In de pers.

Een aantal recensies: 

Uit het Parool, 09/01/1993:

Berenmarkt, gevallen engel, kangoeroes, pisflauw: u begrijpt het al, we staan op de beursvloer. Poenjakken, rode kloten, ezelenblaas, lege koeien: we bevinden ons in de Rotterdamse haven. Chinees nieuwjaar, Lourdesbal: we staan achter de flipperkast. Knaaien, knallen, knoepen, koken: we spelen in een popbandje.

Marc de Coster verzamelde in het 'Woordenboek van jargon en slang' woorden uit achttien verschillende groepstalen, alfabetisch van beursspeculanten tot zendamateurs. Dat leverde een dik boek op van ruim 600 pagina's met in totaal 8.000 lemma's. Die omschrijvingen zijn niet eerlijk verdeeld onder de verschillende groepstalen. Het taalgebruik onder flipperfanaten beslaat slechts 2 pagina's en is daarmee waarschijnlijk uitputtend behandeld. Het jargon van politieagenten en rechercheurs kreeg ruim dertig pagina's toebedeeld maar is natuurlijk bij lange na niet volledig.

Wie naar hiaten op zoek gaat, zal weinig moeite hebben ze te vinden. Om ons even bij de journalistiek te houden, waar is bij voorbeeld de Page Three Girl, het frisse topless meisje dat door het Britse boulevardblad The Sun voor het eerst op 17 november 1970 op pagina 3 werd gezet en inmiddels een instituut in de boulevardpers is geworden.

In zijn voorwoord houdt de auteur vele slagen om de arm. Zo schrijft hij dat het boek vooral geen serieuze toon mocht aanslaan, en het midden moest houden tussen informatie en vermaak. De Coster wilde een essentiele maar beknopte gids maken om het jargon en het slang te ontrafelen. Hij moest kiezen, schrijft hij, want anders zou het boek te dik worden en te duur voor de groep lezers die men juist wilde bereiken. Maar ruimtegebrek kan niet altijd een excuus zijn. Waarom de Page Three Girl buiten het boek houden en bij voorbeeld wel gekozen voor het niet erg gevleugeld geworden 'quotezak', volgens de omschrijving een journalist of een politicus die zijn verslag of toespraak doorspekt met citaten en aanhalingen van andere personen.

Onder jargon verstaat De Coster 'de gespecialiseerde taal verbonden aan een beroep, sport, cultuur, interessegebied, organisatie en voor niet-ingewijden zo goed als onverstaanbaar'. Slang wordt volgens De Coster meestal door spot of scherts gevormd en daarmee wijkt het ook duidelijk af van jargon dat veel minder kleurrijk is. De grens tussen jargon en slang is echter niet scherp afgebakend.

Het grote voorbeeld voor De Coster is het in 1913 verschenen Handboek der Nederlandse Taal waarin dr Jac. van Ginneken aandacht besteedde aan een aantal Nederlandse vakjargons. De Coster, die eerder het Wielerwoordenboek samenstelde, wilde met zijn woordenboek Van Ginnekens werk voortzetten

De betrouwbaarheid van de omschrijvingen is moeilijk te meten. In zijn voorwoord geeft Marc de Coster iets van zijn bronnen prijs. Behalve het lezen van vakliteratuur deed hij ook een beroep op informanten, waaronder een rijkswachter en een Delftse student. Voor wat betreft de prostitutieterminologie dankt hij J. P. Verberen, voor diens 'veldwerk'.

Het jargon van beursspeculanten heb ik voorgelegd aan de economieredactie van deze krant die geen echte uitglijders kon vinden. Wel verbazing over het feit dat een term als 'pisflauw' om de stemming van de beurs aan te geven wel is opgenomen en de veel vaker gebruikte termen 'flauw' en 'vast' ontbreken. Voor een periode van stijgende koersen gebruikt men op de beursvloer de Engelse term bullmarket, en niet de vertaling stierenmarkt.

Ondanks alle beperkingen, die ruiterlijk worden toegegeven, is het woordenboek een leuke graasplaats voor woordfetisjisten. Veel lemma's zijn voorzien van citaten en ook de anekdote wordt niet geschuwd. Aardig is om in het register te kijken welke woorden in meerdere categorieen voorkomen. Aap is populair. In junkietaal waar de uitdrukking 'een aap op je rug hebben' synoniem is met verslaafd zijn. Voor een matroos is een aap een driehoekig zeil, ook wel stormaap genoemd. Militairen betitelen ingeblikt vlees vaak als ingeblikte aap, terwijl studenten het over een leuke/foute aap hebben om een leuk/onsympathiek persoon mee aan te duiden. Een sleuraap is in studententaal een klaploper.

