Wielerjargon

 

Wat volgt is een niet uitputtende lijst van wielerterminologie. 

Aangaan,
beginnen te sprinten, demarreren. Gallicisme. Naar het Franse 's'en aller'. In Vlaanderen behorende tot het gewone taalgebruik (weggaan, vertrekken), in Nederland vakjargon.

Aanhaken,

zich voegen bij; aansluiten. 

Aanklampen, 

in de nabijheid proberen te komen van een andere renner of van een groep renners; proberen de voorgaande renner(s) bij te houden.    

Aankomstrechter,

functionaris die moet uitmaken wie de winnaar is. Hij wordt bijgestaan door medejuryleden.

Aantrekken: de spurt aantrekken,

plotseling de snelheid verhogen. Een renner die de sprint voor een andere renner dient aan te trekken moet deze laatste meenemen in de 'abri' waardoor hij (de kopman) zich aan zijn voorrijder kan optrekken.  

Aanval: in de aanval gaan,

demarreren. 'Jef Somers was vroeg in de aanval gegaan.'   

Aanzetten,

het tempo plotseling verhogen met de bedoeling een sprint of demarrage te beginnen.

Abri,

Franse term voor beschutting tegen de wind achter een auto, motor of renner. Hierdoor vermindert de luchtweerstand en kan de renner zijn energie sparen. 

Accordeon,

metafoor voor het voortdurend in en uit elkaar schuiven van het peloton (op de wijze van een accordeon). De term wordt vooral gebruikt wanneer de renners in kleine groepjes rijden. Tijdens de Tour in 1985 kon men kreten van verontwaardiging horen toen Bernard Hinault, de toenmalige drager van de gele trui, een stukje accordeonmuziek opvoerde met Luis Herrera. Men spreekt ook van een accordeonkoers (Frans: course à l'accordéon) en van een accordeonactie. Renners gebruiken ook uitdrukkingen zoals 'op elastiek rijden' en 'jojo-en'.  

Achtervolging,

baanwedstrijd waarbij de renners op gelijke afstand van liggende punten van de baan starten en elkaar trachten in te halen. De stand wordt aangegeven met lampen. Ook wel: inhaalwedstrijd. 

Achterwiel: zijn achterwiel laten zien,

wegsprinten; zich losrukken van zijn tegenstanders. 

Acrobatenrondje,

veldritparcours met veel bochten en hindernissen.    

Adelaar,

zeer goed klimmer. Ook wel 'berggeit' genoemd. De 'Adelaar van Toledo' is de bijnaam van de Spaanse renner Federico Bahamontes. In de Tour de France won hij zesmaal het bergklassement. De 'Adelaar uit de Andes' is de bijnaam van Luis Herrera. De Nederlander Harm Ottenbros noemde men de 'Adelaar van Hoogerheide'.

Aërodynamisch,

gestroomlijnd. Betreft koersmateriaal (bril, helm), dat volgens sommige deskundigen de renner in staat stelt om hogere snelheden te halen vanwege de verminderde luchtweerstand. Delgado was een der eerste renners met een aërodynamische bril.  

Aerospokewiel,

wiel dat speciaal ontwikkeld is voor de wielersport en de triatlon door de Amerikaan Ed Giroux. De spaken zijn gevormd naar het model van een vliegtuigvleugel en het wiel is bijzonder smal. Hierdoor wordt het probleem van de luchtweerstand tot het minimum gereduceerd. De zijwind krijgt er geen greep op, omdat het wiel op de klassieke manier open is. Het probleem van de rolweerstand werd opgelost door velg en spaken uit één stuk te gieten, uit een zeer sterke kunststof.  Tijdens het rijden kan het wiel dus niet van vorm veranderen, het blijft rond. Proefritten in de VS wezen uit dat met Aerospokewielen tijdwinsten van twee minuten kunnen worden geboekt. 

Afbranden: een renner van de rol afbranden,

(bij stayerswedstrijden) naast een renner rijden zodat deze gehinderd wordt door de uitlaatwarmte van de ouderwetse stayersmotor. Het haar wordt als het ware van zijn benen gebrand.

Afgaan,

Vlaamse term voor het leeglopen van een fietsband. Een 'afloper' is een langzaam leeglopende band. De term komt voor bij Tim Krabbé (43 Wielerverhalen. 1984). 

