Rauwolfia


Rauvolfia is een geneeskrachtige plant uit de Apocynaceae of maagdenpalmfamilie.
Het geslacht telt ongeveer zestig soorten die in hun wortels medicinale
alkaloiden, voornamelijk reserpine, bevatten die de bloeddruk verlagen en een
kalmerende werking op onze psyche hebben. In India wordt de soort Rauvolfia serpentina
al eeuwen in de Ayurvedische praktijk met succes tegen slangenbeten en epilepsie
ingezet. Andere toepassingen van het wortelextract van deze plant betreffen de
succesvolle behandeling van dysenterie, diarree, aandoeningen van de lever en krankzinnigheid.
Het is overigens wel oppassen geblazen met het gebruik van Rauvolfia
extracten want de grens tussen geneeskrachtige en giftige concentraties is snel overschreden,
en psychische depressies zijn een veel voorkomende bijwerking. Gelukkig
kan men de dosis tegenwoordig nauwkeurig regelen want vier jaar na de succesvolle
isolatie van kristallijne reserpine uit Rauvolfia wortels lukte het chemici al in 1956 om
de stof te synthetiseren. De arme bevolking in sommige tropische landen
blijft echter op het goedkope natuurproduct zelf aangewezen. 

Zeer recente literatuur die men van het internet kan plukken meldt dat Rauvolfia soorten ook stoffen bevatten
die actief zijn tegen leukemie; een werking die deze planten gemeen hebben met
de hier in Leiden bij onze biofarmaceutische en biotechnologische collega’s veel
bestudeerde Catharanthus roseus, oorspronkelijk afkomstig uit Madagascar en een
ander lid van de maagdenpalmfamilie. Van die familie heeft u de maagdenpalm zelf,
Vinca, natuurlijk allemaal in uw tuin staan. Ook de van uw mediterrane vakanties
bekende oleander (Nerium oleander L.), waarvan de struiken in droge stroombeddingen
als roze cascades de berghellingen sieren, behoort tot deze plantenfamilie.

Rauvolfia werd door de monnik Charles Plumier voor het eerst benoemd in 1703 en
door Linnaeus formeel beschreven in 1753 in zijn Species Plantarum. Het geslacht is
genoemd naar Leonhard Rauwolf, een 16e-eeuwse Duitse arts en kruidkundige uit
Augsburg, die het avontuur niet schuwde (5, 10). Zijn medische en kruidkundige
opleiding genoot hij als zoveel andere renaissance wetenschappers in Montpellier bij
de beroemde bioloog Rondelet. Rond zijn studietijd verzamelde hij ijverig planten in
Zuid Frankrijk, Italië en Zwitserland, maar het avontuur lokte pas echt toen hij op
38-jarige leeftijd het ruime sop koos vanuit Marseille om via Tripoli en Aleppo met
eigen ogen de planten van het Nabije en Midden-Oosten te aanschouwen, waarvan
Theophrastus en Dioscorides de geneeskrachtige werking al in de klassieke oudheid
hadden gedocumenteerd. Bestudering van de lokale bevolking en hun gebruiken was
eveneens een belangrijk doel. 

Het is interessant te lezen hoe Rauwolf sommige islamitische gebruiken waardeert en respecteert. De risico’s bij het inzamelen van planten in den vreemde waren niet gering. Een aanval door een dronken Turk moest afgeslagen worden door bij herhaling behendig weg te duiken voor diens
houwdegen achter een olijfboom, totdat de aanvaller omgekocht kon worden met wat muntgeld. Onderweg naar Bagdad kwam het witte en stevige papier waarop hij zijn gedroogde planten monteerde goed van pas om douane-beambten mee om te kopen. Datzelfde herbariumpapier werd als borstkuras gebruikt bij een aanval van struikrovers. Terug in Tripoli ontsnapte hij – onschuldig planten verzamelend in het heuvelland
– ternauwernood aan zijn arrestatie op verdenking van spionage. Ook toen, lang
voor de CITES-regelgeving, ontkwamen veldbiologen al niet aan tegenwerking en verdachtmaking!
Voor de terugreis naar Augsburg werd ook nog even de berg Libanon
en het Heilige Land bezocht. De zeereis via Kreta en Kefalonia naar Venetië was
onstuimig en vol gevaren, maar ruim twee-en-een-half jaar na vertrek kwam Rauwolf
weer thuis bij zijn geliefde ouders en overige familie die zich zonder uitzondering nog
in een goede gezondheid mochten verheugen.
Naast een goed verkopend en in diverse talen vertaald reisverslag leverde de reis een
nog waardevollere schat op: een collectie van 328 planten, die, in de woorden van
Rauwolf zelf in een brief uit 1584 aan de grote geleerde Carolus Clusius: “met zoveel
zorg gedroogd en op papier geplakt waren dat hun natuurlijke kleuren bewaard zijn
alsof ze nog levend waren” (11). Bij Rauwolfs leven zou zijn collectie planten uit
Europa en het Midden-Oosten (in vier fraai ingebonden folianten) al beroemd worden.
Niemand minder dan de grote kruidkundige Leonhard Fuchs bewonderde in
zijn laatste levensjaar het Europese herbarium van Rauwolf en liet onmiddellijk zijn
tekenaar een paar aquarellen maken van het gedroogde schoons (7). Die aquarellen
worden inmiddels bewaard als cultureel werelderfgoed in de Nationalbibliothek te
Wenen. Nog voor zijn dood in 1596 had Rauwolf voor 200 guldens afstand gedaan
van zijn herbarium aan de vorst van Beieren die het in zijn Kunstkammer in
München koesterde. Van daaruit werd het tijdens de dertigjarige oorlog als buit meegenomen
door Zweedse soldaten naar het hof van de leergierige Koningin Christina,
die de collectie in de 17e eeuw weer cadeau deed aan haar gewaardeerde bibliothecaris
Isaac Vossius, zoon van de beroemde Leidse en Amsterdamse hoogleraar Gerhard
Johannes Vossius. Isaacs eigen bibliotheek werd in 1690 in Londen voor het reusachtige
bedrag van 33.000 gulden gekocht door de Leidse Universiteit en door tussenkomst
van koning-stadhouder Willem III naar Nederland verscheept. De bestuurders van de
universiteit voelden zich bij ontvangst echter zodanig bekocht met de zogenaamde
Codex Vossianus dat ze nog jarenlang vergeefs procedeerden (à raison van 12.000 gulden)
om de prijs te drukken. 

Dannenfeld, K.H. 1968. Leonhard Rauwolf. Sixteenth century physician, botanist and traveler. Harvard monographs in the history of science. Harvard UniversityPress, Cambridge, Mass. 321 pp.

Comments