Arnica montana

Valkruid, Wolverlei
monografie uit de herboristenopleiding 'Dodonaeus'

Algemene en Botanische Informatie

Familie: Asteraceae (Compositae) - Samengesteldbloemigen.
Naam: Arnica (Fr.), Arnika (D.), Arnica (E.).
Volksnaam: Wolverlei.
Soorten: ± 50 soorten met o.a. Arnica chamissonis (Amerikaans valkruid)
Ecologie, teelt: Rozethemikrypt die groeit op begraasde heiden, alpenweiden op niet kalkhoudende bodem.
Teelt door zaaien in de herfst of deling van de wortelstok in de late zomer

Materia Media, gebruikte delen van Arnica

Arnicae flos
De bloemblaadjes uit de bloemhoofdjes van Arnica montana L., in DAB ook van A. chamissonis PESS. ssp. foliosa; soms ook Arnica radix (homeopathisch) en Arnica herba.

Oogst: De bloemen in juli en augustus. De bloemblaadjes worden gescheiden van de bloemhoofdjes. De bloembodems bevatten dikwijls larven van een insekt: Trypeta arnicivora.
Drogen: Voorzichtig en met matige warmte tot 30 C.
Bewaren: Goed droog, aangedrukt en afgeschermd van het licht.

Beschrijving: Wollige massa van geeloranje buisvormige schijfbloemen en lintvormige straalbloemen . Het vruchtbeginsel bovenaan bezet met een kroon van lange, glanzende haren, die voornamelijk het wollig uitzicht bepalen.
Reuk: zwak aromatisch.
Smaak: zeer bitter tot scherp.
Vervalsing: Vervalsing of verwisseling mogelijk met de gele lintbloemen van andere composieten zoals: Calendula officinalis, Anthemis tinctoria, Inula species, Doronicum species, en vooral Heterotheca inuloïdes CASS.

Samenstelling, voornaamste inhoudstoffen




** Sesquiterpeenlactonen zoals helenaline (bitterstof)
* Etherische olie 0,2 %
* Flavonoïden 0,5 % o.a. isoquercetine

Farmacologie, algemene fysiologische werking

** Bloedcirculatiebevorderend (analepticum)
* Verhoogt slag- en minuutvolume van het hart.
* Verbetert de coronaire doorbloeding, verlaagt de perifere weerstand.
** Resorptiebevorderend
* Antisepticum.
* Antiflogisticum o.a. door remming enzymen van ontstekingsproces.
* Licht analgeticum - antireumatisch (uitwendig)

Bijwerkingen: Bij inwendig gebruik o.a. gastro-enteritische problemen
Bij overdosering o.a. duizeligheid, hartritmestoornissen
Bij uitwendig gebruik kan er ontsteking, jeuk en blaarvorming ontstaan bij gevoelige personen of bij overdosering.

Indicaties, medicinaal gebruik van Arnica

Uitwendig
*** Kneuzingen, blauwe plekken, verstuikingen en spierverrekking (zalf, gelei, massage-olie)
** Spierpijn bij het leveren van inspanningen? preventief en curatief
* Wonden (niet op open wonden)
* Insectensteken
* Furunculose: bloedzweren, steenpuisten, acné verdund als kompres of lotion
* Tandvleesontsteking, keelpijn, heesheid gorgelmiddel + echte kamille of salie
* Gewrichtspijnen:
bij reuma, lumbago, isschias en epicondylitis zie planten met salicylzuren: Salix, Betula, Filipendula, Gaultheria eo

Hart en bloedvaten
* Ouderdomshart zie Crataegus, Rosmarinus, Gingko
* Angina pectoris

Andere toepassingen
* heesheid, keelpijn gorgelmiddel + Salie
* haargroeimiddel? Lotion + Rozemarijn

Receptuur en bereidingswijzen


Uitwendig: Vooral gestandariseerde preparaten gebruiken of homeopatische verdunningen voor inwendig gebruik. (Rote Liste Duitsland: 200 preparaten.)
In de Rote Liste duitsland zijn 200 preparaten opgenomen met 26 indicatie-gebieden waarvan cardiaca (33), analgetica - antireumatica (31) en veneuze aandoeningen (30). De helft van deze preparaten dient voor uitwendig gebruik.

