Uit het Woordenboek van Eufemismen en Politiek Correct Taalgebruik.
 

Woord Vooraf:

Een tijd geleden maakte een Oostendse touroperator bekend tijdens het komende zomer­seizoen het vakantieaanbod met 20 procent te zullen verminderen. Een goede verstaander heeft maar een half woord nodig. Hier werd immers op een behoedzame manier gesuggereerd dat de onderneming een aantal werknemers ging ontslaan. De spreker had geen behoefte aan de botte realiteit, hij had gewoon zijn fluwelen handschoenen aangetrokken.

In de Volkskrant stond een paar jaar terug nog zo’n memorabel voorbeeld. Ik citeer letterlijk:

“Deze post wordt minder van méér,” sprak de bewindspersoon, waarna in het verpleegtehuis de wekelijkse kroket van het budget werd geschrapt.

Beide voorbeelden zijn wat je zou kunnen noemen ‘gelegenheidseufemismen’: rond de pot draaiende omschrijvingen zoals er elke dag wel een paar worden bedacht. 

Definitie.

Het acceptabel maken van onplezierige zaken is een verschijnsel dat zo oud is als de mens­heid. De oude Grieken beoefenden deze praktijk al meer dan 2000 jaar geleden. Het woord ‘eufemisme’ komt dan ook uit het Grieks. Volgens de etymologen zou het ofwel afgeleid zijn van ‘euphèmia’ (goede, geluk voorspellende woorden of naam), ofwel van het werkwoord ‘euphèmein’ (enkel goede woorden laten horen en onheilige, storende geluiden vermijden). Wie goed sprak, kon volgens onze voorouders de goden niet ergeren en dus ook geen demonen ontketenen. We hebben hier te maken met een samenstelling van de Griekse woorden ‘eu’ (goed) en ‘phème’ (woorden, mededeling) of ‘phèmi’ (ik zeg). In de regel gaat het om verhullend of verzachtend taalgebruik dat in de plaats komt van een of meer woorden die als misplaatst, ruw of kwetsend ervaren worden. Een uiting met een negatieve connotatie wordt vervangen door een synoniem met een positievere klank.

Bestaat er een alternatieve benaming voor het eufemisme? De Duitse sprookjesschrijver Grimm gebruikte ‘Glimpfwort’. Guido Gezelle stelde ‘mijdspreuke’ voor. Misschien is ‘mildspraak’ wel een goed alternatief?

De Britse lexicograaf Fowler omschrijft het eufemisme als volgt in zijn ‘Modern English Usage’ (1957): het gebruik van een milde, vage of omschrijvende uitdrukking ter vervanging van botte precisie of onaangename waarheid.

Ook vandaag de dag beschikken wij over talrijke doekjes voor het bloeden. Meer nog, ons dagelijks leven is doordesemd van de eufemismen. Waarom anders noemen wij een ernstig conflict soms een incident? Waarom verandert een hoogoplopende ruzie in onze honing­zoete mond vaak in een ordinaire woordenwisseling? Hoe komt het dat oorlogen tegenover de publieke opinie als doodgewone conflicten worden afgedaan? Het draait allemaal om de kunst van het bagatelliseren, verzwijgen en camoufleren. Iemand omschreef het gebruik van eufemismen ooit als ‘de waarheid zo vertalen dat ze leugen wordt’. En de Duitse filosoof Schopenhauer schreef ergens in ‘Die Welt als Wille und Vorstellung’: Nackt kann die Wahr­heit nicht vor dem Volke erscheinen. Treffender kan het niet gezegd worden.

We hebben waslijsten van omzichtige omschrijvingen voor verschijnselen zoals zwanger­schap, dronkenschap, dood; handelingen die bijvoorbeeld te maken hebben met lichame­lijke functies, seks en nare ziekten die we liever niet bij naam noemen. 

Waarom?

Schaamtegevoel en gezichtsverlies zijn slechts een paar motieven om verhullende of ver­zachtende woorden te gebruiken. Het is een feit dat in crisissituaties (zoals oorlog; ontslag enz.) en bij taboethema’s gretig in de eufemismendoos wordt gegraaid.

De oorspronkelijke reden - in feite het bestaans­recht- van dergelijke verbloemingen ligt wellicht in de angst en het verlangen om de myster­ieuze krachten die het universum beheersen gunstig te stemmen. Een oud maar bekend voorbeeld is de praktijk van het ‘hout afkloppen’ om het kwade te bezweren.  

Uit eerbied en ontzag wordt God in veel religies genoemd naar zijn eigenschappen, symbolen of titels: de Allerhoogste, de Almachtige, de Gezegende enz. Joden mogen de naam van God zelfs niet uitspreken en opteren voor Adonai. Een oud volksgeloof wil dat je ook de duivel of de Satan niet bij naam mag noemen, als je tenminste niet allerlei onheil over je af wil roepen. Die kwel­geest kon wel eens je hele huishouden op stelten komen zetten. Met een zekere naïviteit werd verondersteld dat je Satan kon belazeren met allerlei dubbelzinnige benamingen. Bijnamen zoals droes, drommel, koekoek deden dan ook de ronde. Niet alle bijnamen zijn eufemistisch, sommige zijn veeleer dysfemistisch te noemen.

Voor onze voorouders waren ook bepaalde formules waarin de naam van God of de heiligen gebruikt werden taboe. Dat verklaart de overvloed aan bastaardvloeken (waarvan enkel de bekendste in dit boek werden opgenomen) zoals: gunst, gut, jasses, jeetje enz.

Het mysterie van de dood is eveneens een belangrijke inspiratiebron voor eufemisme­gebruikers. In veel exo­tische culturen (bijvoorbeeld bij de Australische aboriginals) is het noemen van de overledene taboe. In plaats van de naam wordt er gesproken over ‘hij die is heengegaan’. Grote schat­plaatsen van eufe­mismen zijn de 19de eeuwse begraafplaatsen. Op grafzerken, maar ook in overlijdensberichten, vind je teksten en verzen die variëren van pathetisch tot banaal. Ze proberen een harde realiteit te verhullen (die van onze sterfelijkheid).

