hoeren pachters waren …rond Berlikum. Hier speelde ook toen al de tuinbouw een belangrijke rol. Het tuinbouwcentrum Berlikum zou zijn ontstaan te danken hebben aan de uithof Amkama, wellicht Amama (Ammama). De boerderijen kenden weinig kavels met flinke percelen…”. Heina state ligt op de plek waar later Buma-Aijsma state afgebeeld is, op de Billanden onder de Oude Dijk. In "Oudheden en gestichten van Friesland" (1723) staat dat onder Beetgum de "vermakelijke buurt Dyxtrahuizen" ligt "daar de erfelijke sloten of stinsen Buwma en Aysma staan". Buwema, Buwma of Buama, het is allemaal hetzelfde als Buma, maar het is de vraag of Buma uit een stins ontstaan is, of een boer bij Aijsma was. Buma, Groustins, Swartsburg en Aysma liggen zo allen op de plak waar Heinia state globaal gelokaliseerd wordt. Het huidige Dijksterhuizen omvat ongeveer deze bovenliggende "boerderijen". Het kan ook Groot Aelzert (Beetgum) en Cleyn Aelzert (Engelum) zijn, waar Hein Jans pacht, vermoedelijk een zoon van die Jan Heins uit de impositie 1579. Cornelis Heins, deze timmerman op Toutenburgh kan ook om andere redenen niet deze man zijn. Van hem bestaan namelijk geen doopaangiftes, nu zou hij nog Doopsgezind kunnen zijn, ware het niet dat hij iets met de NH kerk heeft gedaan. Hij is ook de timmerman van Schatzenburg en waarschijnlijk heeft hij die 300 gulden gekregen om er weer de kerk mee te verbouwen. Nu zou die man nu juist op Alserda wonen.

1606/07

Alserda

verklaring: Ontleend aan de Friese boerderijnaam Alserd(a).

De familienaam kan getraceerd worden tot Jelte Lolles, die in 1624 burger van Leeuwarden werd. In 1665 werd hij met de naam Jelte Lolles ab (= van) Aelserda vermeld. Hij was eigenaar van de boerderij Cleyn Aelsert (1641) bij het dorp Engelum (Menaldumadeel), die tegenwoordig als Cleyn Alserd op de topografische kaart is aangeduid. Zijn zonen werden in 1647 en 1654 als Feico Jeltonius ab Alserda en Lollius Alserda aan de universiteit van Franeker ingeschreven. Lollius vestigde zich in Marum. De naamdragers van nu stammen via zijn dochter Ytien Lolles van hem af. Ytien huwde in 1694 te Grootegast met Weit Pieters. Hun kinderen werden alleen met het patroniem Weits vermeld, maar hun kleinkinderen tooiden zich met de achternaam Alserda [R. van der Ley, 'Alserda', in: Gruoninga 36 (1991)].

Klein Alsert was gelegen aan de Beetgumervaart nabij Engelum. In 1624 werd Keimpe Donia eigenaar, hij ruilde toen 13 pondematen oud land "gelegen in de sathe genaamd Clein Aldsert of in de Wilgen te Beetgum" met de familie Van Schwartzenberg. Boer op deze boerderij is Popcke Jans, in 1640 aangeduid als stem 8 te Engelum, in eigendom van de Staten van Friesland. In 1644 werd Klein Alsert door de Staten verkocht aan G.F. thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg. Jelte Jolles, de ons oudst bekende voorouder van de familie AIserda, kocht in 1641, samen met Honorius Rouckema, 27 pondematen in de boerderij Cleyn Aelsert onder Engelum. Hiermee werd duidelijk dat Jelte en zijn kinderen zich naar de plaats 'Klein Alsert' AIserda zijn gaan noemen. Momenteel is het adres van deze boerderij Tsjerkein 12 te Engelum. In 1676 werden de sate Groot en Klein Alserda samengevoegd tot een boerderij van 120 pondematen.


