Cimicifuga racemosa / Zilverkaars

Monografie uit het cursusboek van Herboristen opleiding Dodonaeus
CIMICIFUGA RACEMOSA (L.) NUTT., Actaea racemosa

Algemene en Botanische Informatie


Familie: Ranonkelachtigen, Ranunculaceae
Naam: Black Cohosh (E.), Traubensilberkerze (D.)
Andere namen Actaea racemosa
Soorten: Cimicifuga symplex Wormsk 'Elstead variety' en 'White Pearl,
C. ramosa 'Atropurpurea' en 'Brunette'
C. japonica (Thunb.) Spreng.
C. racemosa var. cordifolia
Naamverklaring: cohosh (= ruw), zilver (= witte bloem), kaars (= witte aar), cimifuga (= verjager van insecten) van Cimex lectularius en fugare, omdat sommige soorten een sterke geur hebben, die insecten zou verjagen (C. europaea, C. foetida en C. elata)
Ecologie, teelt: Vaste, zeer laat bloeiende plant uit Noord-Amerika. Vraagt vochtige, goed humusrijke grond en lichte schaduw.

Materia medica, gebruikte delen van Cimicifuga

Cimicifugae racemosae rhizoma,
de wortel en wortelstok van Cimicifuga racemosa, geoogst na het afsterven van het bovengrondse deel van de plant, begin november, verwerkt tot tinctuur of extract

Samenstelling, werkzame stoffen

** triterpeenglycosiden (saponinen): acteïne met ACE remmend effect, cimigoside.. ACE is een enzym, dat vooral betrokken is bij de regulatie van de bloeddruk. Het wordt in het hele lichaam gemaakt, maar is vooral in de longen aanwezig. Angiotensine Converting Enzym.
** Cimicifugine 15 %? met oestrogeenwerking
** Isoflavonen: formononetine (ook in Rode klaver) (Jarry 1995)
* Looistoffen
* Salicylzuurverbindingen
* Vetzuren
* Slijmstoffen
* sporen alcaloiden

Farmacologie


** oestrogeen- like
** afremmende werking op LH (luteïniserend hormoon uit hypofyse), bindt aan oestrogeenreceptors:
Oestrogenagonistische Aktivität auf das Knochengewebe
Oestrogenantagonistische Wirkung auf Brust- und Endometriumgewebe
Reduktion menopausaler Symptome
** perifeer bloedvatverwijdend
* sedativum
* pijnstillend op spieren en gewrichten
geen grote hoeveelheden verse wortel gebruiken (maagontsteking, diarree)
bijwerkingen: weinig of geen, zeldzaam maagklachten
contra-indicaties: geen bekend, voor alle zekerheid niet gebruiken tijdens de zwangerschap

Indicatie, medisch gebruik van Cimicifuga

Hormonaal
*** PMS (premenstrueel syndroom)
*     Pijnlijke menstruatie + Achillea millefolium
*** Climacterium (menopauze) en mogelijke gevolgen opvliegers, vaginale droogheid, gemoedsstoornissen gevolgen op lange termijn zoals osteoporose
**    hoge bloeddruk vooral in de menopauze met hoofdpijn en oorsuizingen

Spieren / Gewrichten / pijnstillend
* Overbelasting, spierpijn
* reuma, spieren in de overgang + Arnica

Zenuwstelsel
* Stress, spasmofilie (overprikkeling met kramp) + Hypericum of Valeriaan

Luchtwegen
* astma bij vrouwen + zie luchtwegen

Receptuur en Bereidingswijzen


Meestal gebruik van tinctuur en gestandaardiseerde extracten zoals Remifemin
Dagdosis: extracten met alcohol van 40 - 60 % overeenkomend met 40mg wortel

Combinaties
+ Hypericum perforatum: menopauzale problemen met depressie
+ Ginkgo biloba en Rozemarijn: menopauze met koude voeten en vergeetachtigheid
+ Fenegriek: menopauze of menstruatiezwakte met bloedarmoede
+ Salvia officinalis: menopauze met opvliegers

Australisch mengsel
Viburnum-compound used in dysmennorhoea, fibroids, and ovarian cysts. This formula used by Paul Wheeler:
  • Viburnum prunifolium 4 parts
  • Cimicifuga racemosa 4 parts
  • Tanacetum vulgare 2 parts
  • Anenome pulsatilla 2 parts
  • Achillea millefolium 2 parts
  • Scutellaria laterifolia 1 parts All 1/1 fluid extracts. Dose: 5 mls in water on empty stomach
Geschiedenis en wetenschappelijk onderzoek

