Rumex species / Zuringsoorten

Zuring, de ruige Rumex
Je heb ze in soorten. Zie ze daar staan, de grote, grove, aangevreten bladeren in ruige, wat verwaarloosde weilanden. Het is vooral de ridderzuring die zich daar vertoont, het zijn zeker geen mooie planten, ze hebben eerder de charme van een clochard. De schoonheid van armoede en ouderdom.

Ook van smaak zijn deze bittere en onappetijtelijke geblutste bladeren niet te genieten en ook als geneeskruid zijn ze grotendeels vergeten. Toch zijn ze en dan vooral de wortels door volkse genezers nog maar 40 jaar geleden veel gebruikt geweest. Ze werden als zeer bloedreinigend beschouwd en als zodanig ook bij huidaandoeningen en eczeem toegepast geweest. Deze werking hangt mogelijk samen met de antrachinonen, gereputeerde laxeerstoffen, die we ook in Aloe, Senna en rabarberwortels terugvinden. Sommige mensen noemen deze Ridderzuring nu nog wel wilde rabarber.

Er zijn dus nogal wat soorten, met allemaal donkergroene of rood-roestbruine 'duizendknopen'. Ik deel ze meestal in 2 groepen in: de bittere, oneetbare, grove soorten zoals Ridder- en Krulzuring en de friszure fijnere zoals Schapenzuring en Veldzuring, die in sla en zelfs als een soort spinazie gegeten kunnen worden. Schapenzuring, de allerkleinste, leeft op zure zand- en veengronden. Het is een vormenrijke soort, maar op onze bemeste weigronden niet te vinden. Nog een kleintje, met afwijkende korte blaadjes, is de Spaanse zuring, veel minder algemeen maar bijvoorbeeld in de Belgische Ardennen nog te vinden in verlaten steengroeven. Wat altijd weer een spannend biotoop is om eens rond te snuffelen.




Van Lapathum, kap. IX Dodonaeus 1554
 
Het geslacht.
Van Lapathum, als Dioscorides schrijft, zijn er vier soorten van geslacht zonder nog het vijfde geslacht dat in de grachten en staande wateren groeit dat Hippolapathum genoemd wordt waarvan wij ook in dit kapittel schrijven zullen.
 
Vorm.
Oxylapathum de patich of peerdik.
Lapathum sativum of patiente, grote zuring.
(Rumex obtusifolius, Rumex patientia, derde Rumex conglomeratus en Rumex sanguineus) 1 Het eerste geslacht van Lapathum dat men hier te lande patich of peerdik noemt heeft lange, smalle, harde en voor scherpe bladeren waartussen ronde ronde, knoopachtige, holle en bruine stelen voort komen die met gelijke bladeren bekleed zijn. Aan de top van de stelen groeien vele bleek groene kleine bloempjes, de een boven de ander en daarna driekantig, bruin zaad dat in dunne velletjes is besloten. De wortel is lang, effen en van binnen geel.
2 Het tweede geslacht dat men patiente noemt is de voor vermelde vrij gelijk, maar zijn bladeren zijn groter, breder, zachter en voor niet scherp. De stelen zijn dik en lang en groeien honderd twintig of honderd vijftig cm hoog. De bloemen zijn geelachtig. Het zaad is driekantig en rood. De wortel is lang, dun en geel.
3 Het derde geslacht van Lapathum is de eerste zeer gelijk, maar zijn bladeren zijn korter en veel breder en liggen meestal op de aarde uitgespreid, de bladeren van weegbree vrijwel gelijk en de steel groeit niet zo hoog. Van dit geslacht wordt een rood geslacht gevonden en dit heeft mooie donker rode stelen en bruine bladeren dat met rode aderen en pezen doortrokken is waar rood sap (als je het in stukken wrijft) uit vloeit en anders is het van stelen, bladeren en zaad de andere gelijk.
 
