Writings‎ > ‎

In de bres voor Freud & co. – repliek op Desmet en Kinet


In het Tijdschrift Klinische Psychologie 39 (2) verschenen twee kritische reacties op mijn artikel over de epistemische defecten van de psychoanalyse. Mattias Desmet van de Universiteit Gent wil ons doen geloven dat, na honderd jaar vruchteloze pogingen om de psychoanalyse wetenschappelijk te funderen, er “na 1998” plots een nieuwe empirische bron is aangeboord die tot dan toe onbegrijpelijkerwijs over het hoofd werd gezien. Desmet verwijst naar artikelen van Drew Westen die moeten aantonen dat ik sedert 1998 ben afgehaakt, maar hij negeert bizar genoeg de kritiek die ik nota bene in mijn originele artikel op Westen en consorten (post-1998!) heb geformuleerd, namelijk dat zij de psychoanalytische doctrine eerst compleet uithollen om vervolgens tendentieuze verbanden leggen met modern cognitief en neurologisch onderzoek. Ter illustratie van de psychoanalytische ‘kerninzichten’ die volgens Westen empirische ondersteuning hebben gekregen:

 

“enduring aspects of personality begin to coalesce in childhood […]; personality development involves […] moving from an immature dependent state to a mature interdependent one; […] much of mental life is unconscious” (Westen, 1999, pp. 1061-2) “Mental representations of the self, others, and relationships guide people’s interactions. […] most important human experiences […] have precursors in childhood […]”(Westen, 1998, pp. 334-5)

 

Een dergelijke aaneenrijging van platitudes doet de lezer onwillekeurig denken aan die Monty Python-sketch waarin een wetenschapper trots zijn nieuwe theorie over brontosaurussen uit de doeken doet: “All brontosauruses are thin at one end; much, much thicker in the middle; and then thin again at the far end.” Drew Westen blijft ook na 1998 het onderscheid negeren tussen het psychodynamisch Onbewuste enerzijds, dat driftmatig is en ontstaat door verdringing van seksuele en agressieve impulsen, en het cognitieve onbewuste anderzijds, dat het computationele substraat is van als ons doen en denken, niets met verdringing te maken heeft, en niet door vrije associatie en overdracht ontbloot kan worden. Ook het bestaan van subliminale perceptie, impliciet geheugen en onbewuste emotionele beïnvloeding is goed gedocumenteerd, maar ondersteunt geenszins de complexe semantische en symbolische processen die een typische psychoanalytische interpretatie vereist. De volgehouden pogingen van Drew Westen en consorten om cognitief-psychologisch onderzoek, dat zich onafhankelijk van de psychoanalyse ontwikkelde, toch voor de Freudiaanse kar te spannen, zijn verbazingwekkend[1].

 

Desmet verwijt mij dat ik me te weinig op empirische studies baseer, maar verschillende van de werken die hij wegwuift als louter ‘filosofisch’ baseren zich precies uitvoerig op empirisch onderzoek (Erwin, 1996; Macmillan, 1997). Men kan enkel besluiten dat Desmet deze kritische standaardwerken niet gelezen heeft. Overigens doet zijn opmerking niet ter zake: een filosofische kritiek kan net zo goed de wankele epistemologische fundamenten van een theorie blootleggen. Dat de Desmet echter niet zo hoog oploopt met filosofen, blijkt op treffende wijze uit zijn kritiek op het “positivisme” dat ik volgens hem aanhang. Desmet beeldt zich in dat het criterium van de falsifieerbaarheid, waarnaar ik in mijn artikel zijdelings verwijs, “cruciaal [is] vanuit het positivistisch standpunt”, terwijl een appreciatie van het belang van falsifieerbaarheid uitgerekend het grootste bezwaar vormde tegen het positivisme en uiteindelijk tot haar neergang leidde (het positivisme hield zich bezig met een verificatiecriterium van betekenis).

 

Verder verschuift Desmet de discussie over de epistemologische fundamenten van de psychoanalyse naar een validiteit van psychologische testmethoden. Niet alleen moet hij daarvoor al in zijn eerste referentie beroep doen op de fel omstreden Rorschach-testen, de meta-analyse waarnaar hij verwijst biedt ook geenszins ondersteuning – zelfs niet volgens de auteurs – voor psychoanalytische theorieën, in tegenstelling tot wat Desmet laat uitschijnen  (Hiller et al., 1999)[2]. De meta-analyse van Meyer et al. (2001) die hij me voor de voeten werpt bevat simpelweg een pleidooi voor de integratie van uiteenlopende psychologische testmethoden. De specifieke relevantie voor de psychoanalyse is hier nog verder te zoeken.

 

Desmet sluit zijn kritiek toepasselijk af met een drogreden: de gebrekkigheid van psychologische meetmethoden in het algemeen zou uiteindelijk “in het voordeel van de psychoanalyse” pleiten, omdat deze laatste “van oudsher een sterk, niet-kwantitatief, klinisch onderzoeksprogramma gevoerd heeft”. Dat is zoiets als zeggen dat de onvolkomenheden van democratische verkiezingen in het voordeel van een dictatuur pleiten, omdat deze van oudsher de stem van het volk heeft gewantrouwd. Als de beste psychologische meetinstrumenten al min of meer onbetrouwbaar zijn, dan a fortiori het idiosyncratische oordeel van de psychoanalytici, die – en hier belanden we onvermijdelijk bij de filosofische kritiek – aan de hand van een defecte methodologie steevast onderling tegenstrijdige oordelen vellen (Macmillan, 1997, p. 505; 2001).

