Anthemis tinctoria / Gele kamille

Een mooie, wat ruige plant met langgesteelde bloemhoofdjes. De gespreide straalbloempjes gaan 's avonds hangen. Het prachtig dubbelgeveerde blad is aan de onderkant witwollig behaard. Verfplant: van de bloemen maak je een goede gele kleurstof.

Zaaimethode
Zaaien: maart-juli. De zaden kiemen snel, gelijkmatig vochtig houden (niet nat) bij ± 20̊C. Het zaad slechts dun afdekken en licht aandrukken. Direct na opkomst licht en koeler zetten.

De opgerichte stengels zijn iets viltig behaard en al of niet vertakt. Bladeren De bladeren zijn geveerd met gelobde tot diep gezaagde slippen. Van boven zijn ze groen, van onderen witviltig. Bloemen Polygaam (bloemen met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen en bloemen met alleen mannelijke of alleen vrouwelijke geslachtsorganen). De gele, 2-5 cm grote bloemhoofdjes vormen samen enigszins schermvormige pluimen. De lintbloemen zijn 0,8-1½ cm lang. De schijfbloemen zijn buisvormig. De bloemhoofdjesbodem is halfbolvormig met langwerpige, spitse stroschubben. De omwindselbladen zijn viltig en liggen als dakpannen over elkaar. Vruchten Een eenzadige dopvrucht of nootje. De zaden zijn samengedrukt vierkantig met scherpe vleugelranden. Het vruchtpluis is kort en kroontjesachtig. Tweezaadlobbig (kiemend met twee kiemblaadjes).

Ecologie & verspreiding
Gele kamille prefereert open, zonnige, warme en droge, matig voedselrijke, stikstofarme tot stikstofrijke, matig zure tot basische, vaak humusarme, zandige en stenige bodems. Ze groeit in zandige uiterwaarden, op allerlei omgewerkte en braakliggende grond, in voedselrijke ruigten, op zandvlakten en oude muren, in bermen en wijngaarden, in extensief gebruikte akkers en op spoorwegterreinen. In het westen reikt Europese deel van het verspreidingsgebied tot in België en Nederland. De soort is zeldzaam in het Urbaan district en elders zeer zeldzaam, maar wordt ook uitgezaaid. De plant is achteruitgegaan door de ontmanteling van oude vestingwerken maar heeft nieuwe kansen gekregen m.n. op spoorwegterreinen. Ze wordt bestoven door bijen, wespen, vlinders, pollenetende en andere vliegensoorten en de gevormde zaden worden door de wind of als klit verspreid. Het is, al sinds de late Middeleeuwen een oude gebruiksplant die naast sierplant ook nog eens een citroengele en olijfgroene verfstof leverde en die als zandbinder ingezaaid werd.

Geschiedenis, naam, etymologie.
(Dodonaeus) (a) ‘De derde wilde kamille is hier te lande strijck-bloemen genoemd, in het Hoogduits Streichblumen en Steinblumen’. Streichblume bij Bock; ‘De vrouwen in Wormbser en Meintzer bisdom geven het gewas geen andere naam dan (Steinblůmen) steenbloemen en (Streichblůmen) strijkbloemen, oorzaak dat deze dorre bloemen schoon geel verven. Daarom koken de vrouwen in gedacht land deze bloemen en kruid met elkaar, bereiden alzo die stijlen van de bedden daarmee af en besparen hiermee de saffraan.

Dodonaeus (b) ‘Fuchsius ziet het aan voor een soort van Anthemis en verzekert dat het ‘t Chamaemelum Chrysanthemum is. Ze lijkt nochtans heel weinig van bladeren en geenszins van reuk op de Anthemis of Chamaemelum Leucanthemum, dat is de gewone kamille. De strijkbloemen zijn van Lobel in het Latijn Buphthalmum Oculus Bovis Millefolij folio, Chrysanthemi flore genoemd en de Aster Atticus van Valerius Cordus, in het Hoogduits ook Rindts auch, Ochsenauge,  Engels ox-eye chamomile, in het Frans oeil de beuf, in het Italiaans occhio di bove, in het Spaans ojo de buey. De vrouwen van Oostenrijk noemen het Gelb Kaseblumen, de Hongaren Oko zom; die van Kroatie kachchi jesioach, dat is slangenkruid.’

Duitse Goldblumen en geel Kamillen bij Fuchs, Engelse golden marguerite, yellow flowered chamomille, ox eye chamomile, marguerite daisy, dyer's chamomile, Boston daisies, Paris daisies.
(c) Franse cota des teinturiers en Farberkamille in Zwitserland. Er wordt een mooie gele verf van gewonnen.



Yellow chamomile is an ancient arrival (archeophyte) in Finland: its cypselas have been found in excavations around Turku and dated to the 14th–16th centuries. At that time it was probably sparse and special in certain locations. The species has probably travelled to Finland with hay-seed from central and southern Finland and only become common when the cultivation of hay became more widespread. Its golden age was synchronous with the beginning of hay cultivation at the end of the 19th century. Its decline began with the development of mechanised cultivation, and it disappeared from hay fields decades ago and is nowadays most common on dry meadows and roadsides. Yellow chamomile has had its uses in its day – its scientific name tinctoria comes from its use as a dye: the capitula’s bright yellow pigment has been used to dye wool and silk cloth. Nowadays yellow chamomile is quite popular in gardens as a colourful ornamental as it flowers for a long time, almost the whole summer. Individual plants do not live long but the stand spreads by seed in suitable habitats, even in untended parts of the garden and overgrown corners.

Genus Anthemis plants can be told apart because although yellow chamomile has an entirely yellow inflorescence, other plants in the genus that grow in Finland have white ray-florets. The most common of these is corn chamomile (A. arvensis), which looks a lot like scentless mayweed (Tripleurospermum perforatum) and which has also declined rapidly. Yellow chamomile is often known colloquially as yellow daisy. Corn marigold or corn daisy, (Chrysanthemum segetum), which is a native of the Mediterranean area, grows casually in Finland and is sometimes known as yellow chamomile. According to legend it entered the country via the north on a foreign sailing ship. Coast-dwellers robbed the ship when it was transporting grain, but they got their just desserts: the seed they sowed grew only Chrysanthemum segetum. It doesn’t grow anywhere for long, but there are plenty sightings across the country.



Indian J Biochem Biophys. 2005 Dec;42(6):395-7. Antibacterial activity of crude methanolic extract and its fractions of aerial parts of Anthemis tinctoria. Akgul C1, Saglikoglu G.
The antibacterial activity of the methanolic extract and its fractions of aerial parts of Aniheinis tinctoria (Asteraceae) was investigated against representative gram-positive Staphylococcus aureus (ATCC 25923) and Enterococcus faecalis (ATCC 29212) and gram-negative strains Escherichia coli (ATCC 25922) and Pseudomonas aeruginosa (ATCC 27853). The activity was concentrated mainly in the dichloromethane (DCM) and hexane fractions of crude methanolic extract. The 5 mg of DCM extract per disk produced 15-16 mm of inhibition zone against S. aureus and P. aeruginosa, however, no activity was found against E. faecalis and E. coli. The hexane fraction showed activity against S. aureus, P. aeruginosa and E. faecalis. As DCM fraction showed the highest antibacterial activity in the disk diffusion assay, the minimum inhibitory concentration (MIC) and minimum bactericidal concentration (MBC) values of only this fraction was determined against S. aureus and P. aeruginosa. These values were found to be in the range of 1.25 to 10 mg/ml.


PMID: 16955742
Comments