Oxalis of surkel.
Oxalis parva of schaaps surkel.
(Vierde Rumex acetosa en Rumex acetosella, vijfde Rumex hippolapathum)
4 Het vierde geslacht dat men zuring noemt heeft lange smalle bladeren die voor scherp en achter breed zijn, van smaak zeer zuur, vrijwel gelijk azijn. De steel is rond en dun en daaraan groeien de bloemen die bruinrood en klein zijn. Het zaad is bruin, driekantig en lijkt veel op de zaden van patich. De wortel is lang en geel. Van dit geslacht is er ook een kleine wilde zuring die men schaapszuring noemt en die is van bladeren, bloemen, stelen en zaad de grote zuring zeer gelijk, maar in alles veel en ongelijk kleiner. De bladertjes zijn zeer klein, de steeltjes dun en ongeveer een tien cm hoog die dikwijls met de zaden, bloemen en ook soms met de bladeren mooi bloedrood gevonden worden. De wortel is dun en zacht.
5 Het vijfde geslacht, dat in de staande waters en grachten groeit heeft grote, lange en harde bladeren die veel op de bladeren van patich lijken, maar veel groter. De stelen zijn rond en groeien honderd twintig of honderd vijftig cm hoog waaraan bloemen en zaad uitkomen net als bij de patich. De wortel is dik en van binnen bleek roodachtig.
 
Plaats.
1 Patich groeit in natte, vochtige beemden en lage broeken.
2 Patiente wordt hier te lande in de hoven gezaaid.
3 Het derde geslacht groeit op dorre plaatsen en bij de wegen. De rode patich wordt in sommige moeshoven gevonden.
4 Zuring wordt meestal in de hoven gezaaid en wordt toch ook in sommige beemden en donkere plaatsen gevonden.
Schaapszuring groeit graag op droge velden.
5 Het vijfde geslacht groeit in de grachten en staande waters en wordt hier te lande veel gevonden.
 
Tijd.
Alle deze geslachten van Lapathum bloeien in juni en in augustus.
 
Naam.
Alle deze kruiden worden onder een naam begrepen. In Grieks Lapathon. In Latijn Rumex en Lapathum. In de apotheken Lapatium.
1 Het eerste geslacht heet in Grieks Oxylapathon. In Latijn Rumex acutus. In de apotheken Lapatium acutum. In Hoogduits Mengelwurtz, Grindtwurtz, Streiffwurtz en Zitterwurtz, hier te lande patich en op sommige plaatsen peerdik. In Frans parelle.
2 Het tweede geslacht wordt Lapathon hemeron genoemd. In Latijn Rumex sativus en door sommigen tegenwoordig Rhabarbarum monachorum, door Galenus ook Hippolapathon. Hier te lande patiente. In Frans la pacientie.
3 Het derde geslacht wordt in Grieks Lapathon agrion genoemd. In Latijn Lapathum sylvestre, dat is in Dietsche wilde patich. In Frans parelle saulvage. De rode wordt in Latijn Lapathum nigrum en tegenwoordig door sommige Sanguis draconis genoemd. In Dietsche draken bloed. In Frans sang du dragon.
4 Het vierde geslacht heet in Grieks en Latijn Oxalis. In de apotheken Acetosa. In Hoogduits Saur ampffer. In Nederduits surckele. In Frans oreille of salette.
De kleine van dit geslachte wordt Oxalis parva genoemd. In de apotheken Acetosella. In Hoogduits Kleyn Saurampffer. Hier te lande schaapszuring en veldzuring. In Frans petite oreille en petite salette.
5 Het vijfde geslacht dat in de grachten groeit heet in Grieks Hippolapathon. In Latijn Hippolapathum of Lapathum magnum of Rumex palustris. In Hoogduits Wasser ampffer. Hier te lande groot patick of water patick. In Frans parelle deaue.
 
Natuur.
Deze kruiden zijn in koude en in warmte redelijk getemperd, maar droog van naturen tot vrijwel in de derde graad, vooral het zaad dat ook tezamen trekkend is.
 