Een andere beweegreden om eufemismen te gebruiken kan de wens zijn om anderen niet nodeloos te kwetsen. Van iemand die dik is kan men bijvoorbeeld zeggen dat hij of zij corpulent is, een buikje of zelfs een Bourgondisch voorkomen heeft. Daarmee trap je de persoon in kwestie niet op het hart en je blijft even goeie vrienden. Wie op een kiese manier wil laten blijken dat hij een bepaald boek niet goed vindt, laat weten dat hij niet al te enthousiast is over het boek.’ Een vriendelijk (maar nadrukkelijk) verzoek om iets te doen kan een omfloerst bevel zijn om een bepaalde hande­ling te verrichten. Wie geen vijanden wil maken vermijdt daarom best al te direct taal­gebruik en vervangt het door een neutralere term.

Wat ook een drijfveer kan zijn is de noodzaak om gevoelige of onkiese zaken te camoufleren, zeker in het bijzijn van kinderen. Directe verwijzingen naar seks, bepaalde lichaamsdelen en lichamelijke afscheidings­functies worden zoveel mogelijk vermeden of verdoezeld.

Eufemismen dienen ook om een bepaalde gêne van zich af te zetten. Een vreselijke ziekte zoals kanker wordt dan aangeduid met k of slepende ziekte. Daarmee wil je de gevoelens van de aangesprokene sparen. Het noemen van de ziekte kan namelijk als te confronterend worden ervaren.

Duidelijke taal kan ook gevaarlijk zijn, vooral in de politiek. Bewust verhullen heeft in dit geval defensieve doeleinden: men wil ontkomen aan kritiek van de tegenstander. Onpopulaire maatregelen worden ingepakt in een wolk van mist. Geen enkele politicus neemt graag het woord bezuinigingen in de mond want daarmee maakt hij zich beslist impopulair. Daarom zal hij zijn boodschap zoveel mogelijk wegmoffelen en van alles gewoon suggereren. Weinig transparante termen hebben dan de voorkeur: beleidsombuiging, heroriëntatie, inlevering, kaas­schaaf, neerwaartse bijstelling enz. Mensen met een laag inkomen worden met een gewichtig woord minima genoemd.

Het vermijden van gezichtsverlies kan, zoals eerder gezegd, eveneens een bepalende factor zijn om eufemismen te gebruiken. Begin 2000 werden de diplomatieke betrekkingen met Oostenrijk, waar een extreem-rechtse regering aan de macht was gekomen, teruggeschroefd. Vooral België en Frankrijk hielden het been stijf en stuurden aan op ‘sancties’ tegen Oosten­rijk. Naderhand werd dit afgezwakt tot maatregelen, waarbij politici wilden verhullen dat ze wat te hard van stapel waren gelopen.

De onduidelijke taal van politici heeft dus niet alleen te maken met de ingewikkeldheid van de materie.

In tijden van crisis is het versluierend taalgebruik uiteraard erg hoog. In het begin van de Golfoorlog kon de toenmalige premier Lubbers het woord ‘oorlog’ duidelijk niet aan. Hij sprak in termen van de wapens laten spreken.

Nog tijdens de Golfoorlog en later ook de Kosovocrisis, waarbij precisiebombardementen op televisie getoond werden, leek het alsof er geen spatje bloed aan te pas kwam. De kijkers moesten in de waan blijven dat we hier te maken hadden met een schone oorlog en dat de burgerbevolking zoveel mogelijk gespaard zou blijven. De realiteit bleek anders, ondanks het camouflerende taaltje van militairen en politici. Er werd gesproken over luchtacties, vergel­ding­sacties en af en toe wat zijdelingse schade. Eufemismen dienen hier als buffer tegen de publieke opinie en staan voor misleiding, smoezen en angsthazerij.

Ze moeten ook vreselijk nieuws (ontslag, dood enz.) milderen. Door verhullende woorden en uitdrukkingen te gebruiken kunnen we enige distantie van de zaak weergeven.

Nieuwslezers bedienen zich wel eens van eufemismen om minder dramatisch te klinken. Werkonderbreking lokt minder paniek uit dan ‘staking’. Recessie klinkt verder van ons bed dan zware tijden of crisis. Woorden met een zekere gevoelswaarde worden door journa­listen liefst vermeden want die zouden kunnen wijzen op persoonlijke betrokkenheid. Zo is overvaller een neutralere term dan ‘gangster’. ‘Terrorist’ getuigt van een gekleurde invals­hoek en maakt vaak plaats voor het onpartijdige opstandeling. Scheldwoorden en pejora­tieve benamingen worden vervangen: nikker of neger door zwarte bijvoorbeeld.

Eufemismen kunnen ook erg nuttig zijn wanneer we de sociale ladder willen beklimmen. Als minderwaardig beschouwde beroepen kunnen ermee opgewaardeerd worden. Een landbouwer wordt tegenwoordig liever agrariër genoemd. Boer heeft nu eenmaal iets denigrerends.

Een kuisvrouw zal ook liever door het leven gaan als interieurverzorgster en zo kunnen we meerdere voorbeelden geven. Dit proces noemen we upgrading. Het is ook eigen aan wat we noemen: politiek correct taalgebruik.

Politiek correct.

Wie zijn woorden niet op een goudschaaltje weegt, loopt vandaag de dag het risico beschouwd te worden als politiek incorrect.

Wil je niet doorgaan voor een seksist, een heteroseksist, een racist, een 'ageist' (iemand die discri­mineert naar leeftijd), een etnocentrist, een Eurocentrist, of erger nog: dit alles tezamen, vermijd dan wel aanstootgevende termen zoals negers, bejaarden, dieven, vuilnismannen e.d. Gebruik in de plaats daarvan meer tactvolle benamingen: gekleurde medemensen, senioren, criminele toeristen, milieuwerkers. Het trappen op achilleshielen kan immers zware gevolgen hebben.