Je kunt ook je eigen lijstjes aanleggen. Welke uitdrukkingen zijn vernoemd naar personen. Uit de voetballerij komt het Beenhakkertje, een Volendamse benaming voor een lange regenjas. Naar CDA-fractieleider Bert de Vries is de Bert-norm genoemd, de begrenzing van de collectieve uitgaven. Een Rittertje, is een verouderde journalistieke term voor een moraliserend artikel in een krant. Genoemd naar de hoofdartikelen in het Utrechts Dagblad van hoofdredacteur P. H. Ritter. In de tv-wereld verbonden twee tv-persoonlijkheden hun uiterlijk aan een begrip. Met de Sprekende Tosti wordt de immer gebronsde Hans van Willigenburg bedoeld, met het Sprekend Kostuum zijn collega Fred Oster. De Coster schrijft de uitdrukking Kanaalzwemmen, het met de afstandsbediening zappen langs tv-zenders, toe aan Het Parool. Dit vleit ons, maar is niet juist. Toen wij met de rubriek Kanaalzwemmen begonnen, ontleenden we de term aan een column van Kees van Kooten. 

Ewoud Sanders in NRC Handelsblad,  24/04/1998:

Marc de Coster: Woordenboek van populaire uitdrukkingen, cliches, kreten en slogans. Sdu/Standaard uitgeverij, 556 blz. Ƒ 79,90

Op het nieuwste woordenboek van Marc de Coster, het zojuist verschenen Woordenboek van populaire uitdrukkingen, cliches, kreten en slogans, valt het nodige aan te merken. Zowel op de keuze van de woorden en uitdrukkingen als op de uitwerking en inrichting van de artikelen. Maar een waslijst van aanmerkingen zou het boek geen recht doen, want het is een aardig en nuttig naslagwerk.

Dat komt in de eerste plaats omdat Marc de Coster een ijverige lexicograaf is. Hij houdt de vakliteratuur goed bij en zijn oren wijd open. Bovendien kan hij vlot schrijven (hoewel soms wat slordig) en selecteert hij de vele bewijsplaatsen met smaak. Dit alles maakt dat hij waardevolle en leuke woordenboeken samenstelt, die niet altijd het succes krijgen dat ze verdienen. Zo had zijn Woordenboek van jargon en slang, dat zes jaar geleden verscheen bij Bert Bakker, zeker een tweede druk verdiend. Maar helaas pindakaas, om eens een uitdrukking uit zijn laatste boek te gebruiken.

In deze pil van ruim 550 bladzijden presenteert De Coster een selectie van informele uitdrukkingen. De nadruk ligt op slanguitdrukkingen, modieuze zegswijzen, Bargoense uitdrukkingen, cliches, kreten (zoals ammehoela) en slogans uit de tweede helft van de twintigste eeuw. Er is ook materiaal uit de zeventiende en achttiende eeuw opgenomen, maar het meeste is afkomstig uit de periode na 1850. Volledigheid heeft hij niet nagestreefd en dat kan ook niet, want probeer bijvoorbeeld maar eens alle Nederlandse cliches bij elkaar te zetten. Overigens is het onderscheid tussen onder andere Bargoens en 'slang' moeilijk te maken. De Coster doet wel een poging maar die overtuigt niet.

Wie dus vooral in dit soort taalkundige scherpslijperij is geinteresseerd, heeft niet zo veel aan dit boek. Maar voor alle andere liefhebbers van taal is het een goudmijn. Op elke bladzijde staan verrassende en kleurrijke woorden en uitdrukkingen. De meeste zult u tevergeefs in gewone woordenboeken zoeken. De toelichtingen zijn soms summier, maar regelmatig kom je ook te weten wat de herkomst van een uitdrukking is, en waar, sinds wanneer en door wie een en ander wordt gebruikt. Ook geeft De Coster regelmatig buitenlandse tegenhangers. Zo vermeldt hij bij aju paraplu onder andere see you later alligator, a toute a l'heur, voltigeur en a bientot, mon oiseau.

Jammer vind ik dat De Coster zich heeft laten infecteren door het lexico- grafenjargon. Terwijl de standaardwoordenboeken hier steeds meer op terugkomen, gebruikt hij afkortingen en taalkundige termen als pejoratief, 'metonymia' en affirmatief. De Coster heeft dat helemaal niet nodig. Hij heeft een indrukwekkende klus geklaard en een prachtige verzameling aangelegd.

Uit het Financieele Dagblad, 05/06/1998:

Een heel ander soort Nederlands is te vinden in het Woordenboek van populaire uitdrukkingen, cliches, kreten en slogans, een kostelijk boek dat het resultaat is van vele jaren nijver speurwerk door Marc De Coster. Hier is geen plaats voor starre normen en officiele regels, maar krijgen we een levendige kijk op de achterkant van het Nederlands, de taal van de straat, de reclame en allerlei subculturen. Veel van deze kleurrijke, plastische uitdrukkingen werden tot voor kort door woordenboekensamenstellers geweerd, omdat ze te plat en te onfatsoenlijk werden geacht.

Hoewel het hier in eerste instantie om spreektaal gaat, heeft De Coster zich bij zijn onderzoek zoveel mogelijk gebaseerd op geschreven bronnen. Ettelijke stapels romans, dichtwerken, liedjesteksten, reclameblaadjes, stripverhalen en wat dies meer zij heeft hij doorgenomen. Deze noeste arbeid is terug te vinden in de lemma's, waarin iedere uitdrukking niet alleen uitvoerig wordt verklaard maar ook met tal van voorbeelden wordt geillustreerd.