Afperen, afpieren, afrotten, 

het tempo niet meer kunnen bijhouden; moeten lossen. In het Franse argot: 'passer par la fenêtre'. 

Afrijden: een andere renner er afrijden,

hem doen lossen. 

Afstand: met afstand,

met een duidelijke voorsprong. 'Iemand op afstand zetten': een duidelijke voorsprong nemen op (iemand). 

Afstoppen,

de snelheid van het peloton vertragen door zo langzaam mogelijk vooraan te rijden. Hierdoor kan een voorop rijdende ploegmaat zijn voorsprong behouden of vergroten. 

Aftrekken: zich aftrekken,

proberen op snelheid te komen door de hand van een ploegmaat te gebruiken om zich af te zetten. Enkel toegestaan bij een zesdaagse.    

Afvalwedstrijd,

baanwedstrijd waarbij telkens de laatste renner die over de streep gaat afvalt. Een eindsprint tussen de twee of drie overgebleven renners bepaalt dan wie de uiteindelijke winnaar is. Een belsignaal kondigt het begin aan van iedere laatste ronde voor het afvallen van een renner. In het Frans spreekt men van 'élimination'. De Engelse term is: 'devil-take-the-hindmost'.   

Afzetknuppeltje,

bij een koppelwedstrijd voor amateurs op de baan het stokje dat elke deelnemer aan de rechterdij draagt. Ook wel: 'aflosknuppeltje'.  

Afzien,

de bodem van zijn krachten bereiken; de pijngrens overschrijden; zich afbeulen. In Vlaanderen wordt deze uitdrukking gebruikt in de zin van: veel lijden, zich opofferingen getroosten. Nijhoffs Zuidnederlands Woordenboek (1981) geeft al vindplaatsen uit de jaren vijftig van vorige eeuw. In Nederland behoorde deze uitdrukking tot voor enkele jaren tot het pure vakjargon. Oud-minister-president Dries Van Agt vond destijds dat politici net als renners konden 'afzien' en droeg aldus bij aan de populariteit van de term. 'Afzien als een beer' betekent: geweldig lijden; bovenmenselijke inspanningen leveren.

In Mendoza zijn we door een geweldig dal gegaan. We hebben voor het slechte spel allerlei oorzaken gezocht, de bal, het gras, de hoogte, wat hebben de jongens daar afgezien. (Vrij Nederland, 12/03/1994)

Afzink, 

Vlaamse term voor de afdaling van een berg.  

Afzonderlijke,

beroepsrenner die bijvoorbeeld aan de Tour de France deelnam zonder tot een nationale ploeg te behoren; renner die niet bij een 'fabrieksploeg' was aangesloten. Zo iemand noemde men ook wel een 'onverzorgde'. 

Amateur,

renner die het wielrennen niet beroepsmatig beoefent. Moet minstens achttien jaar oud zijn. In het Franse argot heeft men het over 'un pur'. 

Américaine,

Franse term voor koppelkoers. Afkorting van 'course à l'américaine' (op z'n Amerikaans). 

Amfetamine,

dopingmiddel in pilvorm dat vermoeidheid en honger onderdrukt. De oorlogsvliegers konden destijds dankzij deze pillen uren achtereen wakker blijven. Vanaf de jaren vijftig van vorige eeuw deden de amfetamines hun intrede in de sport. Slangtermen zijn: speed, amf en prep. Nauw verwant aan het hormoon adrenaline, dat in onze bijnieren wordt gemaakt. 

Amstel Gold Raas,

destijds een schertsende benaming voor de Amstel Gold Race, een eendagswedstrijd in Zuid-Limburg (Nederland), in 1966 voor het eerst verreden. De naam van renner Jan Raas komt vijf keer op de erelijst voor. 

Anabole steroïden,
spierversterkende middelen, gebruikt als doping. Ook bekend onder de naam 'anabolica'. Sinds 1976 voorkomend op de dopinglijst. De bekendste en meest gebruikte anabole steroïden zijn: dianabol, primabolan, stromba en durabolin. In Nederland is gebruik ervan strafbaar volgens de geneesmiddelenwet. Bijwerkingen zijn o.a. een vette huid, vorming van acne, toename van het lichaamsgewicht, abnormale geslachtsdrift, hoge bloeddruk. In 1988 kwamen deze middelen in de belangstelling toen Ben Johnson olympisch kampioen werd en met 9,79 seconden een nieuw wereldrecord vestigde. Een paar dagen nadien bleek tijdens een dopingtest dat hij al een tijd lang anabole steroïden had gebruikt. Hij verloor meteen zijn wereldrecord en de medaille.