Begin jaren negentig van de twintigste eeuw ontstond op de Amerikaanse campussen een zgn. ‘politically correct-movement’ die kwetsend, pejoratief en racistisch taalgebruik op de zwarte lijst wou plaatsen. Radicale proffen en studenten probeerden aan positieve beeldvorming te doen. De alledaagse realiteit werd door  hen aangekleed in smaakvolle termen. Het woord blank bijvoorbeeld werd vervangen door het meer politiek correcte genetically oppressive. Iemand kon niet 'arm' zijn maar wel differently advantaged of economically exploited. Of die arme sloeber met zo'n benaming ook een betere levensstandaard verkrijgt, is zeer de vraag.

Omdat het rassentaboe in de VS het grootst is, is het niet verwonderlijk dat hier een hele eufemismecultuur ontstaan is die niet alleen betrekking heeft op zwarten (African-Americans of sun-persons) maar ook op indianen (native Americans), Spanjaarden, Porto Ricanen enz.

Politiek correct (meestal afgekort tot P.C.) werd een glibberige mediaterm voor ideologisch zuiver taalgebruik. Modieuze thema's zoals 'aids, homo's, racisme en ecologie' worden met het juiste vocabulaire en met de passende politieke symbolen aangepakt. P.C. wordt in de VS vooral gepropageerd door nieuwlinks en radicale feministen. Bill Clinton is typisch een president van de Politieke Correctheid! Het woord correct of correctheid wordt de laatste tijd ook schertsend gebruikt in verbindingen zoals cultureel correct. Wellicht is de term politiek correct terug te voeren tot het maoïstische correct denken. Een gedachte van Mao uit 1963 droeg nl. de titel: 'Waar komen correcte ideeën vandaan?'

Omdat de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen ook in de taal weerspiegeld wordt, willen feministische taalkundigen die woorden die mannelijk-chauvinistisch gekleurd zijn, corrigeren. Een bekend voorbeeld van feministische taalijver is de term herstory, gelanceerd in de jaren zeventig om het mannelijk element in history te laten vallen (al kan his hier moeilijk gezien worden als een masculiene verwijzing). In ons taalgebied geniet het sekseneutrale menskracht onder feministen de voorkeur boven het discriminerende mankracht.

Een ander voorbeeld is cleaning lady (kuisvrouw) dat kan vervangen worden door de neutrale aanduiding domestic assistent. In onze taal voldoet interieurverzorgster duidelijk niet. Het helpt wel met het upgraden van het beroep maar dit eufemisme impliceert nog altijd dat het hier om een typisch vrouwelijke (en dus door mannen als minderwaardig beschouwde) arbeid gaat. Een interieurverzorger werd nog nergens gemeld!

Een niet-seksistische term zoals hulp in de huishouding is al veel meer op zijn plaats. Tegen­woordig spreken we zelfs over een personel assistent.

Het PC‑concept bestaat in feite al erg lang en in verscheidene delen van de wereld. Bewustheid van raciaal pejoratieve termen gaat vele decennia terug. Niet-seksistisch taalgebruik, uitgedragen door feministen, was al en vogue in de jaren zeventig en ook de sensibiliteit m.b.t. gehandi­capten (mindervaliden in PC‑spraakgebruik!) is de laatste jaren onderwerp van veel debatten geweest. Pogingen om zuiverheid in de taal na te streven dateren echter al van vroegere eeuwen. In de 17de eeuw begon l'Académie française al met het weren van importwoorden (zelfs uit het Latijn).

De bedoelingen van de PC‑gebruiker zijn wellicht goed maar de manier waarop alles omkleed wordt kan in vraag gesteld worden. P.C. ruikt vaak naar berekening en compromis. De versluierende taal is soms absurd en lachwekkend. De scheidingslijn tussen eufemismen die nuttig zijn en eufemismen die enkel gebruikt worden om de beleefdheid van de spreker te onder­lijnen is erg dun. De gebruikte terminologie dient dikwijls als schaamlap en excuus om sociale wantoestanden niet te moeten aanpakken.

Tegenstanders van P.C. waren er al snel bij om deze 'mildspraak' te vergelijken met het speciale taalgebruik dat gehanteerd werd bij de excessen van het totalitarisme, zoals beschreven in Orwells roman ‘1984’.

Newspeak, het eufemistisch jargon ontworpen om in ideologische behoeften te voorzien, lijkt wel wat op P.C.

De bedoeling van Nieuwspraak was het inkrimpen van de denkruimte. Doublethink (of dubbel­dunk zoals de Nederlandse vertaling luidde), Orwells term voor de mogelijkheid om twee  tegengestelde gedachten te accepteren, kan zonder twijfel ook teruggevonden worden in P.C.

Ook bij ons rukt het politiek-correcte taalgebruik op. Recentelijk werd in Frans-Zwitserland een dictionaire van vervrouwelijkte beroepsnamen boven de doopvont gehouden. Volgens Dédé Brouwer (‘Vrouwentaal. Feiten en Verzinsels.’ 1991) kan dit wel helpen om werkende vrouwen zichtbaar te maken maar op termijn zullen sekseneutrale termen de aanduidingen m/v in advertenties vervangen. Ook de dikke Van Dale (12de druk, 1992) streeft blijkens de inleiding naar politieke correctheid. Het woordenboek heeft namelijk speciale aandacht besteed aan de vrouwelijke persoons- en beroepsnamen. Van Dale wijst bovendien op de gevoelsmatige, ethische bezwaren waardoor woorden als mankracht, bewindsman en neger tegenwoordig vervangen worden door menskracht, bewindspersoon en gekleurde medemens.

Ook het Nederlands kent vroege voorbeelden van politiek correct taalgebruik. Sedert 1956 gebruiken wij bijvoorbeeld de term derde wereld om 'ontwikkelings­landen' mee aan te duiden. Ook deze laatste benaming is een mooi staaltje van PC-terminologie want het klinkt veel minder cru dan 'onderontwikkelde landen'.

De omschrijving van 'mongolisme' in Van Dale maakt duidelijk waarom dit woord aanstoot­gevend kan zijn: 'vorm van idiotie, met schedelafwijkingen die overeenkomsten vertonen met versch. kenmerken van het Mongoolse ras' en waarom het beter kan vervangen worden door het politiek correcte Downsyndroom. Een allochtoon of gastarbeider heet in PC‑spraakgebruik een mede­lander. Suïcide is de aanvaardbare term voor zelfmoord. Nieuwvorming of carcinoom stammen uit het medische P.C.‑jargon en verwijzen naar een kankergezwel.

