Lithospermum / Parelzaad

Dodonaeus over Van Parel kruid, kap. LXXXVII
 
Het geslacht
Van parelkruid zijn er twee soorten, tam en wild.
 
Vorm.
Lithospermum of parelkruid.
(Lithospermum officinale en Lithospermum arvense)
1 Het tamme parelkruid heeft rechte, dunne, ronde en houtachtige stelen met vele aangroeiende zijscheutjes. Daaraan groeien lange, smalle, scherpe en zwartgroene bladeren die kleiner zijn dan de bladeren van wilgen. Tussen de bladeren en stelen groeien kleine witte bloempjes die mooie ronde, witte, harde, steenachtig zaden voort brengen die op kleine pareltjes lijken om te zien. De wortel is hard en houtachtig.
2 Het wilde geslacht is van stelen, bladeren en bloemen de voor vermelde gelijk, alleen het zaad is niet zo wit en effen maar wat gerimpeld als het zaad van de gewone ossentong en de bladeren zijn wat ruwer.
3 Boven deze twee geslachten vindt men ook nog een ander wild en zeer klein parelkruid waarvan de hooggeleerde Hiëronymus Bock in zijn kruidboek vermeld. En dit groeit ongeveer een zeventien cm hoog met kleine, smalle bladertjes, net als het vlas, waartussen en de stelen klein, effen, zwart en hard zaad komt dat de witte, tamme parelzaden zeer gelijk is.
 
Plaats.
1 Het tamme parelkruid groeit in sommige landen op ruwe plaatsen. Hier te lande wordt het in de hoven gezaaid.
2 De wilde wordt op steenachtige, ruwe plaatsen gevonden.
 
Tijd.
Parelkruiden bloeien in juni, augustus en september en ondertussen leveren ze ook hun zaad.
 
Naam.
Parelkruid heet in Grieks en in Latijn Lithospermon en door sommigen Gorgonion. In de apotheken Milium folis. In Hoogduits Meerhirsen. In Nederduits parelkruid en steenzaad. In Frans gremil of herbe oux perles.
 
Natuur.
Het zaad van parelkruid is warm en droog tot in de tweede graad.
 
Kracht en Werking.
Het gestampte zaad van parelkruid dat met witte wijn gedronken wordt breekt de steen en laat die rijzen en de urine lossen.


Naam.
 (Dodonaeus) (a) ‘Vanwege de grote hardheid van de zaden worden deze twee eerste kruiden Lithospermon genoemd, dat betekent eigenlijk steenzaad,  sommige noemen het ook Gorgonium, andere noemen het Aegonychon, Leontion of Diosporon of ook Diospyron, als Plinius leest, bovendien ook Heracleos’.
Lithospermum is afgeleid van het Griekse lithos: een steen, en sperma: zaad, omdat de zaden op kleine stenen lijken. Of omdat de zaden in wijn gedronken de stenen verdrijven. Lithospermum is een naam die al bij Dioscorides gebruikt werd.
Plinius XXVII.74: "Gerit iuxta folia singulas veluti herbulas et in earum cucuminibus lapillos candore et rotundidate margaritarum, duritia vero lapidea, ipsi qua pediculis adhaerent cavernulas habent et intus semen - his lapillis drachmae pondere potis in vino albo calculos frangi pellique constat". (Klein parelkruid is Buglossoides minima)
Witte steenbreek, midden-Hoogduits weiss Stainprech, weiss Steinbrech in Hort. Sanitatis en Steinbrecha bij Hildegard, Steinsamen bij Bock. In Spaans lithosperma.

