Recensies
 

 Bij uitgeverij BZZTôH verscheen onlangs met veel tromgeroffel het Woordenboek van platte taal. Het ziet er poepchic uit met die bloedmooie cover en illustraties van kunstenaar Jacques Tange: een echt koffietafelboek. Op het eerste zicht zou je dus niet zeggen dat de inhoud viswijventaal, borreltafelpraat en ander verbaal geweld bevat. Want dat is het lezer, een lexicon van hedendaagse spreektaal, afkomstig uit de slaapkamer, het bordeel, de straat en de kroeg. Auteurs zijn de voormalige Van Dale-redacteuren Heidi Aalbrecht en Pyter Wagenaar.

En dat merk je aan de opbouw van de lemma’s, de vele kaderteksten, thematische verzamelingen en het gebruik van citaten (zonder bronvermelding, maar daarover later meer). Uiteraard behandelt dit werk gewoon slang (wat niet hetzelfde is als Bargoens) maar die Engelse term verkoopt hier natuurlijk niet. Er bestaat geen goed Nederlands alternatief. Daarom zullen de auteurs wellicht gedacht hebben dat ‘platte taal’ de modale taalgebruiker nog het meest aanspreekt.

Ik ben blij dat er ook voor ons taalgebied eindelijk zo’n boek bestaat, laat dat duidelijk zijn. Maar jasses marante, ik voel me toch een beetje vernacheld! 

Zeg nu zelf, beste lezer, krijgt u ook rode koontjes bij het lezen van woorden als: alcoholwalm; bierbuik; blunder; boodschappenwagentje; crimefighter, criminele circuit, dekmantel, dieventaal, dranklucht, flater, gangsterliefje, gluurder, halfdronken, havenbordeel, herrieschopper, huiszoeking. Ik kan nog wel een tijdje doorgaan. 

Soms moet ik er het boek nog eens op naslaan om te kijken of ik me niet vergis, maar inderdaad deze vieze woorden staan er in. Bij ‘gluurder’ staat bijvoorbeeld als omschrijving: voyeur. Mogelijk is dat een nettere term. Het woord ‘gluurder’ gebruik je dus best niet in een formeel gesprek want je toehoorders zouden zich wel eens het apelazarus kunnen schrikken.

Ik kan er nog inkomen dat ‘bejaardenseks’ wordt opgenomen in een standaardwerk over plat taalgebruik, als je er vanuit gaat dat de term ‘bejaarde’ tegenwoordig niet politiek correct is (want te denigrerend) en ‘senior’ de voorkeur draagt. Maar wat doen woorden als ‘elektrische stoel, ijdeltuit, klaagcultuur, liftmuziek, marihuana enz.’ in godsnaam in dit boek?

Behoort marihuana tot de taboesfeer? Mag je er misschien niet openlijk over praten? De definitie van ‘plat’ is hier wel erg rekkelijk.

Voor de auteurs geldt als criteria o.a. de beperkte gebruikssfeer (een woord mag niet in alle gezelschappen en overal te gebruiken zijn), het moet wel de laatste 40 jaar gebruikt zijn en liefst gedurende een aantal jaren.

Een volgens Van Dale verouderde, informele term als ‘mieters’ werd in dit boek niet opgenomen want ‘niet plat meer’. Daar zakt toch je broek van af! Geen enkel stijlboek zal het gebruik van ‘mieters’ aanbevelen in formele gesprekken of teksten. De laatste tijd beleeft het woord trouwens een heropleving.  

Verder bevat deze verzameling een fiks aantal eendagsvliegen of liever hersenspinsels van bepaalde schrijvers. Het erotisch werk van Heere Heeresma bevat heel wat metaforen voor de geslachtsorganen en de geslachtsdaad (feesttrompet; gezagvoerder; zonnig Madeira enz.). Daarbuiten worden die termen nergens gebruikt. Ze hebben ook nooit ingang gevonden in de Nederlandse taal, zelfs niet binnen een select groepje. In het beste geval zou je ze alleen kunnen vermelden in een erotisch woordenboek, waar ze mijns inziens wel op hun plaats zijn.

Kees van Kooten bedacht ooit de woordspeling 'orgaskraan'. Is dat voldoende reden om zo'n trouvaille op te nemen in een woordenboek? 

Reissecretaresse schijnt een eufemisme te zijn voor een hoer. Misschien is dat zo in Zweden maar in ons taalgebied? Aalbrecht en Wagenaar citeren het Zweedse schrijversechtpaar Maj Sjöwall en  Per Wahlöö. In de digitale krantenbestanden komt het in die betekenis alleszins niet voor. Ook Van Dale kent het woord niet.  

