Cinnamomum sp. / Kaneelboom


Kaneel (Cinnamomum zeylanicum)
Lauraceae (laurier familie)
Botanische synoniemen
Cinnamomum verum

Afkomst
Cinnamomum zeylanicum komt uit Sri Lanka (voormalig Ceylon) en het zuidoosten van India. Daarnaast is het ook afkomstig uit zuidwest India en de Tenasserim Heuvels van Burma. Meerdere pogingen zijn ondernomen om de kaneelplant te verbouwen in andere tropische gebieden, maar dit was alleen succesvol in de Seychellen.

Deel van de plant dat gebruikt wordt: De bast.

Sensorische kwaliteit: Sterk aromatisch, zoet, aangenaam, warm, niet bitter of wrang.

Hoofdbestanddelen
De essentiële olie van de kaneelbast (max. 4%) bestaat hoofdzakelijk uit 2 bestanddelen: de fenylpropanoïden cinnamaldehyde (3-phenyl-acroleine, 65 tot 75%) en eugenol (4-(1-propeen-3-yl)-2-methoxy-fenol, 5 tot 10%). Andere fenylpropanoiden (safrol, kaneelzuur esters), mono- en sesquiterpenen, komen slechts in zeer lage concentraties voor, maar bepalen wel de specifieke smaak van kaneel. Een andere component die in zeer kleine hoeveelheden aanwezig is en die belangrijk is voor de kwaliteit van kaneel, is 2-heptanon. De hoeveelheid zacht materiaal aan de binnenzijde van de bast is vrij laag (3%).
Van de kaneelbladeren kan een andere essentiële olie gewonnen worden (1%) dat bestaat uit eugenol (70 tot 95%) en kan gebruikt worden als vervanger voor kruidnagel. Daarnaast zijn ook kleine hoeveelheden (1 to 5%) van kaneelaldehyde, benzylbenzoaat, linalool and ß-caryophylleen aangetroffen.
 
Toepassing
Kaneel is een oude specerij die meerdere malen in het Oude Testament genoemd wordt. Tot de 16e eeuw was alleen de Chinese kaneel (cassia) bekend in het Westen. Vergeleken met de Chinese specerij heeft Ceylon kaneel een aangenamer aroma en domineert tegenwoordig de Westerse markt.
Aangezien kaneel afkomstig is uit Zuid Azië is het niet verwonderlijk dat de keukens van Sri Lanka en India zeer veel gebruik maken van deze specerij. Het is zowel geschikt voor pittige curies in Sri Lanka, maar ook voor de subtiele rijstgerechten (biriyanis ) van de Noord Indische keuken. Daarnaast wordt kaneel ook veel gebruikt als smaakcomponent in thee. Kaneel is ook populair in Perzische en Arabische regionen: West, Zuidwesten midden Azië, Noord en Oost Afrika.
In de 16e en 18e eeuw was deze specerij zeer populair in Europa, tegenwoordig is dat een stuk minder. In de Westerse keuken wordt deze specerij vooral gebruikt voor desserts en gestoofd fruit, die bijvoorbeeld op smaak gebracht worden met een mengsel van kaneel en kruidnagel. Kaneel wordt zelden gebruikt in kruidige gerechten.
In India wordt kaneel in zijn geheel gebruikt; de bast wordt gebakken in hete olie totdat deze ontrollen (dit is belangrijk omdat dan pas de geuren vrij kunnen komen); vervolgens wordt het geblust door de toevoeging van andere ingrediënten zoals tomaten, uien of yoghurt. De kaneelpijp wordt verwijderd voor het opdienen, maar kan ook dienen als geurende decoratie. 
In de meeste andere landen gaat de voorkeur uit naar gemalen kaneel. Het poeder moet pas vlak voor het opdienen toegevoegd worden, omdat het al snel bitter wordt bij verhitten.
De kaneelknoppen zijn de onrijpe vruchten die geoogst worden vlak na de bloesem; ze zien eruit als kruidnagel. Deze knoppen hebben minder aroma dan de bast; de geur is mild, puur en zoet. Om de geur tot zijn recht te laten komen moeten de knoppen fijn gemaald worden. Dit wordt alleen toegepast in China en India (regio Koetsj in the Gujarat).

Bron : http://www-ang.kfunigraz.ac.at/~katzer/engl/spice_welcome.html


Cinnamon 
Cinnamomum verum
Family: Lauraceae

Cinnamomum verum is a small-to-moderate, bushy, evergreen tree that grows to about 52 feet (16 m) in height with smooth, pinkish bark.1-3 Fresh leaf growth, called a flush, begins in the monsoon season (June through September) and varies from green to deep purple.2 The fragrant flowers are small, pale yellowish-green, and are attractive to insects, particularly bees. Cinnamomum verum is native to Sri Lanka and southern India, from sea level to 2,953 feet (900 m) and is cultivated in Sri Lanka, the coastal regions of India (in the Western Ghats and adjoining hills), parts of Africa (Madagascar and the Seychelles), Indonesia (Java), South America (Brazil), and the West Indies.1,3 This species is also cultivated in southeastern China’s Guangdong Province and neighboring Taiwan.4 Commercial plant material comes primarily from Sri Lanka, India, Malaysia, Madagascar, and the Seychelles.1

The main part of the tree used commercially is the dried bark, separated from the cork and underlying parenchyma (primary tissue that forms the greater part of the plant and fills the gaps between more specialized cells) of young branches and semi-hard shoots.1,2 For commercial cultivation, the shoots are coppiced (pruned almost level with the ground) on a regular basis to encourage dense, shrubby growth that results in more harvestable plant material.2

The International Organization for Standardization (ISO) provides quality specifications for 4 main commercial grades of Sri Lankan type cinnamon known as quills, quillings, featherings, and chips. Within the quills grade alone, there are 13 different commercial designations of distinct qualities. There are also 4 commercial designations for grades of Seychelles type and Madagascan type cinnamon: whole tubes, pieces of scraped bark, pieces of unscraped bark, and chips/flakes of unscraped bark.5
Processed cinnamon bark products include Ceylon-type cinnamon bark oil (volatile oil obtained by steam distillation of the dried inner bark of the clipped shrub or shoots), liquid extract (ratio of dried bark to extraction solvent 1:1; ethanol 70% V/V), tincture (1:5; ethanol 70% V/V), various aqueous or aqueous-alcoholic dried extracts, and supercritical carbon dioxide (CO2) soft extracts. Cinnamon leaf oil is also used, but to a much lesser extent.