Anaërobe drempel, 

moment waarop men zonder vrije zuurstof een lichamelijke inspanning moet leveren (bijvoorbeeld bij een sprint of bij het dichtrijden van een gat). Afgeleid van het Griekse 'aèr' (lucht) en 'bios' (leven).  

Analeptica,
verboden middelen. Stimuleren het zenuwstelsel en versterken de bloeddruk en de ademhaling. 

ANWB, 

Algemene Nederlandse Wielrijdersbond.      

Appelig, 

zich niet lekker voelend. Dit woord werd in de jaren zestig van vorige eeuw bedacht door Leen Valkenier ten behoeve van het kinderprogramma 'De Fabeltjeskrant'. Het werd in de mond gelegd van Stoffel de Schildpad. De uitdrukking 'een appelig gevoel' werd door de Nederlandse renner Gerrie Knetemann in het peloton geïntroduceerd en beleefde aldus een hernieuwde populariteit.

A-renner, 

beroepsrenner die deze status krijgt van de UCI door het winnen van een klassieker of van de nationale (of wereld)wegtitel of na te zijn voorgedragen door de bond. Men is wel verplicht om deel te nemen aan grote internationale koersen.  

Arivée, 

Frans voor eindstreep, finish. Vooral in Vlaanderen gebruikt. 

ATB, 

acroniem van All Terrain Bicycle, een terreinfiets speciaal ontworpen om moeilijke hindernissen in de natuur, zoals greppels, modder, hellingen, boomstronken en rotsen mee aan te kunnen. Dit soort fiets is dan ook uitstekend geschikt voor de zomer. In de winter kan men beter een crossfiets gebruiken. Vooral in Frankrijk is het rijden met een ATB erg populair. Nederland volgde in het midden van de jaren tachtig.  In Vlaanderen ook wel 'alle-terreinfiets' genoemd.  

Om de uitrusting van de ATB-fiets of mountain bike zoveel mogelijk compleet te maken is nu de eerste A11 Terrain-computer geïntroduceerd. (Mens en Wetenschap, nr. 5/1989) 

Attaqueren, 

in de aanval gaan, plotseling het tempo verhogen. Van het Franse werkwoord 'attaquer'.  

Audax,

brevet toegekend aan toerfietsers die in groepsverband 200 km afgelegd hebben in een wedstrijd georganiseerd door de Parijse Audaxclub. Het begrip bestaat ook in de wandelsport.  

Australische achtervolging,

afvalwedstrijd waarbij ploegen van maximaal acht renners gelijke afstanden moeten afleggen, maar op afzonderlijke punten van de baan starten. De renner die gepasseerd wordt valt uit zodat degene die als laatste overblijft de winnaar is. Dit soort wedstrijden, waarvan de tijdsduur nooit van tevoren is vast te stellen, wordt in België en Nederland zelden gereden, soms op de winterpiste. In Frankrijk zijn ze zelfs verboden. In het Engels noemt men dit soort wedstrijden 'Australian pursuit'. 

Autobus,

samenklontering van drollecoureurs, krabbers, pannenkoeken en patattencoureurs tijdens bergritten. Ze rijden in hun eigen tempo en hun doel is om samen voor het sluiten van de tijdcontrole binnen te zijn. Door hun grote aantal kunnen ze niet uit de wedstrijd gezet worden, mocht de tijdslimiet overschreden zijn. De autobus, ook wel afgekort tot 'bus', wordt meestal geleid door een rot in het vak. Deze geeft het tempo aan waarmee men op tijd kan arriveren. Hij wordt dan ook de 'buschauffeur' genoemd. 

Azen,

benaming voor de merkenploegen; ook gebruikt om de grote renners mee aan te duiden. Vgl. de Engelse term 'aces'. Het 'Azencriterium' was ooit een bekende Franse wedstrijd voor beroepsrenners.