Heel wat van de zgn. ‘platte’ termen staan trouwens ook in de driedelige Van Dale. Wat is dan de meerwaarde van dit boek? 

Er zijn natuurlijk de leuke kaderteksten, gegroepeerd rond steekwoorden zoals: auto, bordeel, crimineel, dood, drinke, seks enz. Verder vermelden de auteurs bij ieder lemma keurig de etymologie maar soms is die totaal nietszeggend.

Bij ‘klepzeiken’ (zeuren) staat bijvoorbeeld: van klep en zeiken terwijl bij ‘klepzeiker’ bij de etymologie gewoon naar het werkwoord wordt verwezen. Veel kun je je daar niet bij voorstellen. Eigenlijk had hier moeten staan: ‘iemand die de klep of klap van zijn broek bezeikt’. Een verwijzing naar ‘klep’ (mond) is gewoon misleidend.  Naast de etymologische informatie geven de auteurs hier en daar ook citaten, maar eigenaardig genoeg zonder bronvermelding. Een volledig overzicht van de vindplaatsen mét bronvermelding vind je dan weer wel op www.plattetaal.nl. Van andere woordenboeken die geraadpleegd werden geen spoor. Waarom die bronnen niet gewoon achteraan in het boek afgedrukt werden is een raadsel. Zoveel meer plaats hadden ze toch niet ingenomen? Of moesten ze wijken voor de erg aantrekkelijke vormgeving van dit boek (iedere letter opent met een paginagrote illustratie)?  

Saai kun je dit woordenboek niet noemen. De belangstelling voor ‘vieze woorden’ of ‘platte taal’ is groot. Er zit een zekere amusementswaarde in. Wie twijfelt moet maar eens een aantal jongerensites op het Internet bezoeken. Daar word je voortdurend om de oren geslagen met grof taalgebruik. Een boek als dit kan dan helpen om het sociolect te begrijpen. Van heel wat neologismen had ik nooit eerder gehoord: bloemgrachtkruiser; bruynzeelmeisje, foslo, kringmusketier, schnabbelgestapo. Allemaal heel onderhoudend maar waar ik verveeld mee blijf zitten is het feit dat de auteurs blijkbaar geen verschil in stijlniveau zien tussen ‘platte’ woorden (uit de taboesfeer) zoals ‘buikneuken, dildoslet, doorbitch, eikelkaas’ en veeleer brave termen (waarbij het schaamrood de gebruiker beslist niet naar de kaken zal stijgen) zoals ‘doodleuk, flater, godzijdank, halfdronken, herrieschopper, tipgever enz. enz.’

Sorry maar aal is geen paling. Als je deze laatste categorie opneemt in een woordenboek van ‘platte taal’ dan ontbreekt er nog heel wat. In feite kan dan de halve Van Dale er in.

Mocht er een tweede druk komen dan hoop ik dat de auteurs minstens 1/5 van het materiaal schrappen. Er staan ongeveer 5.000 termen in. De vrijgekomen ruimte kan dan benut worden voor de vele omissies (balieteef, befborstel, heiboer, oelewapper, pispraatje, rapplement enz.).

Nu is het boek teveel een allegaartje van vulgair taalgebruik, eufemismen, neologismen, specialistische termen en doodgewone woorden die Jan, Piet en Klaas schaamteloos gebruiken. Het ‘Woordenboek van platte taal’ van Heidi Aalbrecht & Pyter Wagenaar is een heel mooi cadeauboek, dat wellicht zorgt voor een paar uren vermaak, maar waarvan de wetenschappelijke waarde jammer genoeg gering is. 

Heidi Aalbrecht & Pyter Wagenaar: Woordenboek van platte taal. 2007. Uitgegeven bij BZZTôH. ISBN 978 90 453 0513 4. Gebonden, 340 blz., winkelprijs € 29,50.

   ----------------------------------------------------------------------------------------------------

 Onlangs hoorde ik op de radio een gouwe ouwe uit 1982: ‘Pass the Dutchie’ van Musical Youth. Nooit geweten wat ‘Dutchie’ in dit lied betekende, tot ik het opzocht in de Cassell Dictionary of Slang’ van Jonathan Green. Voluit wordt dit gezongen: ‘Pass the Dutchie on the left hand side. It a gonna burn, give me music make me jump and prance.’
‘Dutchie’ blijkt een rastaterm te zijn voor een kom of pijp, gebruikt voor het roken van marihuana. Je zult het woord tevergeefs zoeken in het monumentale tweedelige boek ‘The new Partridge Dictionary of Slang and Unconventional English’ (ISBN 0415212588, uitgegeven bij Routledge).