Gebruik vooral door de Noord-Amerikaanse Indianen, de Delaware als tonicum samen met Griekse alant en Collinsonia. De Irokezen, die de plant 'geur van het paard' noemden, maakten een decoct van de wortel om de borstvoeding te stimuleren, maar ook als voetbad tegen reuma. (Herrick - Iroquois Medical Botany 1977)
1822: Bigelow J.M., professord Harvard Univ. ' we are told that the Indians made great use of it in rheumatism: also as an agent ad partum accelerandum'
1836: Horton Haward: decoction of roots against smallpox
1852: John King beschrijft C. onder de naam 'Macrotyn' of 'Cimicifugin' in The Eclectic Dispensatory. C. is 'very efficacious in maladies of the female reproductive organs'
1827 eerste chemische onderzoeken door Mears: tanninen, hars, bitterstoffen…

Verdere etnobotanie in Noord-Amerika bij Indianen
Traditionally used as a diaphoretic in agues and general fevers. Reportedly cured many cases of yellow fever and smallpox.
Rheumatism - root decoctions used externally to steam painful joints.
Root decoctions for facilitating partruition, menstrual disorders and for 'chest difficulties' [Pedersen]
Snake-bite antidote - root poultices applied [3,4,9]

In Noord-Amerika bij blanken
  • Early settlers extracted whole roots with whisky and drank it as rheumatism cure
  • Barton (1801) in Collections &c.(reprinted by Lloyds) wrote up the plant as an astringent
  • Used a strong root decoction for 'putrid sore throat'.
  • Also used for 'the itch'.
  • Dr.Garden reported on the use of Cimicifuga racemosa in treating pulmonary TB - American Medical Recorder 1823. He actually used it on himself when afflicted by TB with positive results. He reaffirmed his belief in this remedy in 1850.
  • Chapman (1825) classified Cimicifuga racemosa as an expectorant, and at this time it was widely used to treat pulmonary diseases, esp asthma & consumption.
  • 1830 - introduced into US Pharmacopoeia. Remained till 1936. In NF 1936-50.
  • Young (1831) described use of Cimicifuga racemosa in chorea and St.Vitus Dance.
  • Howard (1832) promoted use of Cimicifuga racemosa for smallpox, a claim supported later by Dr. Norris (1872) in a paper read to the Alabama State Medical Assn. who reported families in Alabama who used Cimicifuga racemosa tea during an epidemic were absolutely free from smallpox
Wetenschappelijk onderzoek
  • Beuscher - Cimicifuga racemosa L. / Die Traubensilberkerze. Ztschr. Phytoth. 16 (1995)
  • Foster Steven - Black Cohosh, A literature review. HerbalGram 49 (1999)
  • German Commission E monograph: Black Cohosh root. 1998.
  • Gruenwald, J. Standardized Black Cohosh (Cimicifuga) Extract Clinical Monograph. Quarterly Review of Natural Medicine.
  • Jarry e.a. - Treatment of menopausal symptoms with extracts of C. 1995.
  • Liske, E. Therapeutic Efficacy and Safety fo Cimicifuga racemosa for Gynecologic Disorders. Advances In Natural Therapy. Vol. 15 (1) 1998: pp. 45-53.
  • Oortgiese - Cimicifuga in de menopauze. Ned.Tijdschrift voor Fytotherapie 1, 2000
  • Tyler, Varro. The bright side of black cohosh. Prevention.
  • Van Snick - Stand van zaken over de fytohormonen. FS 42, 2000
Internetlinks
Zilverkaarswortel ook bij osteoporose | Mens en gezondheid: Aandoeningen
Black Cohosh, Cimicifuga racemosa, Actaea racemosa, article and photos by Steven Foster
Cimicifuga racemosa rhizoma - WHO Monograph
Cimicifuga Racemosa in de literatuur
Critical evaluation of the safety of Cimicifuga racemosa in... : Menopause

http://www.fyto.nl/Cimicifuga.pdf



Een deel van de ESCOP monografie.

