Home‎ > ‎Bronteksten‎ > ‎

Kleist, Over het marionettentheater


https://www.bol.com/nl/p/de-moord-op-de-kunst/9200000063494254
https://www.bol.com/nl/p/the-murder-of-art/9200000063494256

Welkom op de website bij
het boek De moord op de kunst 
(Letterwerk
, 2016).

Welcome to the companion
website of The Murder of Art
(Letterwerk, 2016).


Over Heinrich von Kleist

De Duitse dichter en toneelschrijver Heinrich von Kleist (1777–1811) kreeg vooral bekendheid met zijn drama’s, zoals Käthchen von Heilbronn (1808) en Die Hermannsschlacht (1809). Zijn essay ‘Over het marionettentheater’ is een bijzonder origineel product van het romantische denken. In een tijd waarin de rationalistische esthetica nog steeds de hoofdtoon voerde, stelde Kleist juist een vraag die haaks op het verlichtingsdenken stond. Wat als bewustzijn en rede de esthetiek juist in de weg zouden zitten?

Kleist ontwikkelt die vraag aan de hand van een gesprek tussen twee bezoekers van een marionettentheater. Eén van de mannen is zelf een danser. Volgens hem is de sierlijkheid van de marionet precies het gevolg van het feit dat de marionet (net als een dier, én net als de ideale danser) helemaal automatisch en zonder nadenken de bewegingen uitvoert. Mocht de marionet zich van zijn bewegingen bewust worden, dan zouden ze alle sierlijkheid verliezen. De danser leidt hieruit zelfs een sterkere stelling af, namelijk dat ‘naarmate in de organische wereld het overdenken zwakker en duisterder wordt, de gratie steeds stralender en overheersender naar voren treedt’. Het bewustzijn van de mens is dus niet enkel een gave, het is ook een vloek: niet alleen maakt het veel mogelijk, het staat ook veel in de weg.

‘Over het marionettentheater’

Vertaald door Nelleke van Maaren. Hollands Maandblad. Vol. 25, nr. 437 (april 1984): 13–16.


Ik informeerde naar het mechaniek van de figuren en vroeg hoe het mogelijk was om hun afzonderlijke ledematen en gewrichten zo te beheersen als het ritme van de bewegingen of de dans vereiste zonder duizenden touwtjes aan de vingers te hebben.

Hij antwoordde dat ik niet moest denken dat de poppenspeler op elk moment van de dans elk lichaamsdeel afzonderlijk stelt en trekt.

Elke beweging, zo zei hij, heeft een zwaartepunt; het is voldoende dat zwaartepunt binnenin de pop te bespelen. De ledematen, die niet anders zijn dan slingers, volgen dan op mechanische wijze vanzelf, zonder enige ingreep van buitenaf.

Hij voegde eraan toe dat de beweging van dat zwaartepunt heel eenvoudig is, dat als het zwaartepunt in een rechte lijn wordt bewogen de ledematen reeds gebogen lijnen beschrijven en dat het hele mechaniek bij een toevallige schok vaak al in een soort ritmische beweging komt die veel op dansen lijkt.

Aanvankelijk leken deze opmerkingen mij enig licht te werpen op het genoegen dat hij naar zijn zeggen in het marionettentheater beleefde. Maar intussen vermoedde ik nog niet in het minst welke conclusies hij hier later uit zou trekken.

Ik vroeg hem of hij van mening was dat degene die deze marionetten bespeelde zelf een danser diende te zijn, of tenminste een zeker begrip van het schone in de dans zou moeten hebben?

Hij antwoordde dat uit het feit dat iets vanuit mechanisch oogpunt eenvoudig is, niet mocht worden afgeleid dat het dan ook zonder gevoel kan worden uitgevoerd.

Enerzijds is de lijn die het zwaartepunt moet beschrijven een heel eenvoudige, in de meeste gevallen een rechte, zo meende hij te weten. In die gevallen waarin het om een kromme gaat zou de wetmatigheid van de kromming tenminste van de eerste en ten hoogste van de tweede orde zijn, en ook in het laatste geval slechts een ellipsvorm hebben, een vorm van bewegen die trouwens de natuurlijke is voor de uiteinden van het menselijk lichaam (vanwege de gewrichten) en bijgevolg de poppenspeler niet al te veel moeite kost om te beschrijven.

Maar aan de andere kant is die lijn toch iets heel geheimzinnigs. Zij is namelijk niet anders dan de weg van de ziel van de danser en hij betwijfelde of zij op een andere wijze te vinden zou zijn dan doordat de poppenspeler zich in het zwaartepunt van de marionet verplaatst, met andere woorden dat hij danst. […]

Ik had, zo vertelde ik, een jaar of drie geleden eens gebaad met een jongeman van wiens gestalte destijds een verrukkelijke bekoring uitging. Hij zal zo’n jaar of zestien zijn geweest en de eerste sporen van ijdelheid, opgeroepen door de gunst van de vrouwen, lieten zich nog maar ternauwernood ontwaren. Toevallig hadden wij kort tevoren in Parijs de jongeling gezien die een splinter uit zijn voet haalt; afgietsels van dat beeld zijn bekend en bevinden zich in de meeste Duitse verzamelingen. Een blik die hij in de spiegel wierp op het moment dat hij zijn voet op de kruk zette om hem af te drogen herinnerde hem daaraan; hij glimlachte en vertelde me welke ontdekking hij had gedaan. Inderdaad had ik op precies hetzelfde ogenblik hetzelfde gedacht — maar hetzij om de zekerheid van zijn gratie op de proef te stellen, hetzij om zijn ijdelheid enigszins relativerend te bejegenen: ik lachte en antwoordde dat hij vast en zeker spoken zag! Hij bloosde en hief zijn voet voor de tweede maal omhoog om het mij te demonstreren, maar die poging mislukte zoals te voorspellen was geweest. Niet begrijpend tilde hij zijn voet voor de derde, vierde, ja wel voor de tiende keer op — tevergeefs! Hij was niet in staat diezelfde beweging weer te voorschijn te brengen — wat zeg ik? De bewegingen die hij maakte hadden iets zo komisch, dat ik met moeite mijn lachen kon bedwingen.

