Geschiedenis

In dit hoofdstuk stappen we met zevenmijlslaarzen door de ontstaansgeschiedenis van de Vechtstreek. Doel is niet om volledig te zijn maar om enige vorm van context te bieden met betrekking tot de omgeving waarin de Boterwal zich heeft ontwikkeld tot hoe het er vandaag de dag uitziet. De focus ligt hierbij primair op het ontstaan van het landschap. Maar ook de ontwikkelingen vanuit cultuur-historisch perspectief worden even aangestipt. Een aantal bronnen hebben we hiervoor geraadpleegd en soms letterlijk geciteerd omdat een en ander zo mooi was samengevat dat we het zelf niet beter zouden kunnen. Welke bronnen zijn gebruikt, is telkens bij de tekst vermeld.


De Vechtstreek in historisch perspectief 

Het ontstaan van de Vechtstreek
De eerste mensen
vanaf 10.000 v.Chr.

De ijzertijd (800 - 50 v.Chr.)

Romeinen en andere snuiters

De grote ontginningen
Kaart voor kaart




Het ontstaan van de Vechtstreek
(Bron: wikipedia; Natuur & Landschap van de Vechtstreek, Wim Weijs) We leven in het “kwartair”. Deze geologische periode begon 2,6 miljoen jaar geleden met een wereldwijde temperatuurdaling. Deze koudegolf was het begin van een aantal ijstijden die telkens werden onderbroken door een warmere periode. Elke ijstijd werd het land bedekt met enorme ijspakketten die soms kilometers dik waren. Aan de rand van deze ijsmassa’s werd de bodem omhoog gestuwd, waardoor “stuwwallen” ontstonden. De Gooise- en Utrechtse Heuvelrug zijn hiervan het resultaat.

Basisinfrastructuur - Het ijs, samen water en wind, verplaatsten kolossale hoeveelheden stenen, zand en klei waardoor elders nieuwe bodemstructuren met tal van sedimentlagen ontstonden. Deze vormende werking waardoor de “basisinfrastructuur” van ons landschap is ontstaan onder invloed van het ijs, water en wind duurde vele vele duizenden jaren (in het pleistoceen dat duurde van 2,6 miljoen jaar tot 11.650 jaar geleden) tot na de laatste ijstijd een warmere periode aanbrak (het holoceen, 11.650 jaar geleden) waarin we ons nu bevinden.

Holocene afzettingen - Tijdens het holoceen wordt het ontstane landschap weer verder “bewerkt” door de elementen water en wind. In de tweede helft van het holoceen, zo’n 6000 jaar geleden, ontstond het voor de Vechtstreek zo kenmerkende veen. Overal in het noorden en westen van ons land en langs de rivieren ontstaan holocene aardlagen bovenop pleistocene afzettingen. Deze aardlagen bestaan uit door rivieren en zee aangevoerd zand en klei en uit ter plaatse in moerassen gevormd veen. Naar het westen toe duikt het pleistocene oppervlak (zand) steeds dieper weg onder holocene lagen. Bij Amsterdam ligt het pleistocene zand zelfs 12 meter onder de oppervlakte....daar moet men dus hele lange heipalen gebruiken.

Twee basisprocessen
- Als we naar de Vechtstreek kijken dan spelen twee processen een rol die de Vechtstreek hebben gemaakt tot wat deze nu is: (1) de vorming van steeds dikkere veenpakketten en (2) de sedimantatie van zand en klei door de Angstel en Vecht. Een belangrijke oorzaak is de stijgende zeespiegel waardoor de waterafvoer via rivieren wordt bemoeilijkt (ze gaan trager stromen) en stijgt het grondwaterpeil. Als gevolg daarvan ontstaan in het binnenland op de natte zandige bodem moerassen. De plantenresten hopen zich op in de met water verzadigde (waardoor onvoldoende zuurstof doordringt en het plantaardige materiaal niet oxideert/verteert) bodem op, dikken in en vormen direct op het pleistocene zand een laag veen dit noemen we “basisveen”.

Ontwikkeling van veen - Daarna ontwikkelt het veen zich verder onder andere door de invloed van de aan-/afvoer van voedingstoffen en/of overstromingen waarbij klei wordt afgezet. Diverse soorten ontstaan onder invloed van de voedsrijkdom van het water waarin het veen wordt gevormd:
  • “Eutroof veen” in voedselrijk water. Eutroof veen, dit is voedselrijk veen, ontstaan door slibhoudend water. Eutroof veen is als gevolg van de grondwaterkwaliteit zoet of brak. De vegetatie van zoet eutroof veen is broek- en ooibos (els, wilg, populier) en riet. De vegetatie van het brakke veen is riet.
  • Mesotroof veen” in matig voedselrijk water. Mesotroof veen, dit is matig voedselrijk veen, ontstaan door kwelwater. De dominante begroeiing is zegge.
  • Oligotroof” in voedselarm water. Oligotroof veen is voedselarm veen, dat wordt gevoed door regenwater. Op dit type veen bestaat de begroeiing vooral uit veenmossen.
Geboorte van de Vecht - Rond 4300 v.Chr. verlegt de hoofdstroom van de Rijn zich radicaal naar het noordwesten. De rivier breekt uit bij Wijk bij Duurstede en maakt een nieuwe bedding richting Utrecht. De rivier gaat diverse trajecten volgen; De Kromme Rijn is er daar een van. De traag stormende rivier gaat kronkelen (meanderen) en zet veel sedimenten af. Een gebied van oeverwallen ontstaat. De Vecht moet dan nog geboren worden. Inmiddels is het hele westen van Nederland vanaf de Utrechtse heuvelrug tot een groot (hoogveen)veengebied met enorme moerassen omgetoverd. Vanaf 1250 v.Chr. neemt de invloed van de zee geleidelijk toe in die zin dat de riviermondingen langs de Hollandse kust worden uitgesleten door getijdenstromingen. De Oude Rijn en het Oer-IJ kunnen zo meer water afvoeren waardoor hoogvenen worden ontwaterd. Nieuwe gebieden worden geschikt voor bewoning en landbouw. Omstreeks 1000 v.Chr. breekt de Rijn van het huidige Utrecht door de oeverwallen heen en vormt geulen die in verbinding treden met het Oer-IJ: de Vecht is geboren!