Compres (DAB)
R./ Arnicae fl. 2-3 g ( 1-2 theelepels) als infuus 10' in 150 ml heet water

R./ Arnica Ø 20 g
Glycerine 50 g
Water 60 g indicatie: kneuzingen, blauwe plekken (Leclerc)

Tabakssurrogaat
R./ Arnicae fl. + Betonicae hb. + Melissae fol.

Tinctuur (Dr. Belaiche) voor uitwendig gebruik
R./ Arnicae hb. 10g
mac. 14 dagen in 100cc alc. 60°
Dos. 20druppels (1cc) in 10cc water of kruidenthee

Balneologie:
R./ Arnicae fl. 50
Arctium rad. 150
Saponariae rad. 200 Dec. 10' in 2 liter water. Indicatie: acné

Massage:
R./ Arnicae Ø 60dr.
Rosmarini e.o. 5dr.
Cajeput e.o. 5dr.
Oleum q.s.p. 30 ml Wrijfmiddel bij gewrichts- en zenuwpijnen

Inwendig: alleen verdunde homeopatische bereidingen
Infuus Arnicae fl. 5 g in 1 l heet water, infuus 10'
Tinctuur comp. (Valnet)?
R./ Arnicae fl. 25 g
Kruidnagel 5 g
Kaneel 5 g
Anisi fr. 50 g mac. 8 dagen in 500cc alc. 90°, dos. 3 X daags 20 druppels

Kommission E doseringsadvies
Infusion: 2 g of herb per 100 ml of water.
Tincture: For cataplasm: 3–10 times dilution.
For mouth rinses: 10 times dilution. As ointment: Not more than 20–25% tincture.
"Arnica oil": Extract of 1 part herb and 5 parts fatty oil. Ointments with not more than 15% "arnica oil."

Geschiedenis en Wetenschappelijk Onderzoek
  • Hildegard von Bingen: beschreef als eerste de gunstige invloed bij kneuzingen e.d.
  • Tabernaemontanus - 1613: Al bij verwondingen.
  • Fehr - 1678: «... wo man sich wehgetan, verrenkt, verstaucht hat». Andere werking: Geneest inwendige bloedingen, helpt bij astma en catarrh.
  • Haller: «Tegen gestold bloed in het lichaam».- Medicinische Lexicon - 1775.
  • Matthiolus: «... zonnesteek en de gevolgen van een val».
  • Madamme de Sévigné: Maceraat van Arnica, Betonie en Wolfsmelk.
  • Von Hufeland: «... zwaktetoestanden, oververmoeidheid, haematomen en ook als antisepti-cum».
  • Panacea lapsorum = Panacée des chutes.
  • L'Officine - 1886: Stimulans voor het zenuwstelsel, panacea lapsorum, jicht, reuma en verlammingen, braakverwekkend in hoge dosis, wekt het niezen op (sternutatoir).
  • Lebourdais - 1848 of Bastick W. - 1851: Vind het bittersmakend bestanddeel in Arnica het zogenaamde arnicine.
  • Noord-Amerika: Eclectic physicians, alternative medical practitioners of the late nineteenth and early twentieth centuries, recommended it for contusions and bruised muscles, mastalgia, and chronic sores or abscesses (Ellingwood, 1983). Rubbed on the head, arnica tincture was said to stimulate hair growth (Grieve, 1979). Some physicians recommended internal use for depression, dyspnea, typhoid, pneumonias, anemia, diarrhea, and cardiac weakness (Felter, 1922).
  • Van Prooyen A.M. Liègeois: A quoi il faut s'en tenir sur l'Arnica. Ph. Tijdschr. XVI - 1938.
  • Leclerc H.: En marge de Codex: La teinture d'Arnica - 1924.
  • Stirnadel M.: 5-20 dr. arnica-tinctuur uit de bloemen veroorzaken vaatverwijding en vaatkramp-vermindering op de kransvaten en op de perifere bloedsomloop. Ook zou de expectoratie bij astmalijders bevorderd worden en de chronische bronchitis bij emfyseempa-tiënten met een zwakke bloedsomloop verbeteren. Hyppokrates 943 (1937) en Ph. Z. 109 (1938)
  • Richaud A.: Sur l'action pharmacodynamique de l'Arnica. Soc. de thérap. 1 - 1992.
  • Willuhn G.: Arnica montana L. Hyppokrates Verlag. Ztschr. f. phytoth. 6/94-96 - 1985
Recenter wetenschappelijk onderzoek
  • Baillargeon, L., J. Drouin, L. Desjardins, D. Leroux, D. Audet. 1993. [The effects of Arnica montana on blood coagulation. Randomized controlled trial] [In French]. Can Fam Physician (39):2362–2367.
  • Ernst, E. 1998. Efficacy of homeopathic arnica: a systematic review of placebo-controlled clinical trials. Arch Surg 133(11):1187–1190 (geen effect van homeopatische verdunningen?)
  • Hausen, B.M. 1978. Identification of the allergens of Arnica montana L. Contact Dermatitis 4(5):308.
  • Kaziro, G.S. 1984. Metronidazole (Flagyl) and Arnica Montana in the prevention of post-surgical complications, a comparative placebo-controlled clinical trial. Br J Oral Maxillofac Surg 22(1):42–49.
  • Rossetti, V., A. Lombard, P. Sancin, M. Buffa. 1987. Characterization of Arnica montana L. flowers. Boll Chim Farm 126(11):458–461.
  • Rudzki, E. and Z. Grzywa. 1977. Dermatitis from Arnica montana. Contact Dermatitis 3(5):281–282.
  • Schroder, H. et al. 1990. Helenalin and 11 alpha, 13-dihydrohelenalin, two constituents from Arnica montana L., inhibit human platelet function via thiol-dependent pathways. Thromb Res 57(6):839–845.
  • Tveiten, D., S. Bruseth, C.F. Borchgrevink, K. Lohne. 1991. [Effect of Arnica D 30 during hard physical exertion. A double-blind randomized trial during the Oslo Marathon] [In Norwegian]. Tidsskr Nor Laegeforen 111(30):3630–3631.
  • Wagner, H. et al. 1991. [Immunologic studies of plant combination preparations. In-vitro and in-vivo studies on the stimulation of phagocytosis] [In German]. Arzneimforsch 41(10):1072–1076.
Algemene literatuur
Verdere informatie bij Prof. Dr. G. Willuhn, Inst. f. Pharmaz. Biologie der Univ. Düssel-dorf, Universiteitsstraße 1, D 4000 Düsselforf 1.
  • Wijnsma R. e.a.: Het gebruik van Arnica in de fytotherapie. Pharm. Weekbl. 129 (37) 924-930 - 1994; Herba 8/19-20 - 1995.
  • Monografie Commission E expanded: Arnicae flos (doc. Maurice Godefridi)
Typologie