Black cohosh consists of the dried rhizomes and roots of Actaea racemosa L. [Cimicifuga racemosa (L.) Nutt.] harvested in summer or autumn. To comply with the monograph of the United States Pharmacopeia [Black Cohosh USP] the material should contain not less that 0.4 per cent of triterpene glycosides, expressed as 23-epi-26-deoxyactein (C37H56O10; Mr 660.8) and calculated with reference to the dried drug. A draft monograph intended for inclusion in the European Pharmacopoeia has been published [Black Cohosh]; it requires not less that 1.0 per cent of triterpene glycosides, expressed as monoammonium glycyrrhizate (C42H65NO16; Mr 840) and calculated with reference to the dried drug. 

CONSTITUENTS Triterpene glycosides with a highly oxidized cycloartane-type skeleton, glycosylated at the C-3 position. Acetylacteol, cimigenol and shengmanol represent the major aglycones, and arabinose and xylose the dominant sugar moieties [Bedir 2000, Bedir 2001, Chen 2002a, Chen 2002b, Chen 2007, He 2000, He 2006, Li 2006, Mimaki 2006, Nuntanakorn 2006, Shao 2000, Watanabe 2002, Wende 2001]. The major glycosides have been identified as actein [Chen 2002b, Ganzera 2000, He 2000, He 2006, Li 2002], cimicifugoside1 [He 2000, He 2006, Piancatelli 1971, Shao 2000], cimiracemoside A2 [Bedir 2000, Ganzera 2000, He 2006] and 23-epi-26-deoxyactein [Chen 2002b, He 2006], formerly known as 27-deoxyactein [Berger 1988, He 2000, Shao 2000]. Cimigenol-3-O-α-Larabinoside has been proposed as a species-specific marker glycoside for C. racemosa [He 2006]. A chlorine-containing triterpene glycoside might be an artefact [Chen 2007]. Phenylpropanoids (min. 0.5% expressed as caffeic acid), principally derivatives of hydroxycinnamic acids: • Caffeic, ferulic and isoferulic acids [He 2006, Kruse 1999]. 

• Hydroxycinnamic acid esters of fukiic acid, e.g. fukinolic acid, cimicifugic acid A, cimicifugic acid B and cimicifugic acid G [He 2006, Kruse 1999, Nuntanakorn 2006]. • Hydroxycinnamic acid esters of piscidic acid, e.g. cimicifugic acid D, cimicifugic acid E and cimicifugic acid F [He 2006, Kruse 1999, Stromeier 2005]. 

• Other phenylpropanoid esters such as methyl caffeate [Chen 2002c], caffeoylglycolic acid, cimiciphenol, cimiciphenone [Stromeier 2005], petasiphenone [Jarry 2007, Stromeier 2005] and cimiracemates A-D (phenylpropanoid ester dimers) [Chen 2002c]. 

Other constituents include a cyclic guanidine alkaloid, cimipronidine (also proposed as a potential marker for C. racemosa) [Fabricant 2005], Nwmethylserotonin [Powell 2008], starch, fatty acids, resin and tannins [Beuscher 1995]. 1 Cimicifugoside (cimigenol 3-O-β-D-xyloside) as isolated by He et al. [He 2000], Shao et al. [Shao 2000] and earlier by Piancatelli and coworkers [Piancatelli 1971] from Cimicifuga racemosa; in some literature it is called cimigoside or cimifugoside. A different ‘cimicifugoside’ has been isolated from the rhizoma of Cimicifuga simplex by Kusano et al. [Kusano 1998]; it is the 3-O-xyloside of an aglycone with a cyclolanost-7-ene structure. 2 Cimiracemoside A (cyclolanost-7-ene 3-O-β-D-xyloside) as isolated by Bedir and Khan [Bedir 2000] and mentioned later by Ganzera et al. [Ganzera 2000] and He et al. [He 2006]. At almost the same time a different ‘cimiracemoside A’, identified as 21-hydroxycimigenol-3-O-a-arabinoside, was isolated from black cohosh by Shao et al. [Shao 2000].

Therapeutic indications 

Climacteric symptoms such as hot flushes, profuse sweating, sleep disorders and nervous irritability [Osmers 2005, Bai 2007, Nappi 2005, Wuttke 2003b, Hernández Muñoz 2003, Kaiser 2008, Frei-Kleiner 2005, Oktem 2007].