Behalve de talrijke verwijzingen bevat het boek ook een uitvoerig register, waarin de uitdrukkingen naar diverse criteria zijn gerangschikt. Er worden zo'n tweehonderd betekeniscomplexen onderscheiden. Vooral dronkenschap, geslachtsgemeenschap en plassen en poepen blijken belangrijke inspiratiebronnen die tot opmerkelijke resultaten kunnen leiden.

Er is ook een uitsplitsing gemaakt naar veertig groepen gebruikers, waarbij vooral jongeren, soldaten, studenten en sporters hoog scoren. De managers zijn volgens het register slechts vertegenwoordigd met een uitdrukking: een aantal ballen tegelijk in de lucht houden. Daar dient volgens De Costers eigen boek in elk geval aan te worden toegevoegd: een aap op zijn rug hebben. Op pagina 19 staat dat deze aan Amerikaanse druggebruikers ontleende uitdrukking tegenwoordig ook wordt gebruikt in het bedrijfsleven als synoniem voor de zwartepiet die men iemand kan toespelen.

Uit het Parool, 23/02/1999: 

VEEL woorden zijn zo gewoon geworden dat je ze niet meer herkent als nieuwvormingen. Marc De Coster rekent in zijn onlangs uitgekomen Woordenboek van neologismen ook gelijkmaker, doelsaldo en gekte tot de taalaanwinsten van de laatste vijfentwintig jaar. Gekte werd begin jaren tachtig door Wim T. Schippers gemunt.

Soms krijgt een al bestaand woord een nieuwe betekenis, zoals verbouwen (vernielen of aftuigen) en achtertuin (Afghanistan als de achtertuin van Rusland). Soms is er een koppeling van al twee bestaande woorden, zoals bij klapschaats.

Aan het vrolijke weekblad Donald Duck hebben we ook de nodige taalaanwinsten te danken. Dagobert Duck als aanduiding voor een rijk persoon, maar ook Verweggistan (ook wel Verweggie) als aanduiding voor een denkbeeldig, verafgelegen land is aan de strips van Donald Duck ontleend. Brak eind jaren zestig, begin zeventig jaren door in onze taal. Het topografisch verwante woord Absurdistan is van recenter datum. Na de vlucht van Dutroux sprak de Belgische oud-premier Mark Eyskens over Belgie als 'Absurdistan'. Martin van Amerongen bezigde graag de uitdrukking 'bezuiden de grenspaal Wuustwezel' als ironische aanduiding van iets ver verwijderds. De wat snellere jongens van Nieuwe Revu hebben het liever over Schubbekutteveen als ze een achterlijk gehucht willen aanduiden.

De wielerwereld is een bron waaraan Mart Smeets en Jean Nelissen zich dankbaar laafden. Het was vooral door hun tv-verslagen van de Tour en de wielerklassiekers dat in onze huiskamers wielertermen van Vlaamse origine vertrouwd in de oren gingen klinken: een kwak uitdelen (tijdens de sprint), afzien, goesting, meute (peloton), verdapperen (opvoeren van tempo) en dokkeren (over de kasseien rijden).

Veel van de door De Coster verzamelde nieuwvormingen hebben zich stevig in de taal genesteld en werden al door woordenboekredacties als echte kinderen aangenomen. Dat realiseert De Coster zich ook en hij rechtvaardigt zijn uitgave door als meerwaarde informatie over de herkomst van de woorden, citaten en encyclopedische kennis op te nemen. Bij bobo (afkorting van bondsbons) lezen we dat weliswaar Ruud Gullit deze term populair maakte na het behalen van de Europese titel, maar dat sportjournalist Joop Niezen het woord al tien jaar eerder in Voetbal International gebruikte. Bij Chippendale staat dat deze strippers naar de Disney-eekhoorntjes Chip and Dale (bij ons Knabbel en Babbel) zijn genoemd: 'Het fenomeen werd in 1979 uitgevonden door de Amerikaan Steve Banjeree, die een oude, verwaarloosde discotheek omtoverde in 'Disneyland for Women'.'

Vooral ont-, ver- en op- zijn vruchtbare voorvoegsels voor neologismen. De Coster geeft onder meer als voorbeelden: onthaasting, ontkokeren, ontlezing, ontschotting (het slechten van ambtelijke barrieres), verkokering, verpaarsing, opplussen (bijrekenen), ophypen, opluxen en opleuken. De laatste term zou zijn bedacht door copywriter Eugene Roorda en maakte opgang in de kolommen van de Haagse Post: 'Een niet zo gelukt interview kun je nog opleuken, dat kan bij televisie niet.' Naast opleuken heb je ook ontleuken. Opkankeren is wel, maar oplullen is weer niet opgenomen, terwijl we een van de voetballende Boertjes toch echt 'lul op' in het NOS-journaal hoorden zeggen. Misschien vond De Coster het te particulier, maar dat geldt wel voor meer woorden in het woordenboek. Opzoomeren verwijst naar de opknapbeurt in de Rotterdamse Opzoomerstraat en werd een paar keer als werkwoord in de media gebruikt, maar het is twijfelachtig dat het zal beklijven.

Nog nooit van gehoord, maar wel beeldend, is boemauto (naar het Engelse boomcar): een auto met een ingebouwde zeer krachtige geluidsinstallatie. Elsevier schreef in 1996: 'Boemauto's zijn zelfvoorzienende gettoblasters waar je in kunt zitten.'

