Pteridium aquilinum / Adelaarsvaren

Een van de twee grootste varens die we in Europa kennen is Adelaarsvaren, Pteridium aquilinum (L.) Kuhn, een soort uit de Adelaarsvarenfamilie of Dennstaedtiaceae. Het is zeker de meest vertakte soort en een soort die grote gebieden in beslag kan nemen. Vooral onder lichte schaduw omstandigheden kan een echte jungle ontstaan met planten van soms wel 3 m hoog, de normale hoogte van de plant ligt tussen de 0.8 en 2.5 m. Deze varen heeft een diep ondergronds kruipende wortelstok, deze is vertakt, zodat een groot aantal boven de grond uitstekende bladveren als één plant moeten worden gezien. Misschien wel door de diepe wortelstokken, en het onderlinge contact kan de plant opmerkelijk goed groeien op relatief droge standplaatsen. De typische standplaatsen zijn loof- en naaldbossen, heide, ruige heuvelbegroeiingen (graften), wegranden en bosranden. De bodem is daarbij droog, zuur en licht humeus.

Bij voorzichtig uittrekken van de bladsteel uit de grond blijkt het onderste wat taps toelopende deel, dat afbreekt van de wortelstok, zeer donkerbruin tot zwart van kleur. Wanneer van dit deel een dwarse en wat schuin verlopende doorsnede wordt gemaakt komt een eigenaardig gevormde set vaatbundels in beeld. Deze lijken wel wat op een gestileerde heraldische figuur (zoals op middeleeuwse wapenschilden). Sommigen zien hierin een tweekoppige adelaar, wat de naam van deze varen zou verklaren.

Bij voorzichtig uittrekken van de bladsteel uit de grond blijkt het onderste wat taps toelopende deel, dat afbreekt van de wortelstok, zeer donkerbruin tot zwart van kleur. Wanneer van dit deel een dwarse en wat schuin verlopende doorsnede wordt gemaakt komt een eigenaardig gevormde set vaatbundels in beeld. Deze lijken wel wat op een gestileerde heraldische figuur (zoals op middeleeuwse wapenschilden). Sommigen zien hierin een tweekoppige adelaar, wat de naam van deze varen zou verklaren.
In het najaar sterven de bladeren snel af tot een bruinige mat van slecht verterende resten. Dit geeft in de winter een wat troosteloze aanblik. Vooral bij wat oudere bestanden kun je een dichte mat van dit zogenoemde varenstro vinden. Deze is dan zo dik en dicht dat gemakkelijk te bedenken valt dat kieming van bomen of struiken een probleem kan vormen. Ook zou het stro groeiremmende stoffen bevatten. Wanneer bijvoorbeeld een eikel of beukennoot hierin al kiemt, dan nog zal het voor de kiemwortel moeilijk zijn, op tijd door de strooisellaag heen te komen, en een voldoende vochtige bodem te bereiken. Op deze manier worden bestanden van Adelaarsvaren niet snel overgenomen door bosplanten.

Giftig
De adelaarsvaren is giftig. Hij bevat een aantal toxische bestanddelen die zeer waarschijnlijk in de hele plant aanwezig zijn. Deze bestanddelen zijn prunasine, een cyanogene glycoside die op je hart zal inwerken, thiaminase, een enzym dat kan zorgen voor potentieel fataal aflopende vitamine B1-tekorten, en ptaquiloside, een kankerverwekkend en mutageen sesquiterpene glycoside. Die ptaquiloside is ook verantwoordelijk voor een aandoening in vee die men thrombocytopenia heeft genoemd en die wordt gekarakteriseerd door veel te weinig bloedplaatjes (thrombocyten) in het bloed.
Toch wordt het in Japan als een delicatesse gezien om jonge scheuten van de adelaarsvaren te eten en ondertussen wordt door onderzoekers sterk vermoed dat het enorm hoge aantal gevallen van maagkanker, die in Japan voorkomen, te maken hebben met de gewoonte om adelaarsvaren te consumeren.