Aysma State

Ligging De Aysma State stond in Beetgumermolen, gemeente Menaldumadeel. Adres: Dyksterhuzen 16

Ontstaan Het is niet bekend wanneer deze State werd gebouwd.
Geschiedenis De oude (Groot) Aysma State stond enkele honderden meters verder naar het oosten in de buurt Dijksterhuizen. Nu heet de weg over deze oude zeedijk officieel Dyksterhuzen en Aysma State stond ten zuiden van deze weg, dus aan de landzijde van de oude zeedijk. Dat duidt erop dat de plek waar deze stins of state heeft gestaan al vóór de afsluiting en inpoldering van de Middelzee bewoond werd. Aysma State, ook wel Groot Aysma genoemd, wordt al door Chr. Schotanus in 1664 vermeld als een zogenoemde ‘eigenerfde state’ en hoewel het een groot huis geweest moet zijn, heeft het volgens de geschiedschrijvers niet de status van ‘Edele State’ gehad. Hoewel in de loop der tijden wel leden van de familie Van Aysma tot ridder geslagen zijn en zij de titel Jonkheer en Jonkvrouw droegen, hebben zij onder veel Friese geschiedschrijvers ten onrechte vaak niet de status gekregen die hen toekwam en min of meer het predikaat ‘eigenerfde boeren’ gehouden. Helaas is maar al te vaak gebleken dat die ‘historici’ elkaars fouten klakkeloos hebben overgeschreven. Vanaf het midden van de 15e eeuw waren de Van Aysma’s in feite afstammelingen van de adellijke familie Lauta uit Wier.

In "Oudheden en gestichten van Friesland" (1723) staat dat onder Beetgum de "vermakelijke buurt Dyxtrahuizen" ligt "daar de erfelijke sloten of stinsen Buwma en Aysma staan". Er is bij beide states geen enkele aanwijzing voor die oorsprong terug te vinden. De "Tegenwoordige staat van Friesland" vermeldt ze als ‘eigenerfde staten’. Bij Aysma State valt op dat er, evenals bij het nabijgelegen Buma State, een in verhouding erg groot deel van de landerijen op het ‘nieuwland’ lag, dus in de voormalige Middelzee. Dat duidt erop dat de eigenaren van deze states goede zaken hebben gedaan met de aanwinning van buitendijks land. In de Middeleeuwen werd buitendijks land dat was aangewonnen door de eigenaar van de naastgelegen binnendijkse landerijen, automatisch eigendom. Vaak zien we daarbij dat er dan binnendijks land werd verkocht of dat er van de binnendijkse landerijen een nieuwe boerderij gevormd werd, waarbij een klein deel van de ‘kernlanden’ bij de oude boerderij bleven.

In het geval van Aysma State werd uit de landerijen op het oudland waarschijnlijk het naastgelegen Klein Aysma gevormd, waarna Aysma State ook wel Groot Aysma genoemd werd. De boerderij dicht bij het huidige Beetgumermolen dat pas na 1811 ook wel Groot-Aisma werd genoemd, heeft geen enkele binding met het oude (Groot) Aysma State. Door deze naamgeving is er echter wel verwarring en onenigheid ontstaan onder historici wáár nu eigenlijk het oorspronkelijke Groot Aysma of Aysma State heeft gestaan. Wij houden het op de plek die Bernardus Schotanus à Sterringa daarvoor op zijn kaart van omstreeks 1700 aangeeft.

Volgens het "Stamboek van den Frieschen Adel" trouwde Gerben Lauta in 1445 of 1446 met Tiet Herema, weduwe van Hessel Aysma. Zij had Aysma State geërfd van haar eerste man, waardoor deze in het bezit van de Lauta’s kwam. Hun zoon Hessel noemde zich Lauta van Aysma en als zodanig staat het geslacht dan ook in het "Stamboek", maar de meeste leden noemden zich eenvoudig Aysma of Van Aysma. Hessel was getrouwd met Tjal Doeckedr. Fons, afkomstig van Klein Fons onder Jorwerd. In het "Register van den Aanbreng" uit 1511 staat zoon Doecke Hessels van Aysma vermeld als eigenaar "myt susteren ende broederen". De state, groot 53 pondemaat nieuwland en 10,5 pondemaat oudland, huis en ‘hornleger’ was toen dus onverdeeld familiebezit.