Dodonaeus (b) ‘De Arabieren noemen het Millium Soler, de apothekers en de Italianen milium Solis, de Spanjaarden mijo del sol’. Platearius bespreekt alleen granum solis; ‘Herba cuius semen proprie grana solis dicitur. Dissurium, yliacam passionem et lapidum frangit. Dioscorides beschrijft het Lithospermon waarbij de commentator Matthiolus opmerkt; ‘Lithospermon hodie Serplasarij & omnes fere medidic Barbaros secuti Millium solis nominant’. Hij zegt dat het beter Milium Soler genoemd moest worden omdat deze plant, naar het zeggen van Serapio op getuigenis van Aben Juliel, op de Soler bergen groeit, de naam heeft meer betrekking op de plaats waar de plant groeit dan op de zon, Sol.
Sonnenhirse, -korn. Het werd vergeleken met het graan Milium;

Dodonaeus (c) 'Het heet in het Hoogduits Meerhirsen, in het Spaans milliban’. 
Oude Duitse namen zijn, naar de granen; Meergries in Oostenrijk en Zwitserland, Steinhirs Meerhirs en, een vergelijking met Hirs.

Dodonaeus(d) ‘De Fransen noemen het gremil en in het Engels gromell’. 
Engelse gromwell, midden Engels grummel, graymile of gromelle, stamt mogelijk van Frans le gremil, oud-Frans gromil en dit van Latijn granum milii: de millet of hirs. In middeleeuws Latijn werd een plant met een uitzonderlijke sterke medische reputatie milium solis genoemd, de millet van de zon, naar zijn harde en glanzende zaden. Of van Keltisch graun: een zaad, mil: een steen.

Dodonaeus (e) ‘De Fransen noemen het ook herbe aux perles. De grote soort die van ons groot parelkruid genoemd wordt is in de apotheken van Neder- en Hoogduitsland onbekend. De tweede soort noemt men eigenlijk in Nederduits steenzaad en parelkruid. Deze wordt in de apothekerswinkels van Hoogduitsland en Nederland gebruikt’.
Het kruid heet parelzaad naar de vruchtjes die zich als vier glanzende witte pareltjes onder in de kelk vertonen. Ze zijn zo hard dat het moeilijk is ze te breken en lijken wel van steen. Een sierlijke naam is ook het Franse herbe aux perles of perliere, Engelse pearl-plant, Duitse Perlenkraut. (f) Marienthranen en verder Geisfuss, Iserhart, Zwitsers Isechrut. Engels lichwale of lychwale.
 
Gebruik.
De zaden bevatten kiezelzuur, de planten groeien dan ook veel op kiezelgronden. De zaden, semen milii solis, werden vroeger in de artsenij gebruikt. Ze werken op de plas en voortplantingsorganen. De bladeren bevatten looistof en werden vroeger in Bohemen wel gebruikt om er groene of zwarte thee van te bereiden die bekend was als porseleinthee. De groene bladeren kwamen in de handel als Bohmerisch of Kroatische thee. Ook werden de bladeren gebruikt om de echte thee te vervalsen.
De soorten met rode wortel bevatten een verfstof. Deze verfstof werd wel als kleurstof gebruikt in pommades en haarzalven en vandaar de Duitse naam Bauernschminke, het rode sap dat door dorpsschonen als schmink gebruikt werd en bij ons basterd alkanet.
Zo was het gebruik vroeger. (141, 164, 311, 310, 309) ‘ Tegen de nierstenen en steen: Neem van het zaad een of anderhalf vierendeel lood, als het fijn gestampt is geef het met wijn in. Dioscorides. Plinius zegt dat dit kruid ook de druppelplas geneest.
Voor zware arbeid van de vrouwen: Neem van het fijn gepoederde zaad een half lood en laat het met vrouwenzog innemen. Platearius, Pandecta, Serapio, Matthiola. Dit is dikwijls beproeft geweest en werkt snel, maar daarin wordt het klein steenzaad voor krachtiger gehouden dan het groot steenzaad.
Dit kruid wordt zeer geprezen om de vloed van het mannelijk zaad op te laten houden die men gonorroe noemt en dan geeft men anderhalve drachme van dit zaad te drinken met een halve drachme Asplenium en twee scrupels witte amber met sap van weegbree of van sla’.
 