Ontwikkeling van het Vechtsysteem - Op de plaats van Breukelen tot Muiden bevond zich een laagte in het hoogveen met een keten van veenmeren. In dit lagere gebied heeft de Vecht/Angstel zich een weg kunnen banen van de Oude Rijn naar het Oer-IJ. Er worden oeverwallen en komklei afgezet op het veen en de zuidelijke veenmeren worden gevuld met sediment. Zo rond 300 v.Chr. zijn er nog enkele veranderingen van het Vechtsysteem. Een kenmerkende is de "avulsie" bij Nijenrode waarbij de Vecht de bocht afsnijdt en de kortste route kiest van Nijenrode naar Nieuwersluis. Ook ontstaat er een nieuwe bovenloop van de Angstel die bij Nieuwer ter Aa naar het noorden stroomt. Dit "nieuwe" deel van de Angstel heeft nauwelijks oeverwallen. Wanneer deze aftakking precies plaatsvond is onbekend.

Meer informatie is te vinden
op wikipedia over
het ontstaan van de Nederlandse ondergrond waar de geologische geschiedenis sinds het ontstaan van de Aarde in vogelvlucht wordt beschreven.



De eerste mensen - vanaf 10.000 v. Chr.
(Bron: Natuurinformatie) Vanaf 500.000 jaar geleden, tijdens het Cromerien (850.000 tot 475.000 jaar geleden), doet de mens vanuit het Middellandse Zeegebied zijn intrede in het Europa ten noorden van de Alpen en Pyreneeën. Deze belangrijke stap valt tijdsgewijs ongeveer samen met een toename van het hersenvolume van deze vroege mensachtigen. Zij leven van de jacht en vormen kleine, geïsoleerde groepen. Skeletresten uit onder andere Boxgrove in Engeland en Mauer in Duitsland tonen een robuuste bouw, die wijst op een goede fysieke toerusting voor een koud klimaat. Uit deze vroege mensen ontstaan enkele honderduizenden jaren later de Neanderthalers (Homo sapiens neandertalensis).

Eerste mens in de Vechtstreek - (Bron: Venster op de Vecht): Het is niet met zekerheid vast te stellen wanneer de eerste mensen in de Vechtstreek woonden. Zeker is dat de hogere gronden van de Heuvelrug en het Gooi in het Midden Paleolithicum (tussen 300.000 en 35.000 jaar geleden), tegen het einde van de voorlaatste ijstijd, bewoond waren door Neanderthalers – de voorlopers van de huidige mens. Dat blijkt uit ca 120.000 jaar oude vondsten van vuurstenen werktuigen en afslagen, die duiden op kampementen van jager-verzamelaars. In de toen drooggevallen Noordzee leefden in die tijd ook Neanderthalers. De kans is daarom groot dat deze vroege mensen ook in de Vechtstreek hebben gejaagd en gebivakkeerd. Maar hun sporen zijn verdwenen of bedekt door dikke lagen veen die daar later, in het Holoceen, zijn afgezet.

De moderne mens - (Bron: Venster op de Vecht): In het mesolithicum (midden steentijd, vanaf ca. 10.500 jaar geleden) vinden op de hoge- en droge zandgronden van de Heuvelrug en het Gooi de eerste activiteiten van de moderne mens plaats. Deze heeft de Neanderthaler bij het begin van het Holoceen verdrongen. Uit deze tijd zijn op de hoge zandgronden van het Goois Natuurreservaat op meerdere plekken aanwijzingen van jagerskampen gevonden, zoals langwerpige vuurstenen klingen van enkele centimeters lang. Het is goed mogelijk dat deze vroege jager-verzamelaars ook actief waren in de Vechtstreek in de tijd voordat door stijgend grondwater op de Pleistocene zandgronden moerassen ontstonden en de veenvorming begon. Indien hij daar actief is geweest, dan liggen ook die sporen onder het veen verscholen.