Woordenboek van neologismen, 25 jaar taalaanwinsten, door Marc De Coster, uitgeverij Contact

Uit Trouw, 06/03/1999: 

Voor zijn 'Woordenboek van neologismen' (kloek, gebonden en dus prijzig) selecteerde Marc De Coster zo'n 2000 woorden en uitdrukkingen die sinds ongeveer 1975 het Nederlands zo niet verrijkt dan toch vermeerderd hebben: van afwerkplek tot wurgcontract en van achteruitkachelen tot Zaans verhoren.

Veel ervan is al in andere woordenboeken geregistreerd, maar die bieden niet wat De Coster de liefhebber voorschotelt: veel citaten uit boeken, kranten en tijdschriften, inlichtingen over de woordgeschiedenis (waarom is El Nino genoemd naar het kindeke Jezus?) en encyclopedische informatie.

Eendagsvliegen waren niet welkom; een woord moest twee jaar gangbaar zijn geweest om De Coster te kunnen vermurwen. Daardoor is - om maar wat neologismen van enkele jaren geleden te noemen - dooswoning, mesthuwelijk, schnabbelprof en helaas ook zaplezen de toegang ontzegd.

Een enkele keer lijkt De Coster zich in de ouderdom van een woord te vergissen. Pokke(n)herrie herinner ik me uit de jaren vijftig. Wika (werker in kerkelijke arbeid) is nog ouder - en inmiddels verouderd. Maar dat zijn kleinigheden.

Eindoordeel: een leerzaam, leesbaar en onderhoudend overzicht, dat - met onder andere emotietelevisie, erectiepil, flapchirurgie, flexwerk, meemoeder, onthaasten en stadsnomade - treffend illustreert hoe de beschaving voortschrijdt. Ook te waarderen valt dat het veel citaten uit Trouw bevat.

Marc De Coster: Woordenboek van neologismen. Contact, Amsterdam/Antwerpen; geb., 726 blz. - ƒ 95.

Uit NRC Handelsblad, 26/03/1999: 

De belangstelling voor nieuwe woorden in onze taal dateert van het eind van de negentiende eeuw, maar pas sinds 1957 wordt er serieus werk van gemaakt. Toen begon de redactie van de Winkler Prins met het bijhouden van nieuwe woorden, die om de zoveel tijd werden afgedrukt in de jaarboeken van deze gezaghebbende encyclopedie. Pas in 1970 verscheen het eerste zelfstandige neologismenwoordenboekje, spoedig gevolgd door andere. In Nederland was vooral Riemer Reinsma op dit terrein actief, in Vlaanderen Maarten van Nierop. Vanaf het eind van de jaren tachtig volgde een tweede golf, met boeken en boekjes van onder meer Frank Jansen, Hubert Roza, Jan Kuitenbrouwer, P.G.J. van Sterkenburg en Frans van Lier.

Hoe verzamel je nieuwe woorden? Door goed te luisteren en vooral door veel te lezen, ook in bronnen waar sommigen de neus voor ophalen, zoals jeugdbladen, streekkranten en reclamefolders. Onder taalkundigen is de laatste jaren veel te doen geweest over de vraag hoeveel nieuwe woorden het Nederlands er nu jaarlijks bij krijgt. Volgens sommigen zijn dat er zo'n driehonderd, anderen houden het op vijftienduizend. Zeker is dat de manier waarop een en ander wordt gecontroleerd het afgelopen decennium ingrijpend is gewijzigd. Vroeger greep men ter controle naar een woordenboek, meestal naar de Grote Van Dale. Stond het daar niet in, dan moest het wel een nieuw woord wezen (waarmee Van Dale trouwens erg werd overschat, maar dit terzijde). Tegenwoordig kun je het geboortejaar van een nieuw woord gemakkelijk nazoeken in gigantische digitale krantenbestanden en op Internet. Voor neologismenjagers zijn de uitkomsten vaak onthutsend: het grootste deel van hun verzameling blijkt veel ouder te zijn dan ze hadden gedacht.

De ijverigste Vlaamse verzamelaar van nieuwe taal is Marc De Coster. De afgelopen jaren heeft hij in hoog tempo verscheidene forse woordenboeken samengesteld. Zo verscheen nog geen jaar geleden zijn Woordenboek van populaire uitdrukkingen, cliches, kreten en slogans van ruim 550 pagina's. Het zojuist verschenen Woordenboek van neologismen telt 726 pagina's. Het heeft precies het formaat van een deel Van Dale en is daarmee het dikste neologismenwoordenboek dat ooit in het Nederlandse taalgebied is verschenen.

Staat er dan zo allemachtig veel in? Dat valt wel mee. De Coster vermeldt tweeduizend woorden, uitdrukkingen en nieuwe betekenissen uit grofweg de afgelopen dertig jaar. Aangezien de aanwas van onze taal in die periode veel en veel groter was, moest hij streng selecteren. In de inleiding schrijft De Coster dat hij eendagsvliegen, nonsenswoorden en technische woorden heeft geschrapt. Om voor opname in aanmerking te komen moest een woord meer dan een keer over een langere periode voorkomen. Informeel taalgebruik kreeg voorrang, net als woorden die de afgelopen jaren hun plaats in onze taal hebben bewezen. Dat klinkt allemaal aannemelijk maar bladerend in het boek wordt al snel duidelijk dat De Coster hier vooral zijn persoonlijke verzameling neologismen presenteert, waarbij sterk de nadruk ligt op de nieuwe taal van de afgelopen vijf a tien jaar.