HISTORY AND CULTURAL SIGNIFICANCE
The species name verum refers to it being the “true” cinnamon. The synonym, or former Latin binomial, C. zeylanicum, refers to the species originating in Ceylon, what is now Sri Lanka, the island nation at the southern tip of India. Many Cinnamomum species are referred to as cinnamon, and most Western countries don’t differentiate much between cinnamon and cassia or Chinese cinnamon (C. aromaticum syn. C. cassia). The ISO 6538 defines commercial grades of 3 types of cassia bark, Chinese type cassia (C. aromaticum), Indonesian type cassia (C. burmanii), and Vietnamese type cassia (C. loureirii), with a separate ISO standard for cinnamon bark (C. verum).6 The American Spice Trade Association allows both cassia and cinnamon bark to be labeled and sold as cinnamon for seasoning and spice purposes in food products.7 However, if cinnamon is used as a dietary supplement ingredient, US Food and Drug Administration (FDA) labeling regulations require use of the common name consistent with the name standardized in the American Herbal Products Association’s Herbs of Commerce, 2nd ed., which does differentiate between cassia and cinnamon.8 For purposes of this article, however, the common name cinnamon refers to C. verum. Other species will be identified by Latin binomial.

Cinnamon played a major role in colonial expansion.10 In 1536, Portugal invaded what was then Ceylon to monopolize the cinnamon trade. By 1770, the Dutch were cultivating cinnamon and the Dutch East India company dominated the world trade in cinnamon from 1796 to 1833.

The major commercial use of cinnamon is as a spice to flavor food.9 It can be found in curry and tea blends, baked goods, beverages, canned fruit, confections, desserts, pickles, liqueurs, marinades, meats, sauces, soups, and chewing gum. In Spanish-speaking countries cinnamon (canela) is popular in chocolate and it is one of the ingredients in Chinese 5-spice blend. Cinnamon, along with other spices and fruit, is used in making mulled wine which is often used as an apéritif to aid digestion.

Cinnamon bark essential oil is used in the food, perfume, and pharmaceutical industries. It has replaced ground cinnamon in the food industry in large part, as it can provide a uniform flavor to confectionery, meat, and other processed foods.9 It is also added to food products for its antimicrobial and antioxidant benefits that help retard spoilage. Cinnamon leaf oil, being high in eugenol (65-92%) and cheaper than bark oil, is often used in the food industry to flavor confections and to prepare synthetic vanillin. Cinnamon bark oleoresin — an extremely concentrated, dark brown, viscous liquid — is obtained by solvent extraction and is used for flavoring cakes and confections.

Due to its irritant and skin-sensitizing properties, cinnamon bark oil is used minimally in the perfume industry to add a musky, woody undertone.9 It is also a fragrance ingredient in soaps, toothpastes, and mouthwashes. Cinnamon  leaf oil is also employed as a fragrance and germicidal ingredient in soaps.9,11

Cinnamon [bark and its oil] is employed in the pharmaceutical industry as an ingredient in products used for asthma, colds, and coughs for its fever-reducing and expectorant properties.9 It is also an ingredient in medicines for treating bad breath, diarrhea, flatulence, gastric distress, impotence, typhoid fever, nausea, and vomiting.

Part of cinnamon’s commercial popularity lies in its ability to both enhance and suppress flavor.9 When added to foods containing sugar, cinnamon exerts a synergistic effect and its aroma enhances the sensation of sweetness. Alternatively, cinnamon can help mask undesirable flavors and odors in foods and drugs.

Cinnamon bark oil is antibacterial, antifungal, antimicrobial, an antioxidant, antiviral, and larvicidal.1,9,11 It has been employed for several millennia in traditional Eastern and Western medicine for anorexia, bloating, dyspepsia with nausea, flatulent colic, and spastic conditions of the gastrointestinal tract.1 In his classic CRC Handbook of Medicinal Plants, Dr. James Duke lists it as a folk remedy for a wide range of conditions: “amenorrhea, arthritis, asthma, bronchitis, cancer, cholera, coronary problems, cough, diarrhea, dysentery, dyspepsia, fever, fistula, lumbago, lungs, menorrhagia, nephritis, phthisis [pulmonary tuberculosis or other disease that causes wasting of the body], prolapse, proctosis, psoriasis, spasms, tumors, vaginitis, warts, and wens [sebaceous or epidermal inclusion cysts].”11 Additional folk medicine uses include dyspnoea (shortness of breath or labored breathing caused by serious disease of the airways, heart, or lungs), eye inflammation, “frigidity,” impotence, neuralgia, rheumatism, toothache, and wounds.3 It also has been used to alleviate tongue paralysis, as well as externally to relieve poisonous insect stings and acne.9 In Indian Ayurvedic and Unani medicine, cinnamon bark oil (dārusitā taila) is used as a single drug to treat flatulence, impaired digestion and metabolism, intestinal tract inflammation, peptic ulcer, vomiting, hemorrhoids, failure of penile erection, worm infestation, dryness of mouth, thirst, rhinitis/sinusitis, acute pain of nervine origin, blood disorders, tubercular ulcers, scorpion bite, and toothache.12 Cinnamon leaf oil has been used externally for rheumatism and inflammation.9

Also in the Ayurvedic system of medicine, the powdered inner bark (tvak) is indicated for treating throat and mouth diseases, dryness of mouth, thirst, urinary bladder diseases, hemorrhoids, worm infestation, rhinitis/sinusitis, and heart disease.13 In Siddha medicine, the powdered inner stem bark (ilavankap pattai) is used for treating all types of poisons and toxins, dysentery, painful gastrointestinal disorders with indigestion, flatulence, and wheezing.14 In Unani medicine, the dried inner bark (darchini) is used for complete suppression of urine formation and excretion, sexual debility, the fungal infection tinea versicolor (Pityriasis versicolor), bad breath, and asthma.15

In 1990, oral use of cinnamon bark (essential oil, tea infusion, or tincture) was approved by the German Commission E for loss of appetite and dyspeptic complaints such as mild, spastic condition of the gastrointestinal tract, bloating, and flatulence.16 The European Scientific Cooperative on Phytotherapy (ESCOP) included diarrhea as one of the conditions cinnamon bark can treat.17

As in many parts of the world, medicinal plants play an important role in primary healthcare in Palestine. Of 1,883 Palestinian patients with diabetes interviewed regarding the use of herbs for treating their condition, 105 (10.8%) reported using C. verum in a dosage form raw or as a decoction or infusion.18