Opkomst landbouw - (Bron: Venster op de Vecht): In het neolithicum-bronstijd (nieuwe steentijd, vanaf ca. 5.500 jaar geleden) en bronstijd vindt in Nederland – te beginnen in Zuid-Limburg - de zogeheten ‘neolithische revolutie’ plaats. Na een periode van enkele honderdduizenden jaren gaat de mens over op landbouw, veeteelt en vaste bewoning – in plaats van de nomadische leefstijl die hoofdzakelijk gericht was op jagen en verzamelen. De neolithische revolutie voltrok zich snel omdat kennis van huizenbouw, landbouw, veeteelt, metaalbewerking en pottenbakken werd overgenomen van andere volkeren. Rond de overgang van het neolithicum naar de bronstijd, ca. 4.000 jaar geleden, was het Gooi vermoedelijk het meest intensief bewoonde gebied van Nederland. Uit pollenanalyses uit grafheuvels is komen vast te staan dat de invloed van de mens op het landschap toen al groot was. Kennelijk hadden deze vroege boeren zulke grote kudden en werd het landschap zo intensief begraasd, dat de natuurlijke vegetatie werd onderdrukt waardoor uitgebreide heidevelden ontstonden en het land verschraalde.
Het ligt voor de hand dat de Bronstijdmensen actief waren in de Vechtstreek toen de Vecht zo’n 3.000 jaar geleden ontstond. Vanaf het hoge land van de Heuvelrug konden zij via zijriviertjes als de Drecht op bootjes (boomstamkano’s) de Vechtstreek intrekken voor de jacht, visvangst of handelscontacten met andere groepen.



Mensen in de ijzertijd - van 800 tot 50 v. Chr.

(Bron: Venster op de Vecht) De oudste archeologische vondsten uit de Vechtstreek stammen uit de IJzertijd. In het Gooi laten vondsten uit de IJzertijd een grotere verspreiding zien dan in de perioden ervoor. Het lijkt erop dat de bewoning meer verspreid leefde en sterk was teruggelopen. Naar schatting leefden bij het begin van de IJzertijd niet veel meer dan 500 mensen op de hoge zanden van het Gooi. Zij beperkten hun activiteiten niet tot de droge zandgronden, maar trokken ook de veenmoerassen van de Vechtstreek in, zoals blijkt uit de boomstamkano met aardewerkscherven uit ca 600 v.Chr. die bij Nigtevecht in de Aetsvelderpolder is gevonden. In diezelfde polder is een deel van een ijzertijdnederzetting opgegraven. De oudste bewezen bewoningssporen in de Vechtstreek zijn gevonden op de oeverwallen van de Vecht en de Angstel. Deze oeverwallen zijn gevormd uit sediment aangevoerd uit het Europese achterland nadat 3.000 jaar gelden, tegen het einde van de Bronstijd, de Vecht ontstond als noordelijke tak van de Rijn. Deze stevige elementen, die hoger liggen dan het omringende landschap, zijn bij uitstek geschikt om zich te vestigen. Vondsten van o.a. potscherven, botten en houtskool uit Abcoude, Baambrugge, Loenen en de Breukelerwaard stammen uit de IJzertijd en wijzen op kleine nederzettingen op de oeverwal met bescheiden landbouw.

(Bron: ijzertijdboerderij)
De IJzertijd begon toen brons grootgedeels werd vervangen door ijzer (800 v.Chr) en eindigt met de komst van de Romeinen in ons land (50 v. Chr) Bronzen en vuurstenen werktuigen bleven echter in de IJzertijd ook nog wel in gebruik. De ijzertijd vormt de jongste prehistorische periode omdat met de komst van de Romeinen de geschiedenis werd opgeschreven. De IJzertijd kent drie periodes te onderschieden in: Vroege (800 - 500 v.Chr), Midden (500 - 250 v.Chr) en Late IJzertijd (250 - 50 v.Chr). De IJzertijd valt volledig binnen het Subatlanticum (850 v.Chr tot nu), een klimaatfase waarin het iets kouder is dan de voorgaande periode. Het bos bestond vooral uit eik terwijl beuk fors in opkomst was. Op de nattere gronden treffen we vooral wilg en els aan. Deze bossen werden echter steeds meer gerooid door de mens, en hierdoor ontstaan er op de hogere gronden uitgebreide zandverstuivingen, waardoor de heide steeds meer uitbreiding kreeg. De prehistorie wordt vaak verdeelt in periodes die genoemd worden naar een nieuwe grondstof die wordt gebruikt om gereedschappen te maken. Steen, koper, brons en uiteindelijk ijzer. Dat wil niet zeggen dat de oudere materialen niet meer werden gebruikt. In de ijzertijd werd vuursteen nog veelvuldig gebruikt om messen, pijlpunten en bijlen te maken of om vuur te slaan.

