Tussilago farfara / Klein hoefblad

Klein hoefblad, Tussilago farfara L., is een overblijvende soort uit de Composietenfamilie of Asteraceae, die lange ondergrondse wortelstokken heeft, met soms meterslange uitlopers. Uit die wortelstokken komt vroeg in het voorjaar, vaak zelfs nog in de winter, een aantal bloemstelen te voorschijn met schubben. Deze eironde tot lancetvormige schubben kunnen groen of roodachtig-bruin van kleur zijn. Bladeren komen pas later te voorschijn. Deze zijn rondachtig, 10-20 cm breed soms zelfs wel tot 30 cm. De voet is hartvormig, en de rand is hoekig en ongelijk getand. Van boven zijn ze spinnewebachtig behaard, maar worden later tussen de nerven kaal. De onderkant is viltig wit.

Bloemknoppen ontwikkelen zich in de periode augustus in de oksels van de bladeren, die naderhand vergaan. Gedurende de tweede helft van de winter (jan.-febr.) ontwikkelen zich bundels bloeistengels, waaruit dan de bloeiwijzen te voorschijn komen. De goudgele bloemen tref je aan in de periode van februari, soms in januari al, tot eind april, soms tot begin mei. De bloemen bereiken een hoogte van tussen de 7 en 25 cm.

Klein hoefblad is een echte pionierssoort, je vindt Klein hoefblad op vochtige, zeer voedselrijke grond, die omgewerkt is en meestal kalkhoudend en soms tegen het brakke aan. Je vindt de soort dan ook op zandige oevers van rivieren, langs bermen, akkerranden en dergelijke. Op lichte klei en lemige bodems, dus ook langs bouwplaatsen en dergelijke. In de duinen komt het alleen voor in infiltratiegebieden, dus daar waar redelijk voedselrijk water wordt ingelaten. Tref je Klein hoefblad aan in zandige gebieden dan kun je ervan uitgaan dat ter plaatse de bodem lemig is bij voorbeeld doordat er andere grond gestort is. De plant is ook weinig gevoelig voor metalen en verontreinigingen, je vindt de soort dan ook wel op vervuilde terreinen.


Klein hoefblad etymologie
De naam  ‘tussilago’ komt van ‘tussis’ hoesten en ‘agere’ verdrijven, naar zijn hoestdempende werking en dus zou het kunnen dat de Nederlandse naam oorspronkelijk ‘hoestblad’ geweest is. Ook de Grieken noemden haar ‘becchion’ van besso (hoesten). Zowel bij Plinius als bij Dioscorides vinden we de plant als hoestblad terug, met de nodige ingewikkelde recepturen, zoals het opzuigen van smeulende bladeren door een pijpje.

Uiteindelijk heeft de naam Hoefblad het gewonnen. In de Codex Bonnensis (11de eeuw) wordt het ‘Rossehuf’ (hoef van een ros), Bock in zijn ‘Neu Kreuterbuch’ zegt Rosshuf en Fuchsius (1543) spreekt zelfs over Peertsclauwe, tenminste in de Nederlanse vertaling. Hoe dan ook de officiële Nederlandse en Latijnse naam is nu Klein hoefblad – Tussilago farfara en Groot hoefblad – Petasites hybridus en dat kan alleen nog veranderen mits toestemming van een officiële taalcommissie. Ja, ook daar hebben wij officiële instanties voor.

Nog wat namen
Tussilago farfara L., Tussilage, pas d'âne (Frankrijk), Coltsfoot (GB), Gemeiner Huflattich (Duitsland)
Andere Engelse namen voor Klein hoefblad: assfoot, Butterbur, Butter dock, Coughwort, coltsfoot (veulenvoet), horsefoot, foalfoot, bull'sfoot, horsehoof, colt-herb, clayweed, cleats, dove-dock,
Andere Franse namen voor Klein hoefblad: chou de vigne, herbe de Saint-Quirin, herbe aux pattes, pas de cheval, pied de cheval, racine de peste, taconnet.



H. Kleijn (1970), Planten en hun naam

Tussilágo | Tussilágo fárfara: Klein hoefblad
Tussilago is samengesteld uit tussis: hoesten, en agere: verdrijven, dus hoestverdrijver. De soortnaam farfara is waarschijnlijk af te leiden van het Latijnse far: meel, en ferre: dragen, omdat in jeugdige toestand de onderzijde van het blad er als met meel bestoven uitziet. Het valt echter op dat geen der volksnamen hierop attendeert. Een dergelijke eigenschap moet volgens ons toch niet aan de aandacht van de bevolking ontsnapt zijn. Een andere opvatting is dat farfara afkomstig is van een oude benaming van de Witte abeel (Pópulus álba), die luidde: farfarus. De bladeren van deze boom hebben eveneens een witachtige onderkant en de vorm van het blad lijkt ook op dat van het Klein hoefblad. Slaan we onze Dodonaeus weer eens op dan lezen we: ‘Den Witten Populier wort Griecx Leuce geheeten, in Latijn Populus alba, dat is Witten Populier, van sommige Farfarus, als blijct uut Plautus in sijn Comédie Penulus.’

De naam Hoefblad is algemeen ingeburgerd, maar eigenlijk zou de plant Hoestblad moeten heten, zoals ook uit de geslachtsnaam Tussilago blijkt. Het gebruik als hoestmiddel was reeds bij de Ouden bekend. De Grieken noemden haar bechion, afkomstig van besso: hoesten. Zo bekend was het kruid als middel om de hoest te verdrijven dat Plinius bij zijn beschrijving van de plant ook nog een recept vermeldde. Het luidde als volgt: Men moet de wortel op houtskool van cypressenhout leggen en de rook hiervan door een trechter inademen. Ingewikkelder en zeker niet doeltreffender lijkt ons het recept van de Franse arts Marcellus Empericus uit de vijftiende eeuw. Volgens hem moet men de bladeren op een donderdag tijdens eb plukken, maar dan bij afnemende maan. Daarna moesten zij in een nieuwe ijzeren pot gedaan worden waarin zich gloeiende kolen bevonden. Vervolgens moest de hoestlijder met een pijpje de rook die dan ontstond opzuigen. Het gebruik om de plant bij hoest te gebruiken vinden we reeds bij Dioscorides vermeld. Hieruit blijkt wel dat de naam Hoestblad oudere papieren bezit dan Hoefblad, maar aan verandering is niet meer te denken; de naam Hoefblad is reeds te lang in gebruik. Hoefblad sprak waarschijnlijk meer tot de bevolking, want de hoefvorm van het blad was direct waarneembaar.