CURRENT AUTHORIZED USES IN COSMETICS, FOODS, AND MEDICINES
In 2011, the European Medicines Agency (EMA) published final labeling standards monographs on cinnamon bark and cinnamon bark oil, which supersede existing monographs of EU national authorities for the registration and marketing authorization of traditional herbal medicinal products that contain cinnamon. The authorized traditional medicinal uses for cinnamon bark (as herbal tea, liquid extract [1:1], or tincture [1:5]) are (1) for symptomatic treatment of mild, spasmodic gastrointestinal complaints including bloating and flatulence; and (2) for symptomatic treatment of mild diarrhea.19 The essential oil in liquid dosage forms for oral use is authorized for same as cinnamon bark use (1).20 A prerequisite of product registration is that the quality complies with the corresponding quality standards monographs of the European Pharmacopoeia (e.g., Cinnamon PhEur, Cinnamon Tincture PhEur, or Ceylon Cinnamon Bark Oil PhEur).21 Concerning the use of cinnamon in cosmetic products in the EU, the European Commission Health and Consumers Directorate lists “Cinnamomum Zeylanicum Bark Powder” (obtained from the dried, ground bark of C. zeylanicum) for use as a skin conditioning ingredient while “Cinnamomum Zeylanicum Bark Oil” (volatile oil expressed from bark of C. zeylanicum, containing cinnamaldehyde [50-60%], eugenol [4-8%], and phellandrene) is listed for masking, perfuming, and tonic functions. “Cinnamomum Zeylanicum Bark Extract” (obtained from dried bark of C. zeylanicum) is listed for antimicrobial, antioxidant, astringent, emollient, humectant, perfuming, skin-conditioning, and skin-protecting functions.22

In the United States, cinnamon bark is regulated as a food additive and as a dietary supplement component. Both Ceylon cinnamon bark and leaf are listed as GRAS (Generally Recognized as Safe) for use as a spice, seasoning, or natural flavor ingredients while their essential oils, oleoresins (solvent-free), and natural extractives (including distillates) are GRAS flavoring agents.23 For use of the essential oil as a flavoring agent, a quality standards monograph for “Ceylon Type Cinnamon Bark Oil” is published by the United States Pharmacopeial Convention in the Food Chemicals Codex.24 For therapeutic use, although initially evaluated as potential active ingredients for inclusion in FDA’s establishment of a monograph for over-the-counter digestive aid drug products in 1982,25 both cinnamon oil and cinnamon tincture eventually became classified as non-monograph (Not Generally Recognized as Safe and Effective, or GRASE) in 1993.26

MODERN RESEARCH
The common name cinnamon is used to refer to a number of species in the genus Cinnamomum. For clarity, Abascal and Yarnell (2010) have suggested that correct labeling of cinnamon species and products made from them should be required in any study and in any commercial product.27 This should include a voucher specimen in addition to correct Latin binomial. They suggest that “very little of what passes for cinnamon in the marketplace, traditional medicine, or in modern studies is actually this true cinnamon.” Indeed, in the writing of this article, 1 author came across a systematic review that included a study on a product (Cinnulin PF®, Integrity Nutraceuticals Intl, Spring Hill, TN, U.S. patent #6,200,569) referred to as being “made from C. burmannii of the verum genus” [sic].28 Upon further investigation, this author learned that the primary article identified the species as C. cassia.29 An Internet search found the product, Cinnulin PF, referred to as made from C. burmannii [sic], C. cassia, C. cassia, and C. zeylanicum, or just cinnamon bark. The manufacturer states that Cinnulin PF is a proprietary water soluble extract of C. burmannii [sic].30

Chemotaxonomical studies have been conducted on C. verum and related taxa showing much variation in species as regards flavonoids, terpenoids, and steroids.2 However, C. verum accessions (distinct varieties) from Sri Lanka and India were found to be chemically identical.

Cinnamomum verum has displayed antibacterial activity in vitro against methicillin-resistant Staphylococcus aureus (MRSA)31 and Moraxella cattarhalis.32 It has also been shown to be anti-inflammatory in vitro.33 A number of in vitro studies have demonstrated the antioxidant potential of cinnamon but no human clinical studies are available to support cinnamon’s antioxidant properties.34

Pharmacological, animal, and, to a lesser extent, clinical research suggests that certain species of Cinnamomum may have potential for the treatment of diabetes, specifically in improving metabolic measures. Cinnamomum aromaticum (syn. C. cassia) is believed to have a better glucose-lowering effect than other species.35 A recent systematic review and meta-analysis of the effects of cinnamon on type 2 diabetes revealed 6 randomized, controlled trials, all on preparations made from bark of C. cassia.36

Another recent systematic review and meta-analysis explored the safety and efficacy of C. verum (as C. zeylanicum) on diabetes and resulted in 16 in vivo and in vitro studies, but no human clinical trials.37 The authors concluded that C. verum displays numerous beneficial effects (and no toxicity in vivo and in vitro), including promoting glycemic control, healthy lipid parameters, reduction of insulin resistance, potentiation of the action of insulin, and amelioration of common complications associated with diabetes. While C. verum may have potential for treating some symptoms associated with type 2 diabetes mellitus, clinical trials, like those being conducted on C. cassia, are required to confirm safety and efficacy in humans.

FUTURE OUTLOOK
A number of studies have concentrated on choosing cinnamon genotypes for crop improvement. Joy et al. (1998) investigated the genetic variability of cinnamon accessions from the Aromatic and Medicinal Plants Research Station at Kerala Agricultural University (KAU) in Odakkali, Kerala, India, and identified superior genotypes recognizable by the color of the flushes.2 The accessions with the darker purple flush yielded 29% more bark oil. Additionally, accession collections at the Indian Institute of Spices Research (IISR) and KAU, and collections derived from these 2 sources, have been used to develop better lines of cinnamon based on analysis of their genetic variability (fresh and dry bark yield, leaf oil, percentage of eugenol in leaf oil and cinnamaldehyde in bark oil, regenerative capacity, etc.) and were released for cultivation in India in the latter part of the 1990s.2

In Sri Lankan commercial plantations, cinnamon is usually maintained as a bush with 4-5 slender shoots growing to 6-10 feet (2-3 m).38 The bark can be harvested 2-3 years after planting, 2-3 times per year depending on growing conditions, and each plant has a commercially viable lifespan of 30-40 years. Cinnamon has a few insect pests and diseases that can affect crop production but there is very little information on their management.39

For the analysis of import and export trade data the World Customs Organization (WCO) assigns a general 4-digit harmonized system code that is inclusive of all cassia and cinnamon barks as well as cinnamon tree flowers of all Cinnamomum species (HS 0906). Related 6-digit codes are also assigned which can provide somewhat more specificity. Trade of Ceylon type cinnamon (C. verum) bark and tree flowers is tracked under HS 090611. Individual producing and exporting countries may add additional unique digits to create country-specific 8-, 9-,10- or 12- digit codes which enable quantification of export trade value for different plant parts and processed forms. According to the United Nations COMTRADE database, the world total export trade value for HS 0906 in 2010 was USD $248,558,721. Over 83% of the total was accounted for by just 4 countries. Sri Lanka ranked at #1 with a $82,794,825 export value (mainly C. verum); Indonesia #2 with $48,413,718 (C. burmanii, but also C. aromaticum and C. verum); People’s Republic of China #3 with $46,785,242 (mainly C. aromaticum); and Vietnam at #4 with $29,307,553 (mainly C. loureirii, but also C. aromaticum). If the major non-producing but re-exporting countries (e.g., Germany, France, The Netherlands, and United States) are taken out of the equation, the top-4 exporters account for about 90% of the world total. India and Madagascar (C. verum), respectively, each accounted for less than 1% of total export value in 2010.40