(Bron: Meester Henk) De boeren in de IJzertijd leefden meestal in kleine nederzettingen. Maar steeds vaker stonden de boerderijen ook alleen. Kenmerkend voor de boerderijen uit de IJzertijd was de aanwezigheid van spiekers. Dit waren opslagschuurtjes op hoge palen. Een ander kenmerk voor de nederzettingen op de zandgronden waren de "Celtic-fields". Dit waren akkers van 30 bij 30 meter, omgeven door een aarden wal. De grootte van de akkers werd bepaald door het oppervlak dat in 1 dag goed te bewerken is. Op deze akkers werden graan, peulvruchten en oliehoudende zaden verbouwd. De akkers werden goed bemest. Dat deden de boeren op twee manieren. Als een akker minder vruchtbaar werd, lieten de boeren het braak liggen. Braak laten liggen betekend dat er geen gewassen werden verbouwd. Dan graasden daar koeien en de koeien poepten de akker vol met vruchtbare mest.
Koeien waren de belangrijkste dieren in de IJzertijd. Dat is een beetje vreemd want koeien moeten in Nederland in de winter op stal. Dat gaf extra veel werk voor de boeren omdat zij veel stalvoer moesten verzamelen. Maar de reden hiervoor was mest. De koeienpoep van een hele winter werd verzameld en over de akkers uitgereden. En zoals je misschien weet van de schooltuinen houden planten van poep. Naast koeien hielden de boeren ook nog varkens, eenden en schapen. De schapen graasden op de heidevelden die waren ontstaan door het wegkappen van bossen. Door het gebruik van braak, goede bemesting en ijzeren werktuigen (bijlen, ijzeren punten op de ploeg) namen de opbrengsten van de akkers toe. Hierdoor kon de bevolking groeien.




Romeinen, Friezen, Franken, Noormannen, Hollanders
(Bronnen: Venster op de Vecht, Breukelen en omgeving tussen 400 en 1200, A. Manten) Tegen de tijd dat de Romeinen in het land kwamen, had de Vecht zijn loop naar het oosten verlegd, om via Muiden en het Almere uit te monden in het Oer-IJ, dat bij Egmond zijn water in zee loosde. Nadat het Oer-IJ rond 50 na Chr. verzandde, verlegde de Vecht  zijn loop noordwaarts, naar het Almere dat via het Flevomeer en het Vlie tussen Wieringen en Texel in verbinding stond met de Noordzee.
Voor de Romeinen heeft de Vecht een belangrijke rol gespeeld als uitvalsweg naar het noorden. Zij stonden bekend om hun forse waterstaatkundige ingrepen in het vroegere Nederland. Uit overlevering is bekend dat de Romeinse generaal Nero Claudius Drusus in 12 v.Chr. een Drususgracht liet aanleggen in de huidige Vecht. Vermoedelijk wordt daarmee gedoeld het bevaarbaar maken en houden van delen van de Vechtloop. In het kader van hun ambitie hun Rijk naar het noorden {Germanië (Duitsland)} uit te breiden, legden de Romeinen in 15 na Chr. in de monding van het Oer-IJ, bij het huidige Velzen, het havenfort Flevum aan. Vanaf fort Fectio bij Vechten en Traiectum (Utrecht) werd Flevum over de Vecht bereikt. Succesvolle aanslagen door de Friezen (Varusslag, Batavenopstand) bracht de Romeinen tot een meer consoliderende politiek. In 47 na Chr. besloot keizer Claudius - mede vanwege de verzanding van het Oer-IJ - het fort Flevum weer op te geven en zijn troepen tot achter de Rijn terug te trekken. Daarmee werd de Rijn – met de Donau en de Hadrian Wall - de noordgrens van het Romeinse Rijk: de Limes. Romeinse wachttoren, nagebouwd in Fort Vechten

Invloed op het Vechtstelsel - Waarschijnlijk hebben de Romeinen - met hun waterstaatkundige ervaring - de Rijnvoeding op de Vecht actief beïnvloed zodat de Oude Rijn meer water kreeg om zo zijn functie als grensrivier beter te kunnen vervullen. Dat zou mede verklaren waarom de activiteit van de Vecht in die periode sterk afneemt.

Friezen en Franken - Wanneer de macht van de Romeinen begint te tanen en in de vijfde eeuw uiteindelijk de infrastructuur afbrokkelt, nemen de Franken in de gebieden ten zuiden van de Limes de macht over. In het noorden bleven de Friezen eerst nog aan de macht, maar uiteindelijk komt ook dat gebied onder beheer van de Franken.

Op de oeverwal - In het begin van de vroege middeleeuwen lijkt de Vechtstreek nauwelijks bevolkt te zijn geweest. Daarin komt pas verandering als in de 8e eeuw boerderijen verschijnen op de oeverwal. Een verklaring dat weinig uit deze vroege periode gevonden is, kan zijn dat het leven zich vooral afspeelde op de oeverwallen. En juist die oeverwallen zijn al sinds de 14e eeuw afgeticheld voor de vele steen- en panovens die ooit langs de rivier hebben gestaan.
Gedurende de 8e-10e eeuw ontstaan op de oeverwal nederzettingen. Enkele, zoals Dorssen, ten noorden van Vreeland, verdwijnen, maar de meesten groeien uit tot de dorpen die wij nu nog kennen. Nederzettingen ontstaan doorgaans waar de Vecht en de Angstel een brede oeverwal hadden gevormd en bij de splitsing van rivieren, of daar waar kleine riviertjes uit het veen in de Vecht of de Angstel uitmondden. Breukelen (Attingahem), Loenen (Lona), Loenersloot (Lonorolaca), Abcoude (Abecenwalde) en Weesp (Wispe) liggen op een splitsing van rivieren; Zuilen (Zwesen), Maarssen (Marsna) en Breukelen (Attingahem) waar kleine riviertjes uit het veen in de Vecht uitmondden. Muiden (Amuda) ontstond aan de monding van de Vecht.
In 792 stichtte de missionaris Ludger (of Liudger) een kerk op de uit het veen uitstekende Pleistocene zandheuvel Werinon (Nederhost den Berg), die de moederkerk werd van Muiden, Naarden, Loenen en Weesp.

