Iris sp.

Bij Irissen denken we nu niet direct aan medicinale gebruiksplanten, maar eerder aan populaire sierplanten, die met hun grote, decoratieve bloemen de hele wereld veroverd hebben. En toch zijn in het bijzonder de wortelstokken van deze Irissen uitvoerig beschreven in oude kruidenboeken en farmacopeeën.

Iriswortel werd 100 jaar geleden vooral gekweekt, in Italië, maar ook elders, in Zuid-Frankrijk, Marokko, Californië en China. De meeste betekenis voor de wereldhandel hadden ongetwijfeld de Italiaanse kwekerijen, die rond Florence, Siena, Vicenza en Verona werden gevonden. Het waren vooral de zonnige, zuidelijke hellingen van de onvruchtbare, steenachtige heuvels van Toscana, waarop weinig anders wou groeien, die door de Iris-cultuur productief konden gemaakt worden. Het centrum van de cultuur was het dorp San Paolo.



Iris germanica Linn.  - Baardiris / Duitse lis  Orrisroot
De Iris germanica L.,  baardiris, of Duitse lis wordt veel in de parfumerie gebruikt. De wortels leveren een olie die wordt gebruikt ter vervanging van de veel duurdere viooltjes wortelolie. Houdt van een kalkrijke, voedingsrijke bodem. Inheems in Zuid Europa, Marokko en Noord India. Kruidachtig overblijvende plant met rechtopstaande stijve bladeren. Standplaats: zonnig, in goed gedraineerde gronden. De bloemen zijn blauw-paars. Hij bloeit in mei – juni is winterhard en kan worden toegepast aan de rand van de vijver en in borders.

Gecultiveerd in Italië, bij Florence en Lucca. De Toscaanse boeren noemen hem Giagiollo. Samen met de Iris pallida en de Iris florentina wordt hier de Orris root van geproduceerd. Dioscorides en Theophrastus kenden de Orris wortel al en vonden dat de beste kwaliteit uit Illyricum (Dalmatië) kwam. Groeit in het Middellandse Zeegebied in wijngaarden en als sierplant. Hij werd in de 17e eeuw in Duitsland ingevoerd als sierplant en vandaar uit is hij verwilderd. Kan 80 tot 120 cm hoog worden, heeft grijsgroene tot blauwgroene bladeren en de blauwviolette bloemen verschijnen tussen mei en juni. De stengels staan stijf rechtop en zijn onbehaard. Wat giftigheid betreft bevat de iris 1% triterpeen van het type alpha-irigermanal. Het is een kruidachtige overblijvende plant met brede zwaardvormige bladeren, die rechtop staan en heeft geneeskrachtige eigenschappen. De wortelstok is vlezig, wordt van hun kurklaag ontdaan en langzaam gedroogd. Deze wortelstokken liggen horizontaal in of net boven de bodem in de zon. Het is een opslagplaats van reserve voedsel, zetmeel. Vanuit deze wortelstokken groeien nieuwe wortels en bladeren met een hoek van 90° recht omhoog. De wortels van deze wortelstokken groeien recht naar beneden. De wortelstok is ook belangrijk voor de waterhuishouding. De iris vormt binnenin slijmstoffen die water vasthouden en/of afgeven. Ook de bladeren geven water af als de iris teveel water bevat. Daardoor kunnen irissen maanden van droogte doorstaan. Uit bijna gemummificeerde wortelstokken groeien weer wortels als ze in water worden gelegd.

Deze bloem is bleekblauw tot wit, heeft schitterende bloemen, en een intense geur  aan het begin van de zomer. De binnenste krans van de bloem bestaat uit drie rechtopstaande bloembladen. De buitenste krans heeft drie teruggeslagen bloembladen die een vreemde gelige baard hebben. De Iris germanica, met wortelstok, komt het meest voor in tuinen. Hiervan wordt eveneens de zogenaamde Orris root of Orris Butter geproduceerd. Stoomdestillatie van de drie jaar oude gemalen rhizome. Italië had in de vorige eeuw grote iris velden, te vergelijken met de Franse lavendelvelden. Er werden jaarlijks honderden tonnen rhizomen geoogst.

