Onweer in Haarlem

Nog voor de komst van Alva zat de protestant Hein Adriaansz sinds 1566 gevangen in de kerkers van Haarlem. Op 30 juli 1568 werd deze rederijker, een eerlijk burger die tijdens de reformatie protesteerde, veroordeeld om gehangen én gewurgd te worden, zodat de dood er direct op zou volgen. Zijn moeder, de vroedvrouw van de stad, vervoegde zich toen bij de burgemeester Quirijn Thalesius. Zij was tachtig jaren oud en smeekte om genade. Men zou toch medelijden hebben met haar zoon, want hij moest zorgen voor acht moederloze kinderen. Zijn protesten waren niet gericht tegen Nicolaas van Nieuwland, de bisschop van Haarlem, maar wel in eigen en vrije tijd, gedaan. De burgemeester antwoordde dat hij hier de beeldenstorm had veroorzaakt en dat het nu geen tijd meer was om dat door de vingers te zien, maar een tijd van justitie. Het vonnis werd derhalve voltrokken. De protestant Barend van Utrecht en de soldaat Jan Heinsius, die ook bekend was als Jan Heiman, hingen reeds aan de galg en Adriaansz zou dus spoedig volgen. Adriaansz weigerde aanvankelijk echter om het schavot te beklimmen. Dat was voor dieven en voor moordenaars, niet voor een schoenmaker en eerlijk christen. Alzo schreeuwende was hij toch boven gekomen, toen opeens, een zware bliksem en donderslag volgden, die de beul zodanig verwarde, dat Adriaansz zich de strop van de hals trok en trachtte te redden door te vluchten. Hij werd onmiddellijk achterna gezeten, maar pas na enkele minuten gegrepen. Alzo is Hein Andriaansz toen in de burgermeesterskamer gewurgd, want zo schreeuwde Thalesius nu razend: “Het was nu geen tijd om door de vingers te zien maar een tijd van justitie!”. Vijf jaren later, tijdens de belegering van Haarlem, waren de rollen echter omgekeerd. Het evangelie werd nu verkondigd, de protestanten waren aan de macht gekomen, en nou zat burgemeester Thalesius gevangen in de kerkers van de stad. Ook nu had het een tijd van vergiffenis kunnen wezen, maar dat wilde er bij het volk niet in. Het was ook nú 'een tijd van justitie'. Men moest zich wreken en sleepte de spaans- en roomsgezinde burgemeester naar de stadsmuur van de belegerde stad en hing hem als een moordenaar aan de galg. De verrader moest alsnog zijn meerdere erkennen in het volk. (Beknopte Beschrijvinge der stad Haarlem, 1754).


De burgemeesters Quirijn Dirksz. Talesius en Lambert 
Jacobszoon zijn uit wraak opgehangen, 1573