Kracht en werking.
De bladeren van alle deze kruiden die gekookt en als eten ingenomen worden maken zachte toiletgang en de buik week. Hetzelfde doet ook het water waar ze in gekookt zijn als het gedronken wordt.
De bladeren die groen gestampt en met olie van rozen en wat saffraan vermengd zijn, verteren en laten de zachte blaren en zwellen van het hoofd vergaan als het daarop gelegd wordt.
Het zaad van patich en van zuring dat met water of wijn gedronken wordt, stopt de loop van de buik en geneest rode loop en beneemt het walgen van de magen.
Hetzelfde zaad is ook goed tegen de beet en steek van de schorpioenen en wel zo dat diegene dit zaad ingenomen heeft al wordt hij door een schorpioen gestoken, geen pijn of weedom voelt.
De wortels van deze kruiden die in wijn gekookt en gedronken worden zijn goed tegen de geelzucht, maken water en verwekken de menstruatie van de vrouwen en laten de steen en de niersteen breken en rijzen.
Diezelfde wortels die in azijn gekookt of rouw gestampt worden, genezen de ruwheid, kwade jeuk en alle uitwendige onzuiverheid van het lichaam als je ze daarmee bestrijkt.
Het water waar deze wortels in gekookt zijn is ook zeer goed tegen het jeuken en kwade kriebel als je het daar in baadt of het lichaam daarmee wast.
Wijn waar deze wortels in gekookt zijn verzacht de pijn van de tanden als het in de mond gehouden wordt en van de oren als het daarin gedaan wordt.
De wortels ook gekookt, verteren en laten de klieren en gezwellen scheiden bij de oren als het daar op gelegd wordt.
Dezelfde wortels die met azijn gestampt zijn, verteren en genezen de harde milt en alleen gestampt en op de heimelijke plaatsen van de vrouwen gelegd stelpt het de vloed en overvloedige menstruatie van de vrouwen.
Van deze wortels vind je ook geschreven dat ze aan de hals gedragen de kroppen en klieren laten vergaan.


Recepten

Veldzuringpannenkoeken
Ingrediënten:
500 g bloem
½ liter water
1 ei
1 liter melk
wat zout
30 g boter of olijfolie
100 g veldzuringblaadjes

Afwerking: 250 g kaas
5 eetlepels fijngesnipperde bieslook, een snuifje peper
Was de zuringblaadjes en laat ze 2 tot 3 minuten blancheren. Laat ze uitlekken. Ze zijn dan heel zacht en vallen bijna uit elkaar.

Het deeg:
Doe de bloem, het ei, melk, water en zout in een kom.
Meng alles en laat wellen (=dik worden).
Doe er nadien de zuring onder en mix die in het deeg fijn.
Doe een klontje boter (of olijfolie) in je pan en bak goudgele pannenkoekjes.
Serveer ze met de kaas, gemengd met peper en fijngesnipperde bieslook



PLoS One. 2014 Oct 10;9(10):e110089. doi: 10.1371/journal.pone.0110089. eCollection 2014.
3-O-galloylated procyanidins from Rumex acetosa L. inhibit the attachment of influenza A virus.
Derksen A1, Hensel A1, Hafezi W2, Herrmann F1, Schmidt TJ1, Ehrhardt C3, Ludwig S3, Kühn J2.

Infections by influenza A viruses (IAV) are a major health burden to mankind. The current antiviral arsenal against IAV is limited and novel drugs are urgently required. Medicinal plants are known as an abundant source for bioactive compounds, including antiviral agents. The aim of the present study was to characterize the anti-IAV potential of a proanthocyanidin-enriched extract derived from the aerial parts of Rumex acetosa (RA), and to identify active compounds of RA, their mode of action, and structural features conferring anti-IAV activity. In a modified MTT (MTTIAV) assay, RA was shown to inhibit growth of the IAV strain PR8 (H1N1) and a clinical isolate of IAV(H1N1)pdm09 with a half-maximal inhibitory concentration (IC50) of 2.5 µg/mL and 2.2 µg/mL, and a selectivity index (SI) (half-maximal cytotoxic concentration (CC50)/IC50)) of 32 and 36, respectively. At RA concentrations>1 µg/mL plaque formation of IAV(H1N1)pdm09 was abrogated. RA was also active against an oseltamivir-resistant isolate of IAV(H1N1)pdm09. TNF-α and EGF-induced signal transduction in A549 cells was not affected by RA. The dimeric proanthocyanidin epicatechin-3-O-gallate-(4β→8)-epicatechin-3'-O-gallate (procyanidin B2-di-gallate) was identified as the main active principle of RA (IC50 approx. 15 µM, SI≥13). RA and procyanidin B2-di-gallate blocked attachment of IAV and interfered with viral penetration at higher concentrations. Galloylation of the procyanidin core structure was shown to be a prerequisite for anti-IAV activity; o-trihydroxylation in the B-ring increased the anti-IAV activity. In silico docking studies indicated that procyanidin B2-di-gallate is able to interact with the receptor binding site of IAV(H1N1)pdm09 hemagglutinin (HA). In conclusion, the proanthocyanidin-enriched extract RA and its main active constituent procyanidin B2-di-gallate protect cells from IAV infection by inhibiting viral entry into the host cell. RA and procyanidin B2-di-gallate appear to be a promising expansion of the currently available anti-influenza agents.
 