Vanaf deze dag, ja vanaf dit ogenblik vond een onbegrijpelijke verandering in de jongeman plaats. Hij begon dagenlang voor de spiegel te staan en verloor de ene bekoorlijkheid na de andere. Een onzichtbare en onbegrijpelijke macht leek zich als een ijzeren net om het vrije spel van zijn bewegingen te leggen, en toen er een jaar verstreken was viel er in hem geen spoor meer te ontwaren van de gratie, die de blikken van de mensen om hem heen vroeger zoveel genoegen had verschaft. Nu nog leeft er iemand die van dit merkwaardige en ongelukkige voorval getuige is geweest en het woord voor woord, precies zoals ik het u heb verteld, zou kunnen bevestigen.

Naar aanleiding hiervan, zei de heer C… vriendelijk, moet ik u een andere geschiedenis vertellen waarvan u onmiddellijk zult begrijpen waarom zij hier thuishoort.

Tijdens mijn reis naar Rusland bevond ik mij op het landgoed van de heer v. G…, een Letlandse edelman wiens zonen zich toevallig in die periode ijverig oefenden in de schermsport. Vooral de oudste, die kort tevoren van de universiteit was gekomen, deed zich graag voor als virtuoos en bood mij, toen ik op zekere ochtend in zijn kamer was, een degen aan. Wij schermden, maar toevallig bleek ik de meerdere te zijn; zijn hartstocht was zo groot dat hij in verwarring raakte, bijna elke stoot die ik toebracht was raak en tenslotte vloog zijn degen in een hoek. Half schertsend, half gekwetst zei hij, terwijl hij de degen opraapte, dat hij zijn meester had gevonden: maar alles ter wereld kende zijn meester en hij wilde mij onmiddellijk naar de mijne brengen. De broers lachten uitbundig en riepen Kom! Kom! Naar beneden, naar de houtschuur, namen mij met deze woorden bij de hand en brachten me naar een beer, die hun vader, de heer v. G…, op het landgoed had laten grootbrengen.

Toen ik verbaasd voor de beer trad, stond hij op zijn achterpoten met zijn rug tegen de paal geleund waaraan hij was vastgemaakt, zijn rechtervoorpoot opgeheven, gereed om toe te slaan, en hij keek me recht in de ogen: dat was zijn schermhouding. Ik wist niet of ik droomde, nu ik me tegenover een dergelijke tegenstander bevond; maar de heer v. G… zei: stoot u toe! en probeert u maar eens of u hem kunt raken! Ik haalde, toen ik enigszins van mijn verbazing bekomen was, met de degen naar hem uit; de beer maakte een uiterst korte beweging met zijn poot en pareerde de stoot. Ik probeerde hem door schijnstoten in de war te brengen; de beer verroerde zich niet. Opnieuw stootte ik toe, een gelukkig moment van behendigheid, de borst van een mens zou ik ongetwijfeld hebben getroffen: de beer maakte een uiterst korte beweging met zijn poot en pareerde de stoot. Nu verkeerde ik bijna in de situatie van de jonge heer v. G… Ook de ernst van de beer droeg ertoe bij mijn zelfverzekerdheid als sneeuw voor de zon te doen verdwijnen, stoten en schijnstoten wisselden elkaar af, ik droop van het zweet: tevergeefs! Niet alleen pareerde de beer als de beste schermer ter wereld al mijn stoten, op schijnstoten (en dat doet geen schermer ter wereld hem na) reageerde hij zelfs helemaal niet. Oog in oog met mij, als kon hij daarin mijn ziel lezen, stond hij daar, de voorpoot opgeheven, gereed om toe te slaan, en als mijn stoten niet serieus waren gemeend verroerde hij zich niet.

Gelooft u deze geschiedenis?

Volkomen, riep ik verheugd, ik zou haar van elke vreemde geloven, zo aannemelijk klinkt zij, dus hoeveel te meer van u!

Welnu, mijn voortreffelijke vriend, zie de heer C…, dan beschikt u over alles wat nodig is om mij te begrijpen. We zien dat naarmate in de organische wereld het overdenken zwakker en duisterder wordt, de gratie steeds stralender en overheersender naar voren treedt. — Maar zoals het snijpunt van twee lijnen aan de ene zijde van een punt na het doorlopen van het oneindige plotseling weer aan de andere zijde opduikt, of zoals het beeld van een holle spiegel zich eerst in het oneindige verwijdert om dan plotseling weer vlak voor ons te verschijnen, zo verschijnt ook de gratie weer als het weten door een oneindige is gegaan; zij treedt bijgevolg in haar meest zuivere vorm op in de lichaamsbouw van die mens die óf helemaal geen óf een oneindig bewustzijn heeft, dat wil zeggen in de marionet of in de god.

Dus, zei ik wat verbaasd, we zouden weer van de Boom der Kennis moeten eten om in een staat van onschuld terug te vallen?

Zeker, zeker, antwoordde hij. Dat is het laatste hoofdstuk van de wereldgeschiedenis.