Azzurri,

Italiaanse term voor de renners van de Italiaanse nationale ploeg. Verwijst naar de azuurblauwe kleur van het shirt.   

        Eddy Merckx was er niet zo gerust op met die Azzurri in zijn wiel. (Wieler Revue, 31/03/1989)

Baancommissaris,

functionnaris die toezicht houdt bij baanwedstrijden. Men noemt hem ook wel wedstrijdcommissaris. Hij dient erover te waken dat de reglementen gerespecteerd worden. Ook kijkt hij toe bij het vertrek, de aankomst en de bochten. Wanneer er geschillen zijn moet hij een uitspraak doen. Vgl. Frans: commissaire de piste; Engels: track official.  

Baankoers,

wedstrijd gereden op de wielerbaan of het velodroom. Vlamingen verstaan onder deze term echter iets anders, nl. een wegwedstrijd. Dit is een wedstrijd gereden op de openbare weg.

Baanrenner,

renner gespecialiseerd in baanwedstrijden. Wanneer hij op een houten piste rijdt spreekt men in het Franse argot van ‘un tourneur de bois.’ Engels: track racer. Hiertegenover staat de wegrenner, die gebruik maakt van de openbare weg. Frans: routier; Engels: road racer.  

Baanwedstrijd,

wedstrijd gereden op een ovale wielerbaan die omgeven is door tribunes. Vooral populair in de jaren twintig en dertig van vorige eeuw. Frans: course sur piste; Engels: track racing.  

Badhuiscoureur,

denigrerende benaming voor het soort renner dat het vertikt de kasseien in de hel van het Noorden te blijven trotseren voor een lage plaats in het eindklassement en in de plaats daarvan zijn stuur richting badhuis draait.

Bagage,

in de bagage fietsen: aan de staart van het peloton rijden, achteraan fietsen. In het Franse argot: jouer les balais.

Bak,

volle bak rijden: alles geven, het uiterste van zijn krachten vergen. Vlaamse uitdrukking. Nederlanders verkiezen ‘alles uit de kast te gooien’.  

Ballentrui,

Vlaamse term voor de trui die gedragen wordt door de leider van het bergklassement in de Tour de France.

Bandbreuk,

Lekke band. Vlaamse term. 

Banddikte,

een banddikte voorsprong hebben; met een banddikte winnen: een heel miniem verschil. Vgl. Frans: avoir un pneu; Engels: tire-width. 

Bandenknecht,

instrument waarmee men buitenbanden gemakkelijker op de velg kan leggen of eraf nemen. 

Batterijen,

in de uitdrukking ‘de batterijen zijn plat’: de renner komt geen meter meer vooruit, is aan het eind van zijn krachten, niet meer vooruit te branden.

Beest,

in de uitdrukking ‘met een beest rijden’, ‘met een beest op de rug fietsen’: niet in vorm zijn, slecht presteren. Zie ook: zwarte beest. 

Beginneling,

in Vlaanderen: aankomend renner die aangesloten is bij de BWB.

Begunstiger,

sponsor. Syn.: peetvader.

Belle,
in sprintwedstrijden de derde manche die beslissend is voor tegenstanders die elk een manche hebben gewonnen; de beslissingsrit tussen twee renners. Franse term. Vgl. Engels: decider.

Bende,

Vlaamse term voor het peloton. Nederlanders hebben het over de meute. Syn.: pak; trein. Vgl. Frans: le paquet; Engels: the bunch. 

Benen,

de benen stil houden : niet meefietsen, passief blijven. ‘Dikke benen hebben’: een opgeblazen gevoel in de benen hebben. Komt voor bij een te snelle start of bij oververmoeidheid.
‘Flanellen benen hebben’: zich slap in de benen voelen. Vgl. Frans: avoir les jambes en flanelle. ‘Goeie benen hebben’ : in vorm zijn, gemakkelijk, soepel fietsen. Vandaar ook : ‘de goede benen hervinden’.
‘Slechte benen hebben’: moeizaam, op een weinig soepele wijze fietsen, niet in vorm zijn. ‘Met pap in de benen rijden’: niet erg soepel fietsen. ‘De benen warm zetten’: zachtjes masseren of insmeren.

Berggeit,

goede klimmer, renner die zich thuis voelt in de bergen. Frans: grimpeur ailé; marchand de cols raides.