Biomol Ther (Seoul). 2012 Jul; 20(4): 425–430.
A Comparison between Water and Ethanol Extracts of Rumex acetosa for Protective Effects on Gastric Ulcers in Mice
Ji-Yeong Bae,1 Yoon Seok Lee,1 Sun Young Han,1 Eun Ju Jeong,2 Mi Kyeong Lee,3 Jae Yang Kong,1 Dong Hoon Lee,4 Kyeong Jae Cho,4 Haeng-Soon Lee,5 and Mi-Jeong Ahn1,*
Rumex acetosa is a perennial herb that is widely distributed across eastern Asia. Although the hot water extract of R. acetosa has been used to treat gastritis or gastric ulcers as a folk medicine, no scientific report exists for the use of this plant to treat gastric ulcers. Hence, the present study was undertaken to assess the anti-ulcer activity of water and 70% ethanol extracts obtained from R. acetosa, using an HCl/ethanol-induced gastric ulcer model in mice. Anti-inflammatory and free radical-scavenging activities of these two extracts were also evaluated and compared. As a result, the administration of R. acetosa extracts significantly reduced the occurrence of gastric ulcers. However, significant differences in protective activity against gastric ulcers were observed between the two samples. In the case of the group pretreated with an ethanol extract dosage of 100 mg/kg, the protective effect (90.9%) was higher than that of water extract (41.2%). Under histological evaluation, pretreatment with R. acetosa extracts reversed negative effects, such as inflammation, edema, moderate hemorrhaging and loss of epithelial cells, presented by HCl/ ethanol-treated stomachs. Meanwhile, R. acetosa extracts showed potent DPPH radical-scavenging activity and decreased NO production in a murine macrophage cell line, RAW 264.7, in a dose-dependent manner without affecting cellular viability. The greater anti-ulcer and NO production inhibitory activities exhibited by ethanol extracts compared to water extracts could be ascribed to the higher emodin levels, a major anthraquinone component of this plant.

Rumex acetosa L. (Polygonaceae) is a perennial herb that is widely distributed in eastern Asia (Anonymous, 1999; Lee, 2003). The leaf of this plant resembles that of spinach, and the plant is well known for strong acidity in Europe and America, where it is also known as sorrel. The extract of R. acetosa has been reported to have heat-cleaning, diuretic, insecticidal, antimicrobial, and anticancer activities (Lee et al., 2005; Gescheret al., 2011; Wegiera et al., 2011). Decoction of this plant has been used as a folk medicine in Korea to treat arthritis, gastritis and gastric ulcers, and as a substitute for rhubarb, which is an important crude drug for gastrointestinal problems. There are commercial herbal tonic products such as EssiacTM and Flor-EssenceTMwhich contain R. acetosa, that are traditionally prepared as cancer therapy for natives in North America(Tamayo et al., 2000; Tai et al., 2004; Leonard et al., 2006). Flavones including vitexin, rutin, and kaempferol were isolated from the aerial parts of this plant with another flavone C-glycosides and flavonol O-glycosides (Kato and Morita, 1990). From the roots of R. acetosa, chrysophanein, hyperin, proanthocyanidin and phloroglucinol derivatives were isolated with anthraquinones, such as emodin and chrysophanol (Bicker et al., 2009; Lim et al., 2011).

Although hot water extracts of R. acetosa have been used to treat gastritis or gastric ulcers, no scientific reports exist concerning the use of this plant this manner. Meanwhile, it has been reported that emodin displays anti-ulcerogenic and anti-inflammatory activities, and in our pre-study, the emodin content in 70% ethanol extract (EER) was higher than in water extracts (WER) (Goel et al., 1991). Hence, the present study was undertaken to assess and compare the anti-ulcer activity of EER and WER obtained from R. acetosausing an HCl/ ethanol-induced gastric ulcer model in mice. The free radicalscavenging and anti-inflammatory activities of these two extracts were also evaluated and compared.