Het meest succesvolle eufemisme voor bejaarden is natuurlijk derde leeftijd (van Franse origine: troisieme age). Tegenwoordig spreekt men ook over senioren.

P.C. treft men aan in alle lagen van de maatschappij maar politici zijn er vanzelfsprekend erg bedreven in. Voorbeelden legio: grenshospitium (grensgevangenis voor asielzoekers); anders-actieven (mensen die van een uitkering of pensioen leven); bestedingsbeperking (bezuiniging); arbeidsreserve (werklozen); sociaal-gedepriveerden (asociale gezinnen. Gedepriveerd is P.C. voor arm); anders-maatschappelijken (idem); baanloos (werkloos); ombuigen (bezuinigen); uitkeringsgerechtigde (uitkeringstrekker) enz.

Waar politiek correctheid in de Verenigde Staten vooral beperkt is gebleven tot de academische wereld, is het in Nederland en Vlaanderen doorgedrongen in alle poriën van de samenleving. Wil je in de politiek of de wetenschap carrière maken dan moet je vooral geen mensen voor het hoofd stoten. Dit veronderstelt dat je niet tegen bepaalde meningen en codes ingaat. Wie extreme opvattingen heeft (zoals bijvoorbeeld het ontkennen van de holocaust) wordt terstond aan de schand­paal gehesen. Politiek-correctheid vormt evenwel niet het monopolie van een links-progressieve elite. Ook in rechtse kringen laat het fenomeen zich gelden: in de VVD kun je bijvoorbeeld niet straffeloos pleiten voor de aftrek van de hypotheekrente.

In dit woordenboek zijn een aantal politiek correcte woorden en uitdrukkingen opgenomen (taalgebruik waarmee je geen enkele groep uit de samenleving kwetst) maar ze maken niet de hoofdmoot van het boek uit. Politiek-correct is nauw verwant met taboeverhullend taal­gebruik. Hans Geluk stelt dat het verschil met eufemismen is, dat niet de gevoelens van de aan­gesprokene, maar die van de besprokene ontzien worden.

Taboes.

Het eufemisme zou je kunnen beschouwen als de paranimf van het taboe. Het verwijst immers op indirecte wijze naar zaken die ongepast of verboden zijn. Doorgaans gaat het om dingen, personen of handelingen die slechts met de grootst mogelijke voorzichtigheid mogen benaderd worden. Angst (o.a. voor ziekte, dood, God) en schaamte (o.a. voor het eigen lichaam, voor defecatie, seksualiteit) zijn belangrijke redenen waarom we over bepaalde onder­werpen zwijgen. Religie of ideologie draagt ook bij aan de vorming van allerlei taboes.

Taboes verschillen van cultuur tot cultuur en van periode tot periode (al zijn er bij die universeel zijn: ziekte en dood bijvoorbeeld). Zo was de 19de eeuw gekenmerkt door zijn preutsheid. Seks en alles wat hiermee te maken had, werd verzwegen of er werden allusies op gemaakt. Zelfs over zwangerschap werd niet in directe termen gepraat want het ging immers om een zichtbare verwijzing naar de daad die voorafgaat. Het menselijk lichaam werd nog geen eeuw geleden angstvallig verborgen gehouden. Menstruatie was al helemaal taboe. Over ‘ongesteld zijn’ kon je niet zomaar onomwonden praten. Rond de ‘maandelijkse bloeding’ heeft dan ook lange tijd een sluier van geheimzinnigheid gehangen.  Het aantal eufemismen op dit gebied is daarom erg groot.

In de 19de eeuw en een stuk van de 20e eeuw vond men het eveneens ongepast om rechtstreeks naar bepaalde lichaamsdelen te verwijzen. In het Victoriaanse tijdperk ging de preutsheid zelfs zo ver dat men voorwerpen die ook maar enigszins aan lichaams­delen deden denken angstvallig verborgen hield. Een broek werd door de Engelsen beschouwd als een omhulsel van de geslachtsdelen. Daarom sprak men over ‘ineffables; unmentionables; unexpessibles; unwhisperables enz.’ In Vlaanderen en Nederland ging de zedigheid wel niet zo ver maar ook bij ons werden kledingstukken die op het lijf gedragen werden, in bedekte termen aangeduid, vooral dan ondergoed. Vandaar de voorkeur voor Franse en Engelse termen want die klinken veel minder lijfelijk. Veel heeft ook te maken met het feit dat de Nederlandse equivalenten te veel associaties oproepen met de uitdragerij, de wasmand en de opruiming in de warenhuizen.

In allerlei situaties vinden we het ook lastig om rechtstreeks te verwijzen naar de afscheid­ings­­­producten van ons lichaam. Platte woorden voor de seksuele- en afscheidings­organen worden vaak gemeden en vervangen door neutralere (meestal medische) synoniemen.

Homoseksualiteit vormt een ander zwaar taboe. ‘Andersgeaarden’ durfden lange tijd niet voor hun geaardheid uitkomen. Ze waren ‘van de club’, ‘van het handje’, ‘van de andere (of de verkeerde) kant.’ Onze taal kent pas sinds het einde van de 19deeeuw duidelijke woorden voor homoseksualiteit. Tevoren waren er enkel scheldwoorden of eufemismen in zwang. 

Waren de eufemismen aan het begin van de twintigste eeuw nog vnl. gericht op het omzeilen van religieuze taboes (bijgeloof) en het verdoezelen van bepaalde lichaamsdelen, lichaams­functies en seksuele handelingen (overspel bijvoorbeeld) dan zien we dat de laatste decennia er meer en meer eufemismen opduiken op sociaal gebied. Volgende thema’s worden tegen­woordig gretig bespeeld: geld, opvoeding, ontslag, politiek, oorlog, zelfmoord en raciale verschillen.