Doecke had vrijwel zeker geen kinderen, want na hem woonde zijn broer Hotthye (Hotse) Hessels van Aysma op de state, in ieder geval van 1529 tot 1543. Ook broer Gerben, prior van het klooster Anjum onder Berlikum, was mede-eigenaar evenals broers Schelte en Lieuwe en zusters Tieth en Lolck. Hessel Hotzes van Aysma, zoon van Hotthye Hessels, was gedeputeerde van 1558 tot 1566 en woonde tot aan zijn dood in 1566 op Aysma State. Zo ook diens zoon Hotze (1550-1603), die gedeputeerde van de Admiraliteit van Harlingen was. Bij zijn dood was het goed 79 pondemaat groot. In de beschrijving van zijn inboedel werd ook enig wapentuig vermeld: "een helleboorde (een piek met een dwarsbijl); een slechte (= gewone) dolk; een vrij schoot harnasch, voor achter craege ende stormhoedt; een pistolet met een holster, een cuyck bant tot harnasch". Dat zal hij als geus vast en zeker regelmatig nodig gehad hebben.

Na de dood van Hotze werd Schelte Hothjes van Aysma eigenaar, maar hij heeft zelf Aysma State niet bewoond. Na zijn dood vestigde zijn weduwe, Tjemck Sybrensdr. van Osinga, zich op de state en bleef daar tot haar dood in 1653 wonen. Als laatste èchte Aysma-eigenaar wordt wel Albert Johanneszn. van Aysma vermeld, die in 1640 in bezit van het huis kwam door zijn huwelijk met zijn achternicht Tzietscke Hottjedr. van Aysma. Dat is net niet helemaal waar, want E.M. van Burmania vermeldt in zijn kroniek namelijk dat zoon Johan van Aysma bij scheiding in 1654 “Aysma tot Beetgum” toebedeeld kreeg, groot 90 pondemaat à 250 goudgulden. Johan was “capiteyn over een compagnie te voet, commandeur overt garnisoen tot Embden”. Dat ligt niet echt dicht in de buurt dus hij zal de state wel verhuurd hebben. Hij overleed op 15 juni 1659, 54 jaar oud, en is in de kerk van Beetgum begraven.

Daarna is de State korte tijd gezamenlijk eigendom van zijn erfgenamen en komt daarna in handen van de familie Van Glinstra uit Dronrijp. Die blijven gedurende vrijwel de hele 18e eeuw eigenaren. In 1850 was jonkheer mr. Pieter Benjamin Vegelin van Claerbergen de eigenaar. Na 1858 is het boerenbedrijf, toen nog 100 pondemaat groot, ‘uit elkaar gevlogen’ zoals de Friezen dat uitdrukken. Het ene stuk land na het andere werd verkocht, waardoor huis en schuur veel te groot werden voor de hoeveelheid land die er nog bij hoorde.

Santema vermeldt in “Skiednis fan Menameradiel” dat Groot-Aysma in 1881 op afbraak verkocht is. Dat betreft dan het jongere huis dichtbij Beetgumermolen. Net ten oosten van Beetgumermolen, aan de zuidkant van de J.H. van Aysmawei is het terrein waar Nieuw Groot Aysma State stond nog zichtbaar. De toegang tot het weiland is afgesloten met een hek tussen forse gemetselde palen. Ook meldt hij dat Klein Aysma in 1752 het “Jagthuis” van advocaat U.H. Huber was (zie ook Schatzenburg te Dronrijp) en later van de “kleine Frieswijk”. Tegenwoordig staat er aan de oostkant van Beetgumermolen nog een villa met de naam “Nieuw Aysma” maar die heeft niets gemeen met de drie andere huizen.