Zo heet de plant reeds in ca. 1150: Huoflatecha minor. Deze naam is van Oudduitse oorsprong en samengesteld uit huof: hoef, en letihha uit het Middellatijnse lapatica waarmede men in het algemeen planten met grote bladeren aanduidde. In de ‘Codex Bonnensis’ uit de elfde eeuw, dus een eeuw eerder, komen we de naam Rossehuf tegen, en in 1539 bij H. Bock heet zij Rosshuf, met de volgende toelichting: ‘Darumb dass die linden Bletter mit ihren strämlein, Ecken, und Äderlein einem Rosshuf ähnlich sind.’
Dus Paardehoef! In 1543 geeft L. Fuchs in zijn ‘Neu Kreuterbuch’ haar de naam van Peertsclauwe. Bovengenoemde oude namen zijn volgens ons niets anders dan vertalingen van een oude Latijnse benaming, die Ungula caballina: Paardehoef luidde. Zo staat voor oostelijk Drente Paardehoef genoteerd en voor Friesland Paardevoet. Verder staan in ons land nog genoteerd: Hoeven, Hoefkruid, Klein hoefjesblaar, Hoevenbladeren en voor vele plaatsen Oefblad. Een Zeeuws gezegde luidt: ‘Hoeven doen de boeren bedroeven’, hetgeen op dit lastige onkruid wijst dat door zijn taaie wortelstokken moeilijk uit te roeien is.

De naam Geiteblad (Aalsmeer) slaat op het feit dat de plant wel door geiten gegeten wordt, maar niet door ander vee. In Friesland spreekt men van Poddeblèden, omdat de schaduwminnende padden zich gaarne onder de bladeren terug trekken. De gedroogde bladeren werden in tabaksurrogaten verwerkt en men sprak dan van Tabak en Tabaksbladen. In 1656 beveelt Joh. van Beverwijck in zijn ‘Schat der ongesontheyt’ de bladeren, als tabak gerookt, aan bij oude hoest. Zo vormen onder meer de bladeren een bestanddeel van de zogenaamde astmasigaretten. In vele hoestmiddeltjes wordt nog steeds het blad verwerkt. In de Codex Medicamentorum Neerlandicus komt zij nog steeds voor.
Een naam die in de vergetelheid geraakt is, is die van Brandlatuw, in Middelnederlands Brantlighe, en bij L. Fuchs Brantlattouwe. Deze benaming slaat op het gebruik van de gekneusde bladeren bij brandwonden, omdat zij verkoelend zouden werken. Dit latuw of lattighe is hier niet op te vatten als sla (Latuw) maar als een verbastering van lapatium of lapatica, waaronder men indertijd allerlei planten met grote bladeren verstond, zoals de Klis en anderen. Of de naam Zoon voor de vader een echte volksnaam geweest is zouden we niet willen beamen. Volgens onze notities komt de Latijnse benaming van Zoon voor de vader, afkomstig van De filio ante patrem voor het eerst voor bij de botanicus Eyselius (1714) en is toen in bovengenoemde naam vertaald en overgenomen. Deze naamgeving is ontstaan omdat de bloemen en de zaden reeds verschenen zijn, voordat de bladeren zich ontwikkeld hebben. De naam Stinkblad, in Groningen en op Walcheren in gebruik, spreekt volgens ons voor zich zelf. Namen die reeds zeer oud zijn, maar die waarschijnlijk sinds lang niet meer in het spraakgebruik voorkomen zijn: Querijnskruid en Sinte-Carijnskruid. Bij Heukels vinden we dan ook geen nadere plaatsaanduiding, waaruit wel blijkt dat in 1906 de plant niet meer onder deze benamingen onder de bevolking voorkwam. Slaan we het Middelnederlandsch Woordenboek op dan lezen we onder het hoofd Quirijn: ‘Naam van een heilige, Quirinus, die werd aangeroepen en naar wien bedevaarten werden gedaan om verlost te worden van beenwonden. Korijn in het Vlaams; Korijnzeere, etterende huidziekte.’
‘Sood agelix veel biddinge vallet voor die kerckdueren van bedevaerden te doen van Sinte Cornells, van Sinte Quirijn ende van andere gebreken:’ Uit een Leids keurboek. Verder vinden we nog dat het kruid vroeger ook heette Herba Sancti Quirini, als herinnering aan de Romeinse tribuun Quirinus, die tot het christendom toetrad toen paus Alexander zijn dochter van een klierziekte afhielp.

Over de namen Dok, Dokke, Dokkebladeren en dergelijke willen we iets uitvoeriger zijn, omdat meerdere niet verwante plantesoorten een dergelijke naam hebben, zoals Groot hoefblad (Petasítes hýbridus), Klein hoefblad (Tussilágo fárfara) Klis (Arctium), Witte waterlelie (Nympháéa álba), Gele plomp (Núphar lúteum), Watergentiaan (Nymphoídes peltáta), Waterzuring (Rúmex hydrolápathum), en Veldzuring (Rúmex acetósa). Slaan we nu E. Paque (De Vlaamse volksnamen der planten) op, dan geeft hij bij Dokkeblad en Dokkeblaren als volksnaam voor Witte waterlelie, Gele plomp; en voor Water gentiaan, Dokkebladje en Kleijn dokkebladje. Hij geeft als verklaring ‘dat de reden van dien naam te zoeken is in ’t woord meervoud dokken: plant die in de dokken of wateren groeit.’ Hiermede zouden we genoegen kunnen nemen, maar hij vermeldt ook dat te Vollezeele de Klis, vooral de Kleine klis, eveneens de naam Dokke heeft; de Klis is echter geen waterplant maar een echte landplant. Slaan we nu Heukels Woordenboeck der Nederlandsche volksnamen van planten op, dan treffen we de volgende plantennamen aan die de namen Doek en Dokke, al of niet verbonden met achtervoegsels, dragen. Hij geeft ook Vlaamse namen.
Waterlelie In het Middelnederlands Dock(e). Geen hedendaagse naam met Dok. In Vlaanderen Dokke, Dokkeblad en Dokkebloem.
Gele plomp Alleen in Vlaanderen Dokkeblad en Dokkebloem.
Watergentiaan Alleen in Vlaanderen Dokkebladje en Klein dokkeblad.
Klis Bij Heukels Dokkebladen zonder nadere plaatsaanduiding. In het Middelnederlands Dock(e) en bij Fuchs (1543) Docke-bladeren. In Vlaanderen Dokkeblad.