Eufemismen zijn weliswaar nauw verwant met taboes maar de taboes van de ene generatie zijn niet noodzakelijk dezelfde als die van een volgende generatie. Merkwaardig genoeg blijven taboes die te maken hebben met seksueel gedrag ook nu nog overeind. Onderwerpen zoals incest, pedofilie en verkrachting bijvoorbeeld blijven vaak nog onbespreekbaar. Hedendaagse eufemismen voor ‘dik’ bestonden dan weer niet in tijden toen het nog sociaal aanvaard­baar en zelfs aantrekkelijk was om dik te zijn. Het gebruik van eufemismen kan evenwel ook verschillen van plaats tot plaats en al naar gelang de omstandigheid en de aanwezigen.

  Volgens de Nederlandse cultuurfilosoof C.W. Rietdijk (HP/ De Tijd, 29/09/2000) zijn taboes (vooral dan de seksuele) bedoeld om mensen geestelijk te onderdrukken en te manipuleren. Seksuele frustraties kunnen zeer angstverwekkend zijn. Niet voor niets tolereerden de vroegere machthebbers net zo min de vrijheid in seksualiteit als de vrijheid in gedachten. Nog volgens Rietdijk zorgen taboes ervoor dat er geen publieke discussie loskomt en alles bij het oude blijft. Mensen worden hierdoor onzeker en afhankelijk. Daar varen allerlei belangen­groepen wel bij. Elzevier-redacteur Pim Fortuyn vindt taboes dan weer hinderlijk ‘omdat ze zelfcensuur bevorderen en belemmeren dat we openhartig praten over problemen.’

De vorming van eufemismen.

Eufemismen kunnen optreden in verschillende gedaanten. Het gaat niet alleen om woorden maar evenzeer om lichaamstaal, stiltes of ongearticuleerde geluiden om duidelijk te maken dat we ergens mee zitten. Ook syntaxis en grammatica kunnen eufemistisch zijn.

In dit boek beperken wij ons tot woorden en uitdrukkingen. En de vraag die we ons moeten stellen is hoe eufemismen gevormd worden. Er zijn verschillende semantische processen merkbaar.

Wanneer een bepaald woord geassocieerd wordt met ongunstige elementen dan hebben we de neiging te kiezen voor een alternatief woord met minder negatieve connotaties. Bij het creëren van eufemismen worden een aantal technieken gebruikt, waarvan we de voornaamste hieronder vermelden.

Ø      Zo verkiezen we in plaats van het te vermijden woord vaak een algemenere term of hyperoniem): broekje i.p.v. onderbroek; huisje i.p.v. toilet; ziekte i.p.v. een duidelijk genoemde ziekte zoals kanker, aids. Het specifieke deel dat we niet willen benoemen wordt vervangen door het geheel: slapen met; naar bed gaan; de nacht doorbrengen met iemand (i.p.v. meer precieze verwijzingen naar de seksuele handelingen).

Ø      Een vreemdtalig woord schept de nodige afstand. In de medische wereld zijn het Grieks en het Latijn erg populair. Dit zijn altijd al de talen van de wetenschap geweest. Frans heeft steeds iets gedistingeerds gehad en ook het Engels is de laatste eeuw een inspiratie­bron voor eufemistisch taalgebruik. Dergelijke leenwoorden zijn veel minder beladen met negatieve associaties. Zie bijvoor­beeld obesitas dat tegenwoordig meer en meer gebruikt wordt om ‘zwaar­lijvigheid’ te vervangen. Andere voorbeelden zijn: ad patres; adult; advertorial; amoveren; blow job; buddy; carcinoom; cohabiteren; coïtus; concubine; erratum; excrementen; faeces; fallus; flatus; senior.

Ø      De voorkeur gaat meestal uit naar een zo vaag mogelijke term. Een heikel onderwerp wordt weinig precies omschreven. Wie te duidelijk is kan immers rekenen op zware kritiek (bijvoor­beeld racistisch te zijn). Eufemisering kan daarom de kunst van het verzwijgen genoemd worden. Voorbeelden zijn: aardigheidje; buitenlander; correspondentie­vriend; daad; deel; ding(etje); gedoetje; fiets; gevorderde leeftijd; instelling; in kennelijke staat; lid; zekere leeftijd.

Ø      De eufemismegebruiker heeft ook een voorliefde voor understatements en litotessen, waarbij men schijnbaar iets verkleint om het te benadrukken, m.n. door het ontkennen van het tegengestelde. Bijvoorbeeld: moeders mooiste niet; niet zo jong (piep) meer; niet zo geslaagd; niet van de slimsten; niet erg vleiend; niet enthousiast over iets.

Ø      Populair is ook de hyperbool of overdrijving. Zo werd het lokaaltje waar men zijn behoeften doet vroeger de bestekamer genoemd.

Ø      Vervelende zaken worden graag gebagatelliseerd. Een ruzie wordt wel eens afgedaan als een woordenwisseling of de twee partijen hadden gewoon woorden. Een oorlog wordt in het militaire spraakgebruik een conflict of iets dramatischer: een crisis. Er wordt ook gesproken over eenvoudige vijandelijkheden. Een alcoholist is iemand met een  drank­probleem. Dat laatste houdt tenminste geen morele veroordeling in. Wie dik is heeft een buikje.

Ø      Op dezelfde lijn liggen de verkleinwoorden waarmee enerzijds de affectie maar anderzijds de onbelangrijkheid van iets onderstreept wordt: avontuurtje; slippertje; uitstapje.

Ø      Afkortingen zijn eveneens erg geliefd bij de eufemismegebruiker. Ze zijn minder confronterend. SM klinkt bovendien minder pijnlijk dan sadomasochistisch; b.h. minder lijfelijk dan bustehouder. Andere voorbeelden zijn: AZC; B.V.; EB; gvd; k.

Ø      Ook verkortingen kunnen minder direct zijn: ama; bi; deti; ho; homi; klit; pedo; verband. 

Ø      Een woord kan eveneens van vorm veranderd worden om het te verbloemen. Denken we maar aan bastaardvloeken zoals blikskaters; gatsie; jeetje.

Ø      I.p.v. te spreken vanuit een gekleurde invalshoek kiezen we vaak een neutraal woord. Druggebruiker klinkt neutraler dan drugverslaafde. Bejaarden worden doorgaans geassocieerd met ziekte, afhankelijkheid en hulpbehoevendheid. Daarom verkiezen we de neutrale term oudere of senior.