Het ‘oude land’, vroege activiteiten op de oeverwal - De oeverwal werd vanaf de 8e eeuw blijvend bewoond en bewerkt. Al voor het jaar 1.000 waren  grote delen van de oeverwallen langs de Vecht en de Angstel ontgonnen en in cultuur gebracht. De bewoning concentreerde zich op de hogere oeverwallen, waar ook de hoeven lagen. De ontginning van de oeverwal verliep, in tegenstelling tot die van de veenmoerassen, niet gestructureerd, eerder organisch. Door het volgen van bestaande en natuurlijke structuren in het landschap, zoals kreken en hoogteverschillen, ontstond de karakteristieke blokverkaveling die, na duizend jaar, op verschillende plaatsen nog altijd goed in het landschap herkenbaar is.
Langzaam maar zeker werden ook de natte en zware kleien van de achter de oeverwal liggende komgebieden in gebruik genomen en gebruikt als weide en hooiland. Om die gebied te ontwateren en geschikt te maken voor de landbouw werden vanuit die komgronden ontwateringssloten naar de rivier gegraven.Het ontgonnen gebied werd door een sloot beschermd tegen het afstromende water van het achterland. Later, bij de Grote Ontginning van de uitgestrekte veengronden, kon die sloot fungeren als basis voor de ontginning. Daarom worden de eerder ontgonnen gronden wel het ‘oude land’ genoemd.

Dorestad - Gelegen op de splitsing van de (Kromme) Rijn en de Lek, ontwikkelde Dorestad (het huidige Wijk bij Duurstede) zich van de 7e tot de 9e eeuw tot één van de meest succesvolle internationale handelscentra van Noordwest Europa. Vanwege de gunstige ligging, had Dorestad goede verbindingen naar het noorden – over de Vecht – met Noord-Duitsland, Scandinavië en de Oostzeelanden, naar het westen, met Engeland en naar het Rijngebied in het zuidoosten. Het (handels)verkeer over de Vecht moet in deze tijd aanzienlijk zijn geweest. De bloei van Dorestad viel samen met de ontwikkeling van het Frankische Rijk, waarover Karel de Grote zich in 800 door de Paus tot keizer zou laten kronen.

Noormannen - Niet alle vreemdelingen waren even vredelievend. Dat gold zeker voor de Vikingen, een Germaanse stam uit Scandinavië van ontdekkingsreizigers, kolonisten, scheepsbouwers, handelaren. Rond 800 begonnen zij met hun plundertochten, waarbij zij rijke gebieden aanvielen om er snel met de buit van door te gaan. Dorestad was in de jaren 834 – 863 meerdere malen het doelwit. De ligging op de splitsing van de grote rivieren maakte Dorestad ook kwetsbaar. De Vikingen konden bij hun plundertochten zowel de Lek, de Rijn als de Vecht gebruiken. Zij beschrijven kleine nederzettingen en hoe de oeverwallen bewoond worden.

Machtswisseling en begin van een nieuw tijdperk - Aan de bloei van Dorestad kwam niet alleen een eind door de invallen van de Noormannen. Minstens zo belangrijk waren de spanningen als gevolg van het uiteenvallen van het Frankische Rijk na de dood van Karel de Grote in 814. Na het vertrek van de Noormannen was de kust ook weer veilig voor de bisschop van Utrecht – die tijdelijk naar Deventer was uitgeweken. In 918 keerde bisschop Balderik terug. Dat had een positief effect op de ontwikkeling van de bisschopsstad. In 953 schok Otto I, keizer van het Heilige Roomse Rijk, het gouw Niftarlake aan het Domkapittel Utrecht, waardoor de bisschop de wereldlijke macht kreeg over het gebied dat zou uitgroeien tot Sticht Utrecht.  Daarmee komt ook de handel tussen de Oostzee- en de Rijnlanden weer op gang. De handelsroute over de Vecht maakt deel uit van de zg. Keulse Vaart. Door de groei van de stad nam ook de behoefte aan landbouwgrond toe. Geholpen door een verbetering van het klimaat kwam hierdoor vanaf het einde van de 10e eeuw de Grote Ontginning op gang, waarbij in een tijd van 3 eeuwen het grote Hollands-Utrechtse veenmoeras in cultuur werd gebracht en de grenzen tussen Holland en het Sticht werden vastgelegd.



