Historie

van het adellijk stadshuis 'De Lyndenhof' te Leeuwarden

Restauratie 

De particuliere vereniging Stadsherstel Leeuwarden probeert zoveel mogelijk cultuurhistorische waardevolle panden in de Leeuwarder binnenstad in ere te herstellen. Eén van hun projecten was begin 21steeeuw het nieuwe hofje ‘De Lyndenhof’. In dit hofje zijn twee gemeentelijke monumenten en één rijksmonument gecombineerd met 3 moderne gebouwen. Hoewel deze panden zich midden in de Leeuwarder binnenstad bevinden is het een oase van rust. Zo worden de gemakken van het centrum samengevoegd met de rust en stilte van Friesland.

Bewoning 

Het is niet meer te achterhalen wie het pand ooit heeft laten bouwen, wie de bouwheer of wie de eerste eigenaar was. Wel is volgens W. Dolk (1951) de waarde van het huis in 1592 700 goudguldens. Uit de bouwhistorie blijkt dat omstreeks 1615 de advocaat aan het hof dr. Joachimus Lamberti Hagius nieuwbouw heeft laten plegen. De waarde steeg toen tot 1092goudguldens. Lamberti Hagius woonde er tot 1623. Toen bracht het 3679goudguldens op. Mogelijk dat de woning door vererving van de weduwe J. Lamberti in handen kwam van G. de Wilde. Die het pand verkocht aan een reeks Eminga’s in 1648. De Eminga’s woonde er 20 jaar. In 1688 werd de woning gekocht door R. Briffo. Hij woonde er twee jaar. Ene A. van Boelens woonde er van 1741 tot 1792. Zijn opvolger was Reinhard, Baron van Lynden in 1792. Hij woonde er maar heel kort. Nog geen jaar. Toch besloot Stadsherstel Leeuwarden het complex nu juist naar hem te vernoemen: De Lyndenhof. Een historische misser. Waarschijnlijk was deLambertihof een historisch juistere naam geweest. In hetzelfde jaar 1792 dus, stond J. Pinart voor deur, die het huis kocht voor 1611 goudguldens. Het was een onrustige tijd, dat zou de lage prijs kunnen verklaren. Misschien zat de baron van Lynden wel in geldnood. In 1799 verkocht Pinart het huis aan H.W. van der Kolk voor 3607 goudguldens. Toen ook al was onroerend goed een goede belegging. Van der Kolk verkocht in 1802 weer aan J. de Vries, dit keer voor 3679 goudguldens. Wel wat winst, maar niet zo’n bedrag als dat van Pinart. De erven de Vries verkochten op hun beurt weer aan P.J. Post. Die weer in 1813 aan de erven Schreuder en die op hun beurt weer aan Nicolaas Fockema in 1819 voor 8015 florijn. Fockema was rechter en latere rechtbankpresident. Hij woonde er met zijn vrouw, zes kinderen en drie dienstboden. Er hadden in de loop der jaren de nodige verbouwingen en aanpassingen plaats. Zo kwam er een samenvoeging met aangelegen panden en werd er een gedeelte afgestoten om een steeg te realiseren. Als opdrachtgever van deze activiteiten moet waarschijnlijk de advocaat Gerard van Wageningen worden gezien. Hij betrok met zijn gezin in 1864 het verbouwde huis. Als buitenverblijf hadden zij de Dekemastate in Jelsum, waar de familie van Wageningen zich vanaf 1887 permanent vestigde. Vanaf 1887 tot 1894 werd het huis bewoond door de notaris Albertus Wiersma. Zijn nabestaanden verhuisden naar Apeldoorn; het huis bleef daarna enige jaren leeg staan. In 1889 betrok de tandarts A.J. Reijntjes de woning. Daarna werd het pand aangekocht door de familie Boonstra, die er een lijkkistenfabriek vestigden. Zij gebruikten de totale ruimte die nu voor het hele hofje is ingericht als fabrieksruimte. In juli 2006 werd het hele pand aangekocht door de familie Jacobs-Diks en werd het ingrijpend gerestaureerd en verbouwd met instandhouding van de originele en authentieke details.

Minnemastraat 47 en 51
Voorafgaand aan de restauratie is er een zogenoemde bouwhistorische verkenning gemaakt. Hieruit bleek dat het om een voormalig adellijk stadhuis ging, waarvan de oudste resten waarschijnlijk stammen uit 1592, als we mogen afgaan op het overzicht van Dolk. Over de periode 1600 tot 1800 is er weinig met zekerheid over de uitvoering van het huis te zeggen. Uit plannen omstreeks 1830 blijkt dat de huidige situatie waarschijnlijk al aan het begin van 1800 was ontstaan.