Botanical data of Black Cohosh/ Cimicifuga racemosa

Scientific name:Actaea racemosa L.; Botanical synonyms: Cimicifuga racemosa (L.) Nutt. Macrotys actaeoides; Botrophis serpentaria Raf.; B. actaeeoides Fisch. & C.A. Mey.; Thalictrodes racemosa (Kl. Kuntze). Family:Ranunculaceae 

Other names:Black snake root, bugbane, bugwort, rattle root, squaw root,Actaea racemosa,Cimicifuga racemosa,black snakeroot,bugbane,bugwort,rattleroot,rattletop,rattleweed.black cohosh, black snakeroot, squaw root, rattle root, rattle weed, rattle top, bugbane, cohosh, bugbane, Cimicifuga. In traditional Chinese medicine (TCM), shengma refers to the rhizomes of other Actaea (=Cimicifuga) spp. (A. heracleifolia, A. dahurica, and A. foetida).Black Snakeroot, Squaw Root, Rattle Root, Bugbane; possibly Actaea racemosa 

Note: Actaea racemosa (black cohosh) should not be confused with Caulophyllum thalictroides (L.) Michaux (Berberidaceae) (blue cohosh), an entirely different plant.  

Cultivation: Currently, there is no large-scale cultivation of black cohosh, though it is easy to cultivate and its growing popularity with consumers suggests that such cultivation is a critical next step.
 Following its first description by Plukenet in 1696, Linnaeus first classified black cohosh as Actaea racemosa. It was later reclassified by Pursh as Cimicifuga after a temporary placement in the genus Macrotys (Foster, 1999). Recently, however, the genus Cimicifuga was changed back to Actaea following extensive DNA sequence mapping and morphological studies (Compton et al., 1998). Accordingly, in this monograph we revert to Actaea racemosa. 

The genus Actaea comprises 15 species of erect perennial plants of northern temperate distribution. A. racemosa, commonly called black cohosh, is native to eastern North America. Black cohosh, familiar to herbalists and gardeners, is a wildflower of moist or dry woods cultivated as an ornamental. It is found in shady, rich soil in woods from Maine to Ontario and Wisconsin, south to Georgia. The hardy perennial produces clumps of quadrangular stems up to 3 m tall. It has large, alternate, 3-pinnately compound leaves with toothed edges, the middle lobe being the largest. The terminal leaflet is 3-lobed. The flowers are petalless with greenish-white sepals borne in tall racemes well-above the foliage. Blooming from June through September, the flowers are thought to be pollinated by flesh flies (Strauch, 1995; Leung and Foster, 1996).
 The previous generic name, Cimicifuga, is from the Latin cimex, a kind of insect, and fugare, "to put to flight." The English equivalent is bugbane and refers to the belief that the plant's strong odor repels insects; in Europe and Siberia, pillows and mattresses were formerly stuffed with the dried tops of the Eurasian species (A. foetida) for this purpose. "Racemosa" refers to the arrangement of individual flowers on an elongated stock. "Cohosh" comes from an Algonquin word meaning "rough" and refers to the plant's lumpy, blackish rhizomes. Alternate names, such as "rattle weed," refer to the sound of the dry seeds in their pods atop the flower stalks (Stauch, 1995).

 Synonyms of Black Cohosh:
 23-epi-26-deoxyactein, Actaea macrotys, Actaea racemosa L., actee a grappes, Amerikanisches wanzenkraut, baneberry, BCE, black cohosh roots black snakeroot, botrophis serpentaria, bugwort, cohosh bugbane, cimicifuga, Cimicifugae racemosae rhizoma, cimicifugawurzelstock cimicifugoside M, cimiracemoside A , cimiracemoside B, cimiracemoside C, cimiracemoside D, cimiracemoside E, cimiracemoside F, cimiracemoside G, cimiracemoside H , CR, CR extract, ethanolic aqueous extract, herbe au punaise, hydroxytyrosol, ICR, isoferulic, isopropanolic black cohosh extract, macrotys, Macrotys actaeoides, phenylpropanoids (cimiracemate A, cimiracemate B) Ranunculaceae, rhizome of black cohosh, rich weed, rattle root, rattle snakeroot, rattle top, rattle weed, rhizoma actaeae richweed, schwarze schlangenwurzel, solvlys, squaw root, Thalictrodes racemosa , Traubensilberkerze, Wanzwnkraut.
 Note: Do not confuse black cohosh with blue cohosh ( Caulophyllum thalictroides ), which contains chemicals that may damage the heart and raise blood pressure. Do not confuse black cohosh ( Cimicifuga racemosa ) with cimicifuga foetida , bugbane, fairy candles, or sheng ma; these are species from the same family ( Ranunculaceae ) with different effects.
 Recently (1998) there has been a move to place the entire genus of Cimicifuga into the genus of Actaea (baneberry). This is due to morphological and DNA sequence studies.