De kracht van dit boek is dat De Coster veel leest, dat hij zijn oren goed openhoudt en dat hij een scherpe neus heeft voor nieuwe taalontwikkelingen. Het is mooi dat hij woorden en uitdrukkingen vastlegt als 'te gek bezig zijn', 'opleuken', 'ijskonijn', 'best wel', 'bekreunen' en 'het wel kunnen schudden' (dan wel 'je kunt het wel shaken'). Leuk is ook dat hij vaak encyclopedische en etymologische informatie geeft. Bij 'afzien', dat wil zeggen 'lijden, zwaar ploeteren' staat bijvoorbeeld dat dit woord via de Vlaamse wielertaal in het Noord-Nederlands terecht is gekomen. Het zou ook door Van Agt zijn verbreid, die vond dat politici net als renners moesten kunnen afzien. Volgens De Coster zijn de laatste jaren overigens opmerkelijk veel Vlaamse woorden tot het Noord-Nederlands doorgedrongen. Hij noemt onder meer nog 'fietseling', 'gesco' 'onthaalmoeder' 'praatbarak' en 'witte woede.

Het boek heeft ook zwakke kanten. De Coster is erg scheutig met bewijsplaatsen, dat wil zeggen met citaten uit kranten, boeken en tijdschriften. Bewijsplaatsen kunnen nuttig zijn om te laten zien hoe een woord wordt gebruikt, welke verbindingen het aangaat, in welke sfeer of context het wordt gebruikt, enzovoorts. Maar bij de ingang funshoppen/ funshopping telt de toelichting van De Coster slechts drie regels; daarna volgen maar liefst acht citaten die gezamenlijk vijftig regels in beslag nemen zonder dat ze echt veel toevoegen. Daarna volgt bovendien nog het lemma funshopper, andermaal met een flink citaat. Het is mooi dat De Coster al die citaten bij elkaar heeft gesprokkeld, maar hij hoeft ze ons niet allemaal te laten zien. Het boek zou aan kracht hebben gewonnen als hij een en ander voor ons zou interpreteren en samenvatten. Zo is het ook helemaal niet nodig vele pagina's te vullen met samenstellingen met bijvoorbeeld computer- of met vaste verbindingen met electronic, elektronisch en elektronische.

Het vreet ruimte, al die bewijsplaatsen, ruimte die beter had kunnen worden gebruikt om allerlei gaten te dichten, want het kost helemaal geen moeite om honderden woorden en uitdrukkingen te noemen die ontbreken. Ik vind de ondertitel '25 jaar taalaanwinsten' dan ook niet gelukkig, want daarvoor is de selectie te willekeurig. Dat neemt niet weg dat dit boek prachtig materiaal bevat. De Costers definities zijn niet altijd even scherp, maar hij heeft een goede smaak, een vlotte pen en zijn encyclopedische informatie is vaak erg leuk.

Marc De Coster: Woordenboek van neologismen. Contact, 726 blz. Ƒ95,-
 

Uit het Algemeen Dagblad, 31/12/2001:

'Cafebrand' op twee, 'nieuwjaarsbrand' op vier, 'rampcafe' op zes en 'nieuwjaarsramp' op zeven: ook uit de top-tien van nieuwe Nederlandse woorden blijkt de impact van de brand in Volendam.

Alleen de veeziekte mond- en klauwzeer scoort nog beter, want 'MKZ-crisis' was het meestgebruikte nieuwe woord in 2001. De terreuraanslagen in de Verenigde Staten en de oorlog in Afghanistan waren te laat voor een prominente plek op de ranglijst. Alleen 'WTC-ramp' eindigde op de tiende plaats.

Een beeld krijgen van de nieuwe woorden die in een jaar in een samenleving opduiken, is nog een hele operatie, legt Ton den Boon uit, samensteller van het boekje Taal van het jaar een en hoofdredacteur van de Grote Van Dale: Maak een lijst van alle woorden die het afgelopen jaar in de belangrijkste dagbladen zijn voorgekomen. Trek daar alle woorden vanaf die al in de Van Dale staan, inclusief hun meervouds- en verkleiningsvormen en vervoegingen en verminder dat aantal nog eens met de woorden die voor 31 december 2000 al in een krant opdoken.

Zo'n selectie levert een bloemlezing op van het grote nieuws van 2001. Na de 'precisieterreur' op doelen in de VS waarvan 'superterrorist' Bin Laden wordt verdacht, kwam de 'poederpost' (brieven met antrax). Een gebied kon 'MKZ-gevoelig' zijn of 'MKZ-vrij' en in hamburgers en frikadellen zit soms 'spuitvlees' (de laatste restjes vlees die met hogedrukspuiten van de runderkarkassen worden gespoten).

