Buxus sempervirens / Palmboompje


Buxus komt voor in Midden-Amerika en Venezuela, Azië, Afrika (inclusief Madagaskar), en Europa. Buxus sempervirens, de meest gebruikte soort, komt in Europa en Turkije in het wild voor. Buxus balearica, die ook weleens in de tuinen voorkomt, komt van Majorca, Sardinië, Andalusië en in delen van Noord-Afrika. Deze soort is eerder mediterraan dan Buxus sempervirens die in West-Europese wouden voorkomt. Desondanks komt ook Buxus balearica vooral voor op de noordflanken van de heuvels en vermijdt daarmee de grootste hitte. Andere soorten die men vrij gemakkelijk in de handel verkrijgt, zijn de Oost-Aziatische Buxus microphylla, Buxus microphylla var. japonica en de gelijkaardige (of identieke?) Buxus harlandii. Al deze soorten hebben een voorkeur voor een licht beschaduwde plaats met voldoende bodemvochtigheid. Hitte wordt in het algemeen slecht getolereerd. Buxus is een kalkminnende plant, maar belangrijker dan kalk is een luchtige bodem.

Vroeger werd over “buxus” geschreven als middel tegen vele ziektes. Recepten tegen schurft, jicht en ogenlijden vindt men al bij Hildegard von Bingen (1098-1179). Maar een verwittiging is hier op zijn plaats: dekte het woord “buxus” bij Hildegard de echte buxus? In Frankrijk werd buxus voorgeschreven bij een typisch Frans lijden: “leverluiheid” en tegen griep en zelfs als haargroeimiddel die de haren rood of geel maakte (Fuchs 1549 en 1558). Dit laatste werd ook in Italië beweerd. Fuchs en Matthioli (1653) gingen een stap verder en vertelden dat een boerin eruitzag als een apin nadat ze buxusextract had gebruikt. Vanaf de 16e eeuw werd ook ‘buxus’ als middel tegen syfilis ingezet. Tegen tandpijn en buikpijn werd in Frankrijk buxussap gebruikt. Lobelius (1570) beweerde zelfs dat hij iemand had zien genezen van pokken door buxus! Durante (1576) en Dodoens (1618) beweren dat buxussap helpt bij slangenbeten. Vreemd genoeg zei Fuchs (1549) voordien dat slangen zelf buxussap nemen bij een verwonding.

In de hedendaagse Italiaanse 'fytotherapie' is de lijst van ziektes die behandeld zouden kunnen worden met onder meer buxusextracten zeer lang.

In Engeland worden nu nog paarden behandeld met een handvol buxusbladeren in het hooi zodat parasieten (Hypoderma en Gastrophilidae) bestreden worden. Doch schijnen 750 gram buxusbladeren dodelijk te zijn voor paarden en er wordt gezegd dat zwijnen bij een test stierven. Aan de Kaspische zee wordt beweerd dat buxus giftig is voor kamelen en in Duitsland zegt men dat dit voor runderen geldt. De dodelijke dosis zou bij een hond 0,8 gram buxin zijn. Maar blijkbaar is nog nergens een geval bekend dat een mens aan een ingenomen buxusmiddel gestorven is. De plantkundigen uit de 16e en 17e eeuw en later werden gezien als geloofwaardige wetenschappers. Het is daarom niet te verwonderen dat in Frankrijk nog steeds buxusbladeren gekookt worden en dat dit brouwsel, dat een afstotelijke smaak heeft, tegen griep en andere ongemakken ingenomen wordt. Doch deze wetenschappers vertelden ook andere dingen: „Want Bucxboom (sic) is niet alleen quaet voor de hersenen ingenomen maar selfs de vruchten daer van die nochtans niet seer en sterck en riecken zijn schadelick“ verwittigt Dodoens (1618) in zijn Cruydtboeck. En voegt erbij dat zij bedrogen worden die buxusmiddeltjes nemen tegen syfilis. Dezelfde wetenschapper beweert dat buxus „door sijnen vuylen Stanck de lucht bederft“ en de duivel die zelf stinkt op de vlucht drijft. Ook vleselijke lusten werden geremd. 

In de landbouw gebruikte men buxus om mollen te verdrijven: op drie hoeken van een veld stak men gewijde buxustakjes in de grond. Langs de vierde hoek verdwenen de mollen, volgens Belgische boeren. In Zuid-Duitsland gebruikt men buxus als plantaardig middel tegen negatieve aardstralen.

In de Katholieke Kerk wordt Palmzondag vanouds gevierd met de zegening van palmtakken aan het begin van de H. Mis. In noordelijker streken worden deze vanwege het klimaat bijna altijd vervangen door buxustakjes. Bij het begin van de misviering zegent de priester de palmtakken met wijwater. Na de zegening volgt dan een processie met gezangen die herinneren aan het volk dat "Hosanna" riep en Jezus met gejuich in Jeruzalem binnenhaalde.

Toxiciteit 
Alle delen van de plant zijn giftig. Zowel de schors als de bladeren bevatten alkaloïden, waaronder buxine. Bij inname heeft men last van de maag en de darmen, braken, diarree (soms met bloed) en stuiptrekkingen. Bij contact met de bladeren kan de huid ontsteken. Er worden niet veel intoxicaties gemeld en die betreffen vooral runderen. Er zijn ook enkele gevallen bekend bij varkens en paarden. De intoxicatie kan het gevolg zijn van het eten van snoeisel dat in de weide terecht kwam; de dieren eten slechts zelden de plant spontaan wegens haar sterke geur. De intoxicatie bij runderen kenmerkt zich door een hevige diarree die vloeibaar en grijsachtig van kleur is. Er treedt ook deshydratatie, duizeligheid en verlamming van de achterpoten op. De dieren die het ergst zijn getroffen liggen op hun rug en de spieren van hun ledematen worden slap. Er treedt een coma op en de dieren kunnen sterven.



Phytomedicine. 1998 Mar;5(1):1-10. doi: 10.1016/S0944-7113(98)80052-4.
Efficacy and safety of Buxus sempervirens L. preparations (SPV(30)) in HIV-infected asymptomatic patients: a multicentre, randomized, double-blind, placebo-controlled trial.
Durant J1, Chantre P, Gonzalez G, Vandermander J, Halfon P, Rousse B, Guédon D, Rahelinirina V, Chamaret S, Montagnier L, Dellamonica P.
The objective of the present study was to compare the efficacy and safety of two doses of SPV(30) in HIV asymptomatic patients. The study was designed as a randomized double-blind multicentre trial of two doses of SPV(30) (990 mg/d and 1980 mg/d) versus placebo. 145 previously untreated subjects with asymptomatic HIV infection (CDC group IV) and CD4 cell counts between 250 and 500 × 10(6)/1 were recruited. There was a statistically significant difference in therapeutic failures between groups in favor of SPV(30) 990 mg including decreases of CD4 cell count < 200 × 10(6)/1 and/or number of clinical aggravations (progression to AIDS or AIDS related complex). The treatment groups differed statistically in the rate of disease progression also in favor of SPV(30) 990 mg/d. Fewer patients receiving SPV(30) 990 mg/d had at the end an increase of viral load greater than 0.5 log (P = 0.029). No severe side-effects were reported in the 3 groups. From these results we conclude that SPV(30) 990 mg/d has beneficial effects in HIV asymptomatic patients and appears to delay the progression of HIV disease.


Comments