Folklore.
De zeldzame verschijning van een uit een plant groeiende steen, niet verwonderlijk dat het kruid gebruikt werd als tovermiddel, de Franse millet d'amour. Slowaakse meisjes nemen onder het onderkleed de uitlopers van dit kruid zodat ze met dansen niet moe worden. Met een aftreksel van deze plant wassen ze zich zodat ze geuren en begeerd worden.


 Wetenschappelijk onderzoek Lithospermum / Parelzaad

Contraception. 1983 Jun;27(6):639-45.
The effect of lithosperm on thyroidal 32P uptake at various times of injection.
Breneman WR, Zeller FJ.
Abstract
These experiments were performed to increase our understanding of possible side effects in the use of extracts of the plant Lithospermum ruderale (LSPM) as a contraceptive. Cold-water extracts of LSPM were used to note possible effects on injected TSH and on endogenous TSH which was increased by the use of propylthiouracil. It was demonstrated that LSPM had a biphasic effect on both endogenous and exogenous TSH activity as measured by chick thyroid 32P uptake. When given 18h before autopsy, LSPM decreased TSH activity in both, whereas when LSPM was administered 42h or 44h before autopsy, TSH activity was significantly increased.

Antihormonal effects of plant extracts. Pharmacodynamic effects of lithospermum officinale on the thyroid gland of rats; comparison with the effects of iodide. Winterhoff H, Sourgens H, Kemper FH.

Antihormonal effects of plant extracts. TSH- and prolactin-suppressing properties of Lithospermumofficinale and other plants.

[Contraceptive properties of Lithospermum officinale L. grown under different agrotechnical conditions].Stanosz S.
Pol Tyg Lek. 1979 Dec 10;34(50):1971-2. Polish. No abstract available.

[Comparative characteristics of the diagnostic properties of Lythospermum arvense L. andLithospermum officinale L].Lukasevich IT.
Farm Zh. 1966;21(3):44-50. Ukrainian. No abstract available.

[ON DATA ON THE CONSTITUENTS OF LITHOSPERMUM OFFICINALE L. 2. ON THE CONTENT OF SUBSTANCES IN MEDICINAL PLANTS WITH HORMONE AND ANTIHORMONE-LIKE EFFECT].
HOERHAMMER L, WAGNER H, KOENIG H.Arzneimittelforschung. 1964 Jan;14:34-40. German. No abstract available.

[ISOLATION OF DELTA-6,9,12,15-N-OCTADECATETRAENOIC ACID FROM THE FRUIT OFLITHOSPERMUM OFFICINALE L].
WAGNER H, KOENIG H.Biochem Z. 1963 Dec 3;339:212-8. German. No abstract available.

[On the antithyrotropic and antigonadotropic mechanism of action of Lithospermum officinale. (Morphological studies of the rat hypophysis)].
DHOM G, WERNZE H.Acta Endocrinol (Copenh). 1963 Jun;43:294-304. German. No abstract available.

[On the inhibition of experimental endocrine exophthalmos by Lithospermum officinale].
WERNZE H, WERNZE K.Klin Wochenschr. 1962 Mar 1;40:262-4. German. No abstract available.

["Antithyrotropic" action of Lithospermum officinale of the Paris district].
FONTAINE M, CALLAMAND O, LACHIVER F, SESHADRI B.J Physiol (Paris). 1962 Mar-Apr;54:341-2. French. No abstract available.

[Modification of spontaneous tumors in mice by Lithospermum officinale].
KEMPER F.Arzneimittelforschung. 1961 Nov;11:1067-8. German. No abstract available.

[Studies on the effect of Lycopus eruopaeus and Lithospermum officinale on thyroid gland metabolism in the rat].
HARTENSTEIN H, MUELLER WA.Hippokrates. 1961 Apr 30;32:284-8. German. No abstract available.