Door gebrek aan literatuur en tekeningen, is er helaas weinig van de bouwhistorie bekend.
Bewoners ca 1430 Hessel Aysma, getrouwd met Tieth Herema
1445 Tieth Herema (wed. Aysma) trouwde met Gerben Lauta uit Wier
ca 1470 Hessel Lauta van Aysma (geboren ca. 1450) en Tjal Doeckedr. Fons
1511 - 1529 Doecke Hessels (Lauta) van Aysma
1529 - 1543 Hotthye Hessels (Lauta) van Aysma (broer van Doecke)
1543 - 1566 Hessel Hotthyes van Aysma en Wybrich van Buma
1566 - 1603 Hotze Hessels van Aysma
1603(?) - 1637 Schelte Hothjes van Aysma
1637 - 1654 Tzietscke Hotthjedr. van Aysma, getrouwd met Albert Johanneszn. van Aysma
1654 - 1659 Johan van Aysma
erfgenamen van Johan van Aysma
18e eeuw familie Van Glinstra
1850 Pieter Benjamin Vegelin van Claerbergen
Huidige doeleinden Op het terrein waar Aysma State heeft gestaan rest nu nog het voorhuis van een voormalige boerderij.
Opengesteld Het huis is niet vrij toegankelijk.
Foto's Kaartje met de States rond Beetgum en Engelum
Bronnen Tekst: J. Leemburg
"Beschryvinge van de Heerlyckheydt van Frieslandt" door Chr. Schotanus (1664)
"Tegenwoordige staat van Friesland" ca. 1775
Genealogieën van André A. Buwalda
archief en eigen herinneringen J. Leemburg
"Bitgum, skiednis van Bitgum en Bitgummole" door Taco Kingma, 1988
"Menaldumadeel, 2000 jaar leven in een Friese grietenij' door David Hartsema (1981)
“Skiednis fan Menameradiel” red. O. Santema en dr. Y.N. Ypma, 1972
Tresoar


Nieuw Aisma State te Beetgumermolen

Hier woonde van 1906 tot zijn overlijden in 1942 Johannes Hartman van Aisma, naamgever van de 'J.H. van Aismastichting'. 

Daarvoor woonde er vanaf 1897 of 1899 zijn tante Geertje Johannes van Aisma, weduwe van de fabrikant Pieter Faberij de Jonge.

Hier woonde de beheerder van de stichting en van 1940 tot 1964 burgemeester Dirk Torensma. In 1989 is deze woning verkocht door de stichting.

 


Van Aysma pagina

HUIZEN / STATES

VAN AYSMA'S

  • ds. Johannes Aysma uit Amsterdam, wel of geen familie van de Aysma's ?
  • Gerard Lauta van Aysma, de atleet
  • Hessel Aysma en de opstand in Friesland, 1577-1587
  • Schelte Lauta, ridder in Rhodos
  • Jan Lauta van Aysma, kasteelheer?
  • Hessel van Aysma, de laatste Friese president
  • Horatius Leendert van Aysma (1743-1818)
  • Twee volmachten op de Friese landdag: Hotze Aysma in 1599 en Hessel van Aysma, oa 1654

FAMILIES

SCHILDERIJEN

  • Schilderij van Scheltina Anna Ida Lauta van Aysma
  • Schilderij van Schelte Hotzes van Aysma, een kind van Hotze Scheltes van Aysma en Anna Mellesdr. Broersema
  • De schilder Harmen Monsma
  • Schilderijen van de familie Lauta
  • Schilderij van Jisck van Aysma

BOEKEN /ARTIKELS

OVERIGE

HET LEGER

DE SCHANSEN EN HUN COMMANDEURS

 GRAFZERKEN, ETC. IN KERKEN

 LIJNTJES MET FRIESE STATES

Naam state Plaats Lijn Link
Aysma State Beetgum Het stamhuis! http://www.stinseninfriesland.nl/AysmaState.htm
Osinga State Schettens Vererfd in de Aysma familie ong. 1623, aan
Schelte Hotzes van Aysma
http://www.stinseninfriesland.nl/OsingaStateSchettens.htm
Aggama State Witmarsum Schoonmoeder Schelte Hotzes van Aysma haar familieslot. http://www.stinseninfriesland.nl/AggemaState.htm
  Driesum    
  Wier    
  Ferwerd    
De Klinze Oudkerk    
Wybranda State Hichtum    
       

 

Hinnema

Heraldische beschrijving:

Wapen: in rood drie zilveren lelies.