Het planten van de Iris wordt zorgvuldig gedaan. Bij het begin van de groei, wordt de grond zorgvuldig gewied, vooral door vrouwen, die blootvoets tussen de bedden doorlopen. Hele families werken zo samen bij het wieden, afsnijden en oogsten van de wortels. De plant groeit drie jaar voordat de wortel volwassen is. Een goede oogst  van een flinke plantage is een miljoen kg. verse wortels, na het pellen en drogen ongeveer 300 ton gedroogde wortels die overblijven van de 1000 ton. De wortels worden geoogst in augustus, gepeld en gedroogd. Er is veel export vanuit Italië naar bijvoorbeeld Engeland, Frankrijk en Amerika van gedroogde Iris wortels. De verse wortel is extreem scherp, bitter, bijtend als men hem zou kauwen; een smaak die lange tijd aanhoudt. Deze scherpte verdwijnt bij het drogen, wordt licht bitter en de geur gaat naar viooltjes. Al in de tijd van Gerard was de Iris in Engeland gecultiveerd, alhoewel niet commercieel.

Er zijn grote kwaliteitsverschillen in de commercie van Orris, bepaald door het pellen en de kleur. De beste kwaliteit is de Florentijnse Orris van de Iris florentina, zorgvuldig gepeld, bijna wit, plomp, zeer geurig, onregelmatig van vorm, met kleine littekens waar de worteltjes zijn verwijderd.
De Orris van Verona van de Iris germanica is minder zorgvuldig gepeld, geelachtig van kleur, meer compact met uitgerekte stukken, een beetje gerimpeld en met niet zo’n geweldige geur als die van de I. florentina.
De Marokkaanse of Mogadore Orris ook van de Iris germanica heeft een roodbruine schil, is donkerder van kleur en minder geurig. De stukken zijn kleiner, platter, meer verschrompeld, en soms stukken blad aan de top. Soms gebleekt met zwaveldioxide. Duidelijk inferieur aan de beide voorafgaande soorten en zo is het ook met Bombay Orris: klein, donker en met een inferieure geur.

Werkzame bestanddelen vooral in de wortel: etherische olie 60%
a- en b-amyrine – furfurol – acetaldehyde – acetophenon – a-en b-caroteen – ascorbinezuur – benzaldehyde – b-sitosterol – calciumoxalaat – eugenol – furfural – tanninenzuur – geraniol – glycosiden – resin – iridine – linalol – iron - myristinezuur e.a.zuren – slijmstoffen – palmitinezuur – suikers – hars - zetmeel, e.a.

Gebruik / werking
Abcessen – anthelmintisch –   astma -  blaasproblemen  -  diuretisch  -  emetisch (braakmiddel)  - expectorant  -  halitose – hoesten  -  kanker (tumoren)  -  laxatief –maagklachten  -  pleuritis  -  sproeten – waterzucht.
Gebruikt om te verven, in de keuken en in de cosmetica. Tandpijn bij kinderen kan worden onderdrukt door het kind op een wortel te laten kauwen.


Gele lis, Iris pseudacorus L., 
is een opvallende oeverplant langs onze rivieren, plassen, meren en ook grotere vijvers. De soort, die hoort tot de  Lissenfamilie of Iridaceae, staat in de verlandingszone en soms op droogvallende maar goed vochtige blijvende bodem. Met ondergrondse wortelstokken breidt de soort zich uit.

Uit de wortelstokken komen de lange smalle in elkaar gevouwen blauwgroene bladeren te voorschijn die onderaan paarsig kleuren. Op doorsnede is te zien dat de spruit veel langer dan breed is, ook de om elkaar gevouwen scheden van de zwaardvormige bladeren zijn goed te zien met hun luchtkanalen, waarmee ze lucht tot onder de waterspiegel brengen in de onderwaterstaande en ondergrondse delen.