—Gayle Engels and Josef Brinckmann

European Medicines Agency (EMA) Committee on Herbal Medicinal Products (HMPC). Final Community herbal monograph on Cinnamomum verum J.S. Presl, cortex. London, UK: EMA. May 10, 2011. Available at: www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Herbal_-_Community_herbal_monograph/2011/08/WC500110095.pdf. Accessed June 28, 2012.
20. European Medicines Agency (EMA) Committee on Herbal Medicinal Products (HMPC). Final Community herbal monograph on Cinnamomum verum J.S. Presl, corticis aetheroleum. London, UK: EMA. May 10, 2011. Available at:www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Herbal_-_Community_herbal_monograph/2011/08/WC500110091.pdf. Accessed June 28, 2012.
21. European Pharmacopoeia Commission. Cinnamon; Cinnamon Tincture; Ceylon Cinnamon Bark Oil. In: European Pharmacopoeia, Seventh Edition (PhEur 7.1). Strasbourg, France: European Directorate for the Quality of Medicines. 2011;3359-3360.
22. European Commission Health & Consumers Directorate. Cosmetic Ingredients and Substances (CosIng®) Database. Brussels, Belgium: European Commission. Available at:http://ec.europa.eu/consumers/cosmetics/cosing. Accessed June 28, 2012.
23. Food and Drug Administration. 21CFR Part 582: Substances Generally Recognized as Safe. In: Code of Federal Regulations. Washington, DC: National Archives and Records Administration. 2012;552-576. Available at: www.gpo.gov/fdsys/pkg/CFR-2012-title21-vol6/pdf/CFR-2012-title21-vol6-part582.pdf. Accessed June 30, 2012.