Zelf noemde ik me ook geen berggeit, maar anderzijds was ik ervan overtuigd dat ik in een Ronde van Frankrijk gemakkelijk Parijs zou halen op voorwaarde dat ik me op de groene trui in plaats van op de gele concentreerde. (Freddy Maertens: Niet van horen zeggen. 1988)

Bergklassement,

klassement van de renners die de meeste punten hebben behaald bij het beklimmen van de bergtoppen. De punten worden gegeven naargelang de steilte van de helling.

Bergkoning,

de beste klimmer. Frans: roi de la montagne. Engels : king of the mountains.

Bergprijs,

prijs voor de winnaar van het bergklassement. Frans: Grand Prix de la Montagne.

Bergtijdrit,

rit tegen de klok in de bergen.

Beschermd renner,

renner die geen kopman is maar wel belangrijk genoeg voor de ploeg dat hij geen knechtenwerk hoeft te doen. In tegenstelling tot de kopman krijgt hij echter geen knechten toegewezen. Zijn rol kan tijdens de wedstrijd nogal eens veranderen.

Betrouwbaarheidsrit,

wedstrijd waarbij de verkeersregels in acht dienden te worden genomen op straffe van stillegging van de wedstrijd. Tot de tweede wereldoorlog in Nederland verreden met de bedoeling de Rijwielwet van 1905, die wielerwedstrijden op de weg verbood, te omzeilen. De tijdslimiet diende streng te worden nageleefd.

Betwisten,

in de uitdrukking ‘een koers betwisten’: een wedstrijd houden, verrijden. Vlaamse en onjuiste uitdrukking (gallicisme, naar Frans: disputer).

Beugels,

(onder) in de beugels gaan: zich diep over het stuur buigen, met volledige overgave fietsen, alles geven.

Hij is kansloos, maar ik moest wel vol in de beugels. (Sport International, augustus 1989)

Beuk,

de beuk erin gooien: keihard fietsen. ‘De beuk in het peloton gooien’: een hoger tempo opleggen aan het peloton.

(de) Beul van de Provence,

bijnaam van de Mont Ventoux, een 21,5 km lange col in de Provence. Voor het eerst beklommen in de Tour van 1951. Syn.: de reus van de Provence. De Fransen noemen hem ‘le col des tempêtes.’

Beulen,

zich een grote inspanning getroosten; al zijn krachten aanspreken; afzien.

Vorige week zaten we in de Ster van Bessèges enorm te beulen. (Vrij Nederland, 05/03/1988)

Bevoorrading,

de renners voorzien van voedsel tijdens een rit. Hiervoor wordt niet gestopt. De soigneur reikt de musette aan wanneer de renner langs komt. Wordt ook wel ‘ravitaillering’ genoemd. Engels: provisioning.

Bezemwagen,

volgauto voor uitvallers, door Henri Desgrange voor het eerst ingevoerd in de Tour van 1910, het jaar dat men ook voor het eerst de Pyreneeën aandeed.

Iedere dag zijn er wel weer wie het midden in de rit plots door het hoofd flitst: ‘De 85 van Goddet!’ Die laten zich dan prompt afglijden tot bij de bezemwagen, geven hun pijp aan Maarten, hun fiets aan een van de veelkleurige assistenten, kruipen in de bezemwagen naast een verpleegster op een bankje, en dragen op die manier hun steentje bij tot het welslagen van deze ‘Tour de France’. (Jos Ghysen en Piet Theys: De Ronde. Een pocket in gele trui. 1964)

Bicycle,

(Engels) naam gegeven aan de fiets die in 1869 ontworpen en op de markt gebracht werd door de Engelsman James Starley. Sedert 1861 kende men echter al de velocipède van Michaux. De bicycle werd als koersfiets gebruikt van 1869 tot 1888, de tricycle werd gebruikt als toeristenfiets. De bicycle of hoge bi had een groot voor- en een klein achterwiel en had nog geen kettingaandrijving. Rond 1890 ging men fietsen gebruiken die sterk leken op de modellen die we nu kennen.

Bidon,

(Frans) drinkbusje dat in een klem aan het fietsframe is bevestigd; vroeger van aluminium gemaakt, thans van plastic. ‘De kleine bidon’: geprepareerd drankje, rijk aan voedingsstoffen. Ook wel ‘mirakelse bidon’ genoemd.

