Sanguisorba minor / Pimpernel kleine

Kleine pimpernel, Sanguisorba minor Scop. subsp. mínor. Andere namen die voor de plant worden gebruikt zijn 'sorbenkruid' of 'bloedkruid'. Beide namen houden relatie met de botanische naam. 'Sanguis' betekent bloed, terwijl 'sorbis' (sorba) opnemen of absorberen betekent. Het is een overblijvende, meerjarige soort.

De tot 60 cm hoge plant heeft een bolvormige aar die ook wel wat heeft van een hoofdje. De kleine bloemen hebben een vierdelig bloemdek. Deze bloemdekbladen kunnen beschouwd worden als kelkbladen, terwijl dan kroonbladen ontbreken. De bovenste, groenachtige, vaak wat paars aangelopen bloemen hebben roodachtige stijlen met franjes waarmee de pollen uit de lucht gezeefd kunnen worden. De onderste bloemen  hebben 10-30 in bundels hangende meeldraden, die 3-5 keer zo lang zijn als de bloemdekbladen. De helmknoppen zijn aanvankelijk geel van kleur maar worden later bruin. Ze laten pollen vrij aan de lucht. De bovenste bloemen zijn dus vrouwelijk en groeien uit tot schijnvruchten, en de onderste zijn mannelijk. De bloeitijd is van mei tot in juli en soms nog in augustus tot september.

De oneven veerdelige bladeren hebben 9 tot 25 deelblaadjes die een gelobde tot gezaagde rand hebben. De deelblaadjes zijn zittend tot kort gesteeld. Het eindblaadje is vrijwel rond en 5-20 mm groot. De rechtopstaande stengels zijn behaard.

Kleine pimpernel is een echte windbestuiver en dat is in de Rozenfamilie een zeldzaamheid. Het is ook een zeldzame plantensoort die als kwetsbaar omschreven op de Rode lijst staat. Kleine pimpernel vinden we op de kalkgrashellingen in Zuid-Limburg, en verder hier en daar in het Rivierengebied, waar de soort op dijken te vinden is waar behoorlijk wat kalk in de tamelijk droge bodem zit. Ook vinden we de soort in duingraslanden. Het is een soort van weinig of niet bemeste gesloten graslanden.

De andere ondersoort Moeraspimpernel werd wel als keukenkruid gebruikt en wordt tegenwoordig ook wel in bloemmengsels uitgezaaid. De verschillen met de subspecies minor zijn echter minimaal; ook deze lijkt zich in te burgeren.  (Flora van Nederland)

Burnet (Sanguisorba officinalis) vlgs Natural Standard
  • Anticoagulants and antiplatelets: Anecdotally, burnet has been used as a folk remedy and in traditional Chinese medicine as a hemostatic agent to treat various bleeding disorders (uncharacterized).
  • Antidiarrheals: Anecdotally, burnet has been used as a folk remedy and in traditional Chinese medicine as a treatment for diarrhea.
  • Antineoplastic agentsAntineoplastic agents: In in vitro research, triterpenoids and tannins isolated from Sanguisorba officinalis have demonstrated anticancer activity (5; 1).
  • Antiviral agents: In in vitro research, extracts of Sanguisorba officinalis have demonstrated activity against hepatitis B virus, herpes simplex virus type 1, and vesicular stomatitis virus (3; 4). In an in vitro study, extract of Sanguisorba minor magnolii, a species related to Sanguisorba officinalis, exhibited inhibitory effects against HIV (2).
  • Diuretics: Although unsubstantiated by scientific research, burnet may exert diuretic effects in vivo (secondary sources).
  • Hematological agents: Anecdotally, burnet has been used as a folk remedy and in traditional Chinese medicine as a hemostatic agent to treat various bleeding disorders (uncharacterized).
  • Laxatives: Anecdotally, burnet has been used as a folk remedy and in traditional Chinese medicine as a treatment for diarrhea.
  • Tannin-containing herbs: In in vitro research, triterpenoids and tannins isolated from Sanguisorba officinalis have demonstrated anticancer activity (5; 1).

Naam, etymologie.

(Dodonaeus) (a) ‘Dit kruid wordt van de nieuwe kruidbeschrijvers Pimpinella op het Latijns genoemd en ze geven dat een toenaam Sanguisorba omdat daarmee van de andere Pimpinella te onderscheiden, dan men heeft het dikwijls gevonden alleen met de naam Sanguisorba of Sanguinaria, de Fransen noemen het sanguisorbe, in het Hoogduits Blutwurtz, Bloetwurtz of Blutkraut naar het Latijnse Sanguisorba. Ze stelpt het bloed en daarvan heeft ze de naam Sanguisorba op het Latijns gekregen al of ze het bloed opslurpen of zuigen kon. Deze kracht blijkt ook in haar en zowel van buiten opgelegd als van binnen in het lichaam genomen’.
Sanguisorba komt van het Latijn sanguis: bloed, en sorbeo: adsorberen, het zou een actief middel zijn voor wonden, mogelijk vanwege de rode bloemen. Waarschijnlijk wel door de aanwezigheid van looizuur in de wortelstok. Bloedkruid, Duits Blutkraut of Blutstropfen, Blutstillerin, Blutströpfchen, Braunelle, Drachenblut, Engels bloodwort, Frans sanguisorbe.
Of het woord is afgeleid van Sorbus, naar de gelijkenis van de bladeren met Sorbus aucuparia, wordt ook wel sorbenkruid genoemd. ‘Symbool voor "kans".