Helmteken: 1.een geopende vlucht van rood en blauw (bron 2); 2. een geopende vlucht van rood en zilver (bron 1).

Plaats
-
Wapenvoerder
Hinnema, Hinnema ook Popma
Naam
Hinnema
Opmerking
Bestandsnaam
1800 - Hinnema01
Nummer
HDATNL008554
Bron of boek

CBG, GHS 50D05, J. Romijn, Wapenboek. Bestaande uit 600 Wapenschilden, So van Friesche Edelen, Eijgenerfden, Als andere Voorname Personen, 1753, blz. 32.

CBG, GHS 50B24, F.L. van Burmania. Adelijk wapenboeck. Begonnen in den jare 1748 en geijndigt anno 1755, 1e deel, blz. 146.

Type
Heraldische Databank

Hinckena

Heraldische beschrijving:

Wapen: in blauw een gouden leeuw.

Plaats
-
Wapenvoerder
Hinckena van Hinckenberg
Naam
HinckenaHinckena van Hinckenberg
Opmerking
Bestandsnaam
1800 - Hinckena01
Nummer
HDATNL008534
Bron of boek

CBG, GHS 50A12, B.F.W. von Brucken Fock, Friese Familiewapens. Wapens van oud- adellijke & geadelde, eigenerfde, & enkele patricische familiën van frieschen oorsprong in Friesland tusschen Fly en Eems, waarbij gevoegd zijn wapens van enkele niet-friesche familiën, die aldaar goederen bezaten en ampten bekleedden, blz. 68.

Type
Heraldische Databank


Hinnema State

Ligging De State stond een kwartier lopen ten oosten van de kerk van Jelsum, gemeente Leeuwarderadeel.

Oude afbeelding van de State door L. Schierbeek 

Ontstaan Rond 1450 wordt de stins voor het eerst vermeld.
Geschiedenis In de zeventiende eeuw werd zij bewoond door het adellijke geslacht Donia, en daarna door den beroemden Godgeleerde Balthasar Bekker, die hier het derde en vierde boek zijner Betoverde Weereld voltooide. Het gebouw, dat zich wel niet door een sierlijk uiterlijk voorkomen onderscheidde, en ook geenszins als eene verdedigbare stins versterkt was, werd in het jaar 1732 afgebroken. Ter plaatse, waar het gestaan heeft, is de vorm en ligging van huis, singels en hoven, nevens eene boerenschuur, nog duidelijk genoeg te onderkennen. De daartoe behoord hebbende gronden beslaan eene oppervlakte van 4 bund. 94 v. r. 10 v. ell.
Men zie verder over de lotgevallen van deze state en hare bezitters, het stukje van onzen volijverigen medearbeider W. Eekhoff, getiteld: Hinnema-state te Jelsum, dat buitenverblijf van den grooten Balthasar Bekker.

Uit het, typisch 19e eeuws, wijdlopige artikel van Eekhoff in de Friesche Volksalmanak hebben we het volgende gedestilleerd. Rond het midden van de 15e eeuw was de State eigendom van Taeke Hinnema en tegen het einde van die eeuw van zijn zoon Keimpe Hinnema die getrouwd was met Syds Popma. Van hun kinderen is alleen dochter Lolck volwassen geworden. Zij trouwde met Johan van Donia, waardoor de State in deze familie kwam. In de achtereenvolgende generaties waren eigenaren/bewoners Keimpe van Donia, zijn zoon Pieter van Donia, diens zoon Frans van Donia en zijn zoon Kempo Harinxma van Donia.

Deze Kempo had als staatsman meer aanzien en gezag dan de voorafgaande generaties rustige landjonkers. Hij was lid van de Staten van Friesland, een van de oprichters van de Friese Hogeschool te Franeker en 22 jaar lang curator daarvan (1594 – 1616). Daarnaast was hij Grietman van Leeuwarderadeel en daarna Raadsheer in het Hof van Friesland. Zijn zoon Ernst volgde hem op als Grietman en bewoonde Hinnema State en na diens dood in 1634, Kempo’s oudste zoon Frans. Toen die in 1648 als lid van de Staten Generaal als Gevolmachtigde te Munster het vredesverdrag tekende, deed hij dat met de toevoeging: Heere tot Hinnema in Hielsum.