Hom. beeld: Volbloedmensen met neiging tot congestie, spierpijnen en neuralgische bezwaren.
Modaliteiten: angst dat iemand naderbij komt of vooral je aanraakt (Binet)

Influence of an Arnica-Gel on the transcription factor NF-kB.
Die Forschergruppe Klostermedizin Arnica historische Monographien



Arnica montana / Arnica


Nom commun : arnica.
Noms botaniques : Arnica montana, Arnica chamissonis, famille des composées ou astéracées.
Noms anglais : arnica, mountain tobacco, wolf’s bane.

Parties utilisées : sommités fleuries.
Habitat et origine : plante vivace originaire des régions montagneuses de l’Europe et du sud de la Russie. L’ouest de l’Amérique du Nord en compte également trois espèces : Arnica fulgens,A. sororia et A. cordifolia.

La présente fiche traite des préparations phytothérapeutiques d’arnica pour usage externe seulement. Il existe dans le commerce des produits homéopathiques à base d’arnica pour usage interne, mais ils ne sont pas traités ici. Dans notre section Thérapies, une fiche est consacrée à l’homéopathie.

Indications


Par voie externe, traiter les ecchymoses, les oedèmes, les dislocations, les contusions, les douleurs musculaires et articulaires, l’inflammation de la bouche et de la gorge, les furoncles, les piqûres d’insectes et la phlébite superficielle.