Groot hoefblad Middelnederlandse naam Docke; bij Dodonaeus Dockeblad, en in Die Ortis sanitatis van 1514 Dockeblaederen. Heukels geeft Dokkebladen op voor Zuid-Beveland, Walcheren en Zeeuws-Vlaanderen. In het nabije Vlaanderen geen naam met Dok of Dokke.
Klein hoefblad In het Middelnederlands Dock(e). Op Zuid-Beveland en in Zeeuws-Vlaanderen heet de plant Dok. In het Land van Hulst komt behalve Dokke ook Dokkeblaren voor. Op Noord-Beveland en in Zeeuws-Vlaanderen spreekt men van Dokken. Op Zuid-Beveland, in het Land van Hulst en in Zeeuws-Vlaanderen komt Klein dokkeblad voor. Ook bij deze soort geen naam met Dok of Dokke. Dat de naam Dokke een veel gebruikte naam is in het Zeeuwse taalgebied kunnen we opmaken uit het gezegde ‘Zó geel az ‘n dokke’, doelende op de helder-gele bloemen van deze soort.
Waterzuring In Vlaanderen Dokke(blaren), Dokkewortel en Brede dokke, maar geen benaming met Dok in ons land.
Veldzuring In het Middelnederlands Dokke(blaren) en Dokkewortel, maar geen huidige Nederlandse naam met Dok, ook niet in Vlaanderen.
Delen we de planten naar hun natuurlijke groeiplaats - water - in, dan valt het op dat bij Paque alleen planten voorkomen die onder het begrip echte waterplanten vallen, met uitzondering van de Klis. Verder komt nog voor de Waterzuring; botanisch gezien is het geen echte waterplant maar de Vlamingen zagen in deze soort wel een waterplant, naar aanleiding van haar groeiplaats: in sloten, plassen en tussen het riet. Vandaar dan ook de Vlaamse volksnamen Dokke(blaren), Dokkewortel en Brede dokke. In het huidige Nederlandse spraakgebruik komen echte waterplanten niet meer met de benaming Dok en dergelijke voor. Alleen kennen we de Middelnederlandse naam Dock(e) voor de Waterlelie. In Vlaanderen is het juist andersom. Bij de tegenwoordige Nederlandse benamingen met Dok komen daarentegen alleen plantesoorten voor, die niet in het natte element hun natuurlijke groeiplaats hebben, maar op het land.
Maar hoe staat het met de naam Dok bij de landplanten? Moeten we hier gaan denken aan het vroegere gebruik dat van de grote bladeren van deze planten gemaakt werd? Men gebruikte namelijk de bladeren als een soort hoofddeksel om zich op het veld tegen een te felle zon te beschermen. Dus als een soort zonnehoed. Slaan we Grimm op dan lezen we onder meer bij Dock: ‘Geschmückte Kopfbedeckung, Mutze, Haube für Männer und Frauen’. Het Franse woord voor baret of fluwelen hoed is toque. Een der volksnamen voor de Klis luidt Dockenkraut: een plant met zeer grote bladeren. Nu is het opvallende dat de benaming Dokke niet in het oosten van ons land voorkomt maar wel op de Zeeuwse eilanden en in Zeeuws-Vlaanderen, waar de Vlaamse beïnvloeding vaak een rol heeft gespeeld. De oplossing is er volgens ons niet nader door gekomen.
Vele kwalen en ziekten kon men met dit kruid verhelpen of genezen, maar we zullen hierop echter niet dieper in gaan, en slechts volstaan met een ‘recept’ te vermelden: wanneer men kiespijn had, was het voldoende de viltachtige onderkant van het blad tegen de pijnlijke plek op de wang te houden.
Een ander gebruik dat men maakte van de viltige haren was deze dienst laten doen als tondel. Men verwijderde de haartjes van het blad, drenkte deze in een oplossing van salpeter en vervolgens werd de gedroogde substantie in de tondeldoos gedaan. Zoals bekend werd de tondel gebruikt om vuur te maken. Behalve de haren van dit blad, gebruikte men ook verkoold linnen en het geprepareerde vruchtlichaam van de vuurzwam.



Coltsfoot monograph

Scientific Name(s): Tussilago farfara L. Family: Asteraceae (daisies)
Common Name(s): Coltsfoot , coughwort , feuilles de tussilage (Fr.) , horse-hoof , huflattichblätter (Ger.) , kuandong hua

Botany
Coltsfoot is a low-growing perennial (up to 30 cm high) with fleshy, woolly leaves. In early spring, the plant produces a stem with a single golden-yellow, narrow, ligulate flower head that blooms from April to June. As the stem dies, the hoof-shaped leaves appear. The plant is native to Europe, but also grows widely in sandy places throughout the United States and Canada. 5 Coltsfoot is collected widely from wild plants in the Balkans, Eastern Europe (Bulgaria, Czechoslovakia, Hungary, Poland, the former Yugoslavia), and Italy. 6 It has also been a part of Chinese folk medicine for centuries. The morphology and anatomy of coltsfoot have been described in detail, including the plant's underground parts. 7 A later report on leaf differentiation is also available. 8

History
As part of its Latin name Tussilago implies, coltsfoot is reputed as an antitussive. 9 The buds, flowers, and leaves of coltsfoot have long been used in traditional medicine for dry cough and throat irritation. The plant has found particular use in Chinese herbal medicine for the treatment of respiratory diseases, including cough, asthma, and acute and chronic bronchitis. It is also a component of numerous European commercial herbal preparations for the treatment of respiratory disorders. A mixture containing coltsfoot has been smoked for the management of coughs and wheezes, but the smoke is potentially irritating. Its silky seeds were once used as a stuffing for mattresses and pillows. 10 Extracts of coltsfoot had once been used as flavorings for candies. All early references emphasize the usefulness of coltsfoot's mucilage for soothing throat and mouth irritation. 6

Chemistry
Coltsfoot contains a number of diverse components including tannins, a mucilage, terpene alcohols, carotenoids, and flavonoids. 11 The mucilage is present in a concentration of approximately 8%. It yields sugars following hydrolysis including arabinose, fructose, galactose, glucose, and others. 12 Water-soluble polysaccharides from coltsfoot leaves have been reported. 13 , 14 Mucilaginous polysaccharides have been investigated in another report. 15 Tussilagone, a sesquiterpene, has been isolated from ether extracts of the plant. It is a potent cardiovascular and respiratory stimulant. 16
Acids found in coltsfoot include caffeic, caffeoyltartaric, ferulic, gallic, p-hydroxybenzoic, tannic, malic, and tartaric. 12
Farfaratin, a novel sesquiterpenoid compound, has been isolated from flower buds collected from the Shaanxi Province in China. 17 At least 7 pyrrolizidine alkaloids, 18 including tussilagin, 19 senkirkine, 20 and senecionine 10 have been identified in coltsfoot. Coltsfoot leaves contain 2.8 to 4.1 ppm and the flowers 2.4 ppm senkirkine. 21 Quantitative gas chromatographical analyses of pyrrolizidine alkaloids have been performed for various commercial coltsfoot preparations. 22
Other constituents in coltsfoot include choline, paraffin, phytosterols, amyrin, and volatile oil. 10 , 12 A recent report reviews chemistry and other aspects of the plant. 23