Monografie uit de Zwitserse PharmaWiki
Cimicifuga (Traubensilberkerze)

Cimicifuga (Cimicifuga racemosa L., Ranunculaceae) ist ein pflanzliches Arzneimittel, das in Form standardisierter Extrakte in Fertigarzneimitteln zur Behandlung von Wechseljahrbeschwerden verwendet wird. Es soll dazu regelmässig über einen längeren Zeitraum eingenommen werden.
synonym: Cimicifuga racemosa, Wanzenkraut, Amerikanisches Wanzenkraut, Traubensilberkerze
Stammpflanze: Cimicifuga racemosa L., Ranunculaceae

DrogeCimicifugae racemosae rhizoma - Cimicifuga-rhizom

Inhaltstoffe
  • Triterpenglykoside
  • Phenolsäuren
  • Flavonoide
  • Tannine
  • Flüchtige Öle
Hinweis: Cimicifuga enthält keine Phytooestrogene

Wirkungen
Bindung an Oestrogen-Rezeptor:
  • Oestrogen-agonistische Aktivität auf das Knochengewebe
  • Oestrogen-antagonistische Wirkung auf Brust- und Endometriumgewebe
  • Reduktion menopausaler Symptome
Bindung an Serotonin-Rezeptor:
  • Reduktion menopausaler Symptome
Indikationen
  • Menopause: Beschwerden in den Wechseljahren, z.B. Hitzewallungen, Schweissausbrüche, Nervosität und Verstimmungszustände.
  • Praemenstruelles Syndrom
Dosierung
Als Fertigarzneimittel, in der Regel 1 Tablette pro Tag. Die Medikamente sollten über einen längeren Zeitraum eingenommen werden, damit sie ihre Wirkung entfalten könnne( > 6 Wochen).

Kontraindikationen
  • Überempfindlichkeit
  • Vorbestehende Leberschädigung
  • Schwangerschaft und Stillzeit

Unerwünschte Wirkungen
In seltenen Fällen leichte Magenbeschwerden, Übelkeit. In sehr seltenen Fällen gibt es Hinweise auf Leberschädigungen. Bei ungewöhnlichem Leistungsabfall, bei Gelbfärbung der Bindehaut der Augen oder der Haut, bei dunklem Urin oder entfärbtem Stuhl sollten die Präparate abgesetzt werden.

Literatur
  • Borrelli F., Enrst E. Black cohosh (cimicifuga racemosa) for menopausal symptoms: a systematic review of its efficacy. Pharmacol Res. 2008, 58, 1, 8- 14 Pubmed
  • Kaiser W. D., Marin R., Schellenberger R., Schrader E., Saller R. Cimicifuga-racemosa-Extrakt Ze 450 bei Wechseljahrsbeschwerden, ARS Medici, 2008, 77-774
  • Viereck V., Emons G., Wttek W. Black cohosh: just another phytoestrogen? Trends Endocrinol Metab, 2005, 16, 5, 214-21 Pubmed


Cimicifuga racemosa monografie

WERKING
De gedroogde wortel en wortelstok van de Cimicifuga racemosa worden gebruikt voor de bereiding van Cimicifuga racemosa extract. De in Cimicifuga racemosa aanwezige triterpeen glycosides, waaronder aceteïne, cimicifugoside, racemoside en 27-deoxyaceteïne worden gezien als de belangrijkste medicinale inhoudsstoffen. Deze verbindingen hebben een cyclopropaanring als gemeenschappelijke factor en zijn structureel verwant aan cycloartenol. Daarnaast bevat Cimicifuga racemosa onder andere alkaloïden (quinolizidine alkaloïden), organische zuren (isoferulazuur, ferulazuur, salicylzuur, cafeïnezuur), tanninen, fytosterolen en vluchtige olie.