Hématomes, oedèmes, dislocations, contusions, douleurs musculaires et articulaires, furoncles, piqûres d’insectes, phlébite
Ne pas appliquer sur les plaies ouvertes.
  • Infusion pour compresses. Infuser, durant 5 à 10 minutes, 2 g de fleurs séchées dans 100 ml d’eau bouillante. Laisser refroidir et appliquer sur la partie atteinte, plusieurs fois par jour, une compresse imbibée de cette infusion.
  • Teinture (1:10 dans éthanol à 40 %). Diluer une partie de teinture dans de 3 à 10 parties d’eau. Appliquer sur la partie atteinte, plusieurs fois par jour, une compresse imbibée de cette infusion.
  • Onguent (renfermant de 20 % à 25 % de teinture ou 15 % d’huile d’arnica).Appliquer, plusieurs fois par jour, sur la partie atteinte. L’huile d’arnica est composée d’une partie de plante (fleurs) pour cinq parties d’huile végétale (1:5).
Inflammation de la cavité orale et de la gorge
  • Teinture (1:10 dans éthanol à 40 %). Diluer une partie de teinture dans dix parties d’eau. Utiliser cette solution comme rince-bouche ou gargarisme plusieurs fois par jour. Ne pas avaler.
Historique de l’arnica
En Europe, l’origine des usages médicinaux de l’arnica se perd dans la nuit des temps. En Allemagne, notamment, de très nombreux produits à base d’arnica sont offerts dans le commerce (teintures, onguents et granules homéopathiques). Cette popularité a d’ailleurs mis en péril l’espèceArnica montana au point que les autorités allemandes en ont réglementé l’exploitation. On y cultive donc une autre espèce, l’Arnica chamissonis, à laquelle la pharmacopée allemande attribue les mêmes propriétés.

Dans la partie occidentale de l’Amérique du Nord, de l’Alaska au nord du Mexique, on trouve trois espèces d’arnica : l’Arnica fulgens, l’Arnica sororia et l’Arnica cordifolia que les premières nations utilisaient pour traiter les blessures, les ecchymoses et les entorses. L’arnica était également employée en médecine éclectique.
Bien que, dans le passé, la plante ait fait l’objet d’usages internes, notamment pour le traitement de troubles cardiaques et respiratoires, on la considère aujourd’hui comme toxique et on ne la conseille qu’en application externe.

Recherches sur l’arnica
La Commission E allemande a approuvé l’usage par voie externe de l’arnica pour traiter les hématomes, les oedèmes, les dislocations, les contusions, les troubles musculaires et articulaires, l’inflammation de la bouche et de la gorge, les furoncles, les piqûres d’insectes et la phlébite superficielle. L’ESCOP reconnaît son efficacité pour le traitement des ecchymoses, des entorses, de l’inflammation causée par les piqûres d’insectes, de la gingivite et des ulcères aphteux ainsi que des douleurs articulaires (rhumatismes).

Arthrose. Au cours d’un essai sans placebo mené auprès de 79 sujets souffrant d’arthrose du genou (légère à modérée), les participants ont rapporté un soulagement de la douleur à la suite d’applications topiques d’un gel d’arnica1. Au cours d’un essai comparatif auprès de 204 patients souffrant d’arthrose des mains, un gel contenant de l’arnica a été aussi efficace qu’un gel contenant de l’ibuprofène pour soulager la douleur et améliorer la mobilité des participants2.

Douleurs musculaires. Au cours d’une étude préliminaire avec placebo, menée auprès de 12 volontaires, on a pu observer l’efficacité d’un gel d’arnica pour soulager les douleurs musculaires3. Un essai récent sur des rats indique qu’un gel d’arnica a réduit l’inflammation causée par une lésion musculaire4.

Ecchymoses. Au cours d’un essai préliminaire, l’arnica n’a pas fait mieux qu’un placebo pour prévenir la formation d'ecchymoses consécutives à une chirurgie faciale au laser ou pour contribuer à leur guérison5.

Insuffisance veineuse, varices. Les résultats d’un essai à double insu avec placebo mené auprès de 89 sujets souffrant d’insuffisance veineuse indiquent qu’un le gel d’arnica peut augmenter le tonus veineux, diminuer les oedèmes et soulager la sensation de lourdeur dans les jambes6.

Soulagement des douleurs postopératoires. Lors d’un essai à double insu avec placebo auprès de 37 sujets opérés pour le syndrome du canal carpien, une combinaison d’arnica homéopathique par voie orale et de gel d’arnica en application topique a mieux soulagé la douleur que le placebo7. L’effet anti-inflammatoire de l’arnica serait attribuable à la préparation phytothérapeutique, car au cours d’un essai similaire ne comprenant pas l’application d’un gel, la préparation homéopathique n’a pas eu plus d’effet que le placebo8.

Précautions
Attention
Utiliser par voie externe seulement.
Ne pas appliquer d’arnica sur les plaies ouvertes.
En rince-bouche ou en gargarisme, éviter d’avaler la solution.