Uses and Pharmacology

Demulcent
Coltsfoot preparations have long been used to soothe sore throats. The mucilage is most likely responsible for the demulcent effect of the plant. The mucilage is destroyed by burning; smoking the plant or inhaling vapors of the leaves steeped in water would not be expected to provide any degree of symptomatic relief. Instead, the smoke may exacerbate existing respiratory conditions. However, one source mentions coltsfoot in the form of a medicinal cigarette to help relieve asthma. 20 Related conditions for which coltsfoot has been used include bronchitis, laryngitis, pertussis, influenza, and lung congestion. 9 , 10 , 12 It is one of the most popular European remedies to treat chest ailments. 24

Animal data
Coltsfoot components have been found to increase the cilia activity in the frog esophagus, and this action may contribute to the plant's expectorant effect. 25

Clinical data
Coltsfoot, in a mixture of Chinese herbs, has been evaluated in 66 cases of convalescent asthmatics and found useful in decreasing airway obstruction. 26

Anti-inflammatory
Coltsfoot polysaccharides and flavonoids have anti-inflammatory actions. 24 This effect was similar to that of indomethacin in one report. 27

Animal data
Weak anti-inflammatory actions have also been observed when tested against induced rat paw edema. 12

A compound designated L-652,469, was isolated from coltsfoot buds. This compound has been found to be a platelet-activating factor (PAF) inhibitor and a calcium channel blocker. PAF is known to be an integral component of the complex cascade mechanism involved in both acute and chronic asthma, and a number of naturally occurring PAF antagonists are being clinically evaluated for the treatment of this and other inflammatory diseases. The isolation of PAF antagonists from coltsfoot indicates that the traditional uses of the plant in the management of certain inflammatory respiratory diseases may be verifiable. 28

Clinical data
Research reveals little or no clinical data on the anti-inflammatory action of coltsfoot.

Other uses
L-652,469 is also a competitive inhibitor of the calcium channel in the rat aorta, but the clinical importance of this finding has not been explored.
Tussilagone is a potent cardiovascular stimulant. When administered intravenously (0.02 to 0.3 mg/kg), it produced a rapid and dose-dependent pressor effect in dogs. This increase in blood pressure was similar to that observed following the administration of the cardiac stimulant dopamine. The increase in blood pressure was short-lived, lasting about 5 minutes. Tussilagone also increased the rate of respiration. The cardiovascular effects appear to be peripherally mediated, while the site of respiratory stimulation is central. 16
Aqueous leaf extracts and phenolic components have been found to have in vitro antibacterial activity generally limited to gram-negative bacteria. 29 Some of these organisms include Staphylococcus aureus , Bordetella pertussis , Pseudomonas aeruginosa , and Proteus vulgaris . 12
A report discusses coltsfoot's historical, traditional, and modern medical uses, along with the plant's pharmacology and toxicity. 30

Dosage
Because of the content of hepatotoxic pyrrolizidine alkaloids, coltsfoot is not recommended for internal use. Historical use of 4.5 to 6 g/day of crude herb has been documented. 1

Pregnancy/Lactation
Documented adverse effects (hepatotoxic pyrrolizidine alkaloids, risk of fatal hepatic veno-occlusive disease, abortifacient effects). Avoid use. 2 , 3 , 4

Interactions
None well documented.

Adverse Reactions
Several members of this family of plants (eg, chamomile, ragweed) cause common allergies, and some people may exhibit a cross-sensitivity to coltsfoot. 31 While coltsfoot is only a weak topical sensitizer in guinea pigs, other members of the family are strong sensitizers (blessed thistle, dwarf sunflower), and cross-sensitivity may exist. 32

Toxicology
The use of teas prepared from coltsfoot has not generally been associated with acute toxicity.
Several reports have noted the presence of hepatotoxic pyrrolizidine alkaloids in coltsfoot. Pre-blooming flowers have been reported to contain the highest concentration of these alkaloids, although considerable loss of both senkirkine and senecionine occurs upon prolonged storage of the plant. 12 In one long-term safety study, the alkaloid senkirkine (0.015% by weight in dried flowers) was incorporated into rat diets in concentrations of up to 8% of the diet for 2 years. Among the rats fed the 8% meal, two-thirds developed cancerous tumors of the liver characteristic of pyrrolizidine toxicity. 19 This alkaloid is also present in the leaves. 33 The acute intravenous LD-50 of tussilagone is 28.9 mg/kg. 16 These pyrrolizidine alkaloids have well documented toxicities in humans as well, presenting as anorexia, lethargy, abdominal pain and swelling, and liver changes. The alkaloids destroy the liver's hepatocytes and damage small branches of the hepatic vein. In Germany, consumption of more than 1 mg of pyrrolizidine alkaloids per day is prohibited. 34

Of interest is a case of reversible hepatic veno-occlusive disease in an infant after consumption of coltsfoot, later found to be Adenostyles alliariae (these two plants can be easily confused, especially after the time of flowering.) Seneciphylline and related hepatotoxins were identified via thin-layer chromatography, mass spectrometry, and NMR spectroscopy. 35

Coltsfoot has been classified by the FDA as an herb of “undefined safety.” 36 However, although the pyrrolizidine alkaloids of coltsfoot are hepatotoxic, mutagenic, and carcinogenic, there is little danger of acute poisoning when it is used as prescribed as an occasional tea or cough preparation. 6 The German Commission E Monographs recommend a limit of 10 micrograms per day of pyrrolizidine alkaloids with the 1,2–unsaturated necine structure, including their N-oxides. 37

Excessive consumption of coltsfoot may interfere with preexisting antihypertensive or cardiovascular therapy. Prolonged ingestion of the plant should be avoided. Duration of administration should not exceed 4 to 6 weeks per year. 37 Because the plant may be an abortifacient, it should not be taken during pregnancy or lactation. 12 The flowers of coltsfoot should not be used. The plant is subject to legal restrictions in some countries. 24