Ook kleiner nieuws leverde mooie woorden op: Zo praatte men in Nederland ineens over een 'flitsscheiding' (scheiding die in een dag kan zijn geregeld), 'vluchttrombose' (trombose die zou ontstaan door langdurig gebrek aan lichaamsbeweging tijdens lange vluchten), een 'pedokiller' (familielid van slachtoffer van kindermisbruik dat zich wreekt op de dader), een 'troeteljunk' (Herman Brood) en een 'sms-bommetje' (methode van de politie om het stelen van gsm's te ontmoedigen). Of deze woorden ooit de Grote Van Dale zullen halen, zal de tijd uitwijzen.

'Liquidatiepolitiek', het 2001-woord voor het beleid van Israel om tegenstanders uit te schakelen die zelfmoordaanslagen organiseren of uitvoeren, zal in elk geval nooit in het Woordenboek van eufemismen en politiek correct taalgebruik worden opgenomen. De omschrijving ervan door Shimon Peres, Israels minister van Buitenlandse Zaken, maakt wel een goede kans. Wat Israel doet, is 'actieve verdediging' of 'onderschepping', vindt Peres immers. Dat zal Marc de Coster, die een unieke collectie van alle mogelijke vormen van verhullend en verzachtend taalgebruik samenstelde, als bekend in de oren hebben geklonken.

De Coster's boek is een ware thermometer van de taboes in de samenleving. Vooral voor dood, drank, seks, ontslag, homoseksualiteit en menstruatie heeft hij de prachtigste verbloemingen gevonden.

Dat het gebruik van eufemismen en politiek correct taalgebruik ook erg ingewikkeld kan worden blijkt al meteen uit het eerste woord. Als iemand het in een gesprek heeft over 'het a-woord' moet je als toehoorder wel uit de context halen of het nu over aids, armoede, allochtonen of alzheimer gaat. Het woord 'anders' gebruiken blijkt altijd goed te zijn. De Coster kwam in publicaties niet alleen de 'anders-actieve' (werkloze) tegen, maar ook de 'andersbegaafde' (verstandelijk gehandicapte), de 'andersmaatschappelijke' (heeft moeite zich te handhaven), de 'anderstalige' (migrant), de 'andersgeaarde' (homoseksueel) en de 'andersvalide' (lichamelijk gehandicapt).

Marc de Coster: Woordenboek van eufemismen en politiek correct taalgebruik. L.J. Veen, 480 blz, euro36,26. ISBN 9789020420449.

Uit het Parool, 28/02/2002:

Dat we nog niet in ons laatste eufemisme zijn gestikt, bewees de RTL Nieuws-uitzending van eergisteren. Daarin werd aandacht besteed aan de rechtszaak tegen vier inwoners uit Tilburg die een Somalier zwaar hadden mishandeld en nadat hij zijn huis was ingevlucht, daar brand hadden gesticht, waarbij de geestelijk gehandicapte man om het leven was gekomen. In de rechtszaak werd gesproken over een ultieme vlucht.

Gewapend met het door Marc de Coster samengestelde Woordenboek van eufemismen en poltiek correct taalgebruik kunnen we ook een duit in het zakje doen op het terrein van mildspraak, zoals De Coster het zelf noemt. Hij verzamelde er zo'n tweeduizend, van de zestiende tot het einde van de vorige eeuw.

In de wereld van de rechtspraak is het behelpen met eufemismen. De juridische termen verhullen blijkbaar al genoeg. Voor een rijke oogst aan taaldempers moet je zijn bij politici (politiek correct), ambtenaren en militairen. Termen als zacht doelwit (Navo-jargon voor vijandelijke troepen, soldaten, maar ook: mensen) en collateral damage (bijkomende schade, een militair eufemisme voor burgerslachtoffers tijdens een bombardement). Het is van alle tijden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was bepoeieren luchtvaartslang voor het beschieten van de vijand. De Coster geeft ter illustratie een citaat uit het boek Cis de Man van Piet Bakker: 'Een jofel bunkertje, zeggen ze tevreden. Zal-ie effe fijn weze om door dat gaatje die moffe te bepoeiere?'

Elk lemma krijgt een of meer citaten, wat het woordenboek zeer leesbaar maakt. Bovendien vermeldt De Coster vaak ook de ontstaansgeschiedenis van een eufemisme. Zo komen we te weten dat Henk van der Meyden de vader is van het begrip liefdesbaby en dat Koot & Bie de uitdrukking maatje pink (klein geschapen, om een ander eufemisme te gebruiken) populair maakten. Het is te horen op hun elpee Hengstenbal uit 1977. Nog in hetzelfde jaar werd de term opgenomen in de Geillustreerde Encyclopedie van de Sexualiteit, met als synoniem antiek hangertje (ook een allusie op impotentie).

Het seksuele taboe is altijd een rijke bron voor eufemismen geweest, niet alleen in de preutse negentiende eeuw. We gebruiken ze nog steeds, maar nu meestal schertsenderwijs. Het aantal eufemismen voor menstruatie, masturberen en geslachtsgemeenschap is zeer uitgebreid, zo is met een oogopslag te zien aan de stijllabels die De Coster achterin zijn boek heeft opgenomen. In de regio Nijmegen schijnt voor menstruatie de uitdrukking 'gerommel in het kippenhok' in zwang te zijn. Voor 'de hand aan zichzelf slaan' zijn talrijke alternatieven beschikbaar: de handkar duwen, voorhuidjogging, roeiepoetsen, en voor degenen wie de blinde kaart van Groningen nog wat zegt: Hoogezand-Sappemeer gaan. Hompiekurken is een uit de negentiende eeuw stammende uitdrukking voor neuken. Het is een rijk terrein, met exoten als van piepjanknor gaan en bezemen. Een historische is het beest met de twee ruggen, al in de zestiende eeuw gebruikt.