Contre-indications
Possibilité d’allergie croisée en cas d’allergie aux plantes de la famille des composées (marguerite, échinacée, pissenlit, herbe à poux, souci, etc.).

Effets indésirables
L’arnica peut causer une dermatite chez certaines personnes.

Interactions
Avec des plantes ou des suppléments Par voie externe, aucune connue.
Avec des médicaments Par voie externe, aucune connue.
Privilégier les gels, pommades, onguents ou teintures qui affichent clairement leur teneur en arnica. 

Réviseurs :
Cécile Bertin, Ph.D (mai 2009).
Paul Richard Saunders, PhD, ND, DHANP (octobre 2005).
Recherche et rédaction : Pierre Lefrançois et Françoise Ruby
Mise à jour : mai 2009

Références
Note : les liens hypertextes menant vers d'autres sites ne sont pas mis à jour de façon continue. Il est possible qu'un lien devienne introuvable. Veuillez alors utiliser les outils de recherche pour retrouver l'information désirée.

Bibliographie
  • Barnes Joan, Anderson A. Linda, Phillipson David J. Herbal Medicines, Pharmaceutical Press, Grande-Bretagne, 2002, 2e édition. 
  • Blumenthal M, Goldberg A, Brinckmann J (Ed). Expanded Commission E Monographs, American Botanical Council, publié en collaboration avec Integrative Medicine Communications, États-Unis, 2000. 
  • European Scientific Cooperative on Phytotherapy (Ed). Arnicae flos, ESCOP Monographs on the Medicinal Uses of Plants Drugs, Centre for Complementary Health Studies, Université d'Exeter, Grande-Bretagne, 1997. 
  • Mills S, Bone K. Principles and Practice of Phytotherapy, Churchill Livingstone, Harcourt Publishers, Grande-Bretagne, 2000.
  • National Library of Medicine (Ed). PubMed, NCBI. [Consulté le 20 avril 2009]. www.ncbi.nlm.nih.gov
  • Natural Standard (Ed). Herbs & Supplements - Arnica, Nature Medicine Quality Standard. [Consulté le 6 mars 2009]. www.naturalstandard.com
  • Schulz V., Hänsel R., Tyler V.E. Rational Phytotherapy - A Physicians' Guide to Herbal Medicine, fourth edition, Springer, Allemagne, 2001. 
  • Therapeutic Research Faculty (Ed). Arnica, Natural Medicines Comprehensive Database. [Consulté le 6 mars 2009]. www.naturaldatabase.com
Notes
1. Knuesel O, Weber M, Suter A. Arnica montana gel in osteoarthritis of the knee: an open, multicenter clinical trial. Adv Ther. 2002 Sep-Oct;19(5):209-18.
2. Choosing between NSAID and arnica for topical treatment of hand osteoarthritis in a randomised, double-blind study. Widrig R, Suter A, et al. J. Rheumatol Int. 2007 Apr;27(6):585-91.
3. Étude mentionnée dans : European Scientific Cooperative on Phytotherapy (Ed). Arnicae flos,ESCOP Monographs on the Medicinal Uses of Plants Drugs, Centre for Complementary Health Studies, Université d'Exeter, Grande-Bretagne, 1997.
4. Effects of phonophoresis with Arnica montana onto acute inflammatory process in rat skeletal muscles: an experimental study. Alfredo PP, Anaruma CA, et al. Ultrasonics. 2009 May;49(4-5):466-71.
5. Alonso D, Lazarus MC, Baumann L. Effects of topical arnica gel on post-laser treatment bruises.Dermatol Surg. 2002 Aug;28(8):686-8.
6. Étude mentionnée dans : Mills S, Bone K. Principles and Practice of Phytotherapy, Churchill Livingstone, Harcourt Publishers, Grande-Bretagne, 2000.
7. Jeffrey SL, Belcher HJ. Use of Arnica to relieve pain after carpal-tunnel release surgery. Altern Ther Health Med. 2002 Mar-Apr;8(2):66-8.
8. Stevinson C, Devaraj VS, et al. Homeopathic arnica for prevention of pain and bruising: randomized placebo-controlled trial in hand surgery.J R Soc Med. 2003 Feb;96(2):60-5.