Aan de ronde bloemstengel en zijn zijassen ontstaat een aantal bloemen. Elk bloemgroepje is aanvankelijk omgeven door een tweekleppige bloeischede. De grote zwavelgele drietallige bloemen zijn bijzonder van vorm. De grote bloemen zijn ongeveer 10 cm in doorsnee. De bouw van de bloemen is zeer bijzonder en erg fraai. Het meest in het oog springen de drie buitenste bloemdekbladen. Ze zijn breed spatelvormig met een naar buiten gekromde plaat. De drie binnenste bloemdekbladen staan rechtop en zijn zeer smal. Alle zes bloemdekbladen staan op een korte buis boven het onderstandig vruchtbeginsel. Meer dan de binnenste smalle bloemdekbladen vallen de stijltakken op. Ze staan schuin omhoog zijn bladachtig verbreed en aan het uiteinde hebben ze twee lobben. Waar de lobben uit elkaar wijken zit het stempel. De meeldraad met helmknoppenstaat voor de stijltak.

Onderin de bloem is nectar te vinden en insecten met een lange tong, zoals Hommels, kunnen die bereiken. De bloem bloeit eerst mannelijk. Een bezoekende hommel krijgt dan het stuifmeel of pollen mee op zijn rug. De volgende dag is de bloem in de ontvankelijke vrouwelijke fase. De helmhokken zijn hun pollen kwijt en de stijltak met stempel buigt naar voren zodat een hommel op zoek naar nectar onderin de bloem met zijn rug, die pollen kan bevatten van bezoek aan een andere mannelijk bloeiende bloem, langs de stempel strijkt en daar pollen achterlaat.
Na de bevruchting verwelken de bloemen snel en groeien de vruchtbeginsels uit tot doosvruchten met drie rijen gladde, platte bruine zaden. Deze zaden hebben een groot drijfvermogen, waardoor ze door stromend water van rivier of beek over een flinke afstand vervoerd kunnen worden.

Volgens Dodonaeus uit Cruydt Boeck 1554
De gele lis wordt tegenwoordig in Latijn Gladiolus luteus genoemd en is zonder twijfel een geslacht van Gladiolus dat in Grieks Xiphion Phasgonon en Macheronion genoemd wordt. In de apotheken wordt deze lis Acorus genoemd en de wortel daarvan voor de wortel van de echte Acorus gebruikt, niet zonder grote dwaling en nadeel van de zieken dat niet alleen door ons maar ook door veel geleerden uit deze tijd geschreven is. Die deze lis daarom Pseudoacorus, dat is valse Acorus genoemd hebben. In Hoogduits heet het geel Schwertel en Drachenwurtz. Hier te lande gele lis en boksbonen. In Frans glayeul of flambe bastarde.
2 Het andere geslacht waar Hiëronymus Bock van schrijft is zonder twijfel de echte Gladiolus en Xiphio waar Dioscorides van schrijft lib. IIII en dit wordt in Hoogduits Blo schwertel genoemd, dat is blauwe lis.
 
Natuur.
De wortel van gele lis is koud en droog tot in de derde graad en tezamen trekkend. De wortels van tormentil en hertstong van naturen zeer gelijk.
 
Kracht en Werking.
De wortel van gele lis die in water gekookt en gedronken wordt geneest rode loop en stopt alle loop van de buik.
Diezelfde wortel in dezelfde manieren gebruikt is goed tegen het bloed plassen en bloedspuwen. Het geneest ook de vloed en de overvloedige menstruatie bij de vrouwen en stelpt alle bloedgang.