Ø      Soms worden bepaalde woorddelen ingeslikt of laten we gevoelige informatie wegvallen om de toehoorder niet te choqueren of te ergeren. Een reclameactie wordt dan een actie. De bom klinkt minder angstaanjagend dan de atoombom. Door het weglaten van het eerste lid (de beschrijving) worden de gevaren van het tuig (massavernietiging) in feite gemini­maliseerd. Het gaat immers maar om een gewone bom, zo zou je kunnen denken. Eenzelfde procédé doet zich voor bij bus (in de betekenis van methadonbus). Bij een woord als inleveren wordt er niet bij vermeld wat er precies ingeleverd wordt. Een werkwoord als komen wordt minder vlug geassocieerd met seks dan het volledige werkwoord klaarkomen.

Ø      Een voorbeeld als bom hierboven kun je eveneens rangschikken onder de degradatie­techniek. Ook een woord als neutronengranaat valt hieronder. Door gebruik te maken van degradatie wordt het effect van het wapen eigenlijk gebanaliseerd. Volgens de menselijke voorstelling is een bom nog altijd erger dan een granaat, al kunnen beide een enorm bloedbad aanrichten.

Ø      Bepaalde zaken kunnen we ook suggereren, vaak door een omschrijving te geven: aanranding van de eerbaarheid; het schrappen van arbeidsplaatsen; betaalde liefde; boventallig zijn; niet samen door één deur kunnen; de deuren sluiten; politionele acties.

Ø      Een veel voorkomend procédé is het gebruik van metaforen waarbij dingen vergeleken worden. Dergelijke eufemismen zijn vaak van romantische of poëtische aard en verzachten het oorspronkelijke woord. Het mannelijk geslacht wordt graag benoemd in krijgskundige termen (bijvoorbeeld in het werk van Gerard Reve). Allerlei voorwerpen die iets kunnen bevatten en analogieën met groenten en vruchten zijn uiteraard dienstig als metafoor voor het vrouwelijk geslachts­orgaan. Taal is evenwel onderhevig aan modes en wat ooit een eufemisme was kan tegenwoordig een vulgarisme zijn. Voor bepaalde lichaamsdelen en seksuele handelingen bestaan er talrijke beeldende uitdrukkingen: beest met de twee ruggen; bezoek hebben; bloempjes en bijtjes; derde oksel; elfde vinger; klokkenspel enz. Omdat ook slang veel gebruik maakt van metaforen is het onderscheid tussen eufemisme en slang (informeel en vaak plastisch taalgebruik) hier vaak lastig te bepalen. De gevoelswaarde hangt doorgaans af van de context of omstandigheden en de toehoorders. Een metafoor is vaak in eerste instantie grappig bedoeld en pas in de tweede plaats eufemistisch.

Ø      Een procédé dat vooral gebruikt wordt in het politiek correcte taalgebruik tenslotte is de upgrading: het opwaarderen van iets dat als minderwaardig wordt beschouwd; het kiezen van een elegantere, chiquere benaming. Voorbeelden zijn: charmespektakel; cliënt; club; contactarm; escortbureau; exploitant van onroerend goed; gastvrouw; interieurverzorgster; karakterdanseres; kijkstudio; milieuwerker; privéadres; reisagent; relaxexploitant; steward; verhuurder van ramen; verzorgende bedrijven.

Verwerpelijk?

Zijn eufemismen tekenen van goede smaak of zijn ze de moordenaars van de waarheid? In veel gevallen wijzen verhullingen op schijnheiligheid, misbruik en oneerlijkheid. Anderzijds kunnen zulke verbloemingen soms erg praktisch zijn. Sommige mensen hebben er nu eenmaal behoefte aan om een blinddoek te worden voorgehouden. Ze willen de harde waarheid vaak liever niet onder ogen krijgen. Robert Burchfield betoogt in ‘Fair of Speech. The uses of Euphemism’ (1985) dat een taal zonder eufemismen een gebrekkig communicatie­middel zou zijn. Eufemismen kunnen een nuttige uitbreiding zijn van onze woordenschat. Niet alleen kun je er een zaak mee aanduiden, je kunt er ook je eigen distantie van die zaak mee weergeven.

Anders ligt het met politiek correct taalgebruik dat vaak huichelachtige trekken aanneemt. Daarvoor moeten we ons ook de vraag stellen of mensen al dan niet het recht hebben om er extreme opvattingen op na te houden en of het taboe op typeringen moet blijven bestaan. Elzevierredacteur Gerry van der List is alvast van mening (zie HP/ De Tijd, 29/09/2000) dat iemand als David Irving gerust mag stellen dat de holocaust is gelogen. Er zijn immers voldoende bewijzen om dat te ontkrachten. Van der List vindt het taboe op typeringen wel lastiger. Het gaat om de vraag of je kunt stellen dat zwarten dommer zijn dan blanken. Als je zegt dat negers beter kunnen dansen of sporten, typeer je volgens Van der List ook al. Niet iedereen zal het echter met deze denkwijze eens zijn. Politiek correct kent dus nog altijd zijn voor- en tegenstanders.

Problemen met eufemismen.

Wie een boek over eufemismen wil samenstellen stuit op een flink aantal problemen. Zo is er de hoge omloopsnelheid. Veel woorden worden na een tijd niet meer als eufemismen aan­gevoeld omdat ze te stevig ingeburgerd zijn in de omgangstaal. Hun verbloemende functie zijn ze kwijt­geraakt waardoor er behoefte ontstaat aan nieuwe versluierende benamingen. Een goed voorbeeld is neuken dat in een ver verleden een net woord is geweest voor stoten. Een woord als vrijen gaat wellicht dezelfde weg op. Vroeger had het de onschuldige betekenis van ‘minnekozen, iemand het hof maken’. Tegenwoordig is het een eufemisme voor copuleren, maar mogelijk zal het niet lang meer duren voor wij het ook als een plat woord gaan beschouwen. Ook w.c. was als afkorting (van watercloset) oorspronkelijk een eufemisme voor een toilet (met waterspoeling), hetgeen in de 19de eeuw nog kakhuis en schijthuis werd genoemd. Het kleinste kamertje werd destijds geassocieerd met vieze dingen (urine en fecaliën). Met w.c. bedoelen we zowel het kamertje als het toestel dat daarin staat. Er bestaan talrijke Nederlandse synoniemen, zowel platte als verheven, maar w.c. is wellicht het neutraalste. Toch wordt het door veel mensen niet meer als eufemisme aan­gevoeld. Dat komt ook doordat het taboe rond de natuurlijke behoeften al lang niet meer zo groot is als in de 19de eeuw. De grotere openheid over seksualiteit heeft eveneens tot gevolg dat er minder eufemismen op dit gebied in zwang raken. Met het verdwijnen van bepaalde taboes ruimen dus ook heel wat verbloemende termen het veld.