Arnica montana antroposofisch bekeken

De arnica (arnica montana), een typische bergplant, gedijt vooral op oergesteente en een vochtige bodem.  Tegen het eind van juni openen zich de zonnig-gele bloemen voor de intensieve inwerking van dat jaargetij. Ook de concentratie van de bladeren, dicht tegen de grond ontplooiende bladrozetten, en een zich ver uitstrekkende wortelstok zijn karakteristiek voor deze vanouds bekende geneesplant. De vormkracht, die haar eigen is, uit zich in een omvattende genezende werking. Ze geneest de meest verschillende kwetsuren; we hebben dan ook bij de arnica te maken met een oergeneesplant, die het eigenlijke genezingsproces dat aan elke genezing ten grondslag ligt, bevordert. De arnica wordt niet alleen in talrijke geneesmiddelen gebruikt, ook in de de Weledapreparaten voor de verzorging van het lichaam ontplooit ze haar genezende werking.

(Weledaberichten nr.100, 04-1974)

Een edele veelomvattende geneeskrachtige plant is de arnica (arnica montana). Van oudsher heeft zij dankzij haar veelsoortige genezende mogelijkheden meer dan enige andere plant een vaste plaats in de hantering van de ervaren arts. Het wezen van de geneeskrachtige arnica kan men vanuit de verschijning niet gemakkelijk begrijpen; pas allengs krijgt men er kijk op. Wie de plant echter eens op een natuur­lijke vindplaats zag, die zal de sterke eerste indruk niet licht vergeten. Arnica is een van de opvallendste en mooiste bloeiende planten die wij ‘s zomers in de bergen zien. Men kan haar ook wel temidden van een bonte bloemenwei vinden; haar specifieke voorkomen treft ons echter ‘t meest waar zij, nauwelijks door andere bloemen omringd, een groot oppervlak bedekt en met een soort eigenaardige gestrengheid de grote gele bloemen omhoog heft. Voor deze plant is kenmerkend dat zij aan standplaatsen de voorkeur geeft waar ook, bepaald door de vochtigheid van de bodem en het begin van turfvorming, misschien wat borstelig zuurgras en wat eenvoudig kruid groeit. Als de plant niet bloeit vallen de talrijke, dicht tegen de grond aangedrukte bladrozetten met een lichtgroene kleur op, waarvan elk jaar maar een gedeelte in bloei komt. In de grond bevindt zich een wortelstok van nauwelijks een vinger dikte, die elk jaar aan de voorkant een nieuwe rozet voortbrengt. Het achterste, oudste deel ervan sterft na een paar jaren af. Op die manier trekt de plant allengs door haar standplaats. In het midden van de zomer verheft zich de fijnbehaarde bloemstengel uit de rozet. Deze draagt meestal een grote bloem met een weergaloos oranjegele kleur, die een dynamische, bewegende indruk maakt. Later komen er nog twee bloemen uit okselknoppen die iets kleiner zijn.
Als men de bloem plukt, is de aromatische prettige geur die tevoorschijn komt opval­lend.
Arnica is in de bergen tot op grote hoogte te vinden; tot ver in het noorden is zij thuis. In beide situaties zijn de vereisten ten opzichte van de vindplaats dezelfde: krachtige onbelemmerde inwerking van het licht samen met koele vochtigheid van de bodem en ongestoorde ontwikkeling. Door menselijk ingrijpen, in ‘t bijzonder door bemesting, maar ook door veelvuldig maaien of plukken kan de arnica ook uit gebieden waar zij van nature veel voorkomt, verdreven worden.
De scheikundige vindt in de arnica vele bepalende stoffen, waarbij het zwaartepunt minder bij één bepaalde werkzame substantie dan wel in de meesterlijke compositie ligt. In ‘t bijzonder moeten bitterstoffen en aetherische oliën, ook gom- en harsbe­standdelen, verder suiker en kamferachtige stoffen genoemd worden. Voorts kan arnica bij ondeskundige toepassing zowel in- als uitwendig een geringe of tamelijke giftige werking hebben.
De aanzienlijke hoeveelheden bloeiende arnicaplanten die jaarlijks in de Weleda worden verwerkt, komen van eigen weiden op berggesteentebodem in het Fichtelge-bergte en in het Zwarte Woud. Hoewel het hier oorspronkelijk in ‘t wild groeiende planten betreft is tengevolge van de grote hoeveelheden die nodig zijn een zorgvul­dige cultuur noodzakelijk. Bovenal moet de voortdurende vernieuwing van het areaal zorgvuldig voor uitzaaien en opkweken van jonge plantjes naast de bescherming tegen schadelijke invloeden in ‘t oog worden gehouden.