Blockade of pituitary hormones and regulation of endocrine functions by means of Lithospermumofficinale.
KEMPER F, LOESER A.Acta Endocrinol (Copenh). 1960 Feb;33:251-4. No abstract available.


lithospermum officinale 
 
Antihormonal effects of plant extracts. Pharmacodynamic effects of lithospermum officinale 
on the thyroid gland of rats; comparison with the effects of iodide. Winterhoff H, Sourgens H, Kemper FH. 
 
 
The antithyrotropic activity of freeze-dried-extracts from Lithospermum officinale (Lith. off. FDE) was 
investigated in the rat. When administered together with TSH, Lith. off. FDE blocked the TSH-induced increase in 
endocytotic activity of the thyroid glands followed by a strong decline of thyroid hormone levels. Furthermore, 
when Lith. off. FDE was injected alone it caused a decline in endogenous TSH-levels as well as in thyroidal 
secretion and thyroid hormone levels. The efficacy of the extract in blocking thyroid secretion was compared to 
that of potassium iodide and it was found that the effect of Lith. off. FDE was of more rapid onset and of longer 
duration, suggesting that the FDE may have a different mode of action from that of KJ. A specific interaction 
between TSH and the active constituents of the plant extract is discussed. Experiments on thyroidectomized and T4 
substituted rats have demonstrated as an additional pharmacodynamic effect of Lith. off. FDE an inhibition of 
peripheral T4-deiodination. 
 
PMID: 6685685 [PubMed - indexed for MEDLINE] 
 
La plante serait diurétique et dissoudrait les calculs biliaires et urinaires. Elle soignerait les rhumatismes et la goutte. 
Toutefois, c'est peut-être comme contraceptif que le grémil pourrait nous être de la plus grande utilité. Cet emploi traditionnel 
est attesté en Afrique et en Inde, de même que chez diverses nations amérindiennes, bien qu'on n'en trouve généralement 
pas mention dans les « matières médicales ». Surtout s'il s'agit de manuels produits par des religieux ou religieuses, cela va 
de soi. 
C'était la racine qu'on prenait après l'avoir fait macérer dans l'eau froide. Le degré de stérilité obtenu variait en fonction de la 
dose et de la durée du traitement. Chez les Amérindiennes, la méthode traditionnelle consistait à prendre la macération 
pendant six mois, après quoi elles étaient supposées être infertiles pour toujours. Dans d'autres tribus, les femmes 
consommaient tout simplement un petit morceau de racine chaque jour. 
Dans les années 1940, 1950, 1960 et 1970, on a mené pas mal d'expériences sur des animaux (souris et poulettes) et 
quelques autres sur des femmes, avec des résultats particulièrement convaincants, mais, pour des raisons obscures, elles 
n'ont jamais débouché sur des études plus poussées. On a notamment découvert que la plante inhibait l'hormone lutéinisante 
(ou gonadotropine B), dont le rôle est de provoquer la rupture des follicules et de favoriser la formation du corps jaune. Que, 
contrairement à ce que voulait la tradition, les fleurs et les semences étaient les parties les plus actives, les racines venant en 
troisième place, avant les feuilles ou la plante entière. Que les racines étaient plus efficaces si on les récoltait en septembre 
plutôt qu'en août. On a également mis au point un extrait lyophilisé qui, à l'abri de l'humidité, conserve sa pleine efficacité 
pendant une dizaine d'années. Bref, tout est en place pour que le grémil obtienne le plein statut de contraceptif humain, mais 
rien n'est fait pour qu'un extrait fiable soit accessible aux femmes qui souhaiteraient l'employer. 
De plus, à cause de son action particulière sur les autres hormones sécrétées par le lobe antérieur de l'hypophyse, on croit 
qu'il pourrait être utile dans le traitement de l'hyperthyroïdie, la maladie de Graves-Basedow, notamment, qui afflige tout 
particulièrement les femmes et qui se manifeste par l'apparition d'un goitre exophtalmique on ne peut moins esthétique. 

Comments