De grote ontginningen
(Bron: Breukelen en omgeving tussen 400 en 1200, A. Manten)

Rond het jaar 900 groeide de bevolking en ontstond er behoefte aan extra woonruimte. Uitbreiding van cultuurland door ontginning van natuurland werd hiervoor als de oplossing gezien. De start van de "grote ontginningen" was hiermee een feit. En zoals geldt dat alle begin moeilijk is, gold dat ook voor de eerste ontginningen. Toen de ontginningen eenmaal op gang waren werd dit op systematische wijze zeer secuur uitgevoerd volgens strikte patronen, de zogenaamde cope-ontginningen. De eerste ontginningen dienden echter om wat ervaring op te doen zo lijkt het.

Cope

Een cope is een overeenkomst of een contract om een gebied (perceel) te mogen ontginnen. In deze cope werden de wederzijdse rechten en plichten tussen de ontginners en de grondeigenaren vastgelegd. Ook konden afspraken tussen de ontginners onderling hierin worden vastgelegd. De cope-ontginningen bevinden zich in West- en Zuidoost-Utrecht en stammen uit de 12e en 13e eeuw. Het onontgonnen gebied werd volgens een vaste maatvoering door de grondeigenaren uitgegeven, waarna deze gronden door een zogenaamde coper in kavels werden verdeeld onder kolonisten die de gebieden vervolgens ontgonnen.

De maatvoering van een kavel bedroeg 1250 meter in lengte en 113 meter in breedte. Dit werd een hoevemaat genoemd. Het aantal hoeven verschilde per perceel.

De ontginners groeven parallelle sloten om het water af te voeren. Langs de achterzijde werd een dwarssloot of dwarsdijkje aangelegd om te voorkomen dat water van het, hoger liggende, onontgonnen veengebied op het land voor problemen zou zorgen. Tevens werden er rondom de percelen vaak kades opgeworpen om het water uit de omringende gebieden te weren. Op de kop van een kavel werden de hoeven geplaatst. De achterste dijk wordt ook wel de achterkade genoemd. De indeling van het perceel was sterk afhankelijk van het gebruik van het land en verschilt per regio.

Ontginnen "uit de losse pols" - In Oukoop vonden vrijwel zeker de eerste ontginningen binnen ons gebied plaats. Daar lijkt reeds kort voor het jaar 1000 het woeste land in cultuur te zijn gebracht. Van de rivier die gevormd werd door de Kromme Angstel en Angstel diende de Kromme Angstel als uitgangsbasis voor de ontginning Oukoop. Die werd gerealiseerd zonder dat daar eerst een voorwetering en -dijk werden aangelegd. De sloten die gegraven werden, liepen in oostelijke richting alle vrij uit de rivier. Het ontbreken van een voordijk (die bij latere ontginningen altijd aanwezig was) duidt er op dat zonder veel voorkennis van onginningswerk aan de gang werd gegaan door mensen uit de omgeving die gewoonweg behoefte hadden aan meer agrarisch land.

Slootlengte versus woon-werkverkeer
- In het noorden lopen sommige sloten, gemeten vanaf de Kromme Angstel, in rechte lijn ongeveer 1800 meter naar het westen door; andere sloten daar tussenin zijn maar zo'n 1250 meter lang of nog veel korter; men groef duidelijk niet meer dan echt nodig was om het land te kunnen bereiken en gebruiken. In het middengedeelte van Oukoop heeft de meerderheid van de sloten een lengte van omstreeks 1250 meter en komen langere niet voor. In het zuiden van het op de Kromme Angstel afwaterende gebied van Oukoop lijken de oude sloten meestal niet langer dan ongeveer 1000 meter te zijn geweest. het totaalbeeld wekt de indruk dat met de slotenaanleg naar bevind van zaken werk gewerkt; de eerste agrariërs die permanent van het Oukoper gebied gebruik gingen maken (maar er nog niet woonden), drongen blijkbaar in het noorden dieper in die veenwildernis binnen dan ze verder naar het zuiden toe deden. Dat is heel goed te begrijpen, want als men vanaf een Loenerslootse boerderij al vrij lang over de Kromme Angstel naar het zuiden had moeten varen, bleef er minder tijd over om westwaarts een sloot op te varen. Er moest immers nog voldoende tijd beschikbaar blijven om aan agrarische productie te werken, want daar ging het uiteindelijk om. Ook toen al zat er een bovengrens aan de acceptabele duur van het woon-werkverkeer.