Cimicifuga racemosa heeft onder meer de volgende eigenschappen:
  • Regulatie hypothalamus-hypofyse-ovarium: Cimicifuga racemosa reguleert het vrouwelijke hormonale systeem (hypothalamus-hypofyse-ovarium) op een manier die lijkt op de werking van oestriol. Recent onderzoek suggereert dat Cimicifuga geselecteerde oestrogene effecten heeft. Dit houdt in dat het kruid een oestrogene werking heeft op bepaalde weefsels (zoals bot- en vetweefsel) en niet op andere (zoals baarmoeder- en borstweefsel). Cimicifuga beïnvloedt mogelijk een ontregelde afgifte van luteïniserend hormoon (LH), dat geassocieerd is met opvliegers, nachtzweten, hartkloppingen, hoofdpijn en vaginale klachten.
  • Regulatie menstruatie: Cimicifuga racemosa bevordert de doorbloeding in het bekken en stimuleert de menstruatie wanneer deze moeizaam op gang komt of uitgebleven is door een hormonale ontregeling of na een zwangerschap (emmenagoge werking).
  • Stimulatie botstofwisseling: Cimicifuga extract veroorzaakte een significante toename van de botdichtheid in een proefdiermodel voor (post)menopauze. In een studie met 97 postmenopausale vrouwen verbeterde Cimicifuga extract de botspecifieke serum alkalische fosfatasespiegel (indicatief voor botaanmaak) en de ratio tussen HDL- en LDL-cholesterol. Deze resultaten doen vermoeden dat Cimicifuga fyto-oestrogenen bevat met een selectief oestrogeen effect op bot- en vetweefsel. Meer onderzoek is nodig om na te gaan of Cimicifuga osteoporose en dyslipidemie in de postmenopauze tegengaat.
  • Kalmerende en stemmingsverbeterende werking: Cimicifuga racemosa heeft een milde sederende en kalmerende werking en verlicht stress en nervositeit. Verbetering van de stemming is wellicht mede het gevolg van een verminderde afbraak van de neurotransmitters serotonine en dopamine door remming van de enzymen MAO (mono-amino-oxidase) en aldehydedehydrogenase.
  • Krampstillend, spierontspannend, pijnstillend: Cimicifuga racemosa werkt spierontspannend bij baarmoederkramp en rugpijn. Isoferulazuur, ferulazuur en salicylzuur en andere bestanddelen in Cimicifuga racemosa hebben een ontstekingsremmende en pijnstillende werking.
  • Perifere vaatverwijding: bij patiënten met perifere arteriële vaatziekte zorgt het bestanddeel acteïne uit Cimicifuga racemosa voor verwijding van de perifere bloedvaten en een verbeterde doorbloeding zonder effect op de systemische bloeddruk.
  • Diuretische werking: Cimicifuga racemosa gaat vochtretentie tegen.

INDICATIES
Klachten samenhangend met de menopauze: tenminste negen klinische studies hebben aangetoond dat het extract van Cimicifuga racemosa (peri)menopausale klachten verlicht [1,2,10,17,19,22]. Neurovegetatieve en psychische klachten die verbeterden waren opvliegers, hartkloppingen, hoofdpijn, oorsuizen, duizeligheid, baarmoederkramp, overmatig zweten, slaapstoornissen, nervositeit, stemmingswisselingen en depressieve gevoelens. Uit een dubbelblinde placebogecontroleerde studie waaraan 80 vrouwen deelnamen, bleek dat de vrouwen na 12 weken meer baat hadden bij het Cimicifuga extract dan bij hormonale suppletietherapie of placebo, zoals werd vastgesteld met de Kupperman Menopauze Index en Hamilton Anxiety Test [2,17]. Met de Kupperman Menopauze index worden neurovegetatieve symptomen zoals opvliegers, zweten, hoofdpijn en hartkloppingen geëvalueerd, terwijl de Hamilton Anxiety test een beeld geeft van klachten zoals nervositeit, geïrriteerdheid, slaapproblemen en neerslachtige buien. Vooral het aantal opvliegers nam door het gebruik van Cimicifuga extract sterk af. Cimicifuga racemosa doorstaat de vergelijking met HRT en diazepam met glans als het gaat om het verlichten van depressieve gevoelens en angst tijdens de menopauze [23]. Suppletie met Cimicifuga extract of oestrogenen veroorzaakte een vergelijkbare cytologische respons van het vagina-epitheel (gemeten celdeling en celrijping). Meestal duurt het vier tot acht weken voordat de effecten van suppletie merkbaar worden [2,9,11,22].
Prementrueel syndroom (PMS): Cimicifuga extract is werkzaam bij premenstruele klachten zoals mastodynie (pijnlijke borsten) en stemmingswisselingen [1].
Dysmenorroe: Cimicifuga extract verzacht menstruatiepijn en baarmoederkramp [1]. Amerikaanse indianen en kolonisten gebruikten Cimicifuga racemosa vroeger ook bij amenorroe (het uitblijven van de menstruatie) en menorragie (te overvloedige menstruatie).
Oestrogeendeficiëntie: bij jongere vrouwen na operatieve verwijdering van de ovaria: vrouwen bij wie de baarmoeder en één of beide ovaria zijn verwijderd hadden evenveel baat bij Cimicifuga extract als bij hormonale suppletietherapie, gemeten met de Kupperman Menopauze Index [1,11,24].
Overige (volkgeneeskundige) toepassingen: reuma, osteoartritis, ischias, lumbago en neuralgie.