Eetbaar? Wortelstokken
De vezelrijke wortels bestaan voor ongeveer 60% uit zetmeel en gedroogd kunnen ze jaren worden bewaard. De wortels zijn in gekookte of geroosterde vorm eetbaar. Om de zetmeel vrij te maken worden ze, na eerst te zijn gedroogd, geroosterd. Hierna wordt de buitenste schil eraf gepelt, waarna de wortels tot poeder worden gestampt, zodat de binnenste vezels verwijderd kunnen worden. Dit zetmeelrijke poeder kan worden toegevoegd aan meel en samen met suiker tot een soort pasta worden gemaakt.
De wortels hebben een constiperend effect en kunnen daarom beter gegeten worden met voedsel dat een meer laxerende werking heeft.
Verzamelen: hele jaar door

Eetbaar? Jonge scheuten
Alleen de jonge scheuten, die zich nog niet hebben ontvouwd, kunnen rauw of gekookt worden gegeten. Het is echter beter om de scheuten eerst te koken. Eerst worden de wollige delen verwijderd en vanwege de wat bittere smaak worden ze vaak voor een paar minuten geblancheerd in kokend water en daarna voor twee uur in koud water gedompeld. Hierna kunnen ze worden gekookt. Een heel gedoe dus.
Eet geen grote hoeveelheden.
Verzamelen: maart-april

http://kruidwis.blogspot.fr/2016/04/adelaarsvaren.html

Insect hormones: alpha ecdysone and 20-hydroxyecdysone in bracken fern.
The two major molting hormones of insects, alpha ecdysone and 20-hydroxyecdysone, were isolated in crystalline form from dry pinnae of the bracken fern, Pteridium aquilinum (L.) Kuhn. Three unidentified substances with molting hormone activity were also detected. Bracken is the first plant found to contain both of the major insect ecdysones, and it is the first known plant source of alpha ecdysone.

AUTHOR(S): Hirono, I. 
TITLE: Carcinogenic principles isolated from bracken fern. 
YEAR: 1986 CITATION: CRC Crit Rev Toxicol, 17(1), 1-22 [English]
FDA #: F17792 
ABSTRACT: The carcinogenicity of bracken fern, Pteridium aquilinum, was demonstrated most clearly by the experiment of Evans and Mason in 1965. We have performed fractionation of the aqueous extract by means of the assay based on carcinogenicity and isolated an unstable norsesquiterpene glucoside of illudane type named ptaquiloside (PT). It was proved that PT is the carcinogenic principle present in bracken fern, inducing mammary cancer and multiple ileal tumors in high incidences when given orally to female Sprague-Dawley rats. The present review article deals with the explanation of carcinogenicity of bracken fern, progress in separation of carcinogenic fraction, isolation of PT, and its carcinogenic activity in rats. PubMED ID #: 3527566

Long term infection of Helicobacter pylori (Hp) virulent strains is a key factor in the genesis of human gastric cancer, and so are certain dietary proinflammatory and genotoxic compounds. Carcinogenic bracken fern (Pteridium spp.) is one of these. Toxins from this plant are consumed as bracken culinary preparations, through milk and meat of bracken-exposed livestock, and drain waters from bracken swards. Bracken toxin ptaquiloside (PtQ), a suspected human carcinogen, elicits complex responses in animals leading to death. PtQ and Hp might cooperate in gastric pathologies. This paper presents an hypothesis on PtQ–Hp association leading to the enhancement of carcinogenesis in the human gastric environment that might explain the high gastric cancer incidence and death rates among Hp-infected people living in bracken zones at two levels: (1) The macroscopic scale comprising the flow of PtQ in the human diet. (2) the microscopic scale encompassing (A) gastric luminal medium; (B) gastric mucus structure and mucin degradation elicited by Hp; (C) bacterial pH gradient modification of the gastric mucosa that favors PtQ survival and its penetration into epithelial tissue; (D) combined PtQ/Hp effects on gastric immune and inflammatory responses; (E) PtQ–Hp complementary activity at selected cell signaling cascades and genome disturbance.

Comments