Het oorspronkelijke geesteskind van Eric Partridge was een éénmansproject dat begon in 1937. Zeven edities verschenen er. Een achtste, bewerkt door Paul Beale, zag het licht in 1984 (5 jaar na zijn dood).
De huidige bewerking is van de hand van de Amerikaanse jurist, Tom Dalzell en de Britse acteur, televisiemedewerker en schrijver, Terry Victor. Zij delen dezelfde passie: het verzamelen van slang. Of dat voldoende is om een betrouwbaar woordenboek samen te stellen moet nog blijken. Bij het doorbladeren van deze twee turven (totaal 2.190 pagina’s) vroeg ik me meermaals af of Partridge (zijn naam is inmiddels een eponiem geworden) zichzelf zou herkennen in dit woordenboek. Of om het een beetje cru te zeggen: zou de pionier van het Engelse slang zich niet omdraaien in zijn graf?

Toegegeven, het ziet er allemaal erg blits uit. Het is dan ook een duur werk (ongeveer 170 euro) en dat heeft vooral te maken met het overvloedige citatenmateriaal.
De auteurs hebben ervoor gekozen om zich te concentreren op het slang dat gebruikt wordt sinds 1945. Heel wat historisch materiaal is hierdoor weggevallen. Velen zullen dit betreuren maar als compensatie werd een zo breed mogelijk taalgebied bestreken. Het boek heeft ruime aandacht voor het Caraïbische, Australische en Nieuw-Zeelandse slang. Ook Zuid-Afrika is goed vertegenwoordigd. Toch rijsen er heel wat vraagtekens. Van sommige lemma’s kan betwist worden of ze in een slangwoordenboek thuishoren. Wat doen bijvoorbeeld volgende woorden en uitdrukkingen hier:
“Big Brother; blog; Bob’s your uncle (klaar is Kees); the good old days; chat room; chomeur (in Canada: steuntrekker); the Dam (voor de Dam in Amsterdam)”.

Een term als ‘hooligan’ werd geschrapt (in de vorige editie nog goed voor 3 kwart pagina vanwege de etymologie) maar waarom dan wel een alledaagse term als ‘porn’ opnemen?
De ‘clockwork orange’ (niet alleen de titel van een succesrijke film maar ook de benaming voor een homo) moest eveneens het veld ruimen. De term ‘closet queen’ kreeg bij Partridge een aantal regels over een herkomst uit het Canadees. Nu moet dit lemma het stellen met 5 citaten.
'Russian roulette' kennen de bewerkers enkel in de betekenis van LSD. Over de herkomst geen enkel woord!
Om maar te zeggen dat etymologie en betekenisomschrijving er dikwijls bekaaid van af komen in deze editie. Er is echter nog meer aan de hand met het geesteskind van Partridge. 

Tipping the velvet’ is de titel van een succesvol Brits kostuumdrama (gebaseerd op de gelijknamige roman van Sarah Waters) over een lesbische liefde in het Victoriaanse tijdperk. Het is tevens een zeventiende eeuwse Engelse uitdrukking voor tongzoenen (met een vrouw), waarbij ‘velvet’ slaat op de tong.
Volgens ‘The new Partridge Dictionary of Slang and Unconventional English’ slaat deze uitdrukking (sinds 2002?) ook op orale seks. De bewerkers van Partridge geven nog een derde (homoseksuele) betekenis, nl. het likken van de anus.

Wie er ook Cassell’s Dictionary of Slang van Jonathan Green op naslaat, krijgt een veel genuanceerder beeld. Niet alleen is de uitleg bij dit lemma veel uitvoeriger, Green geeft ook nog een preciezere datering.