CONTRA-INDICATIES
Aangezien Cimicifuga racemosa het vrouwelijke endocrienesysteem beïnvloedt, is dit fytotherapeuticum niet geschikt voor zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven. Cimicifuga extract versterkt de baarmoederactiviteit en bevordert de menstruatie wat kan leiden tot een miskraam. 
Voorheen mocht Cimicifuga racemosa vanwege de veronderstelde oestrogene werking niet worden gebruikt door vrouwen met een voorgeschiedenis van borstkanker. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat het gebruik van Cimicifuga veilig is voor deze groep vrouwen. Overigens is nog niet duidelijk of deze vrouwen wel profiteren van de gunstige effecten van Cimicifuga op overgangsklachten zoals opvliegers [2,9,18]. Wij raden aan voorzichtig te zijn met het voorschrijven van Cimicifuga racemosa extract aan vrouwen met hormoongevoelige aandoeningen zoals ovarium-, borst- of baarmoederkanker, een vleesboom of endometriose.

BIJWERKINGEN
Bijwerkingen die incidenteel optreden zijn maagdarmklachten, hoofdpijn, gewichtstoename of een lichte duizeligheid. Daarnaast klagen sommige vrouwen over een zwaar gevoel in de benen. Extreem hoge doseringen kunnen buikpijn, duizeligheid, misselijkheid, zware hoofdpijn, visusklachten en braken veroorzaken. Het gebruik van Cimicifuga racemosa extracten in de aangegeven adviesdosering is veilig. Uit de maanden durende klinische onderzoeken met Cimicifuga is niet gebleken dat het kruid nadelige effecten op de gezondheid heeft. Bovendien hebben toxicologische studies aangetoond dat Cimicifuga geen mutagene, carcinogene of teratogene activiteit bezit.

INTERACTIES
Interacties tussen Cimicifuga en geneesmiddelen zijn niet bekend. Het combineren van een Cimicifuga racemosa extract met orale anticonceptiemiddelen of hormonale suppletietherapie is in principe goed mogelijk. Wij adviseren een deskundige te raadplegen wanneer naast een Cimicifuga racemosa extract andere reguliere of natuurgeneesmiddelen worden gebruikt.

SYNERGISME
Sint Janskruid (Hypericum perforatum) en Cimicifuga racemosa versterken elkaars werking bij het tegengaan van psychische/mentale klachten zoals stemmingswisselingen, depressie en concentratieproblemen. Een cimicifuga racemosa extract kan gecombineerd worden met andere preparaten die geschikt zijn bij overgangsklachten zoals omega-3-vetzuren, sojapreparaten, vitamine E-preparaten en Rubus idaeus (framboos). Bij premenstruele klachten kunt u Cimicifuga racemosa extract adviseren naast supplementen zoals vitamine B6, magnesium en gamma-linoleenzuur