Ontwikkelingsplan ontbrak in prille begin van veenontginningen - Kennelijk moesten later aanpassingen worden aangebracht toen ten westen van Oukoop met de ontginning Demmerik werd begonnen; in het noorden dienden de Oukoper boeren wat land af te staan en zuidelijker kregen ze er wat bij. Daaruit is vermoedelijk ook te verklaren dat - heel uitzonderlijk - de belangrijkste opvang van wateroverlast uit het achterrland, in dit geval de Veld- of Achterwetering, over grote afstand niet ligt naast de achterdijk van Oukoop, dat is de Demmerikse Kade, maar meer naar het westen. De Veldwetering is waarschijnlijk ouder dan de Demmerikse Kade. Die conclusie kan ook worden getrokken uit de waarneming dat de meeste sloten in het noorden van Oukoop vanaf de Kromme Angstel rechtdoor lopen tot aan de Veldwetering en pas daar van richting veranderen. Door de planologische correctie, die de aanleg van de Demmerikse Kade nodig maakte, kreeg Oukoop een bestuurlijk acceptabel achtergrens, die redelijk de bochten van de voorgrens, de rivier de Kromme Angstel, volgt op min of meer constante afstand.
Het noordelijkste deel van Oukoop vertoont nog steeds een grotere variatie in de kavelbreedte dan het zuiden. Over de - ongeveer noord-zuid gemeten - noordelijkste 2600 meter telde A. Manten 40 sloten, wat neerkomt op een gemiddelde perceelbreedte van 65 meter. Sommige zijn flink wat breder, andere zijn smaller. De later gebruikelijke gelijkmatige hoeve-breedte van circa 110 meter (met halverwege vaak een ontwateringssloot) lijkt in Oukoop dus vanwege al eerder aangelegde sloten niet meer haalbaar te zijn geweest.
De algemene conclusie van A. Manten uit deze waarnemingen is dat de boeren in het zeer prille begin van de periode van de veenontginningen in de Oukoper veenwildernis binnendrongen zonder dat er toen een vooropgezet ontwikkelingsplan voor het hele gebied bestond. Toen vervolgens ook andere ontginningen werden aangepakt, werd Oukoop achteraf - voor zover dat nog mogelijk was, dus met name wat de lengte van de percelen betreft - ingepast in het grootschalige patroon van de cope-ontginningen.

Over de naam "Oucoop" - Vermoedelijk is bij de inpassing in het grotere geheel ook pas de naam Oukoop ontstaan. "Cope"behelsde de afspraken die gemaakt werden over de begrenzing van een hoeve, de rechten op de onderhavige grond en de daarop rustende verplichtingen. Het was een regeling die op een gegeven moment, ter beteugeling van een dreigende willekeur, van hogerhand werd opgelegd, in onze omgeving dus door de landsheer. Het uiteindelijke resultaat was een grote mate van eenheid in de ruimtelijke ordening van het veengebied. De naam Oukoop geeft dus enerzijds aan dat het een van de oudste gebieden is waarvoor een cope-overeenkomst werd getroffen en anderzijds dat het ging om oud, al door de mens in gebruik genomen land dat achteraf en met moeite alsnog in het copen-patroon werd ingepast. De ontginner kreeg bij deze regeling de status van "coper" of koper. Hij werd de eigenaar en kon dat bezit eventueel ook naar eigen vrije beschikking geheel of ten dele aan een ander overdragen. Voor zover valt na te gaan heeft Oukoop nooit de status van een afzonderlijke gerechtsheerlijkheid gehad, maar wat het vanaf het begin een toevoeging aan de oudere gerechtsheerlijkheid Loenersloot.

De Boterwal
- De Boterwal en de ten noorden daarvan gelegen (gedempte) Botersloot vormen de zijdewende (zijkade of zuwe) van de rond het jaar 1000 uitgevoerde (cope)ontginning Oud Aa. Aan de noordzijde kwam kort daarna het ontginningsblok Oukoop ter Aa tot stand, het op de rivier de Aa afwaterende zuidelijkste deel van de ontginning Oukoop. Bijzonder is dat de Boterwal is ontstaan tijdens één van de oudste ontginningen tijdens de "grote ontginningen". Na de stichting van de kerk en parochie (Nieuwer) Ter Aa (1138) ging de Boterwal ook deel uitmaken van het kerkepad van Portengen-Noordeinde naar Ter Aa.

Zie voor alle details over onder andere de ontginningen het ongeëvenaarde meesterwerk van Arie Manten: "Breukelen en omgeving tussen 400 en 1200, Middeleeuwse geschiedenis vanuit plaatselijk gezichtshoek".




Kaart voor kaart
Hieronder een aaneenschakelingeng van kaarten die een tijdopname laat zient van de Boterwal.

Sfeerimpressie Botersloot

Sfeerimpressie (precieze datum onbekend)
Sfeerimpressie van hoe het nu is. De drassige komvormige zone is de plaats waar vroeger de Botersloot heeft gelopen. Op enig moment is de sloot dicht gegroeid en verland.

Rond het jaar 0
De Vecht rond het jaar 0. Deze kaart is ontleend aan: Donkersloot-de Vrij - De Vechtstreek. Deze kaart is niet zo heel scherp. Wordt nog vervangen door een nieuwe zelf gemaakte kaart. Merk op dat de afzetting ten westen van de Aa een restant is van het verdwenen riviertje Spengen. Dit riviertje voedde de Aa enige tijd. De oude stroomrug is nog als verhoging in het landschap te zien. Kockengen is erop gebouwd.



Rond het jaar 0 (12 v.Chr. - 40 n.Chr.)
Buchelius (1565-1641) maakt deze kaart van Nederland in Romeinse tijd (12 v.Chr. – ca. 400 na Chr.).



50
Tegen de tijd dat de Romeinen in het land kwamen, had de Vecht zijn loop naar het oosten verlegd, om via Muiden en het Almere uit te monden in het Oer-IJ, dat bij Egmond zijn water in zee loosde. Nadat het Oer-IJ rond 50 na Chr. verzandde, verlegde de Vecht zijn loop noordwaarts, naar het Almere dat via het Flevomeer en het Vlie tussen Wieringen en Texel in verbinding stond met de Noordzee.