Bibliography
1. Gruenwald J, ed. PDR for Herbal Medicines . 2nd ed. Montvale, NJ: Thomson Medical Economics; 2000: 209-211.
2. Brinker FJ. Herb Contraindications and Drug Interactions . 2nd ed. Sandy, OR: Eclectic Medical Publications;1998.
3. Newall CA, Anderson LA, Philipson JD, eds. Herbal Medicines: A Guide for Health-Care Professionals . London: Pharmaceutical Press; 1996.
4. Ernst E. Herbal medicinal products during pregnancy: are they safe? BJOG . 2002;109:227-235.
5. Tyler, VE. The New Honest Herbal . Philadelphia: GF Stickley Co., 1987.
6. Bisset NG. Herbal Drugs and Phytopharmaceuticals . Stuttgart: Medpharm Scientific Publishers, 1994.
7. Engalycheva E, et al. Farmatsiia . 1981;30(3):21-26.
8. Saukel J. Scientia Pharmaceutica . 1991(Dec 31);59:307-19.
9. Bruneton J. Pharmacognosy, Phytochemistry, Medicinal Plants, Technique and Documentation . Paris, France, 1995.
10. Duke J. CRC Handbook or Medicinal Herbs . Boca Raton, FL: CRC Press Inc. 1989;493-4.
11. Didry N. Annales Pharmaceutiques Francaises . 1980;38(3):237-41.
12. Newall C, et al. Herbal Medicines . London, England: Pharmaceutical Press, 1996;85–86.
13. Haaland E. Acta Chem Scand . 1969;23(7):2546-48.
14. Engalycheva E, et al. Farmatsiia . 1984;33(3):13-16.
15. Franz G. Planta Medica . 1969(Aug);17:217-20.
16. Li Y, et al. Gen Pharmacol . 1988;19(2):261-63.
17. Wang C, et al. Yao Hsueh Hsueh Pao . 1989;24(12):913-16
18. Sener B, et al. Gazi Universitesi Eczacilik Fakultesi Dergisi . 1993;10(2):137-41.
19. Roder E, et al. Planta Medica . 1981(Sep);43:99-102.
20. Hirono I, et al. Gann . 1976;67(1):125-9
21. Steinbach R, et al. Pharmazeutische Zeitung . 1989(Jun 5);134:25-26, 28-29.
22. Wiedenfeld H, et al. Deutsche Apotheker Zeitung . 1995(Mar 23);135; 17-18, 21-22, 25-26.
23. Berry M. Pharmaceutical Journal . 1996(Feb 17);256:234-5.
24. Chevallier A. Encyclopedia of Medicinal Plants . New York: DK Publishing, 1996;277.
25. Muller-Limmroth W, et al. Fortshr Med . 1980;98(3):95-101.
26. Fu JX. Chung Hsi I Chieh Ho Tsa Chih . 1989;9(11):658.
27. Engalycheva E, et al. Farmatsiia . 1982;31:37-40.
28. Hwang S, et al. Eur J Pharmacol . 1987;141(2):269-81.
29. Didry N, et al. Annales Pharmaceutiques Francaises . 1982;40(1):75-80.
30. Salvador R. Canadian Pharmaceutical Journal . 1996(Jul-Aug);129:48-50.
31. Anonymous. Toxic Reactions to Plant Products Sold in Health Food Stores. Med Lett . 1979;21(7):29.
32. Zeller W, et al. Arch Dermatol Res . 1985;227(1):28.
33. Smith LW, et al. J Nat Prod . 1981;44:129.
34. Schulz V, et al. Rational Phytotherapy — A Physician's Guide to Herbal Medicine , 3rd ed. Berlin, Germany: Springer-Verlag, 1998;34.
35. Sperl W, et al. Eur J Pediatr . 1995;154(2):112-16.
36. DerMarderosian AH, Liberti LE. Natural Products Medicine . Philadelphia: GF Stickley Co., 1988.
37. Blumenthal M, ed. The Complete German Commission E Monographs . Austin, TX: American Botanical Council; Boston: Integrative Medicine Communications, 1998.



Hoefblad, 420ste kapittel. Gart der Gesundheit
Ungula caballina Latijn Grieks en Arabisch phatanum. (Tussilago farfara)
De meesters spreken dat dit heeft brede bladeren gelijk de bladeren nenufar, dat zijn waterlelie bladeren. Deze bladeren zijn inwendig groen en uitwendig wit. Van dit kruid staat geschreven in het boek Plinius die er van zegt erg grote deugd van dit kruid. (2) Hoefblad is erg goed voor vloeiende schade, de bladeren daarop gelegd. Ook is dit goed de kinderen die vloeiende hoofden hebben, dat trekt veel slijm en vochtigheid uit. (3) Wie zich gebrand heeft met vuur of met poeder die legt de bladeren op de schade, het trekt alle hitte daaruit. Het sap van dit kruid heeft alle deugd als dat kruid. Dit sap gemengd met het sap fumi terre, dat is aardrook, en daarmee gesmeerd ook de vlekken die de zon gebrand heeft aan het lijf, die ruwheid vergaat gelijk en maakt de huid zuiver en schoon. [454]



Dodonaeus over klein hoefblad
Naam.
(1) Dodonaeus; ‘Dit kruid wordt in het Grieks Bechion genoemd, in het Latijn ook Bechium, maar meest Tussilago, in de apotheken Farfara en Ungula caballina en soms Pata equina, van andere Populago of Farfarella, in Hoogduitsland heet het Roszhuf en Brantlattich, hier te lande hoefbladeren. De namen van dit gewas zijn menigvuldig en behalve de voor vermelde, te weten peerdts-klauwe en brandt-lattige of brandt-lattouwe en Sinte Carijns-cruydt of Sinte Quirijns-cruydt, in het Hoogduits Eiterziechen en Huflatich, Voorts zo is dit gewas Bechion en Tussilago naar zijn krachten genoemd, te weten omdat het de hoest genezen kan, het heet Populago en Farfara naar de gelijkenis van de bladeren met de witte populierbladeren, want de abeelboom of witte populier was in oude tijden op het Latijns Farfarus genoemd als blijkt uit Plautus in Poenulo’.
 