11. Antimicrobial: Antiviral and antibacterial
i. In vitro data: Sorrel failed to demonstrate antimicrobial activity against Herpes simplex-1, Herpes simplex-2, HIV, B. subtilis, E coli, Proteus morganii, P vulgaris, Pseudomonas aeruginosa, Serratia marcescens or Staphylococcus aureus6,
7. There are no studies
demonstrating that it has antimicrobial activity against any viruses or bacteria that areimportant human pathogens.
ii. Animal data: none
iii. Human data: none
12. Antineoplastic: One of four components of herbal cancer remedy, Essiac.
i. In vitro data: Sorrel failed to demonstrate antitumor activity in the mouse leukemia-P388 model8.
ii. Animal data: none
iii. Human data: none

References
1. Yesliade E, Honda G, Sezik E, et al. Traditional medicine in Turkey. V. Folk medicine in the inner Taurus mountains. J Ethnopharmacol 1995; 46:133-52.
2. Choe S, Hwang B, Kim M, Oh G, Lee K, Ro J. Chemical components of Rumex acetellosa L. Korean Journal of Pharmacog 1998; 29:209-16.
3. Brazdova K, Krmelova V, Rada K, Starhova H. Anthracene derivatives in Rumex species. II. Anthraquinone content in some Rumex species. Sci Pharm 1967; 35:116.
4. McGuffin M, Hobbs C, Upton R, Goldberg A. American Herbal Products Association's Botanical Safety Handbook. Boca Raton. New York: CRC Press, 1997:231.
5. Duke JA. Handbook of Phytochemical Constituents of GRAS herbs and other economic plants. Boca Raton, FL: CRC Press, 1992.
6. Pacheco P, Sierra J, Schmeda-Hirschmann G, Potter C, Jones B, Moshref M. Antiviral activity of Chilean medicinal plant extracts. Phytother Res 1993; 7:415-8.
7. Dornberger K, Lich H. Screening for antimicrobial and presumed cancerostatics plant metabolites. Pharmazie 1982; 37:215-21.
8. Bhakuni D, Bittner M, Marticorena C, et al. Screening of Chilean plants for anticancer activity.I. Lloydia 1976; 39:225-43.
9. Brinker FJ. Herb contraindications and drug interactions : with appendices addressing specific conditions and medicines. Sandy, Or.: Eclectic Institute, 1997:146.
10. Lewis WH. Medical botany : plants affecting man's health. New York: Wiley, 1977.
11. Orlandini C. The natural poisoning of hens by sorrel (Rumex acetosa) and experiments on poisoning by oxalic acid and potassium binoxalate. Boll Soc Eustachiana 1933; 31:217.
12. Farre M, Xirgu J, Salgado A, Peracaula R, Reig R, Sanz P. Fatal oxalic acid poisoning from sorrel soup. Lancet 1989; 335:233-4.



Z Phytother 2016; 37(04): 151-159
Hydroalkoholischer Extrakt aus Sauerampferkraut (Rumex acetosa L.) zur Prophylaxe von Mundschleimhauterkrankungen und Periodontitis: Hemmung der bakteriellen Adhäsion und zentraler Virulenzfaktoren von Porphyromonas gingivalis

Zusammenfassung
Sauerampferkraut aus den oberirdischen Teilen von Rumex acetosa L. wird traditionell gegen entzündliche Erkrankungen der Mundhöhle verwendet. Die vorliegende Studie untersuchte den Einfluss eines Proanthocyanidin-angereicherten hydroalkoholischen Extraktes (RA1) auf die Adhäsion von Porphyromonas gingivalis, eines Bakteriums, welches ein zentraler Mitverursacher der chronischen und aggressiven Parodontitis darstellt. Ein weiteres Ziel der Untersuchungen war die Identifizierung von bioaktiven Leitstrukturen mit antiadhäsiver Aktivität und die Benennung der für die antiadhäsiven Effekte verantwortlichen molekularen Mechanismen. Der vollständig quantifizierte Extrakt RA1 (5-15 µg/ml) reduzierte die bakterielle Adhäsion von P. gingivalis an humanen KB-Mundschleimhautzellen in vitro dosisabhängig bis zu 90 %. Dies wurde sowohl in einem durchflusszytometrischen Test als auch mittels Konfokaler Laser Scanning Mikroskopie belegt. Die In-vitro-Datensätze konnten auch in einem In-situ-Modell an Buccalschleimhaut der Maus bestätigt werden. Die Kombination phytochemischer Methoden mit funktionellen Adhäsionsassays identifizierte für die aus RA1 isolierten Naturstoffen 1 bis 15 Epicatechin-3-O-gallat-(4β,8)-epicatechin-3’-O-gallat (syn. Procyanidin B2-di-gallat, Verbindung 8) als stark antiadhäsives Proanthocyanidin, welches als funktionelle Leitsubstanz des Extraktes angesehen wird. Struktur-Wirkungsbeziehungen zeigten, dass eine mindestens einfache Galloylierung von Flavan-3-olen für eine antiadhäsive Wirkung notwendig ist. Die Aktivität der Verbindungen wird durch Trihydroxylierung im B-Ring und durch Oligomerisierung weiter gesteigert.
Als molekularer Angriffspunkt für diese Wirkstoffe wurde der bakterielle Virulenzfaktor Arginin-Gingipain identifiziert, ein zentraler Virulenzfaktor von P. gingivalis, der neben der bakteriellen Adhäsion des Pathogens an der Wirtszelle auch proteolytischen Abbau von Wirtsproteinen, Modulation der immunologischen Wirtsabwehr und Reifung weiterer bakterieller Virulenzfaktoren induziert.
Aus diesen Untersuchungen zeigt sich ein ausreichendes Potenzial von Sauerampferextrakt zur weiteren präklinischen und klinischen Entwicklung zu zytoprotektiven Mundhygieneprodukten.