Bij het kinderloos overlijden van Frans van Donia, in 1651, viel bij de $boedelscheiding het ouderlijk huis toe aan zijn zuster Syds van Donia, weduwe van Henricus Hinckena ab Hinckenburg, telg uit een van Emden afkomstig adellijk geslacht die predikant te Britsum was en in dat dorp is overleden. Henricus was eigenaar van Lettinga State te Britsum. Tot aan haar dood bewoonde zij Hinnema State, die daarna in eigendom overging aan haar oudste dochter Ebel, getrouwd met de beroemde hoogleraar Bernardus Fullenius te Franeker. Zij gebruikten Hinnema State als buitenhuis en woonden hier voornamelijk ’s zomers. Ebel bleef ook na de dood van haar man de zomers in Jelsum doorbrengen.
Vier jaar vóór haar dood was Balthasar Bekker, destijds predikant te Franeker, getrouwd met haar dochter Frouck, die toen weduwe was van de advocaat I. Bloemendaal, Secretaris van Dockum. De relatie met zijn schoonfamilie was erg goed en toen Hinnema State bij de dood van zijn schoonmoeder, in 1670, in andere handen moest overgaan, besloten Balthasar en zijn zwager Dr. Bernardus Fullenius, toen Burgemeester en Burger Hopman van Franeker en later Hoogleraar aldaar, de voorouderlijke state als gezamenlijk eigendom voor gezamenlijke rekening aan te blijven houden. Beide gezinnen gebruikten Hinnema State als ‘zomerhuis’. Toen hij na de uitgave van de eerste twee delen van zijn “Betoverde Werelt” in Holland een storm van kritiek over zich heen kreeg, was hij maar wàt blij dat hij zich op het rustige Hinnema State terug kon trekken. Hij nam zijn hele archief uit Amsterdam mee naar Jelsum en voltooide hier het derde en vierde deel van de “Betoverde Werelt”.


Eekhoff geeft daarna een aantal namen van Bekkers die in de grafkelder te Jelsum zijn bijgezet. Ondermeer zijn zoon ds. Johannes Henricus Bekker, overleden in 1737. Of die op Hinnema State gewoond heeft met zijn ega Sitske Baukes Unia (overl. 1748) is twijfelachtig. In het stemkohier van 1728 wordt zijn naam veelvuldig genoemd onder de dorpen St. Jacobiparochie en Stiens en als gebruiker van de pastorie te Jelsum, maar niet als eigenaar van stem 1 te Jelsum. Hinnema State is dan nog eigendom van “De erven van juffr. Froukjen Fullenius, weduwe Becker” en als gebruiker is vermeld “Oud-kapitein Jan Gales”. Daarna zou een neef (oomzegger) van hem, Balthazar Bekker van Heersma, de state hebben geërfd. Toen die in 1764 stierf vermaakte hij, volgens Eekhoff althans, de state aan iemand buiten de familie, ene Aesge Jans, die daarna de naam Bekker aannam. De weduwe van Aesge zou in 1785 de schuur bij de state hebben laten vernieuwen.

Maar volgens het verhaal van Van der Aa was de state gesloopt in 1732 en betreft deze laatste informatie de boerderij die bij de state hoorde. Die boerderij moest het aan het eind van de 19e eeuw ook verliezen van de slopers en op het state-terrein is nu niets meer te vinden. Aan het eind van de 19e eeuw konden sommige boeren in deze omgeving nog heel veel geld verdienen aan de verkoop van vruchtbare terpaarde, waarmee de landerijen op de zandgronden werden verbeterd. De Jong vermeldt in zijn boek dat de eigenaar in 1900 toen de terp werd afgegraven, meer geld verdiende aan de stenen en ander afbraakmateriaal van de kelders en fundamenten van Hinnema State dan aan de terpaarde. Nu is op Google Earth te zien dat het kleine stukje weiland ten zuiden van het grote veld waar de state heeft gestaan omringd is door een dubbele rij bomen alsof hier de state gestaan zou hebben en ook de vroegere oprijlaan is met twee rijen bomen beplant.