In 1150 komt Huoflatecha minor voor, Hoofkebladen. Dit woord is afgeleid van het oud-Hoogduits huof: hoef, een eeuw daarvoor werd het Rossehuf genoemd, kleine Rosshube, omdat het blad de vorm heeft van een hoef.
Huflatich of Hufletta minor bij Hildegard. In het Duits wordt het Huflattich genoemd, naar de hoefachtige vorm van het blad. Het tweede deel, lattich, heeft niets met lattich (van Latijn lactuca): sla, van doen. Dit woord behoort tot het midden-Latijns lapatica, van Grieks lapathon: ampher; bitter, dat verscheidene grootbladige planten omvat als klit en zuring. Zie Rumex, Arctium en Petasites.
 
Gebruik.
Dodonaeus; ‘Hoefbladeren die noch groen en vers zijn, zijn wat verkoelend van aard met enige droog makende kracht.
  • Die groene hoefbladeren gestoten en met honig gemengd genezen het wild vuur en allerhande gezwellen en zeren, daarop gestreken of gelegd. Maar dezelfde hoefbladeren als ze droog zijn zijn ze wat verwarmend en droog makend en daardoor wat scherpachtig.
  • Deze droge hoefbladeren op gloeiende kolen gelegd en de rook die er van komt door een trechter of riet met open mond ontvangen is goed tegen de droge hoest en dampigheid op de borst of benauwdheid en kortheid van adem en doet zonder grote arbeid of pijn de blaren in de borst uitbreken. Diergelijke kracht heeft ook de droge wortel van dit kruid als ze ontstoken en gebrand wordt en de rook er van in de mond ontvangen wordt.
  • Die wortels met suiker gekonfijt of als wafeltjes en likkingen bereidt of tot een likking gemaakt zijn zeer nuttig tegen de verouderde hoest en tegen het moeilijk herhalen van de adem.
  • Het water daar de verse bladeren van dit gewas en de wortelen er van in gekookt zijn of ook een siroop er van gemaakt is zeer goed om de net beginnende hoest en die van dunne zinkingen veroorzaakt is te genezen. Dit kruid heeft onder andere krachten een die bijzonder is om de longen te versterken met de gehele borst, hoe dat gebruikt wordt.
  • Gewone hoefbladeren worden gedroogd en tot poeder gebracht welk poeder op de spijs van de uitterende mensen gestrooid wordt die geneest.
  • Van de wortel van hoefbladeren wordt het Loch de farfara in de apotheken gemaakt dat tegen alle voor vermelde gebreken zeer nuttig is.
  • Het gedistilleerd water van dit ganse kruid van binnen gebruikt verzoet alle ontstekingen van de lever, maag en longen en geneest de hete koortsen en vooral als er vlierbloemen en nachtschade bladeren in het distilleren mee gemengd worden.
  • Hetzelfde gedistilleerd water van buiten opgelegd en gestreken of genat verkoelt alle ontstekingen en brand van de pestachtige zeren en is goed tegen het wild vuur en verbranding daar de bladeren en het sap ook zeer nuttig toe zijn.
  • Hetzelfde water en ook de bladeren op het voorhoofd gehouden en gestreken of met doekjes opgelegd verzoeten de brand en pijn van het hoofd in de hete koortsen en vooral in de inwendige brand van de verborgen vrouwelijke leden.
  • De wortel in honigwater gekookt en gedronken jaagt de dode vrucht en nageboorte af.
  • (2) Het kruid zelf is goed voor de lopende gaten als de bladeren er op gelegd worden en de kinderen die lopende ogen hebben.
  • (3) Die zich met vuur of ergens anders mee verbrand heeft zal deze bladeren op de verbranding leggen en zo zullen ze de hitte er uit trekken.
  • Plinius schrijft zijn Chameleuce diergelijke krachten ook toe en zegt dat de wortel daarvan op gloeiende kolen van cipreshout gelegd en de rook in de mond door een trechter ontvangen zeer goed is tegen de verouderde hoest.
  • Rondom de wortel van hoefbladeren groeit witachtig mos en indien ge dat verzamelt en zeer goed zuivert en daarna in een linnen doek windt met wat salpeter en alzo wat tijd laat koken in loog en in de zon verdrogen dan zal ge een zeer goede vonk hebben om te gebruiken in een vuurslag want het zal zo gemakkelijk vuur ontvangen dat het met de eerste slag zal vonken en ontsteken.’
 


References about Tussilago(36)