De oude Partridge sloeg de bal al eens mis bij het dateren van woorden en uitdrukkingen.
Zijn opvolgers maken het zich wel erg makkelijk. Zo krijg je bij de meeste lemma’s een stortvloed van citaten –allemaal erg leuk natuurlijk- maar het eerste voorbeeld is niet noodzakelijk de oudste vindplaats. Soms staat er naast een lemma een jaartal dat de oudste bron suggereert maar een kleine test met andere woordenboeken (de Oxford English Dictionary en nogmaals: Green) brengt andere resultaten aan het licht. Een paar voorbeelden:

  • Crimble (een slangterm voor Kerstmis). Bij Partridge is het oudste citaat er één van 2001. Volgens de Oxford English Dictionary (verder de OD genoemd) dateert de term van ca. 1963. Green vermeldt: jaren ’80.
  • made-up (verrast). Citaat bij Partridge 1999. OD 1956. Green: jaren ’30.
  • minger (iemand die slecht ruikt; onaantrekkelijk persoon). Citaat bij Partridge 2003. OD: 1995. Green: jaren ’90.
  • mullered (dronken). Partridge geeft een vindplaats uit 2000. Volgens de OD 1995. Green: jaren ’90.
  • porky (rhyming slang voor ‘lie’, leugen). Bij Partridge: 1992. OD 1985. Green: jaren ’40.

En zo kunnen we nog even doorgaan.

Het woordenboek van Eric Partridge heeft altijd ruime aandacht besteed aan bijnamen, zowel van plaatsen als van personen. In de laatste editie heerst echter volstrekte willekeur.
Wel opgenomen zijn o.a. Dubya (George W. Bush); the Boss (Bruce Springsteen); Duke (John Wayne); Chiantishire (Toscane); Frisco (San Francisco).
Maar waarom staat Frank Sinatra vermeld onder de bijnamen ‘the General; the Chairman of the Board; the Dago; Old Blue Eyes’ maar niet onder ‘The Voice’?

Dat Margaret Thatcher in de media vaak ‘the Iron Lady’ of simpelweg ‘Maggie’ werd genoemd, komen we hier te weten. Maar geen spoor van haar andere ‘nicknames’ uit de Britse pers: ‘Atilla the Hen; the Grocer’s Daughter; the Milk Snatcher’ en ‘Tina’ (acroniem voor: There’s no alternative).
‘Big O’ wordt wel vermeld als bijnaam van Okinawa (Japan) en Omaha (Nebraska) maar dit is toch in de eerste plaats de toetelnaam van Roy Orbison. Draai je om in je graf, Roy!
Even erg is het ontbreken van volgende bijnamen: ‘the herring pond (17de eeuwse benaming voor de Atlantische Oceaan, ook bij ons: de haringvijver); Beckingham Palace (het huis van het echtpaar Beckham); Wacko Jacko (Michael Jackson); the Gipper (Ronald Reagan); Bambi (Toni Blair); Action Man (prince Charles) enz. enz.

Het werd reeds eerder gezegd: de etymologische uitleg in de nieuwe Partridge is vaak onbevredigend. Of: er wordt geen toelichting gegeven, of: de uitleg is warrig of ontoereikend.
Twee voorbeelden: the Big Easy (New Orleans, Louisiana): geen herkomstverklaring bij Partridge terwijl Green de gebruiker hier interessante dingen te vertellen heeft. Evenzo bij the Big Apple (New York): bij Partridge veel geblaat, weinig wol, terwijl Green nuttige informatie verstrekt.

Ondanks voorgaande kritiek hoeft ‘The new Partridge Dictionary of Slang and Unconventional English’ niet op de brandstapel en moeten de bewerkers ervan niet aan de schandpaal gespietst.
Er staat wel degelijk heel veel in (alleen jammer dat het niet altijd even betrouwbaar is).
Dit boek is in de eerste plaats een hoorn des overvloeds van citaten (uit pers, literatuur, liedjes enz.). Het kost dan ook € 170 en dat is toch geen kattepies.
Uiteraard vind je ook hier dingen die je in geen enkel ander woordenboek vind. Een kleine greep:
‘Minge Whinge’ (theaterslang voor de Vagina Monologen van Eve Ensler)
‘nip and tuck’ (cosmetische chirurgie)
‘Bush is another word for cunt’ (slogan)
‘chick with a dick’ (transseksueel)

En zelfs de ‘dumb blonde’ (niet bij Green en door Partridge gedateerd als 1936. Am.)

Conclusie: wens je een omvangrijk Engels slangwoordenboek met heel veel vindplaatsen en met ruime aandacht voor het Caraïbische, Australische, Nieuw-Zeelandse en Zuid-Afrikaanse slang, dan is deze Partridge het juiste cadeau. Besef dan wel dat het een forse aderlating wordt.
Wil je een ietwat goedkoper en betrouwbaarder slangwoordenboek, koop dan de Cassell Dictionary of Slang’ van Jonathan Green. Een veiligere investering!