Bewoners rond 1450 Taeke Hinnema
eind 15e eeuw Keimpe Hinnema
begin 16e eeuw Lolck Hinnema, getrouwd met Johan van Donia
Keimpe van Donia
Peter van Donia
Frans van Donia
ca 1594 - ca 1616 Kempo Harinxma van Donia
ca 1616 - 1634 Ernst Harinxma van Donia
1634 - 1651 Frans Harinxma van Donia
1651 - 1656 Syds van Donia, weduwe van Henricus Hinckema ab Hinckenburg
1656 - 1670 Ebel Hinckema ab Hinckenburg, weduwe van Bernardus Fullenius
1670 - 1698 dr. Bernardus Fullenius en Balthasar Becker
1698 - 1728 Frouck Fullenius, weduwe van Balthasar Becker
1728 erven juffr. Froukjen Fullenius

Huidige doeleinden Van het huis is niets meer terug te vinden. In 1838 was de ligging van het huis en de grachten nog in het landschap aanwijsbaar. Op de plaats van de state stond een boerenschuur.
Opengesteld n.v.t.
Foto's Tekening van de state in 1723 door J. Stellingwerf
Bronnen Tekst: Jan Leemburg
W. Eekhoff, Hinnema-State te Jelsum, het buitenverblijf van den grooten Balthazar Bekker, in: Friesche Volksalmanak voor het jaar 1839, blz. 114-122
“Aardrijkskundig Woordenboek” van Van der Aa
Stem- en floreenkohieren van Jelsum (Tresoar)
“Ljouwerteradiel” door dr. G. Abma, 1984
Afb. 1 en 2: “Ljouwerteradiel”, origineel in prentenkabinet Fries Museum

Het elzenbosje om Hinnema state


Tekening van 't stins 


Hinnemastate te Jelsum



DONIA (Frans van). Het blijkt niet dat hij eenig ambt in Friesland bekleed heeft, doch ten Landsdage benoemd zijnde, werd hij lid van de Staten Generaal. Hier verwierf hij zulk een roem, dat men hem wegens Friesland benoemde onder de gevolmagtigden tot den Munsterschen vredehandel in 1648, welke vrede door hem ernstig gewild werd.

In 1651 was hij wegens Friesland benoemd als de eerste der afgevaardigden tot de groote vergadering, en zou daar als voorzitter gefungeerd hebben, indien hij niet weinige dagen te voren overleden was. Hij was gehuwd met Geertruid Engelsche, die hem geene kinderen schonk. Na den dood van zijnen broeder Ernst, die volgt, woonde hij op Hinnemastate te Jelsum. Na zijn overlijden in 1651 viel die hofstede bij deeling te beurt aan zijne zuster, Syds van Donia, weduwe van Henricus Hinckena ab Hinckenburg, die er tot haren dood op woonde, waarna de zelve overging op hare oudste dochter Ebel, die gehuwd was met Bernardus Fullenius, Hoogleeraar te Franeker. Eene dochter van dezen, F r o u c k genaamd, en weduwe van den Advokaat J. Bloemendaal, hertrouwde met den beroemden Balthazar Bekker, waar door Hinnema state in diens bezit overging. De zinspreuk van Frans van Donia was: Toga et armis (Door tabbaard en zwaard), die ook voorkomt op eene zijner vijf afbeeldingen in de bekende verzamelingen der afgevaardigden op den Munsterschen vredehandel.

Zie Aitzema, Historiën, D. III. bl. 259: Wagenaar, Vaderl. Histor. D. XI. bl. 405; Scheltoma, Staatk. Nederl. D. I. bl. 287, 288; Friesche Volks-Alman. 1839, bl. 11"; Muller Cat. van Portret. bl. 73.

Frans van Donia, 2e links met opgeheven vingers, met onderhandelaren, Vrede van Münster

Meer afbeeldingen: Hinnema State