REFERENTIES
  1. Blumenthal M. Herbal Medicine. Expanded Commission E monographs. American Botanical Council 2000:22-26.
  2. Foster S. Black cohosh (Cimicifuga racemosa): a literature review. Herbalgram 1999;45:35-49.
  3. McFarlin BL et al. A national survey of herbal preparation use by nurse-midwives for labor stimulation. Review of the literature and recommendations for practice. J Nurse Midwifery 1999;44:205-16.
  4. Liske E. Therapeutic efficacy and safety of Cimicifuga racemosa for gynecologic disorders. Adv Ther 1998;15:45-53.
  5. Hagels H et al., Composition of phenolic constituents in Cimicifuga racemosa. 6th International Congress on Ethnopharmacology of the International Society for Ethnopharmacology (ISE), Zürich, Schwitzerland, 2000.
  6. Kruse SO, Lohning A, Pauli GF, et al. Fukiic and piscidic acid esters from the rhizome of Cimicifuga racemosa and the in vitro estrogenic activity of fukinolic acid. Planta Med 1999;65:763-4.
  7. Einer-Jensen N et al, Cimicifuga and Melbrosia lack oestrogenic effects in mice and rats. Maturitas ‘96;25:149-53.
  8. Eagon PK, Elm MS, Hunter DS, et al. Medicinal herbs: modulation of estrogen action. Era of Hope Mtg, Dept Defense; Breast Cancer Res Prog, Atlanta, GA 2000;Jun 8-11.
  9. Liske E, Wustenberg P. Therapy of climacteric complaints with Cimicifuga racemosa: herbal medicine with clinically proven evidence. Menopause 1998;5:250.
  10. Liske E, Hanggi W, Henneicke-von Zepelin HH et al. Physiological investigation of a unique extract of black cohosh (Cimicifugae racemosae rhizoma): a 6-month clinical study demonstrates no systemic estrogenic effect. J Womens Health Gend Based Med 2002;11(2):163-74.
  11. Lehmann-Willenbrock E, Riedel HH. Clinical and endocrinologic studies of the treatment of ovarian insufficiency manifestations following hysterectomy with intact adnexa. Zentralbl Gynakol 1988;110(10):611-8.
  12. Kennelly EJ, Baggett S, Nuntanakorn P et al. Analysis of thirteen populations of black cohosh for formononetin. Phytomedicine 2002;9(5):461-7.
  13. Seidlova-Wuttke D, Becker T, Jarry H et al. Selective estrogen receptor modulation properties of a Black Cohosh preparation: animal experiments. Endo 2002; abstract P3-317,P3-333.
  14. Seidlova-Wuttke D, Wuttke W. Selective estrogen receptor modulatory activity of Cimicifuga racemosa extract: clinical data (abstract). Phytomedicine 2000;7(S2):11.
  15. Seidlova-Wuttke D, Jarry H, Heiden I et al. Effects of Cimicifuga racemosa on estrogen-dependent tissues (abstract). Phytomedicine 2000;7(S2):11-12.
  16. Wuttke W, Jarry H, Heiden I et al. Selcetive estrogen receptor modulator (SERM) activity of the Cimicifuga racemosa extract BNO 1055: pharmacology and mechanisms of action (abstract). Phytomedicine 2000;7(S2):12.
  17. Stoll W. Phytopharmacon influences atrophic vaginal epithelium. Double-blind study – Cimicifuga vs estrogenic substances. Therapeuticum 1987;1:23-31.
  18. Jacobson JS, Troxel AB, Evans J, et al. Randomized trial of black cohosh for the treatment of hot flashes among women with a history of breast cancer. J Clin Oncol 2001;19:2739-45.
  19. Duker EM, Kopanski L, Jarry H et al. Effects of extracts from Cimicifuga racemosa on gonadotropin release in menopausal women and ovariectomized rats. Planta Med 1991;57(5):420-4.
  20. Löhning A, Winterhoff H. 3rd International Congress on Phytomedicine, Munich 2000.
  21. Newall CA, Anderson LA, Phillipson JD. Herbal Medicines: a guide for health care professionals. London, England: Pharmaceutical Press 1996.
  22. Lieberman S. A Review of the effectiveness of cimicifuga racemosa (black cohosh) for the symptoms of menopause. J Womens Health 1998;7(5):525-9.
  23. Warnecke G. Influencing menopausal symptoms with a phytotherapeutic agent: successful therapy with Cimicifuga mono-extract. Med Writ 1985;36:871-874.
  24. Pepping J. Black cohosh: Cimicifuga racemosa. Am J Health Syst Pharm 1999;56:1400-2.
  25. Liske E et al. Menopause: herbal combination product for psychovegetative complaints. TW Gynakol ‘97;10:172.
  26. Korn WD. Six-month oral toxicity study with Remifemin-granulate in rats followed by an 8-week recovery period. Hannover, Germany: International Bioresearch;1991.
  27. Amato P, Christophe S, Mellon PL. Estrogenic activity of herbs commonly used as remedies for menopausal symptoms. Menopause 2002;9:145-50.
  28. Bodinet C, Freudenstein J. Influence of Cimicifuga racemosa on the proliferation of estrogen receptor-positive human breast cancer cells. Breast Cancer Res Treat 2002;76(1):1-10.
  29. Peirce A. Black Cohosh. In: Practical guide to natural medicines. The American Pharmaceutical Association 1999;86-88. ISBN: 0-688-16151-0.


Comments