Uit het Groot Scheldwoordenboek. Letter A

Een paar lemma's.  

aap,    

(m.b.t. kinderen) deugniet, kwajongen. Omdat een aap niet alleen lelijk is maar ook lachwekkend (een beeld dat wij vooral hebben sinds het circus en de jaarmarkten), wordt de mens vaak met dit dier vergeleken. De vrouwelijke vorm komt als scheldwoord weinig voor. Het invectief wordt meestal voorafgegaan door een bijvoeglijk naamwoord. Een man met veel haar op de borst wordt wel eens een ‘behaarde aap’ genoemd. Een ‘aangeklede aap’ is een zeer lelijk iemand of een erg opzichtig gekleed persoon. Een ‘luie aap’ wordt gezegd van een luierik. Een ‘bruine (blauwe of zwarte) aap’ is een racistisch scheldwoord voor een kleurling, een donkerhuidig persoon. Een ‘langharige aap’ was in de jaren zestig een scheldwoord voor een langharige. Een schilder werd vroeger wel eens minachtend een ‘kladaap’ genoemd. Bij de marine is een ‘kettingaap’ een spottende benaming voor een adelborst. En een ‘krijtaap’ was in de achttiende eeuw een scheldwoord voor een waard. Gerard Reve noemde de Friezen ooit ‘polderapen’. Zie ook nog: tuinaap*.          

Ja Broêr, de jonge is met al zijn beleefdheid, tog een ondraagelijke wijsneus! een zot, een aap. (Betje Wolff: Historie van Mejuffrouw Cornelia Wildschut, of de Gevolgen der Opvoeding. 6 dln. 1793-1796)
‘Bewaar ons!’ zeide de vrouw van den metselaar Ludwig schuins aanziende: ‘hoe durft die bonte aap zoo tegen onzen Jonker spreken?’ (Jacob van Lennep: De pleegzoon. 1833)
Niet, als Haply, bedankte de jongen, die boven op zat en al rijdende door verschillende landbewoners met een voor hem onverstaanbaar: ‘kijk hij 's!’ of: ‘zie! wa'n groote, zwarte aap’, werd nageweze... (J.J. Cremer: Daniël Sils. 1856)
Zeg 'ns, grote aap, had je 't tegen mij? (Herman Heijermans: Op hoop van zegen. 1900)
‘Drommelse apen,’ schold Klinkhamer, ‘maakt dat je weg komt.’ (H. de Roos: De schippers van de Kameleon. 1948)
Als je de winkel gevonden hebt, stap je naar binnen en vraag je naar die langharige aap. (Hitweek, 25/10/1968)   

achterlijke gladiool,  

Utrechts scheldwoord voor een stommeling, sufferd. In de jaren zeventig van vorige eeuw bedacht door de Utrechtse cabaretier Herman Berkien (overleden op 22 juni 2005) en verder populair gemaakt door (de eveneens uit Utrecht afkomstige) Herman van Veen. Dat dit scheldwoord kon 'doorbreken' heeft niet zo veel met de bloem 'gladiool' te maken. Het effect wordt ontleend aan de gerekte uitspraak van de a (in âch- en in gla-) en de eveneens typisch Utrechtse uitspraak van -oal' (de oo wordt heel gesloten en zonder een spoor van verglijding uitgesproken). Daarmee is het Utrechts in twee woorden heel karakteristiek en herkenbaar neergezet. Dit scheldwoord komt veelvuldig voor op het internet. Ook in uitdrukkingen zoals: ‘Je moet wel een achterlijke gladiool zijn als .....’ Kijk ook onder gladiool*   

Gladiool (achterlijke -): iem. die zeer dom is. (Kristiaan Laps: Nationaal Scheldwoordenboek. 1984)
Twee jaar basisvorming met tweeen voor Engels en vijven voor andere leervakken - alleen een 'achterlijke gladiool kickt daarop'. (NRC Handelsblad, 27/11/1996)
Natuurlijk waren er achterlijke gladiolen zonder enige kennis van de waterregels. (HP/ De Tijd, 30/07/1999)

ali baba

(racistisch) iemand uit het Midden-Oosten of Noord-Afrika; kleurling. Ali Baba is de hoofdpersoon in het volkssprookje ‘Ali Baba en de veertig rovers’ (uit de sprookjes van duizend-en-een-nacht). Vgl. achmed*- abdoel.

Maar hoe laat hij straks, als hij er de macht voor heeft, zijn agenten optreden als er als gevolg van zijn gehetz, bevolkingsgroepen botsen? De uitgebrande huizen van de ‘Ali Baba’s’ in een gebalkaniseerd Rotterdam durf ik me niet voor te stellen. (Elsevier, 01/06/2002)
Er zijn soldaten te zien die ‘grappen’ maken over een dode ‘Ali Babi’. (‘Deze Ali Babi heeft nog steeds een stijve!’) (De Groene Amsterdammer, 10/07/2004)

analfabeet

dom persoon. Eigenlijk: iemand die niet kan lezen of schrijven; ongeletterde. De computerindustrie kent de digibeet*. Gediplomeerde analfabeet is een vergrotende trap. Dit scheldwoord wordt vaak in de mond gelegd van kapitein Haddock, een populaire figuur uit de Kuifje-stripverhalen.

Heidaar, jij analphabeet, Schrijf op, voor ik het vergeet! (Cornelis Veth, Wissewas. Burleske comedie in vier bedrijven, 1918)
Stuk analfabeet! Ik bedoel: misschien is deze zaak ons geld waard!!! (M. Remacle, Ouwe Niek en Zwartbaard. Zwartbaard als waard, 1971)
Ruud Lubbers ga je rascistische kankermuil wassen, bleke analfabeet, een beetje andermans werk quoten, voor je eigen teksten kijk ie zeker ook in de Libelle van je moeder. (website volkomenkut.com, 06/03/2004)

 antiquiteit (op twee poten)

ouderwets persoon; iemand die niet met zijn tijd meegaat. Syn.: fossiel*

Er is nu met die bovenaangehaalde lessen van den heer Hack een krachtig protest bedoeld tegen al de eigen lof, brutaliteit, luchthartigheid en grofheid, die in vroeger tijd in den N. G. werden gelaakt, en waarbij lieflijkheden als prul, polichinel, beunhaas, kunstverknoeier, somnambule, charlatan, groenige, vloo, vervelende rijmelaar, antiquiteit op twee beenen, brekebeen, poppetje, ijdeltuitige dame, kathederboefje, walgelijk onoprecht mannetje, kleinzielige, als stopwoordjes schering en inslag waren. (De Groene Amsterdammer, 28/10/1888)