Volgens De Coster zijn negentiende-eeuwse begraafplaatsen grote schatplaatsen van eufemismen en zit ook de makelaardij niet verlegen om eufemismen. Deze beroepsgroep doet graag aan upgrading: geschakelde woning in plaats van rijtjeshuis en onderhoudsvrije tuin voor een plaatsje dat volgestampt is met grindtegels.

Geheel in stijl draagt Marc de Coster zijn boek op aan zijn vriend Freek Dumarais, 'die geheel onverwacht en vroegtijdig groot verlof heeft genomen'.

Marc De Coster: Woordenboek van eufemismen en politiek correct taalgebruik. Het Taalfonds, Veen Euro 36,26

 

Uit het Friesch dagblad, 06/03/2002:

Iedereen maakt zich schuldig aan verhullend taalgebruik, aan spreken met meel in de mond. Vooral als we mensen niet voor het hoofd willen stoten, als we het hebben over gevaarlijke ziektes of als we niet als racist willen worden betiteld.

We gebruiken dagelijks eufemismen. Marc de Coster heeft ze op een rijtje gezet in een geweldig naslagwerk van 480 pagina’s, waarin het goed en langdurig toeven is.

Waarom hebben we het over een ,,individuele beleving van de werkelijkheid’’ als we bedoelen dat we iemand getikt (ook al een eufemisme voor ‘een gek’) vinden? De Vlaamse schrijver Marc de Coster geeft antwoord op deze vraag in zijn nieuwste werk Woordenboek van eufemismen en politiek correct taalgebruik. Meer dan 2000 heeft hij er verzameld.

De Coster is een kenner van woorden. Hij schreef eerder een woordenboek van jargon en slang , een wielerwoordenboek, een woordenboek van populaire uitdrukkingen, clichés, kreten en slogans en een woordenboek van neologismen. Zijn nieuwste werk geeft een onthullend beeld van de moderne maatschappij.

Jaren geleden werd een Amerikaanse hoogleraar aangeklaagd omdat hij in het openbaar het woord neger had gebruikt. Dat mag niet in de Verenigde Staten, want dan discrimineer je, vond de politiek-correcte bevolking van het universitaire wereldje.

Er was in het begin van de jaren negentig een beweging ontstaan die zich de politically correct-movement noemde. Ze had zich tot doel gesteld kwetsende, racistische woorden en woorden met een ongunstige betekenis uit te bannen en ze te vervangen door meer neutrale uitdrukkingen.

De doordrammerij van de Amerikaanse linkse elite had vreselijke gevolgen voor de taal. De meest verschrikkelijke uitdrukkingen werden gewrocht. Een neger werd Afro-Amerikaan of zonpersoon ( sunperson ). Iemand met een blanke huidskleur moest worden aangeduid met het onvertaalbare genetically oppressive. Een arme moest plotseling een ‘economisch uitgebuite’ worden genoemd, een verstandelijk gehandicapte een ‘mentaal uitgedaagde’.

Er werd kortom veel energie verspild aan het verzinnen van nieuwe namen die beter had kunnen worden gebruikt voor het verbeteren van de omstandigheden van armen en verstandelijk gehandicapten.

De Coster toont fijntjes aan dat we in Nederland en Vlaanderen maar beter niet kunnen gniffelen om de Amerikaanse praktijk. Wij kunnen er ook wat van, en bij ons is de politieke correctheid niet beperkt gebleven tot de academische wereld. De hele samenleving is ervan doordesemd, maar de fluwelen mondelinge handschoen komt het meest voor in de zorgsector en de politiek.

In de zorgsector gebruiken we eufemismen om een bepaalde gêne van ons af te zetten. In plaats van de ziekte kanker bij zijn naam te noemen, gebruiken we liever k of, in rouwadvertenties, de uitdrukking ‘slepende ziekte’. Mongolisme wordt het Downsyndroom, suïcide het eufemisme voor zelfdoding, dat ook al een zachte uitdrukking is voor zelfmoord.

Politici gebruiken eufemismen om onaangename mededelingen te vermommen. Je moet als bestuurder als het even kan het woord bezuinigen niet in de mond nemen. Je kunt het beter hebben over een ‘beleidsombuiging’, een ‘heroriëntatie’ of een ‘neerwaartse bijstelling’. Maar ook op andere terreinen hebben politici de taal vervuild met een schier onuitputtelijke lijst verhullende uitdrukkingen: grenshospitium (grensgevangenis voor asielzoekers), anders actieven (uitkeringstrekkers), arbeidsreserve (werklozen) en sociaal-gedepriveerden (asociale gezinnen). Allemaal nieuwe woorden, ontstaan omdat je in de politiek niemand voor het hoofd moet stoten als je carrière wilt maken of als je wilt voorkomen dat belastingbetalers in opstand komen.