 

In vergelijking met Mattias Desmet draagt Mark Kinet de filosofie een warmer hart toe, al heeft dat misschien te maken met de merkwaardige definitie – “filosofie is denken zonder bewijzen” – die Kinet er van de discipline op nahoudt. Los daarvan, wie ben ik om de parallel die hij in die omschrijving met de psychoanalyse ontwaart te ontkennen?

 

De repliek van Mark Kinet vertoont nergens een zweem van appreciatie van de epistemische problemen die, zoals ik in mijn artikel uitlegde, zijn theorievorming en klinische praktijk onvermijdelijk plagen. In de plaats daarvan valt Kinet terug op hetzelfde arsenaal immunisatiestrategieën dat ik in mijn artikel heb opgesomd: de valse tegenstelling tussen de diepe psychoanalytische inzichten en de symptoomgerichte therapieën, het steeds herhaalde mantra over de ‘vernietiging van het subject’ door de wetenschap, de vertrouwde selectieve referenties naar tendentieuze effectonderzoeken zonder aandacht voor de methodologische gebreken, etc.

 

Experimenteel psychologisch onderzoek heeft uitgewezen dat therapeuten, dokters en psychologen geneigd zijn om de betrouwbaarheid van hun eigen ‘klinisch oordeel’ systematisch te overschatten (David et al., 1997; Silver, 2001; Baker et al., 2009). Het punt van mijn artikel was dat, omwille van epistemologische redenen, die situatie in het geval van de psychoanalyse dubbel zo erg is: de combinatie van de suggestieve klinische context, de zelfvervullende methodologie en de empirische schraalheid van de concepten herleiden die betrouwbaarheid tot nihil, een feit dat niet beter kan worden geïllustreerd dan door het bestaan van rivaliserende psychoanalytische scholen die stuk voor stuk ‘zien’ wat de theorie hen voorschrijft. Niettemin behoudt Kinet een grenzeloos vertrouwen in precies dat klinische oordeelsvermogen, en een navenante minachting voor al wie zijn klinische expertise niet deelt. De scepticus kan dan niet meer zijn dan een arme van geest die “zwijmelt” bij de “complexe (micro)chirurgische ingrepen” van de psychoanalyse. Voeg daarbij Kinets vaste gewoonte om een pseudo-poëtisch Lacaniaans mistgordijn op te trekken rond zijn positie, en het is een feit dat geen enkele wetenschappelijke of filosofische kritiek hem eigenlijk kan deren.

 

Tot slot toch bedankt aan Mark Kinet om mijn kritiek op de conceptuele glissando’s als een “gekreun” onder fallische toespelingen te duiden. Misschien moet zijn eigen verwijzing naar het licht en het zwaard ter bestrijding van de duisternis hem ook tot nadenken stemmen: heeft collega-Lacaniaan Johan Schokker het ‘lichtzwaard’ in Star Wars tenslotte niet ooit als de fallus ontmaskerd om "de dodelijke Force/jouissance" te bestrijden? Wat zouden we zijn zonder de ‘inzichten’ van de psychoanalyse!

 

 

Bibliography

 

Baker, T., R. McFall and V. Shoham (2009). Current Status and Future Prospects of Clinical Psychology: Toward a Scientifically Principled Approach to Mental and Behavioral Health Care. Psychological Science in the Public Interest 9, 2, 67-103

 

David, S. and D. Frank (1997). Eliminating Overconfidence in Psychodiagnosis: Strategies for Training and Practice. Clinical Psychology: Science and Practice 4, 4, 335-45

 

Erwin, E. (1996). A Final Accounting: Philosophical and Empirical Issues in Freudian Psychology. (Cambridge, MA: MIT Press)

 

Hiller, J. B., R. Rosenthal, R. F. Bornstein, et al. (1999). A comparative meta-analysis of Rorschach and MMPI validity. Psychological Assessment 11, 278-96

 

Macmillan, M. (1997). Freud Evaluated: The Completed Arc. (Cambridge, MA: MIT Press)

 

Macmillan, M. (2001). The reliability and validity of Freud's methods of free association and interpretation. Psychological Inquiry 12, 3, 167-75

 

Meyer, G. J., S. E. Finn, L. D. Eyde, et al. (2001). Psychological testing and psychological assessment: A review of evidence and issues. American Psychologist 56, 2, 128-65

 

Silver, R. J. (2001). Practicing professional psychology. The American psychologist 56, 11, 1008-10014

 

Westen, D. (1998). The scientific legacy of Sigmund Freud: Toward a psychodynamically informed psychological science. Psychological Bulletin 124, 333-71

 

Westen, D. (1999). The Scientific Status of Unconscious Processes: Is Freud Really Dead? Journal of the American Psychoanalytic Association 47, 4, 1061-106

 

 

 



[1] Daar waar Westen het niveau van dergelijke platitudes overstijgt, bevindt hij zich steevast op wankele empirische gronden en verwijst hij naar obscure onderzoeken met evidente methodologische gebreken. Maar aangezien Desmet zelf op de vlakte blijft over de ‘progressie’ van de psychoanalyse sinds 1998, heeft het geen zin hier in detail op in te gaan. 

[2] Overigens bevat die meta-analyse een aantal serieuze methodologische fouten, zoals het feit dat zogenaamde ‘Rorschach-experten’, waaronder soms auteurs van de in aanmerking komende studies (!), zelf mochten uitmaken welke studies ingesloten werden in de analyse. Het heeft echter niet veel zin om daar in het bestek van deze tekst op in te gaan, want sowieso heeft de studie bitter weinig met psychoanalyse te zien.

Comments