1.Lambert PY (1994) La langue gauloise, Edition Errance, Paris
2.Tela botanica: http://​www.​tela-botanica.​org/​site:botanique
3.The plant list: http://​www.​theplantlist.​org
4.Integrated Taxonomic Information System: http://​www.​itis.​ gov/servlet/SingleRpt/SingleRpt?search_topic=TSN&search_ value=38583
5.Wichtl M, Anton R (2003) Plantes thérapeutiques: tradition, pratique officinale, science et thérapeutique. EMI/Tec & Doc, Paris
6.Wikimedia: https://​commons.​wikimedia.​org/​wiki/​File:Coltsfoot_ (Tussilago_farfara)_-_geograph.org.uk_-_196076.jpg
7.Barnes J, Anderson LA, Philipson JD (2007) Herbal Medicines, 3rd edition. London (UK): The Pharmaceutical Press
8.Blumenthal M, Busse WR, Goldberg A, et al (1998) The Complete German Commission E Monographs. Therapeutic guide to herbal medicine, Ame Botan Council, Austin, Texas
9.Browinska-Szmalowa Z (1955) Macroscopic differentiation of Tussilago farfara L. from Arctium lappa L. and Petasites officinalis Moench. Farm Pol 1: 12
10.Adamczak A, Buchwald W, Gryszczynska A (2012) Phytochemical variability of coltsfoot (Tussilago farfara L.) in Poland. Herba polonica 58:7–13
11.Haaland E (1969) Water-soluble polysaccharides from the leaves of Tussilago farfara L. Acta Chem Scand 23: 2546–8CrossRefPubMed
12.Berry M (1996) coltsfoot. Pharma J 256 (6890): 234–5
13.Zhao J, Evangelopoulos D, Seidel V, et al (2014) Antitubercular activity of Arctium lappa and Tussilago farfara extracts and constituents. J Ethnopharmacol 155: 796–800CrossRefPubMed
14.Nedelcheva A, Kostova N, Sidjimov A (2015) Pyrrolizidine alkaloids in Tussilago farfara from Bulgaria. Biotechnol Biotechnological Equipment 29: S1–S7CrossRef
15.Rosberger DF, Resch JF, Meinwald J (1981) The occurrence of senecione in Tussilago farfara. Mitt Geb Lebensm Hyg 72: 432–6
16.Röder E, Wiedenfeld H, Jost EJ (1981) Tussilagine- a new pyrrolizidine alkaloid from Tussilago farfara. Planta Med 41: 99–102CrossRef
17.Avula B, Sagi S, Khan IA; et al (2015) Characterization and screening of pyrrolizidine alkaloids and N-oxides from botanicals and dietary supplements using UHPLC-high resolution mass spectrometry. Food Chem 178: 136–48CrossRefPubMed
18.Didry N, Pinkas M, Torck M (1980) Phenolic compounds from Tussilago farfara. Ann Pharm Fr 38: 237–41PubMed
19.Didry N, Pinkas M, Dubreuil L, et al. (1982) Components and activity of Tussilago farfara. Ann Pharm Fr 40: 75–80PubMed
20.Didry N, Pinkas M (1982) Antibacterial activity of fresh leaves of Tussilago spp. Bull Soc Pharm (Lille) 38: 51–2
21.Li W, Huang X, Yang XW (2012) New sesquiterpenoids from the dried flower buds of Tussilago farfara and their inhibition on NO production in LPS-induced RAW264.7 cells. Fitoterapia 83: 318–22CrossRefPubMed
22.Judzentiene A, Budiene J (2011) Volatile oils of flowers and stems of Tussilago farfara L. from Lithuania. J Essent Oil-Bearing Plants 14: 413–6CrossRef
23.Hirono I, Mori H, Culvenor CC (1976) Carcinogenic activity of coltsfoot, Tussilago farfara L. Gan 67(1):125–9PubMed
24.Yarnell E, Abascal K (2014) Hepatotoxicity of botanicals. Alternat Complement Ther 20: 136–44CrossRef
25.Mascolo N, Capasso F, Menghini A, et al (1987) Biological screening of Italian medicinal plants for anti-inflammatory activity. Phytother Res 1: 28–31CrossRef
26.Benoit PS, Fong HH, Farnsworth NR, et al (1976) Biological and phytochemical evaluation of plants. XIV. Antiinflammatory evaluation of 163 species of plants. Lloydia 39: 160–71
27.Yi-Ping L, Wang YM (1988) Evaluation of tussilagone: a cardiovascular respiratory stimulant isolated from Chinese herbal medicine. Gen Pharmacol (1988) 19: 261–3CrossRef
28.Hwang SB, Chang MN, Winquist RJ, et al (1987) L-652,469-a dual receptor antagonist of platelet activating factor and dihydropyridines from Tussilago farfara L. Eur J Pharmacol 141: 269–81CrossRefPubMed
29.Lim HJ, Dong GZ, Ryu JH, et al (2015) In vitro neuroprotective activity of sesquiterpenoids from the flower buds of Tussilago farfara. J Enzyme Inhib Med Chem 30(5):852–6CrossRefPubMed
30.Lee HJ, Cho HS, Lee JJ, et al (2014) Tussilago farfara L. augments TRAIL-induced apoptosis through MKK7/JNK activation by inhibition of MKK7-TIPRL in human hepatocellular carcinoma cells. Oncol Rep 32: 1117–23
31.Lau D, Plotkin BJ (2013) Antimicrobial and biofilm effects of herbs used in traditional Chinese medicine. Nat Prod Commun 8: 1617–20PubMed
32.Ieven M, Vanden BDA, Vlietinck A, et al. (1979) Screening of higher plants for biological activities I. Antimicrobial activity. Planta Med 36: 311–21
33.Hwangbo C, Lee HS, Lee JH, et al (2009) The anti-inflammatory effect of tussilagone, from Tussilago farfara, is mediated by the induction of heme oxygenase-1 in murine macrophages. Internat Immunopharmacol 9: 1578–84CrossRef
34.Capasso F, Gaginella TS, Izzo AA, et al (2003) A quick reference to herbal medicine Springer, Berlin, Heidelberg, New York, page 210
35.Roulet M, Laurini R, Calameet A, et al (1988) Hepatic venoocclusive disease in newborn infant of a woman drinking herbal tea. J Pediatr 112: 433–6CrossRefPubMed
36.Wang YM (1979) Pharmacological studies of extracts of Tussilago farfara L. Effects on the cardiovascular system. Acta Pharm Sin 5: 268



Tussilago farfara L. (Asteraceae) is a commonly known medicinal plant in Bulgaria with the most common name ‘podbel’ (bottom is white). This folk name shows the distinct colour of the upper and lower surface of the leaves, namely, white to greyish white lower surface. This well-distinguishable morphology is the basis of phytonims and in the other Slavic folk botany.[1] Coltsfood is a perennial plant widespread in Bulgaria on embankments (soil banks), wet shores, screes, sewers and abandoned places on clay (loamy) soils, in the valleys and foothills up to 1200 m (1800 m) above sea level. It is a pioneer species which is colonizing by anemochory on disturbed and ruderal areas.[2,3] T. farfara is a member of monotypic genera in Bulgaria and is well distinguished in the field.[4,5] Ethnobotany provided data for coltsfoot as a valuable medicinal plant that has been used in folk remedies as herbal tea for a wide range of disorders, such as gastrointestinal and urinary ailments and mainly for pulmonary complaints. The plant is considered a good remedy for blood purification, especially for rheumatism and skin irritations. The fresh crushed leaves are used for external application for the treatment of wounds, burns, injuries, inflammation of the eye, based on the antibacterial and anti-inflammatory properties of the plant. The leaves have been used for smoking as herbal tobacco against asthma.[6,7] Coltsfoot is considered as a honey plant with importance in Europe.[3,8] Although the use of the leaves as edible greens has been reported from several areas of the Balkans [9,10] and neighbouring regions,[11–14] till now, in Bulgaria, such data are not observed.[15]
Flowers and leaves are the parts from coltsfoot that are being used. They are prepared as a powder, extract, infusion and juice (from fresh leaves). Mostly leaves are used daily (it is assumed to be dried leaves, Farfarae folium) as a part of a multi-botanical combination (6–24 mg/daily amount).[16]
The main compounds of the plant are the polysaccharides with anti-inflammatory and immunostimulating activities (mucopolysaccharides, pectin, inulin), flavonoids with anti-inflammatory and antispasmodic action (quercetin, kaempferol and their glycosides, hiperoside), terpenes (tussilagon, α- and β-amyrin, faradiol, bisabolene epoxide), sterols and phenolic acids.[17–20] Pyrrolizidine alkaloids (PAs), including senkirkine, senecionine, seneciphylline, integerrimine, tussilagine and isotussilagine may be present in variable amounts, usually very minor, depending on the source.[20] PAs are of special interest currently, because several of them have been shown to cause toxic reactions in humans, primarily veno-occlusive liver disease, when ingested with foods or herbal medicines. Several PAs have been regarded as both hepatotoxic and carcinogenic.[21–24]. Over the past decade, a number of monitoring studies in Europe on food, honey, feed, herbal teas and tea varieties have been conducted, which showed the presence of PAs in these products.[25–29] In many countries the use of such plants in herbal products is prohibited or restricted.[21,30]
PAs are toxins, exclusively biosynthesized by plants. They are typical plant secondary metabolites against herbivores. PAs are mainly found in Boraginaceae (all genera), Asteraceae (Senecioneae and Eupatorieae) and Fabaceae (Crotalaria).[24] Considering that PAs are natural constituents of a number of plants used for medicinal purposes and that PAs might be part of the food chain, the Committee on Herbal Medicinal Products decided to prepare a public statement on the use of herbal preparations containing PAs,[22] which is currently in process of the risk assessment final report. In Bulgaria the PAs profile has been investigated only for Senecio spp.[31,32] Data are available about PA content in T. farfara from Europe and China – senkirkine, senecionine, tussilagine, isotussilaginine, tussilaginine, syneilesine, acetylsyneilesine, integerrimine, seneciphylline and neosenkirkine.[20,33–36]