Bijl,

wielerslang voor versnelling. Syn.: braquet; mes; molen.

Binnendoor komen,

een renner bij een bocht aan de binnenkant voorbijgaan. Kan zeer gevaarlijk zijn: men kan gemakkelijk in de dranghekken of tegen een boom terechtkomen.

Binnenslag,

geheime afspraak binnen een combine.

Biopace,

(Engels) ovaal kettingblad.

Blaashoutje,

jargon voor injectiespuiten. Blazen betekent: injecteren.

Blad,

een van de twee of drie voortandwielen van een fiets. ‘Een groot blad opzetten’: met een grote versnelling rijden.

Blauwe garde,

de Belgische nationale ploeg. Vgl. de Azzurri.

Blauwe lijn,

blauwe streep op een derde van de baanbreedte die door de gangmaker niet gepassseerd mag worden, tenzij hij een andere renner voorbij wil gaan. Ook wel stayerslijn genoemd. Frans: ligne des stayers.

Blauwe trein,

groep renners in de Europese zesdaagse. Genoemd naar de luxe blauwe trein van de Franse spoorwegen die in de eerste helft van de twintigste eeuw de rijke reizigers naar de casino’s aan de Franse Rivièra bracht. Frans: train bleu.

Het was dat jaar echt oorlog in de zesdaagsen. Vooral in Parijs. Oosterbosch en Vanderaerden reden daar de komplete ‘blauwe trein’ aan gort en leken te gaan winnen. (Wieler Revue, 14/12/1990)

Blauwe trui,

trui gedragen door de beste sprinter in de Tour.

Blauwe vlag,

signaal gegeven aan de stayer dat hij een overtreding heeft begaan en dus een boete krijgt.

Blazen,

injecteren. Zie ook: blaashoutje.

Bloeddoping,

het toedienen van een hoeveelheid rode bloedlichaampjes, waardoor de zuurstofopname wordt vergroot. Gebeurt vlak voor de wedstrijd. Gebruik ervan is moeilijk aan te tonen. Het synthetische  EPO is de  kunstmatige variant  hiervan. 

Bloedvorm,

uitzonderlijk goede vorm waarin de renner verkeert.

Ik won met twee vingers in mijn neus. Ik was gewoon in bloedvorm. (Ron Couwenhoven: Wielerklassiekers. 1990)

Blokkeren,

de benen niet meer soepel rond krijgen. Dit kan gebeuren wanneer men bijv. in een hoog tempo een berg op wil rijden. ‘De koers blokkeren’: alle demarrages tenietdoen.

BMX,

Bicycle Moto-cross, soort kleine fiets die geschikt is voor alle terreinen en die dus alle obstakels kan nemen. Verwant met de ATB.

Bochtcommissaris,

functionaris, opgesteld bij een bocht, die toezicht houdt op het naleven van de reglementen. Hij moet onregelmatigheden melden aan de wedstrijdcommissaris.

Bokkenwagen,

slangbenaming voor een zware, logge fiets. In het Frans zegt men: un vieux clou.

Bolide,

er als een bolide overheen gaan: andere renners met een razende snelheid passeren.

Bollen,

(werkwoord) rijden, fietsen. In Vlaanderen algemeen gebruikt, in Nederland vakjargon.

Bollen,

(zelfst. naamw.) populaire benaming voor anabole steroïden.

Bolletje,

term om de groep renners vooraan de groep mee aan te duiden.

Bolletjestrui,

trui voor de beste klimmer in de Tour. Vlamingen hebben het liever over de ballentrui of mazelentrui.

Bom,

slang voor een dexedrinecapsule, gebruikt als doping (stimuleert het zenuwstelsel). Dergelijke preparaten zijn bijna niet meer verkrijgbaar. Ook wel: bommetje of bombe.

Ik had dus geen ‘bommen’ in mijn lijf, zoals journalisten het uitdrukten omdat ze op het eerste gezicht geen redelijke verklaring voor mijn comeback vonden. (Freddy Maertens: Niet van horen zeggen. 1988)

Bombarderen,

het aantal demarrages opdrijven, vermeerderen. Ook wel: aan de boom schudden.