Begane grond 

Het pand is een gaaf bewaard voorbeeld van een adellijk stadshuis, waarvan de structuur en het interieur van hoog monumentaal belang zijn. Het interieur in neo-Louis XIV-stijl met originele kleurstelling uit het laatste kwart van de 19e eeuw is van interieurhistorisch belang. De kapconstructie is met het dakbeschot en de dakkapellen bouwhistorisch gezien van hoge monumentale waarde als voorbeeld van ene gaaf bewaarde 19de eeuwse kapconstructie.De voordeur bestaat uit neoclassicistische vleugeldeuren met een ongedeeld bovenlicht. Gezien de paneelindeling dateren ze vermoedelijk uit omstreeks 1800. De vloeren van de vestibule en de gang bezitten onderling afwijkende marmeren plavuizen. Het sober uitgevoerde plafond bezit een lijstwerk met een cirkel erin.


De zuidzijde van de hoofdbeuk bestaat uit een kamer en suite. Beide vertrekken zijn voorzien van stucplafonds met strakke binnenlijst met rijk gedecoreerde midden- en hoekstukken in neo-Louis XIV-trant. De plafonds dateren uit de jaren 80 van de 19e eeuw. Tegen de zuidwand van het grotere woonvertrek bevindt zich een stookplaats. Deze is in zwart marmer uitgevoerd met een gestucte boezem, waarbij de gestucte kroonlijst wordt gedragen door vierkante pilasters met verdiepte velden en ‘composiet’achtige kapitelen.
Aan de noordzijde bevindt zich de salon. De salon heeft een hoge monumentwaarde als voorbeeld van een vroeg-19de-eeuwse interieurafwerking, in het bijzonder het neoclassicistische plafond. Het is een bijzonder gedecoreerd stucplafond in empirestijl met een ovaal middenperk, welke kan worden gedateerd rond 1800. De lambriseringen, vensterluiken, kozijnen en boezem van de schouw dateren ook uit die periode. De omtimmeringen van de gordijnen echter dateren uit omstreeks 1880. In de westwand bevindt zich een zogenoemde porte-brisée, welke de doorgang vormt naar het achtergelegen vertrek in de zijbeuk.Deze kamer, de huidige keuken, heeft een waardevol balkenplafond. Tijdens het onderzoek zijn een zestal lagen papierbehang aangetroffen, die zijn gedetermineerd. De jongste dateert uit ca. 1885, de oudste echter, een zeer bijzonder papierbehang kan nog uit rond 1800 dateren. Het betreft hier behang in neorococostijl: een treillage met bloemen en acanthusbladeren. 

Gastenverblijf ‘De Lyndenhof’ 

Het gastenverblijf  is gevestigd in de achtervleugel in de voormalige zomerkeuken en tuinkamer. Deze achtervleugel is van typologisch belang vanwege de aanwezigheid van een van de weinige voorbeelden van een vrijstaande (zomer)keuken annex onderkelderde tuinkamer. In deze zomerkeuken bevindt zich een bijzondere hardstenen gootsteen met een pomphuis met één mond voor regenwater en één voor vuil welwater. Daarnaast bevindt zich in deze kamer de biechtstoel. De bijzonder gedecoreerde kast geeft in een middendeur toegang tot de kelder.

 In de tuinkamer met rondlopende aangrenzende veranda bevindt zich de huidige zitkamer van het gastenverblijf. Deze vijfzijdige kamer kan gedateerd worden omstreeks 1875. Voor de restauratie is een kleurenonderzoek gedaan, hieruit volgde de keuze voor de olijfkleur voor de lambriseringen. De hoekschouw dateert uit omstreeks 1915, evenals de aanwezige brandkast.

Bronnen 

  • "Voormalig adellijk stadshuis Minnemastraat 45, Leeuwarden: een bouwhistorische verkenning", Bureau voor Bouwhistorie en Architectuurgeschiedenis V.O.F, Utrecht, 2002. 
  • Document "Monument: Minnemastraat 51 te Leeuwarden", Leeuwarden 2007.
  • "700 jaar bouwen in Leeuwarden", aflevering 489, door F. Valk (pseud.) in: Huis aan Huis, 17-11-2004