REFERENCES

1.     Blumenthal M, Goldberg A, Brinckmann J, eds. Herbal Medicine: Expanded Commission E Monographs. Austin, TX: American Botanical Council; Newton, MA: Integrative Medicine Communications; 2000.
2.     Ravindran PN, Shylaja M, Nirmal Babu K, Krishnamoorthy B. Botany and crop improvement of cinnamon and cassia. In: Ravindran PN, Nirmal Babu K, Shylaja M. Cinnamon and Cassia: The genus Cinnamomum. Boca Raton, FL: CRC Press; 2004:14-79.
3.     Mahady G, Fong H, Farnsworth N. WHO Monographs on Selected Medicinal Plants. Vol. I. Geneva: World Health Organization; 1999.
4.     Li X, Li J, van der Werff H. Cinnamomum. In: Flora of China Editorial Committee. Flora of China 7. St. Louis, MO: Missouri Botanical Garden Press. 2008:166-187. Available at: http://flora.huh.harvard.edu/china/PDF/PDF07/Cinnamomum.pdf. Accessed June 30, 2012.
5.     International Organization for Standardization. International Standard ISO 6539: Cinnamon, Sri Lankan type, Seychelles type and Madagascan type (Cinnamomum zeylanicum Blume) - Specification. Geneva, Switzerland: ISO. 1997.
6.     International Organization for Standardization. International Standard ISO 6538: Cassia, Chinese type, Indonesian type and Vietnamese type [Cinnamomum aromaticum (Nees) syn. Cinnamomum cassia (Nees) ex Blume, Cinnamomum burmanii (C.G. Nees) Blume and Cinnamomum loureirii Nees] - Specification. Geneva, Switzerland: ISO. 1997.
7.     Spice List. American Spice Trade Association Web site. Available at: www.astaspice.org/i4a/pages/index.cfm?pageid=3723. Accessed June 25, 2012.
8.     Food and Drug Administration. 21CFR §101.4: Food; designation of ingredients. In: Code of Federal Regulations. Washington, DC: National Archives and Records Administration. 2012;15-19. Available at: www.gpo.gov/fdsys/pkg/CFR-2012-title21-vol2/pdf/CFR-2012-title21-vol2-sec101-4.pdf. Accessed June 30, 2012.
9.     Krishnamoorthy B, Rema J. End uses of cinnamon and cassia. In: Ravindran PN, Nirmal Babu K, Shylaja M. Cinnamon and Cassia: The genus Cinnamomum. Boca Raton, FL: CRC Press; 2004:311-326.
10.  Bown D. The Herb Society of America New Encyclopedia of Herbs and Their Uses. London: Dorling Kindersley Ltd.; 2001.
11.  Duke JA. CRC Handbook of Medicinal Herbs. Boca Raton, FL; CRC Press: 1985.
12.  Ayurveda Pharmacopoeia Committee. Dārusitā Taila. In: The Ayurvedic Pharmacopoeia of India, Part I, Volume VI. New Delhi: Department of Ayurveda, Yoga & Naturopathy, Unani, Siddha and Homoeopathy (AYUSH). 2008;200-201.
13.  Ayurveda Pharmacopoeia Committee. Tvak. In: The Ayurvedic Pharmacopoeia of India, Part I, Volume I. New Delhi: Department of Ayurveda, Yoga & Naturopathy, Unani, Siddha and Homoeopathy (AYUSH). 1989;111-112.
14.  Siddha Pharmacopoeia Committee. Ilavankap Pattai (Bark). In: The Siddha Pharmacopoeia of India, Part I, Volume I. New Delhi: Department of Ayurveda, Yoga & Naturopathy, Unani, Siddha and Homoeopathy (AYUSH). 2008;52-53.
15.  Unani Pharmacopoeia Committee. Darchini. In: The Unani Pharmacopoeia of India, Part I, Volume I. New Delhi: Department of Ayurveda, Yoga & Naturopathy, Unani, Siddha and Homoeopathy (AYUSH). 2007;26-27.
16.  Blumenthal M, Busse WR, Goldberg A, Gruenwald J, Hall T, Riggins CW, Rister RS, eds. Klein S, Rister RS, trans. The Complete German Commission E Monographs—Therapeutic Guide to Herbal Medicines. Austin, TX: American Botanical Council; Boston, MA: Integrative Medicine Communication; 1998.
17.  European Scientific Cooperative on Phytotherapy. ESCOP Monographs. 2nd ed. New York: Thieme New York; 2003.
18.  Ali-Shtayeh MS, Jamous RM, Jamous RM. Complementary and alternative medicine use amongst Palestinian diabetic patients. Complement Ther Clin Pract. February 2012;18(1):16-21. Epub 2011 Oct 2.
19.  European Medicines Agency (EMA) Committee on Herbal Medicinal Products (HMPC). Final Community herbal monograph on Cinnamomum verum J.S. Presl, cortex. London, UK: EMA. May 10, 2011. Available at: www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Herbal_-_Community_herbal_monograph/2011/08/WC500110095.pdf. Accessed June 28, 2012.
20.  European Medicines Agency (EMA) Committee on Herbal Medicinal Products (HMPC). Final Community herbal monograph on Cinnamomum verum J.S. Presl, corticis aetheroleum. London, UK: EMA. May 10, 2011. Available at: www.ema.europa.eu/docs/en_GB/document_library/Herbal_-_Community_herbal_monograph/2011/08/WC500110091.pdf. Accessed June 28, 2012.
21.  European Pharmacopoeia Commission. Cinnamon; Cinnamon Tincture; Ceylon Cinnamon Bark Oil. In: European Pharmacopoeia, Seventh Edition (PhEur 7.1). Strasbourg, France: European Directorate for the Quality of Medicines. 2011;3359-3360.
22.  European Commission Health & Consumers Directorate. Cosmetic Ingredients and Substances (CosIng®) Database. Brussels, Belgium: European Commission. Available at: http://ec.europa.eu/consumers/cosmetics/cosing. Accessed June 28, 2012.
23.  Food and Drug Administration. 21CFR Part 582: Substances Generally Recognized as Safe. In: Code of Federal Regulations. Washington, DC: National Archives and Records Administration. 2012;552-576. Available at: www.gpo.gov/fdsys/pkg/CFR-2012-title21-vol6/pdf/CFR-2012-title21-vol6-part582.pdf. Accessed June 30, 2012.
24.  United States Pharmacopeial Convention. Ceylon Type Cinnamon Bark Oil. In: Food Chemicals Codex 8th Edition. Rockville, MD: United States Pharmacopeial Convention. 2012;251-252.
25.  U.S. Food and Drug Administration. Digestive aid drug products for over-the-counter human use; Establishment of a monograph. Federal Register. 1982;47(2):454-487.
26.  U.S. Food and Drug Administration. 21CFR §310.545: Drug products containing certain active ingredients offered over-the-counter (OTC) for certain uses. In: Code of Federal Regulations. Washington, DC: National Archives and Records Administration. 2012;37-48. Available at: www.gpo.gov/fdsys/pkg/CFR-2012-title21-vol5/pdf/CFR-2012-title21-vol5-sec310-545.pdf. Accessed June 30, 2012.
27.  Abascal K, Yarnell E. The medicinal uses of cinnamon. Integrative Med. February/March 2010;9(1):28-32.
28.  Kirkham S, Akilen R, Sharma S, Tsiami A. The potential of cinnamon to reduce blood glucose levels in patients with type 2 diabetes and insulin resistance. Diabetes Obes Metab. December 2009;11(12):1100-1113.
29.  Ziegenfuss TN, Hofheins JE, Mendel RW, Landis J, Anderson RA. Effects of a water-soluble cinnamon extract on body composition and features of the metabolic syndrome in pre-diabetic men and women. J Int Soc Sports Nutr. 2006;3(2):45-53.
30.  Cinnulin PF®. Integrity Nutraceuticals website. Available at: www.integritynut.com/products-and-services/cinnulin_pf_.html. Accessed June 27, 2012.
31.  Mandal S, Manisha D, Saha K, Pal NK. In vitro antibacterial activity of three Indian spices against methicillin-resistant Staphylococcus aureus. Oman Med J. September 2011;26(5):319-323.
32.  Rasheed MU, Thajuddin N. Effect of medicinal plants on Moraxella cattarhalis. Asian Pac J Trop Med. February 2011;4(2):133-136.
33.  Kwon HK, Hwang JS, Lee CG, et al. Cinnamon extract suppresses experimental colitis through modulation of antigen-presenting cells. World J. Gastroenterol. February 28, 2011;17(8):976-986.
34.  Gruenwald J, Freder J, Armbruester N. Cinnamon and health. Crit Rev Food Sci Nutr. 2010;50(9):822-834.
35.  Verspohl EJ, Bauer K, Neddermann E. Antidiabetic effect of Cinnamomum cassia and Cinnamomum zeylanicum in vivo and in vitro. Phytother Res. 2005;19(3):203-206.
36.  Akilen R, Taiami A, Devendra D, Robinson N. Cinnamon in glycaemic control: systematic review and meta analysis. Clin Nutr. May 12, 2012. [Epub ahead of print]
37.  Ranasinghe P, Jayawardana R, Galappaththy P, R Constantine G, de Vas Gunawardana N, Katulanda P. Efficacy and safety of ‘true’ cinnamon (Cinnamomum zeylanicum) as a pharmaceutical agent in diabetes: a systematic review and meta-analysis. Diabet Med. June 4, 2012:1464-5491.
38.  Ranatunga J, Senanayake UM, Wijesekera ROB. Cultivation and management of cinnamon. In: Ravindran PN, Nirmal Babu K, Shylaja M. Cinnamon and Cassia: The genus Cinnamomum. Boca Raton, FL: CRC Press; 2004:121-129.
39.  Anandaraj M, Devasahayam S. Pests and diseases of cinnamon and cassia. In: Ravindran PN, Nirmal Babu K, Shylaja M. Cinnamon and Cassia: The genus Cinnamomum. Boca Raton, FL: CRC Press; 2004:239-258.
40.  United Nations Commodity Trade Statistics Database (COMTRADE). Available at: www.comtrade.un.org. Accessed June 27, 2012.



CINNAMOMUM ZEYLANICUM Blume  / Etherische olie van kaneel       
Synoniem: Cinnamomum verum J. S. Presl.
                  Cinnamomum zeylanicum Nees
                  Laurus cinnamomum L.
Familie: lauraceae. Gebruikt deel: 1. bladeren en twijgen. 2. Binnenste bast. 3. olie uit de wortel. Opbrengst 1-3%. Bestaat vooral uit kamfer, tot 60% en wordt niet commercieel geproduceerd; is ook niet in de handel.

Waterdestillatie uit: 
1. de bladeren en de twijgen. Dit is een geel tot bruinachtige vloeistof met een warm-pikante geur. Er is ook een CO2 extract.
2. De binnenste bast, dit is een licht- tot donkergele vloeistof met een zoet pikante geur, die erg duurzaam is.
Gehalte aan etherische olie bladeren en twijgen: 1 -1,25%, voor 1 kg essence 80 kg plantmateriaal. De kleur is geel tot bruin, de geur: zoet, warm, kruidig. Lijkt op kruidnagel. Basis- of middennoot. Kaneel, echte
Gehalte aan etherische schorsolie: 0,5-4%, 100-200 kg bast voor 1 liter olie. De kleur is licht- tot donkergeel, de geur krachtig, warm, kruidig, zoet. Basis- of middennoot.
Een andere methode geeft aan: de bast kloppen, macereren in zeewater en daarna een snelle destillatie van het geheel.