Iris germanica (Duitse lis) antroposofisch bekeken.
Tot de eigenaardigste, in hun bouw met geen andere vergelijkbare bloemen in de hele plantenwereld, behoren de verschillende soorten zwaardlelies. Zij zijn alle naar hetzelfde principe gevormd; alleen in grootte en kleur van de afzonderlijke bloemdelen zijn er ver­schillen. Uit de puntige, gedraaide, nog in de zwaardvormige stengelbladen verborgen knop ont­plooit zich snel een regelmatig radiaal gebouwde bloem. Deze heeft zes bloembladen in twee kringen, waarvan de buitenste drie, welke aan de bovenkant een felgekleurde baard hebben, omlaag bui­gen naar de stengel. De binnenste bloembladen staan overeind in een knopvorm. De drie leden van de stamper zijn groot en gekleurd; in een elegante boog vlijen zij zich tegen de omlaag gebo­gen bloembladen aan. De insecten vinden dientengevolge eigenlijk drie geopende bloemen met een horizontale stand. Meestal zijn het hommels die, om de nektar te vinden, zich in elke bloem drie keer in een nauwe spleet moeten begeven. Daarin bevindt zich ook nog één van de drie meel­draden. Bij het naar binnen kruipen worden de aan de onderkant van de stamper liggende kerven aangeraakt door de rug van het insect en bestoven. Als het insect uit de bloem kruipt wordt stuif­meel meegenomen naar de volgende bloem. Door deze eigenaardige gedaante houden de bloe­men van de iris het midden tussen de geheel geopende, bekervormige lelies en de uiterst gespeci­aliseerde orchideeën.
De indrukwekkende, grote, licht geurende, veelkleurige bloemen vertonen niets wat grof of ver­hard is. Na een korte bloei worden ze, als ze gaan verwelken, eerst waterig; pas daarna verdrogen ze en veranderen ze in dikke, bruine zaaddozen die talloze platte zaden bevatten. De affiniteit tot het waterige bestaat min of meer in de hele familie van de zwaardlelies. Vele soorten daarvan hebben vochtige grond nodig, zijn te vinden in greppels, moerassige weiden of stilstaand water, terwijl enkele andere, waartoe ook de iris germanica behoort, zonder dat hun verschijning opvallend anders is, op bijzonder droge, dikwijls uiterst schrale grond kunnen gedijen. Het water ne­men deze irissoorten als het ware mee in hun over de grond krioelende dikke wortelstokken die rijk aan zetmeel en slijmstoffen zijn. Wel zijn de grijsgroene, puntige, met een waslaagje bedekte bladeren van deze iris iets stijver en vleziger als men ze vergelijkt met de teerdere, omlaag han­gende, in het vocht groeiende soorten. De Iris germanica, die op de vlakke grond ontspruit, lijkt enigszins op de aloë of de agave uit warme streken. De plant blijft evenwel zacht en sappig en wordt nooit hard of stekelig. Slechts eens per jaar, tijdens de bloei in de voorzomer, richt de iris zich op van de grond en vertoont zij op lange, rechte stelen haar bloemen die lijken te zweven. Maar met het rijpen van de zaden verdrogen en vergaan deze opgerichte delen weer, terwijl de wortelstok nieuwe loten en spruiten voortbrengt.
Vroeger werden de wortels van de iris in de volksgeneeskunde veel gebruikt voor het reguleren van de vloeistofhuishouding in het menselijk organisme. De iriswortel bevordert de ontwatering, het oplossen van slijm en stimuleert de uitscheiding via de nieren. Tegenwoordig wordt de iris nog in de homeopathie gebruikt. Ook in cosmetische preparaten worden irisextracten verwerkt om de elasticiteit en het vochtgehalte van de huid te verbeteren.