Dodonaeus (b) ‘ Gesnerus heeft het liever Peponella genoemd omdat het de reuk van de pompoen zo dicht bij schijnt te komen. Dit kruid is de pompoenen of komkommers enigszins gelijk van reuk’..
Engels salad burnet, in Z. Duitsland werd het gebruikt als Gewurzsalat, Grüne Soße, net als in de middeleeuwen

Dodonaeus (c) ‘Andere noemen het Pampinula of Bipennula of Bipinella in het Latijn en meer andere Solbastrella, de Nederduitse noemen het pimpinelle, in het Italiaans pimpinella, solbastrella of Sorbastrella. De eerste soort noemt men eigenlijk tamme of kleine pimpinella, in het Latijn Pimpinella Sanguisorba. De tweede soort is Pimpinella major, zie daar. Omdat de bladeren van dit kruid aan de zijden van de stelen tien of twaalf tegen een als vleugels verspreid staan daarom heeft Dioscorides dat met varenkruid vergeleken dat Pterion of vogelkruid genoemd is’.



Pimpernel vlgs Culpeper Complete Herbal
Descript : Common Pimpernel hath divers weak square stalks lying on the ground, beset all with two small and almost round leaves at every joint, one against another, very like Chickweed, but hath no foot-stalks; for the leaves, as it were, compass the stalk. The flowers stand singly each by themselves at them and the stalk, consisting of five small round-pointed leaves, of a pale red colour, tending to an orange, with so many threads in the middle, in whose places succeed smooth round heads, wherein is contained small seed. The root is small and fibrous, perishing every year.
Place : It grows almost every where, as well in the meadows and corn-fields, as by the way-sides, and in gardens, arising of itself.
Time : It flowers from May until April, and the seed ripens in the mean time, and falls.
Government and virtues : It is a gallant solar herb, of a cleansing attractive quality, whereby it draws forth thorns or splinters, or other such like things gotten into the flesh; and put up into the nostrils, purges the head; and Galen saith also, they have a drying faculty, whereby they are good to solder the lips of wounds, and to cleanse foul ulcers. The distilled water or juice is much esteemed by French dames to cleanse the skin from any roughness and deformity, or discolouring thereof; being boiled in wine and given to drink, it is a good remedy against the plague, and other pestilential fevers, if the party after taking it be warm in his bed, and sweat for two hours after, and use the same for twice at least. It helps also all stingings and bitings of venomous beasts, or mad dogs, being used inwardly, and applied outwardly. The same also opens obstructions of the liver, and is very available against the infirmities of the reins. It provokes urine, and helps to expel the stone and gravel out of the kidneys and bladder, and helps much in all inward pains and ulcers. The decoction, or distilled water, is no less effectual to be applied to all wounds that are fresh and green, or old, filthy, fretting, and running ulcers, which it very effectually cures in a short space. A little mixed with the juice, and dropped into the eyes, cleanses them from cloudy mists, or thick films which grow over them, and hinder the sight. It helps the tooth-ache, being dropped into the ear on a contrary side of the pain. It is also effectual to ease the pains of the hæmorrhoids or piles.



J Ethnopharmacol. 2001 Sep;77(1):113-6.
Anti-HIV activity of medicinal plant extracts. Bedoya LM, Sanchez-Palomino S, Abad MJ, Bermejo P, Alcami J.
Departamento de Farmacología, Facultad de Farmacia, Universidad Complutense, 28040 Madrid, Spain. naber@eucmax.sim.ucm.es

As part of our screening of anti-AIDS agents from natural sources, ethanolic and aqueous extracts of 15 medicinal plants widely used in the folk medicine of the Iberian Peninsula were evaluated in vitro. Most of the extracts tested were relatively nontoxic to human lymphocytic MT-2 cells, but only the extracts of Tuberaria lignosa and Sanguisorba minor magnolii exhibited anti-HIV activity in an in vitro MTT assay. The aqueous extracts of these plants showed inhibitory effects against HIV-1 induced infections in MT-2 cells at concentrations ranging from 12.5 to 50 microg/ml and 50 microg/ml, respectively. Both extracts showed no appreciable cytotoxicity at these concentrations.

Comments