De naam komt uit het Grieks kinnámõmon, van de Phoeniciërs en het aanverwante Hebreeuws: quinnâmôn, en is in het Maleisische en Indonesisch kayu manis: zoet hout. Kaneel is afgeleid van het Latijnse canna, dat riet betekent en verwijst naar de vorm van de opgerolde schors en canella betekent rolletje

Soorten / Species
Het is een boom van de Lauraceae familie en vertoont veel overeenkomsten met de laurier. Er zijn zo’n 275 verschillende soorten kaneelbomen, waarvan er ongeveer 5 worden gebruikt voor de winning van kaneel. Ceylon kaneel is Cinnamomum zeylanicum of C. verum. Padang cassia is Cinnamomum burmanii, die voornamelijk op Sumatra wordt verbouwd en Kassia is Cinnamomum aromaticum. 
De grootste exporteur is Sri Lanka, verder Madagaskar, de Seychellen en Maleisië.
De cassia, de sterkere kaneel wordt in Amerika en China gebruikt. In Europa tot de 16e eeuw. Daarna werd hier de Cinnamomum zeylanicum/ verum meer populair. In de tropen wordt hij kurundu genoemd. De meest gebruikte botanische naam is Cassia. Dit  is verwarrend want hij heeft niets gemeen met de Cassia fistula. Dat is een Indiase boom die tot een andere familie behoort en grote, gele bloemen heeft.

De Cinnamomum is een groenblijvende boom die een hoogte van wel 15 meter kan bereiken, tenminste in de vrije natuur, onder goede omstandigheden.  Gecultiveerd wordt hij laag gehouden, in de vorm van een heester, niet hoger dan een meter of drie. De kwaliteit van de kaneel is behalve van de grond, zon, veel regen en een hoogte tot 300 meter ook afhankelijk van de behandeling en verzorging van de plant. 
Op de plantages houdt men de bomen erg kort om de tot 2 meter lange scheuten gemakkelijk af te kunnen knippen. Men laat de boom twee jaar groeien en dan wordt hij gesnoeid. Het volgende jaar schieten de twijgen vanuit de wortels omhoog en deze twijgen worden van hun schors ontdaan en gedroogd. Alleen de binnenste bast van 0.5 mm wordt gebruikt door het buitenste hout te verwijderen. Zo krijgt men strips van een meter die door het drogen opkrullen tot rolletjes (quills) en ieder gedroogd rolletje bevat strips van verschillende scheuten, die samengepakt worden. De quills worden afgesneden op 5-10 cm. voor de verkoop. Kaneel is dus het binnenste van de Cinnamomumbast. 

De bladeren worden gedestilleerd, de schors wordt 24 uur gefermenteerd, onder rieten matten. De buitenste schors wordt dan weg geschraapt, zodat het kernschors droogt. Verschillende stukken schors worden in elkaar gestopt en zo wordt het kaneelstokje gevormd. Kaneel wordt in stukken en in poedervorm gebruikt om gerechten en likeur te aromatiseren. De beste kwaliteit kaneel wordt aangeduid met de cijfers 00000. Hoe minder nullen des te slechter is de kwaliteit. In parfum wordt de etherische olie gebruikt om een intense warme geur te geven. (Cinnabar 1975 van Estée Lauder, Guerlain 1906, Poison van Christian Dior, e.a.). Deze parfums vallen onder de amberkruidige geurfamilies.

Door terug te snoeien en de boom te knotten onderdrukt men de eigenlijke stamvorming en krijgt dan een struik van 3 meter hoog bij 4 – 5 meter omtrek, met uitschietende twijgen die, als ze 2 jaar oud zijn en 1,5 cm dik, worden gesneden. Van tijd tot tijd worden de hele planten door stekken of zaad vernieuwd, om de wortels niet te oud te laten worden. De beste kaneel zit in de twijgen die zich in het midden van de struik bevinden. De hoofd- of  voornaamste oogst is in de lente, de kleinere oogst in het najaar, na de regentijd, als de schors of bast goed loslaat. De buitenste schors wordt verwijderd en het grootste deel van de binnenschors geschild. Stukken worden in elkaar geschoven, afgesneden op een bepaalde lengte, gedroogd in de schaduw, in bundels verpakt en verscheept. Dit zijn de kaneelstokjes, -rolletjes, of pijpkaneel.

De beste kwaliteit levert Ceylon. Die kaneel wordt ook niet gemalen, maar hoofdzakelijk als rolletjes verkocht. Deze rolletjes zijn kleiner en zachter, dun, glad en niet zo donker van kleur (licht geel, bruin), hebben een indringende zoete, warme en prettige geur en smaak, heel anders dan de cassia rolletjes, die dikker, harder en donkerder rood van kleur zijn en uit China, India, Indonesië en de Seychellen komen. De rolletjes gaan zo’n 3-4 jaar mee. De Chinese kaneel wordt hoofdzakelijk gemalen en het  poeder verliest snel zijn aroma: dus weinig inkopen en snel verbruiken. Naast elkaar zijn kaneel en cassia goed te onderscheiden en eveneens microscopisch. Het poeder van beiden is moeilijker te onderscheiden. Men kan testen met jodiumtinctuur waarbij de echte kaneel van goede kwaliteit bijna geen reactie laat zien, terwijl cassia een diepblauwe kleur als reactie geeft.

Het is een groenblijvende boom met zijdeachtige pluimen met kleine onwelriekende, crèmekleurige bloemetjes en paarse bessen. Ze groeien in donzig behaarde trosjes. De vruchten zijn blauwwitte bessen. 
De bladeren zijn groot, leerachtig en sterk aromatisch. In grote delen van Azië en Indonesië worden de bladeren geweekt om olie uit te winnen. Deze olie is antiseptisch en een licht laxerend middel voor kinderen.
Op het platteland is het een bekend middel tegen verkoudheid. Het wordt in stukjes gebroken en met enkele kruidnagels toegevoegd aan warme wijn. Kaneel is stimulerend en bevordert de transpiratie. Het geurige kruid is eveneens onmisbaar in notenlikeur. In China wordt kaneel gebruikt voor de bereiding van liefdesdranken. Ook wordt kaneel gebruikt om de seksuele lust op te wekken. Vier of vijf stukjes kaneel moeten enkele uren weken in een theepot vol kokend water en groene thee. Deze drank moet dan een week lang verspreid over de dag worden gedronken.