(Weledaberichten nr. 114 maart 1978)

In 1985 is het Louis Bolk Instituut begon­nen met onderzoek op het gebied van geneeskrachtige planten. Daarbij kwam de plant arnica montana centraal te staan, omdat zij het uitgangspunt vormt voor de bereiding van veel (antro­posofische) geneesmiddelen. Doel van dit onderzoek is om een nieuwe vorm van wetenschappelijk verantwoord geneesplantenonderzoek te ontwikkelen. Nieuw, omdat daarbij niet alleen geke­ken wordt naar werkzame inhoudsstoffen. De bedoeling is om tot een zodani­ge karakterisering van de plant te komen, dat er een brug geslagen kan worden naar de mens, of beter gezegd: naar be­paalde ziektebeelden. De behoefte voor dit soort onderzoek komt voort uit de antroposofische geneeskunde, waar ge­neeskrachtige planten om meer dan al­leen de aanwijsbare stoffen gebruikt worden.
In de eerste fase van het onderzoek is onder andere gekeken naar verschillen in groeiwijze van wilde en geteelde planten. Er is een grondige beschrijving gemaakt van groeiontwikkeling, inhoudsstoffen, geografische stand en plaats en dergelijke. Daarnaast is er een aanzet gegeven tot karakterisering van de plant in zodanige begrippen dat een vergelijking gemaakt kan worden met de mens. Vervolgens is gestart met literatuur-en fenomenologisch onderzoek* ten aanzien van ziektebeelden en de plant. Het hoofddoel is om te komen tot een integratie van plantbeeld en ziekte­beeld. Met andere woorden, tot een koppeling van het wezen, de karakteris­tiek van arnica met die van een bepaald ziekteproces.
Aanknopingspunten voor dit deel van het onderzoek zijn aanwijzingen** die Rudolf Steiner heeft gegeven voor de toepassing van Arnica en be­schrijvingen van de plant uit de eerste fase van het onderzoek. Twee voorbeel­den van deze beschrijvingen zijn:
-Arnica neigt tot het doorbreken van haar symmetrisch basisbouwplan. Juist vanwege het gebruik van de plant als therapie bij beschadigingen in het streng geordende zenuwstelsel, kan dit een belangrijk gezichtspunt zijn;
-Arnica heeft de neiging om op te dui­ken in recent beschadigde of onont­wikkelde gebieden. Op dit moment is het fenomenologisch onderzoek naar de plant zo goed als af­gerond. Wat is er aan bijzondere feno­menen waargenomen aan de Arnica-plant? We geven een voorbeeld uit wor­tel-, blad- en bloemgebied.
De arnicaplant kent twee verschillende soorten wortels: kiemwortel en aswortel. Eerst ontstaat, uit het zaad, de kiem­wortel, die zich normaal vertakt. Maar deze wordt snel vervangen door zijwor­tels die ontspringen uit de (bovengrond­se) stengel. Dat gaat als volgt: de stengel gaat groeien en daaraan vormt zich een bladpaar (twee bladeren tegenover el­kaar). Onder elk blad ontspruit een wor­tel die snel en diep de grond in groeit. Hierdoor wordt een stukje van de sten­gel de grond in getrokken. Het volgende bladpaar, dat zich hoger op de stengel vormt, doet hetzelfde: zo verwordt de bovengrondse stengel tot een onder­aardse as waar de wortels zich uit ver­takt hebben. De wortelvorming vindt kruisvormig plaats: dus als de eerste twee wortels van het eerste bladpaar links en rechts staan, dan komen de der­de en de vierde wortel er precies tussen­in, aan de voor- en achterkant van de as. De groeibeweging verandert daarbij van richting: de wortel-as groeit eerst als stengel opwaarts boven de grond en wordt vervolgens naar beneden de grond in getrokken, waar verdere ver­takking van de wortel plaatsvindt.
Door deze neerwaartse beweging wor­den de bladeren tegen de bodem ge­drukt. Naarmate dit meer bladeren zijn, wordt er een rozet gevormd. De blade­ren vormen, net als de wortels, een kruis. Dus de eerste twee staan links en rechts, de volgende twee voor en ach­ter. Je kunt daardoor de rozet in vier quadranten verdelen. De vraag is nu: wat doen de volgende vier? Komen ze er precies boven, wat sommige planten  doen, of draaien ze steeds een stukje verder, als de wijzers van een klok? Dat doen bijvoorbeeld de paardenbloem en de weegbree. Op die manier vindt dan de groei van het eerste blad van het kruis op een gegeven moment plaats in het tweede kwadrant. De arnica draait inderdaad steeds een stukje verder, tot­dat het eerste blad aan de grens van kwadrant 1 en 2 is gekomen, en dan ge­beurt er iets typisch. De bladgroei draait niet verder, maar draait om van richting. Het eerste blad ontstaat dus altijd in het eerste kwadrant. Alsof de wijzers van een klok teruggaan naar twaalf uur zo­dra het kwart over twaalf is. Dus weer een stijgende beweging gevolgd door een dalende (maar dan horizontaal). Het keurig doordraaien zou een norma­le groeibeweging zijn, dus iets wat uit de (ritmische) stofwisselingsprocessen voortkomt en wat stapsgewijs verder gaat. Dat heen en weer springen moet een andere oorsprong hebben: dat is geen opeenvolgende beweging, maar een beweging in de ruimte. Hier wordt de groeibeweging overstegen door een vormbeweging.
Iets soortgelijks zien we bij de bloemen. De hoofdbloem, die bloeit aan het hoogste punt van de stengel, staat in het midden. De andere bloemen vormen daaromheen een kruis. Ook hier doet zich een merkwaardig verschijnsel voor. Meestal vindt de bloemgroei plaats in één doorgaande beweging en in één richting. Eerst groeit de stengel, dan wordt de knop aangelegd en vervolgens opent zich de bloem. Ondertussen is de bloem erboven aan dit proces begon­nen. Arnica verandert hierbij echter van richting: bloemstengel en knop ontstaan van beneden aan de stengel naar boven, het bloeien gaat van boven naar bene­den (dus de hoofdbloem, die als laatste ontstaat, bloeit als eerste). Daarnaast groeit elke stengel zo lang door, dat alle bloemen op dezelfde hoogte terecht ko­men. Dus ook hier krijgt de normale groeibeweging (elke bloem een even lange steel) een extra impuls door een vormbeweging.