Z Phytother 2016; 37(04): 151-159
Hydroalcoholic extracts from Rumex acetosa L. for prophylaxis of periodontitis: Inhibition of the bacterial adhesion and virulence factors of Porphyromonas gingivalis

The aerial parts of Rumex acetosa L. have been used in traditional European medicine for inflammatory diseases of the mouth epithelial tissue. The following study aimed to investigate the influence of a proanthocyanidin-enriched extract from R. acetosa against the adhesion of Porphyromonas gingivalis, a pathogen strongly involved in chronic and aggressive periodontitis. A further goal was to define the bioactive lead structures responsible for a potential antiadhesive activity and to characterize the underlying molecular mechanisms of the antiadhesive effects.
An extract of R. acetosa (RA1) with a defined mixture of flavan-3-ols, oligomeric proanthocyanidins and flavonoids, was used. Its impact on P. gingivalis adhesion to KB cells was studied by flow cytometry, confocal laser scanning microscopy and in situ adhesion assay using murine buccal tissue. RA1 and its compounds 1 to 15 were further investigated for additional effects on gingipain activity, hemagglutination and gene expression by RT-PCR.
RA1 (5 to 15 µg/mL) reduced P. gingivalis adhesion in a dose-dependent manner to about 90 %. Galloylated proanthocyanidins were confirmed to be responsible for this antiadhesive effect with epicatechin-3-O-gallate-(4β,8)-epicatechin-3’-O-gallate (syn. procyanidin B2-di-gallate) being the lead compound. Ungalloylated flavan-3-ols and oligomeric proanthocyanidins were inactive. RA1 and the galloylated proanthocyanidins strongly interact with the bacterial virulence factor Arg-gingipain, while the corresponding Lys-gingipain was hardly influenced. RA1 inhibited also hemagglutination.
In conclusion, the proanthocyanidin-enriched extract RA1 and its main active constituent procyanidin B2-di-gallate protect cells from P. gingivalis infection by inhibiting bacterial adhesion to the host cell. RA1 and procyanidin B2-di-gallate appear to be promising candidates for future cytoprotective preparations for oral mouth care products.



Sorrel (Rumex acetosa L., Rumex acetosella L.) Natural Standard Professional Monograph, 

Synonyms/Common Names/Related Substances:
Acedera, acid sorrel, aglycones, aloe-emodin, aloe-emodin acetate, anthracene derivatives, anthranoids, ascorbic acid, azeda-brava, buckler leaf, cigreto, common sorrel, cuckoo sorrow, cuckoo's meate, dock, dog-eared sorrel, emodin, FE, field sorrel, flavonoids, French sorrel, garden sorrel, gowke-meat, green sorrel, greensauce, Herba acetosa, kemekulagi, oxalates, phenylpropanoid, physcion, Polygonaceae (family), quinoids, red sorrel, red top sorrel, rhein, round leaf sorrel, Rumex acetosa L., Rumex acetosella L., Rumex scutatus, sheephead sorrel, sheep sorrel, sheep's sorrel, sorrel dock, sour dock, sour grass, sour sabs, sour sauce, sour suds, Wiesensauerampfer (German), wild sorrel.
Combination product examples: Essiac® and Essiac®-like products contain a combination of herbs, often including sorrel, burdock root, slippery elm inner bark, and Indian rhubarb. Flor-Essence® contains sorrel, burdock root, slippery elm, watercress, red clover, blessed thistle, kelp, and Turkish rhubarb root. Sinupret® and its U.S. equivalent Quanterra® Sinus Defense (currently off the market) contain sorrel, as well as elder flowers, gentian root, verbena, and cowslip flower.
Note: Not to be confused with shamrock (Oxalis hedysaroides, also called redwood sorrel, sorrel, or violet wood sorrel) or roselle (Hibiscus sabdariffa, also called Guinea sorrel or Jamaican sorrel).