Geschiedenis van het gebruik
De kaneelboom wordt verbouwd in Zuid India, Sri Lanka, Java, Sumatra, Vietnam, Brazilië, Madagaskar, Zanzibar, Egypte,Indochina en Afrika. De bladeren verspreiden een sterke kruidige geur als ze beschadigd worden. Kaneel is mogelijk een der oudste geneesmiddelen uit kruiden en komt in oude Chinese teksten al 4000 jaar voor, 2800 voor Christus reeds in het kruidenboek van de Chinese Keizer Shennung. In de Oudheid werd kaneel niet gebruikt als specerij, maar om aromatische zalven, medicijnen en schoonheidstincturen te maken. Reeds in de Oudheid bloeide de handel. De Arabieren haalden de kaneelrolletjes uit India en verkochten ze voor veel geld in Europa. De plaats waar de kaneel vandaan kwam werd zeer geheim gehouden en zo ontstonden allerlei fabeltjes: Aristoteles dacht dat de “kaneelvogel” de kaneel verzamelde en er zijn nest mee maakte. Met pijl en boog moesten de nesten dan naar beneden geschoten worden. De Arabieren hielden dit vol tot de zestiende eeuw, toen de Portugezen de handel overnamen. In 1498 veroverden de Portugezen onder Vasco da Gama Ceylon, het latere Sri Lanka en hadden het monopolie op de kaneel handel. Toen ze door hadden wat voor rijkdommen Ceylon bevatte in de vorm van kaneel, legden ze de heersers van Ceylon een jaarlijkse schatting op van 125.000 kg. kaneel tegen protectie van de regering van Portugal. Ceylon verzette zich hiertegen, riep de hulp van de Hollanders in en kwamen zo van de regen in de drup.
De Hollanders “hielpen” Ceylon en die begonnen plantages voor de kaneel teelt. Zoals de Hollanders met kruidnagel en muskaat hadden gedaan richtten ze ook een kaneelmonopolie op. Overal roeide ze de kaneelboom uit, behalve op Ceylon. Iedere kaneelbewerker tussen de 18 en de 80 jaar moest jaarlijks 500 kg geschilde kaneel afleveren aan de Hollanders, die dit 200 jaar volhielden met ware terreur. Dit was de Hollandse Oostindische Compagnie. Als er meer werd geproduceerd dan de Hollandse schepen konden laden, dan werd de rest verbrand.  Rond 1796 - 1802 namen de Engelsen de heerschappij over. De Hollanders slaagden er toen in om plantages op te richten in Indonesië en nu exporteert Indonesië zo’n 8000 ton kaneel per jaar. Ceylon (Sri Lanka) en de Seychellen produceren ongeveer de helft. 

De Grieken kenden ook reeds kaneel en noemden hem Malabathron. Ook in het oude Egypte was kaneel reeds bekend. Ook in de bijbel komt kaneel voor. Mozes gebruikte het voor de bereiding van een zalfolie. De Arabieren maakten kaneel verder bekend en zo werd kaneel in de 15e en 16e eeuw tevens een doel van de ontdekkingsreizen.
Toen de Hollanders de kaneelhandel op Ceylon in handen hadden ging kaneel een grotere rol spelen in de Oudhollandse keuken, evenals vroeger in de kraamkamer. Voor een voorspoedige bevalling kreeg de kraamvrouw een kaneeldrankje, dat tevens de productie van zog moest bevorderen. Men schonk de visite kandeel (wijn, bier of melk met eierpunch, kaneel en kruidnagel) en serveerde kaneelbeschuitjes en kaneelwafels. Het was in die tijd een kostbaar en duur specerij. Als men het bezat getuigde dat van rijkdom. De grote koopman Anton Fugger schijnt in het bijzijn van   Karel de vijfde diens schuldbekentenissen te hebben verbrand door middel van kaneelstokjes. 
In de volksgeneeskunde in het oosten is kaneel duizenden jaren gebruikt bij: verkoudheid, griep, spijsverteringsproblemen, reumatische aandoeningen, menstruatieproblemen, nierproblemen en als stimulans.

Kaneel olie wordt gewonnen door waterdampdestillatie van de twijgen met bladeren en van de bast. De bastolie is toxisch en wordt daarom in de aromatherapie niet of nauwelijks gebruikt. Beide oliën worden gebruikt in neussprays, hoestsiroop en tandverzorgings-producten. Ook als smaakstof in voedingsmiddelen, alcoholische- en frisdranken.
De bladolie wordt gebruikt in zeep, cosmetica, toiletartikelen en parfums en werkt bloedstelpend, circulatiebevorderend, stimulerend op ademhaling en hart.
De bastolie is een afrodisiacum; verhoogt de afscheiding van speeksel, tranen en neusvocht; versterkt hart en geest, goed tegen depressies, bloedstelpend, kalmerend, menstruatieregelend, ontsmettend, stimulerend op hart en ademhaling, goed voor herstel na ziekte, geeft kracht.
De bladolie is geel tot bruin van kleur met een warm, kruidig aroma. Therapeutisch gezien is kaneel olie zeer waardevol en wel op een groot aantal gebieden. Ontspannend bij spierverhardingen en geestelijke verharding in het algemeen.
De olie heeft niet alleen een versterkende en verwarmende werking bij kou, lage temperaturen, maar ook bij innerlijke kilte. Helpt tegen bacteriën, virussen en schimmels. Remt ontstekingen en bevordert de doorbloeding.
In India en Sri Lanka veel gebruikt in de keuken, evenals in Perzische en Arabische regionen, Noord en Zuid Afrika. In India wordt kaneel in zijn geheel gebruikt: de bast wordt gebakken in hete olie tot ze ontrollen en dan worden andere stoffen en  ingrediënten toegevoegd. In China en India worden de kaneelknoppen ook gebruikt. Dat zijn de onrijpe vruchten die worden geoogst direct na de bloesem en ze lijken een beetje op kruidnagel. Ze zijn mild, puur en zoet en moeten worden gemalen. Ze hebben minder aroma dan de bast.