Veel woorden die we nu gebruiken zijn ooit hun loopbaan als eufemisme begonnen maar zijn tegen­woordig zo transparant door het veelvuldig gebruik dat ze hun eufemistisch karakter verloren hebben. Dat maakt het aanleggen van een verzameling als deze er niet gemakkelijker op.

De gevoelswaarde van een woord hangt ook af van generatie tot generatie (zo is de jeugdige generatie heel wat toleranter tegenover seksuele onderwerpen) en van cultuur tot cultuur. Wat voor de één een eufemisme is kan door de ander geklasseerd worden als scherts of zelfs als een dysfemisme (een smalende uitdrukking; platte of grove term). De grens tussen eufemisme en scherts is vaak moeilijk te trekken. Denken we maar aan een term als jonge­heer en andere personificaties van het mannelijk geslachtsorgaan. Zijn zulke benamingen grappig bedoeld of veeleer verbloemend? Veel hangt ongetwijfeld af van de context, de omstandigheden en de toehoorders of lezers. Bij twijfel werden ze in ieder geval opgenomen.

Een derde probleem dat zich voordoet is de noodzaak om sommige eufemismen te omschrijven met andere eufemismen. Zo staat in dit boek bij plaats maken als omschrijving: urineren, wateren. Dat zijn nu éénmaal de meest courant gebruikte woorden. 

Gebruiksaanwijzing. 

Vanwege de naslagfunctie werd ervoor gekozen om de trefwoorden in alfabetische volgorde te geven. Het behandelen van eufemismen per thema brengt mijns inziens het risico met zich mee dat er nodeloos allerlei synoniemen bijgesleurd worden die weinig of niets met eufemismen van doen hebben. Een jammerlijk voorbeeld daarvan is het boek van Neaman en Silver (zie bibliografie), dat vaak meer wegheeft van een jargonwoordenboek. Bovendien zou door de themagerichte aanpak een (weliswaar miniem) aantal eufemismen uit de boot vallen (het gaat daarbij om verbloemende woorden en uitdrukkingen die niet onder een bepaalde categorie vallen).

Niettemin vond ik het nuttig om registers toe te voegen zodat trefwoorden die specifieke terreinen betreffen, makkelijker terug te vinden zijn. Er zijn vier soorten registers. Er kan vooreerst gezocht worden op het tijdperk waarin een eufemisme gebruikt werd (16de tot en met 20e eeuw). Verder kan gespeurd worden naar de gebruikerscategorie (medici, politici enz.), naar een stijllabel (Engels, Frans, Duits, Latijn, Grieks, scherts, verouderd enz.) en tenslotte naar onderwerp(dood; drank; homoseksualiteit; ziekte enz). Het spreekt voor zich dat bepaalde eufemismen onder meerdere onderwerpen zijn terug te vinden. Verpleeghuis vind je bijvoorbeeld zowel terug onder het thema ‘ouderdom’ als onder ‘ziekte’.

Niet alleen kunnen gelijkaardige eufemismen teruggevonden worden via deze registers, daarnaast vind je bij de meeste trefwoorden een verwijzing (via een asterisk) naar verbloemend taalgebruik uit dezelfde sfeer. Het betreft dan vooral die eufemismen die een erg breed thema vertegen­woordigen (ouderdom, ziekte enz.).

Waar mogelijk werd naast de omschrijving een etymologische verklaring, een toelichting omtrent het taboe waarnaar verwezen wordt of een anekdote toegevoegd, naast één of meerdere vind­plaatsen uit kranten, tijdschriften en literatuur. De gegeven citaten hebben uitsluitend als functie het bewuste eufemisme in een context te plaatsen. Het zijn dus niet noodzakelijk de oudste vind­plaatsen. Dat zou ook een onbegonnen werk zijn. Wel heb ik geprobeerd (in de mate van het mogelijke) de ouderdom van een bepaald woord of een bepaalde uitdrukking te achterhalen. Hierbij heb ik mij vooral gebaseerd op het Etymologisch Woordenboek van Van Dale en op het WNT (waarvan de laatste cd-romversie werd geraadpleegd). 

Bij de meeste trefwoorden worden niet alleen citaten gegeven, maar wordt ook vaak verwezen naar een auteur. Van die auteur wordt door­gaans enkel de naam vermeld, tenzij er meerdere boeken van hem geraadpleegd werden (in dat geval volgt ook een jaartal van publicatie). De volledige gegevens zijn dan te vinden in de biblio­grafielijst achteraan in dit boek. Enkel wanneer een bepaald boek slechts een paar keren door mij werd gebruikt, heb ik bij het bewuste trefwoord het boek en de auteur volledig aangehaald.

Bij de meest courante eufemismen werden ook synonieme woorden en uitdrukkingen vermeld uit andere talen (het Engels, Frans en Duits). 

Opnamecriteria.

In dit boek heb ik mij beperkt tot woorden en uitdrukkingen. Ook lichaamstaal, grammatica en syntaxis kunnen eufemistisch zijn (zie hierboven: De vorming van eufemismen). Reinsma geeft zelfs voorbeelden van eufemismen die de vorm aannemen van cijfers. ‘Omdat 13 een ongeluksgetal is hebben hotelkamers soms een nummer 12A’ schrijft de auteur. Deze vormen vallen echter alle buiten het bestek van dit boek.