Common sorrel has been cultivated for centuries. The leaves may be puréed in soups and sauces or added to salads; they have a flavour that is similar to kiwifruit or sour wild strawberries. The plant's sharp taste is due to oxalic acid, which is mildly toxic.

In northern Nigeria, sorrel is known as yakuwa or sure (pronounced suuray) in Hausa or karassu in Kanuri. It is also used in stews usually in addition to spinach. In some Hausa communities, it is steamed and made into salad using kuli-kuli (traditional roasted peanut cakes with oil extracted), salt, pepper, onion and tomatoes. The recipe varies according to different levels of household income. A drink called zobo (sorrel squash) is made from a decoction of the plant calyx.

In Romania, wild or garden sorrel, known as măcriş or ştevie, is used to make sour soups, stewed with spinach, added fresh to lettuce and spinach in salads or over open sandwiches.

In Russia and Ukraine it is called shchavel (щавель) and is used to make soup called green borscht. It is used as a soup ingredient in other countries, too (e.g. Lithuania, where it is known as rūgštynė).

In Hungary the plant and its leaves are known as sóska (Hungarian pronunciation: [ˈʃoːʃkɒ]). It is called kuzukulağı ('lamb's ear') in Turkish. In Polish it is called szczaw (pronounced Polish pronunciation: [ʂʈʂaf]).

In Croatia and Bulgaria is used for soups or with mashed potatoes, or as part of a traditional dish containing eel and other green herbs.

In rural Greece it is used with spinach, leeks, and chard in spanakopita.

In the Flemish part of Belgium it is called zurkel and preserved pureed sorrel is mixed with mashed potatoes and eaten with sausages, meatballs or fried bacon, as a traditional winter dish.

In Vietnam it is called Rau Chua and is used to added fresh to lettuce and in salads for Bánh Xēo.

In Portugal, it is called azeda or azeda-brava (Portuguese pronunciation: [ɐˈzeðɐ], [ɐˈzeðɐ ˈβɾavɐ], "sour", "fierce sour"), and is usually eaten raw in salads or used to make soups. This is identical to its use in Brazil, under the name of azedinha ([ɐzeˈdʒĩɲɐ], "small/lovely tart").

In India, the leaves are called chukkakura in Telugu, and are used in making delicious recipes. Chukkakura pappu soup made with yellow lentils is also called toor dal in India.

In Albania it is called lëpjeta, the leaves are simmered and served cold marinated in olive oil, it is used in soups, and even as an ingredient for filling byrek pies (byrek me lakra).

Brief Background:
Historically, sorrel has been used as a salad green, spring tonic, diarrhea remedy, and weak diuretic. It has also been used to soothe irritated nasal passages. In Turkey, sorrel is used as a treatment for anemia and as an appetite stimulant. Sorrel is one of the main ingredients in the combination herbal cancer remedy Essiac® and in the European combination herbal sinus remedy Sinupret®. Despite preliminary studies and widespread use of these multi-herb formulas, scientific evidence remains indeterminate for both products.
Although sorrel has been suggested as a possible treatment for bacterial and viral infections, bronchitis, cancer, and sinusitis, and as a way to improve quality of life in cancer patients, high-quality research is currently lacking in these areas. It remains unknown if sorrel is effective for any of these conditions.
Sorrel contains oxalate (oxalic acid), which may be toxic in large doses. Reports of organ damage and one report of death following ingestion of a concentrated sorrel soup have been published. Sorrel may also cause kidney stones, precipitation of drugs taken concomitantly, and malabsorption of minerals, such as calcium, iron, or zinc.

Comments