800
Het stroomgebied van de Vecht/Angstel rond 800 AD.
Bron: H. Weerts, P. Cleveringa, M. Gouw; De Vecht/Angstel, een riviersysteem in het veen, Tijdschrift: Grondboor & Hamer.

De Rijn heeft in de loop van het Holoceen door voortdurende rivierverleggingen een wirwar van stroomgordels opgebouwd. Gedurende lange tijd stroomde een belangrijke tak van de Rijn via de stad Utrecht naar zee. Het water in deze toenmalige Rijn verdeelde zich bij Utrecht over twee rivieren die allebei door een groot veengebied stroomden. De Oude Rijn stroomde naar het westen en mondde bij Katwijk uit in de Noordzee, de Vecht/Angstel stroomde naar het noorden en kwam bij Muiden uit in het toenmalige Flevomeer. Deze laatste rivierloop was in elk geval actief van 825 - 790 voor Christus (2620 ± 35 BP) tot 260 - 410 AD (1695 ± 30 BP) en mogelijk zelfs tot 1122 AD. Omdat de Romeinen baat hadden bij veel water in de Oude Rijn, die vanaf Utrecht tot de Noordzee de natuurlijke grens van het Romeinse Rijk vormde, kunnen hun ingrepen van invloed zijn geweest op het buiten functie raken van de Vecht/Angstel.



1593
"Dit is een Chaerte daer inne men mach sien en kennen die waterscap, Ringe en omloop van amstellant met de dorpen in de gestichte van Utrecht leggen en mit Aemstellant in Dycken en sluysen gelden."
Reproductie in zwart/wit van een tekening in kleur door Jacob van Banchem (1593), naar een kaart van Joost Janszoon Beeldesnijder (uit 1570), met 125 regelige tekst. Het oosten is boven. Gepubliceerd in: Amstelland in kaart en beeld. Datum afbeelding: 1593. Collectie: Beeldbank Regionaal Archief Leiden (signatuur PV70362)

Deel van het origineel van Jacob van Banchem gemaakt in 1570:

Reproductie van bovenstaande kaart gemaakt in ca. 1985:



1645
Het Utrechtse gebied - Blaeu atlas, 1645. Willem Janszoon & Johan Blaeu, Theatrum Orbis Terrarum, sive Atlas Novus in quo Tabulæ et Descriptiones Omnium Regionum, Editæ a Guiljel: et Ioanne Blaeu - Germania Inferior - kaart 48: Ultraiectum Dominium. De Boterwal is weergegeven als "Butter dijck".



1719
Kaart van de Vechtstreek en omgeving uit 1719 door Daniël Stoopendaal in De Zegepralende Vecht. In de kaart staan onder meer verschillende plaatsen, wateren en buitenplaatsen aangegeven. Helaas is de Boterwal niet ingetekend op de kaart. De gehele kaart biedt een mooi overzicht van de loop van de Vecht.




1725
Utrecht, "Episcopatus Ultraectensis Vulgo Het Sticht van Utrecht", Daniel de la Feuille, 1725. Bron: Cartografisch Antiquariaat Edward Wells BV.




1740
Utrecht, "Caarte van 't MaarschalksAmpt Neder-kwartier", Hendrik de Leth, 1740. Afkomstig uit de reis- en zakatlas van Hendrik de Leth, gebaseerd op nieuwe landmetingen. Afkomstig uit: "Nieuwe Geographische en Historische Atlas, van de Zeven Vereenigde Nederlandsche Provintien". Bron: Cartografisch Antiquariaat Edward Wells BV.




1767
Nieuwe kaart van de ambagts-heerlykheden der stad Amsterdam in Rynland, Kennemerland en Amstelland (1767). Historisch archief hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV), diginummer 010140.




1797
Utrecht, "Nieuwe Kaart van Utrecht…", Jacobus Kok, 1797. Gedetailleerde Noord georiënteerde kaart van de provincie Utrecht, uitgegeven door Johannes Allart. Afkomstig uit: "Vaderlandsch Woordenboek". Bron: Cartografisch Antiquariaat




1832
Een kaart gebaseerd op de kadastrale kaart van 1832:




Nu:






















Bronnen:
  • Het ontstaan van de Nederlandse ondergrond (http://nl.wikipedia.org/)
  • Natuurinformatie (website met informatie geschreven door experts van onder andere Naturalis, Vogelbescherming Nederland en TNO Bouw en Ondergrond)
  • IJzertijdboerderij (website van Stichting IJzertijdboerderij in Dongen)
  • Meester Henk) (Psammos.nl is een website over geschiedenis voor basisschoolleerlingen)
  • Venster op de Vecht (website over de biografie van de Vechtstreek)
  • Natuur & Landschap van de Vechtstreek (Boek van auteur Wim Weijs)
  • Breukelen en omgeving tussen 400 en 1200 (Boek van auteur Arie Manten)
  • Tastbare tijd: cultuurhistorische atlas van de provincie Utrecht (Boek van auteur Roland Blijdenstijn)