Evenmin opgenomen zijn de vele gelegenheidseufemismen, waarvan ik er twee noemde aan het begin van dit voorwoord. Het gaat meestal om uitvoerige omschrijvingen die moeilijk te classificeren vallen. Onder gelegenheidseufemismen vallen ook de meeste x-woorden (voor de definitie van een x-woord, kijk onder ‘f-woord’ in het boek). Veel van dergelijke formuleringen zijn eendags­vliegen of momentopnames. Toch zijn er enkele die de laatste jaren courant werden gebruikt (zoals het eerder genoemde f-woord) en die daarom wel een plaats verdienen in dit woordenboek.

Er werd steeds uitgegaan van het criterium dat achter een nette of neutrale benaming een woord moet schuilen dat door de spreker of schrijver in zijn achterhoofd wordt verbonden met een taboe of beladen begrip en dus als onkies wordt beschouwd. Ook al gaat het om taboes die tegenwoordig niet meer bestaan of om woorden en uitdrukkingen die hun functie van eufemisme verloren hebben en inmiddels reeds werden vervangen door verse eufemismen! Wanneer dit het geval is, wordt er uiteraard melding van gemaakt. Ik heb dus in zekere zin de omschrijving van de Britse lexicograaf Fowler gevolgd (zie begin van het woord vooraf) en een erg ruime definitie gehanteerd. Bij de meeste trefwoorden wordt overigens ook duidelijk omschreven waarom deze of gene term verbloemend is (of was). Ik realiseer me echter zeer goed dat niet alle hier opgenomen woorden en uitdrukkingen door elkeen als eufemistisch zullen worden beschouwd.

Sommigen zien in het woord ‘levensverzekering’ een eufemisme (mogelijk omdat het een gerust­stellend effect heeft). Die zienswijze valt evenwel moeilijk te verdedigen vermits er niet zoiets bestaat als ‘doodsverzekering’. Er zijn mensen die zelfs in ‘kapitalisme’ een eufemisme zien (voor onderdrukking en uitbuiting). En in een bepaalde krant las ik niet lang geleden dat de Gazastrook een eufemisme zou zijn voor een concentratiekamp. Allemaal best mogelijk, maar omdat die mening beslist niet door iedereen wordt onderschreven, heb ik dergelijke termen niet opgenomen in deze verzameling.

Metaforen doen vaak pas in tweede instantie dienst als eufemisme. De grensafbakening met slang (informeel en erg plastisch taalgebruik) is hier vaak lastig. Enkel een uitvoerig onder­zoek kan uitmaken of sommige van deze termen door de meerderheid van de taal­gemeenschap als eufemisme wordt aangevoeld. Zoals eerder al gesteld spelen diverse factoren zoals omstandigheden (context), spreker (of schrijver) enz. een rol. Daarom werden heel wat metaforen opgenomen waarvan kan verondersteld worden dat ze een versluierend karakter hebben.

Informatiekanalen.

De in dit boek opgenomen eufemismen (meer dan 2000) bestrijken de periode 16de tot eind van de 20e eeuw. Dit leek me interessant omdat op die manier door de eeuwen heen aan te tonen is welke taboes en gevoeligheden verdwenen, welke behoefte hadden aan nieuwe omzeilingen en welke onlangs in zwang raakten. De klemtoon ligt evenwel op de twee laatste eeuwen (vooral dan de preutse, en daardoor voor ons onderzoek belangrijke, 19de eeuw).

Voor ouder materiaal werd in de eerste plaats een beroep gedaan op de cd-rom van het WNT. Die bleek van onschatbare waarde, want een ware goudmijn voor wie op zoek is naar versluierend taalgebruik. Daarnaast werden ook een paar andere cd-roms gebruikt, zoals die van de Klassieke Literatuur (Spectrum), en een keur van oude naslagwerken, vermeld in de bibliografie.

Een belangrijk informatiekanaal vormde ook het Wereldwijde Web. Een zoektocht via dit medium leverde vaak verrassende resultaten op. Ewoud Sanders zocht voor mij een aantal termen op in de digitale bestanden van een groot aantal landelijke en regionale dagbladen, waarvoor ik hem van harte dank.

Verder heb ik ook beroep kunnen doen op de gegevens die ik zelf al verscheidene jaren verzamel (aantekeningen uit literatuur, kranten en tijdschriften). Wat ooit begon als een schoendozen­verzameling is stilaan aan het uitgroeien tot een uit haar voegen barstende Filmmakerdatabank.

Dit boek zou ook niet samengesteld kunnen zijn zonder de hulp van vrienden en informanten. Bij deze wens ik dan ook Jaap Engelsman en Nicoline van der Sijs te danken voor de nuttige informatie bij een aantal lemma’s. Heel wat mensen stuurden mij knipsels. Mijn dank gaat hier in de eerste plaats uit naar Marieke Henselmans en Piet Waelput die mij vaak nieuwe ideeën aanreikten.

Nederlandse publicaties over eufemismen zijn er niet zo veel. De Vooys schreef in 1920 een artikel over het onderwerp in de Nieuwe Taalgids. In 1989 was er een boekje van Hans Rombouts over taal als camouflagemiddel: ‘Mooipraat’. Drie jaar later verschenen een prismapocket van Reinsma over eufemismen en een boekje van Elias over taboe in taal. Hans Geluk maakte in 1998 een bijzonder leesbare scriptie over eufemismen (die ik iedereen aanraad). Ik wil hem hierbij ook van harte danken voor het ter beschikking stellen van die scriptie. Wie geïnteresseerd is in politiek correct taalgebruik slaat er best ook Jan Kuitenbrouwers ‘Heb ik iets verkeerds gezegd’ op na. In het Engelse taalgebied werd, hoe kan het ook anders, heel wat meer gepubliceerd over eufemismen. Uit een bonte reeks naslagwerken op dit gebied wil ik u voor verdere lectuur met aandrang de boeken van Ayto, Enright en Holder aanraden.

Geen enkel woordenboek is compleet. Aanvullingen, correcties en commentaar zijn daarom steeds welkom.

Rest mij nog dit boek op te dragen aan een goede vriend, de dichter Freek Dumarais, die geheel onverwacht en vroegtijdig ‘groot verlof genomen heeft’. 

Marc De Coster

Tienen, 2 mei 2001