De schorsolie wordt dikwijls vervalst met bladolie of cassia. Beide oliën niet gebruiken bij kinderen en ouderen (Franchomme & Penoel 2001 p.362). De schorsolie is potentieel sensitiserend, dus matig gebruiken.. De IFRA beveelt gebruik aan beeden de 1%.
Beide oliën zijn gemiddeld actief tegen Candida albicans, C. glabrata, Microsporum canis, Trichophyton rubris en T. mentagrophytes (Mastura et al 1999).Cinnamonolie en cinnamaldehyde zijn sterk antibacterieel tegen Staphylococcus aureus, Streptococcus faecalios en Pseudomona aeruginosa (Lens-Lisbonne et al 1987)

Enkele toepassingen etheische olie kaneel:
*bij blauwe plekken en insectenbeten: doe 2 druppels kaneel op een vochtig watje en dep hiermee de pijnlijke plek.
*verdampen: in de kinderkamer voor een aangename sfeer, of voor het slapengaan 5 druppels kaneel en 10 druppels mandarijn.
*verdampen: 10 druppels kaneel in de aromalamp geven een gevoel van welbehagen en activeren de fantasie en creativiteit.
*bij spierverhardingen: 5 druppels kaneel in een eetlepel basisolie mengen en hiermee de pijnlijke plaatsen inwrijven.
*bij koude onderbenen: 2 dr. kaneelschors en 2 dr. kerrieplant mengen in 10 ml. basisolie. Met dit mengsel dagelijks masseren. Zorgt voor een betere doorbloeding.

Dr. Duke’s Phytochemical and ethnobotanical databases.
www.essential7.com/essential_oils: Cinnamomum zeylanicum
Meyers Konversationslexikon: Band 4 von China bis Distanz seite 136 cinis bis Cinnamomum.
www.home.tiscali.be/jantje/olie Kaneel - Cinnamomum zeylanicum.
www.fao.org/docrep/V5350 Chapter 2: Cinnamomum oils.


Will cinnamon prove useful in treating diabetes? This question has not been easy to answer. 
 
The data from current analysis suggest that taking cinnamon may have a slight but still possibly useful effect in treating type 2 diabetes. Even so, we need to remember that this is but one of a number of meta-analyses that have addressed this question and yielded somewhat mixed results. 
 
In some studies, taking 1 g to 1.2 g of cinnamon per day has been associated with worsening blood parameters for diabetes; both fasting glucose and A1c values went up.1-3 Other studies have reported improvements in the same parameters, perhaps because they used higher doses of cinnamon (1g-6g/d).
 
This current analysis is promising; some of the effects are not only significant but clinically relevant. One of us commented in this journal about a 2012 meta-analysis by Akilen et al4 and expressed his opinion that although the impact of cinnamon was statistically significant, the results were, in his mind, not clinically so. In other words, the results might have been real but weren’t large enough to make much difference. In this current meta-analysis, while the A1c levels did not improve, cinnamon did have a positive impact on a range of biomarkers linked to cardiovascular disease (CVD). As reducing CVD risk is an important goal for diabetics, these findings are important.
 
Comparing the changes in CVD biomarkers reported here to changes from “established” therapies might put cinnamon’s value into perspective.
 In this current meta-analysis, while the A1c levels did not improve, cinnamon did have a positive impact on a range of biomarkers linked to cardiovascular disease (CVD). As reducing CVD risk is an important goal for diabetics, these findings are important. 
 
The 25-mg/dL drop in fasting blood sugar is about half the effect seen with metformin.5 Reductions associated with cinnamon in LDL cholesterol and triglyceride levels—9.4 mg/dL and 29.6 mg/dL, respectively—are also less than we see from the common lipid-lowering drugs, pravastatin and gemfibrozil, which reduce LDL cholesterol and triglyceride levels by approximately 50 mg/dL (26%) and 50 mg/dL (31%), respectively.6,7 Yet we must point out that using cinnamon to help control lipid panels does not cause any musculoskeletal side effects, such as aching or sore muscles, which are common with statin use. 
 
That fasting blood sugar (FBS) responds to cinnamon without a significant change in A1c levels is difficult to understand. A1c levels reflect a 3-month average of both nighttime and postmeal levels. Lowering FBS should lower A1c levels. One might expect a 25-point decrease in fasting glucose levels to correspond with a 0.5% to 1% drop in A1C. This inconsistency in data leaves both of us baffled.
 
Even if there were some high postprandial glucose levels during the day, it would seem that there should be at least a 0.5% drop as a result of the long nighttime decreases in glucose levels. One possible explanation for this discrepancy is the length of the studies. Changes in A1c levels are typically measured at 3-month intervals. As some of the studies analyzed in this meta-analysis were only 4 weeks in length, perhaps the A1c readings in their data skewed the net results. Yet 6 of the 10 studies included in this meta-analysis were 12 or more weeks in length, and their results were no more significant for lower A1c levels. 
 
Dosing amount may matter with cinnamon. Because blood sugar responses follow a hormetic curve, as mentioned before, lower doses (1-1.2 g/d) have been reported to increase blood sugar and cholesterol levels. While this may provide an explanation for the conflicting data, it presents us with a clinical challenge. Telling patients to take cinnamon might not be a good idea if they are required to consume a significant minimum quantity to prevent an unwanted increase in blood sugar.
 
None of these data suggest what we really want to know, which is how cinnamon might act in combination with other botanical extracts, vitamins, and minerals that could treat diabetes. The data also don’t address the question of how cinnamon might synergistically enhance a typical naturopathic protocol that includes a lower carbohydrate diet and encouragement and counseling for patients to exercise, sleep well, and reduce stress. Used in combination with cinnamon, these other substances that independently have hypoglycemic action may have additive or possibly synergistic effects with cinnamon. Our clinical experience certainly suggests that this does happen.

References
Vanschoonbeek K, Thomassen BJ, Senden JM, Wodzig WK, van Loon LJ. Cinnamon supplementation does not improve glycemic control in postmenopausal type 2 diabetes patients. J Nutr. 2006;136(4):977-980.
Blevins SM, Leyva MJ, Brown J, Wright J, Scofield RH, Aston CE. Effect of cinnamon on glucose and lipid levels in non insulin-dependent type 2 diabetes. Diabetes Care. 2007;30(9):2236-2237.
Wainstein J, Stern N, Heller S, Boaz M. Dietary cinnamon supplementation and changes in systolic blood pressure in subjects with type 2 diabetes. J Med Food. 2011;14(12):1505-1510.
Akilen R, Tsiami A, Devendra D, Robinson N. Cinnamon in glycaemic control: Systematic review and meta analysis. Clin Nutr. 2012;31(5):609-615. 
Inzucchi SE, Maggs DG, Spollett GR, et al. Efficacy and metabolic effects of metformin and troglitazone in type II diabetes mellitus. N Engl J Med. 1998;338(13):867-872.
No authors listed. Influence of pravastatin and plasma lipids on clinical events in the West of Scotland Coronary Prevention Study (WOSCOPS). Circulation. 1998;97(15):1440-1445.
Rubins HB, Robins SJ, Collins D, et al. Gemfibrozilfor the secondary prevention of coronary heart disease in men with low levels of high-density lipoprotein cholesterol. Veterans Affairs High-Density Lipoprotein Cholesterol Intervention Trial Study Group. N Engl J Med. 1999;341(6):410-418.

Comments