Oncol Rep. 2014 Sep;32(3):1117-23. doi: 10.3892/or.2014.3279. Epub 2014 Jun 23. Tussilago farfara L. augments TRAIL-induced apoptosis through MKK7/JNK activation by inhibition of MKK7‑TIPRL in human hepatocellular carcinoma cells.
Lee HJ1, Cho HS1, Jun SY1, Lee JJ1, Yoon JY1, Lee JH1, Song HH2, Choi SH3, Kim SY3, Saloura V4, Park CG5, Kim NS1.
Induction of apoptosis through activation of the TRAIL pathway is considered to be a promising anticancer strategy due to its ability to selectively induce apoptosis in cancer cells. However, the ability of cancer cells to acquire TRAIL resistance has limited the clinical translation of this approach. We previously reported that the TOR signaling pathway regulator-like (TIPRL) protein contributes to the resistance to TRAIL-induced apoptosis by inhibiting the MKK7-c-Jun N-terminal kinase (JNK) pathway via MKK7‑TIPRL interaction. In the present study, we identified Tussilago farfara L. (TF) as a novel TRAIL sensitizer among 500 natural products using an ELISA system that specifically detects the MKK7-TIPRL interaction, and we validated candidates by GST-pull down assay. Co-treatment of Huh7 cells with TF and TRAIL induced apoptosis via inhibition of the MKK7-TIPRL interaction and an increase in MKK7/JNK phosphorylation. This is the first report to describe TF as a novel TRAIL sensitizer, unveiling a potentially novel therapeutic strategy in cancer therapy.

Int Immunopharmacol. 2009 Dec;9(13-14):1578-84. doi: 10.1016/j.intimp.2009.09.016. Epub 2009 Oct 1.
The anti-inflammatory effect of tussilagone, from Tussilago farfara, is mediated by the induction of heme oxygenase-1 in murine macrophages. Hwangbo C1, Lee HS, Park J, Choe J, Lee JH.
Tussilagone (TSL), isolated from the flower of buds of Tussilago farfara (Compositae), is a sesquiterpenoid that is known to exert a variety of pharmacological activities. In the present study, we demonstrated that TSL exerts anti-inflammatory activities in murine macrophages by inducing heme oxygenase-1 (HO-1) expression. Treatment of RAW264.7 cells with TSL-induced HO-1 protein expression in a dose- and time-dependent manner without the induction of HO-1 mRNA expression. TSL-mediated HO-1 protein induction was not inhibited by treatment with actinomycin D, a transcriptional inhibitor, but by cycloheximide, a translational inhibitor. Moreover, mitogen-activated protein kinases (MAPKs) inhibitors such as SB203580, SP600125, and U0126 did not block TSL-mediated HO-1 protein expression, suggesting that the TSL-mediated HO induction may be regulated at the translational level. Consistent with the notion that HO-1 has anti-inflammatory properties, TSL inhibited the production of nitric oxide (NO), tumor necrosis factor (TNF)-alpha, and prostaglandin E2 (PGE2) as well as inducible nitric oxide synthase (iNOS) and cyclooxygenase-2 (COX-2) expression in lipopolysaccharide (LPS)-stimulated RAW264.7 cells and murine peritoneal macrophages. Inhibition of HO-1 activity by treatment with zinc protoporphyrin IX (ZnPP), a specific HO-1 inhibitor, abrogated the inhibitory effects of TSL on the production of NO and PGE2 in LPS-stimulated RAW264.7 cells. Taken together, TSL may be an effective HO-1 inducer that has anti-inflammatory effects, and a valuable compound for modulating inflammatory conditions.

The American Journal of Chinese MedicineVol. 45, No. 02, pp. 299-317 (2017)  Flos Farfarae Inhibits Enterovirus 71-Induced Cell Injury by Preventing Viral Replication and Structural Protein Expression
Ya Wen Chiang, Chia Feng Yeh, Ming Hong Yen, Chi Yu Lu, Lien Chai Chiang, Den En Shieh and Jung San Chang
Abstract
Enterovirus 71 (EV71) infection can cause airway symptoms, brainstem encephalitis, neurogenic shock, and neurogenic pulmonary edema with high morbidity and mortality. There is no proven therapeutic modality. Flos Farfarae is the dried flower bud of Tussilago farfara L. that has been used to manage airway illnesses for thousands of years. It has neuro-protective activity and has been used to manage neuro-inflammatory diseases. However, it is unknown whether Flos Farfarae has activity against EV71-induced neuropathy. The current study used both human foreskin fibroblast (CCFS-1/KMC) and human rhabdomyosarcoma (RD) cell lines to test the hypothesis that a hot water extract of Flos Farfarae could effectively inhibit EV71 infection. The authenticity of Flos Farfarae was confirmed by HPLC-UV fingerprint. Through plaque reduction assays and flow cytometry, Flos Farfarae was found to inhibit EV71 infection (p<0.0001). Inhibition of viral replication and protein expression were further confirmed by reverse transcription polymerase chain reaction (RT-PCR) and quantitative RT-PCR (qRT-PCR), and western blot, respectively. The estimated IC50s were 106.3μg/mL in CCFS-1/KMC, and 15.0μg/mL in RD cells. Therefore, Flos Farfarae could be beneficial to inhibit EV71 infection by preventing viral replication and structural protein expression.





Comments