Uit het boek van De Coster blijkt dat eufemismen ook veelvuldig voorkomen als vervanger voor ‘vieze woorden’ (eufemistische uitdrukking voor woorden die te maken hebben met seks, geslachtsdelen of lichamelijke afscheidingen). De schrijver heeft een interessante verzameling aangelegd, waarvan ik hier enkele citeer: andersgeaarden, van de verkeerde kant, van het handje (homoseksuelen); jongeheer (mannelijk geslachtsdeel); doos (vrouwelijk geslachtsdeel); avontuurtje, slippertje, uitstapje (overspel); handen wassen (naar het toilet gaan).

Eufemismen zijn volgens De Coster niet altijd vormen van schijnheiligheid of oneerlijkheid. Verbloemingen kunnen soms erg praktisch zijn. Vandaar dat ze zo veelvuldig voorkomen, in iedere taal. Wetenschappers hebben gesteld dat een taal zonder eufemismen een gebrekkig communicatiemiddel zou zijn. ,,Sommige mensen hebben er nu eenmaal behoefte aan om een blinddoek te worden voorgehouden. Ze willen de harde waarheid liever niet onder ogen zien.’’

Het woordenboek van eufemismen en politiek correct taalgebruik is een geweldig boek om urenlang met stijgende verbazing in te bladeren. Op alfabetische volgorde gniffelen om preutsheid, uitvluchten en misleiding, een geweldige ervaring.

Woordenboek van eufemismen en politiek correct taalgebruik.  Marc de Coster. Uitgeverij L.J. Veen/ Het Taalfonds, Amsterdam/Antwerpen, 36,26 euro.

Uit het Nieuwsblad, 05/01/2002:

Tienenaar Marc De Coster draait niet rond de pot. Woordenboek van 480 bladzijden vol eufemismen.

Spreken met fluwelen handschoenen, een honingzoete mond die een hoogoplopende ruzie verzacht tot een woordenwisseling. Of een bordeelhoudster een verhuurster van ramen noemen: het zijn allemaal rare omschrijvingen of eufemismen, verzameld door Tienenaar Marc De Coster in een lijvig woordenboek van 480 bladzijden en genoteerd uit een honderdtal werken, veelal kranten en tijdschriften.

Ambtenaar Marc De Coster houdt van fantasietjes en begint de toelichting van zijn woordenboek met een eufemisme: ,,Ik draai nooit rond de pot.'' Vanwaar eufemismen komen? ,,Ze hebben altijd bestaan,'' weet De Coster. ,,Al in de Oudheid gebruikte men verzachtende omschrijvingen voor mededeling van iets onaangenaams of onaantrekkelijks. Mensen houden van verschonende, verbloemende taal. Onze politici zijn bovendien sterk in het gebruik van onduidelijke taal. Zo maken ze van ,,bezuiniging'' een ,,beleidsombuiging''. Of dat taalkundig allemaal correct is, weet ik niet, maar anderzijds betekenen eufemismen een verrijking van onze taal en gaan ze tot onze cultuur behoren.''Eufemismen getuigen niet steeds van goede smaak. De Coster noemt ze in vele gevallen ,,de moordenaars van de waarheid''. ,,Ze zitten dikwijls vol schijnheiligheden. Eufemismen moeten taboes doorbreken. Ook in de religie en in zoveel andere aspecten van ons leven.'' In vakbondskringen klinken ,,werkonderbreking'' en ,,banen schrappen'' een stuk zachter dan ,,staking'' en ,,afdanken''. Sancties tegen Afghanistan? Vergeet het. De militairen namen ,,maatregelen'' -- zo stond in de krant -- om te verhullen dat ze hard van stapel liepen met het gooien van bommen. Bin Laden is niet helemaal een terrorist, maar zeker een opstandeling.

Schaamlap

Wat te zeggen van een kuisvrouw, die zich liever aangesproken hoort als interieurverzorgster of zelfs als ,,cleaning lady''? Meteen zit De Coster op het spoor van de zo gemakkelijke verengelsing van onze Nederlandse taal. Bij elk woord of uitdrukking vermeldt hij de oorsprong. Vanwaar komt de schaamlap? De wereld van de eufemismen -- en meteen ook De Costers boek -- staat bol van seksuele uitlatingen. Sommige woorden of uitdrukkingen erin vermeld, durven we ternauwernood resoluut zeggen, uit schaamte, maar de nacht met iemand doorbrengen of het spel spelen van de bloempjes en de bijtjes klinkt poëtisch genoeg om niemand ermee voor het hoofd te stoten. Indirecte woordspelingen overwinnen volgens De Coster vaak veel preutsheid. Hij benadrukt dat verkleinwoorden vaak een banaliserende betekenis geven aan een gebeuren. Denk maar aan het ,,slippertje'' en in het verpleegstersjargon het ,,misje''. ,,Van dat laatste krijgen de vrouwen slappe knieën'', besluit De Coster geheimzinnig.

Van hem verschenen eerder het Woordenboek van neologismen en dat van Populaire uitdrukkingen, clichés, kreten en slogans . De Coster werkt momenteel aan een verzameling van taalgebruiken door jongeren.

Woordenboek van eufemismen is uitgegeven door LJ Veen in Amsterdam. Het ligt in de boekhandel en kost 36,26 euro.