Weledaberichten 132, 04-1984
Tot de meest karakteristieke en duidelijk herkenbare bloemen uit de ons omringende plantenwereld behoren de verschillende soorten zwaardlelies. Ze zijn allemaal volgens hetzelfde principe gevormd; alleen de afzonderlijke bloemdelen variëren in grootte en kleur. Uit de spitse en gedraaide knop die nog in de zwaardvormige stengelbladeren verborgen ligt, ontplooit zich al snel een regelmatig straalsgewijs opgebouwde bloem met zes bloembladeren in twee kringen. De buitenste drie bladeren, die aan de bovenkant een levendig gekleurde baard hebben, buigen naar beneden in de richting van de stengel, terwijl de binnenste drie bladeren rechtop als een soort knop naar elkaar toe buigen. Daarbij komt dat de drie leden van de stamper eveneens groot en kleurig zijn en zich met een elegante beweging
aanvlijen tegen de omlaag gebogen bloem­bladeren. Hierdoor vinden de insecten als het ware drie horizontale bloemholtes. De iris wordt het meest bezocht door de hommel die, om bij de nectar te komen, zich bij elke bloem driemaal in een spleet moet wringen. Daar bevindt zich ook nog één van de drie meeldraden. Bij het naar binnen kruipen worden de stempels die aan de onderkant van de stamper zitten, door de rug van het insect aangeraakt en daarbij bestoven. Wanneer het insect weer uit de spleet kruipt, wordt stuifmeel van de meeldraad afgeveegd en meegenomen naar de volgende bloem.
Met hun eigenzinnige vorm nemen de irissen een merkwaardige middenpositie in tussen de geheel geopende, bekervormige lelies en de sterk omgevormde, en uiterst gespecialiseerde bloemen van de orchideeën.                                                     De expressieve en grote bloem met haar fijne geur en als het ware overgoten door een veelheid aan zachte kleuren, kent geen grofheid of verharding. Na een korte bloeitijd verwelken de bloemen die eerst waterig worden en daarna pas uitdrogen. In de herfst vormen ze dikke, bruine zaaddozen met talrijke platte zaden. De neiging tot het waterige vinden we min of meer bij de gehele familie van de zwaardlelies terug.
Veel soorten zijn gebonden aan een vochtig milieu en te vinden in greppels, moerassige weiden of ondiep water, terwijl enkele andere soorten, waartoe ook de iris germanica behoort, zonder dat hun uiterlijk wezenlijk verschilt, op bijzonder droge en vaak zelfs erg schrale grond gedijen. Het water nemen deze irissen in zekere zin mee in hun dikke rupsvormige wortelstokken die door en over elkaar heen kronkelen en rijk zijn aan zetmeel en slijm. De grijs-groene, spitse en met een laagje was bedekte bladeren van deze iris zijn inderdaad iets stijver en massiever dan de zachte, overhangende bladeren van de waterminnende soorten. Ze doen ons – vlak bij de grond opkomend en met een ongedifferentieerde steel en spreiding- bijna herinneren aan de aloë en de agave van tropische standplaatsen. Zij blijven echter zacht en sappig en worden nergens hard of zelfs stekelig. Slechts éénmaal per jaar, gedurende de bloeitijd in de voorzomer, maakt de iris zich los uit haar flegmatisch aandoende binding aan de aarde en laat ze op lange rechte stelen haar ‘lichte’ bloemen zweven. Met het rijpen van de zaden verdrogen en vergaan deze recht opstaande delen weer, terwijl de wortelstok nieuwe loten en bladscheuten voortbrengt.
Vroeger werden de wortelstokken van de iris veel gebruikt in de volksgeneeskunst, waarbij het reguleren van de vochthuishouding steeds op de eerste plaats kwam. De iriswortel bevordert de zweetafscheiding en de ontwatering, helpt bij het oplossen van slijm en werkt stimulerend op de uitscheiding via de nieren. Tegenwoordig wordt de iris voornamelijk nog in de homeopathie gebruikt.
Ook in cosmetische producten worden aftreksels van de iris graag gebruikt ten einde de stevigheid en de vochthuishouding van de huid te verbeteren.                                                                
(Dr. Rainer Muller, Weledaberichten nr.157, september 1992)

Comments