De vraag is nu: hoe vertaal je dat naar de mens? De volgende stap is de biolo­gische en medische gegevens op elkaar leggen, en een brug slaan van plant naar mens. Vind je dezelfde of juist complementaire bewegingen bij de plant vergeleken met het ziektebeeld? Uit de vergelijking moet enerzijds blij­ken dat datgene waarvoor arnica nu ge­bruikt wordt wetenschappelijk verklaar­baar, logisch te volgen is. Anderzijds kunnen hierdoor nieuwe toepassingen gevonden worden. Hierna zou dan een toetsend onderzoek met arnica in gepotentieerde vorm kunnen volgen. Wij zullen u via Weleda Berichten op de hoogte gehouden van de resultaten.

*Fenomenologische waarnemingen: dat wat je zintuiglijk waar kunt nemen zonder instrumenten te gebruiken waarmee de levende samenhang van de plant verstoord wordt.
**Aanwijzingen die Rudolf Steiner geeft over de toepassing van arnica zijn, zéér beknopt, samengevat:
inwendige beschadigingen door uitwendige kwetsing (bijv. spierpijn, kneuzing): uitwendige toepassing in geconcentreerde vorm.
gewrichtsaandoeningen, ook door een kwetsing of schok, maar dan niet van het lichaam, maar van de ziel. Het betreft hier mensen die in hun jeugd psychische letsels te verwerken kregen en daar jaren later met mis­vormende gewrichtsaandoeningen op reageren (bijv. artritis): inwendige toepassing in lage potentiëring, oraal.
ziekten van spier- en zenuwstelsel
waarbij de oorzaak nog moeilijker is terug te vinden en waarbij het vaak gaat om aangeboren afwijkingen (de oorzaak ligt in dat wezensdeel van de mens dat reeds voorgeboortelijk bestaat), vaak ernstige ongeneeslijke ziekten waarbij verlammingen optre­den (bijv. ms (multiple sclerose), me (myalgische encephalomyelitis), dia­betes): inwendige toepassing in hoge potentiëring, per injectie.

(Gloria Verhage, Weledaberichten nr.165, Pasen 1995)

Comments