Angelica archangelica / Aartsengelwortel

ANGELICA ARCHANGELICA L. Aartsengelwortel
Monografie zoals besproken in de herboristen opleiding 'Dodonaeus' vlaamseherboristen@gmail.com, maurice godefridi(1) Herboristen Opleiding 'Dodonaeus'

Familie: Umbelliferae / Apiaceae - Schermbloemigen
Naam: Angélique (F.), Angelica (E.), Engelwürz (D.), Theriakwürz (D.)
Etymologie: Latijn 'angelus' = engel; door een engel (aartsengel Raephaël) aan de lijdende mensheid gegeven.
Soorten: 
  • A. sylvestris L. - Gewone engelwortel,
  • A. archangelica cv. sativa (MILL.) RIKLI,
  • A. atropurpurea (Amerika)
Teelt, ecologie: 2 tot 3-jarige plant, groeiend op vochtige plaatsen, vermeerderen door zaaien.

MATERIA MEDICA, GEBRUIKTE DELEN VAN DE PLANT
Angelicae radix, De wortel van A. archangelica L.

Oogst: De wortelstok en de wortel van meestal gecultiveerde 2-jarige planten, geoogst in de herfst, gewassen en meestal overlangs gesneden.
Bewaren: Oppassen voor insecten (Anobium kever) en vocht (hygroscopisch).
Beschrijving: Mengsels van wortels en bijwortels met bruinachtige kleur. De wortelstok is fijn geringd, bezet met resten van de wortelbladeren. De wortels zijn sterk gegroefd en meestal ± 7 mm dik, dikwijls overlangs gesneden.
Geur: kruidig, iets naar muskus ruikend.
Smaak: eerst kruidig, daarna wrang en bijtend.
Vervalsingen: Met Angelica sylvestris (minder aroma) en verwisseling met andere schermbloemigen zoals Levisticum en Heracleum.

Angelicae aetheroleum, De vluchtige olie gewonnen door waterdampdistillatie.
Beschrijving: S.g.: 0,850-0,920 g/cm³
Kleurloos, oudere olie wordt eerst geel, daarna bruinachtig onder invloed van licht en lucht

Angelicae fructus De rijpe vruchten (zaden) van A. archangelica.
Angelicae stipites De stengels als gekonfijt voedsel.

SAMENSTELLING, INHOUDSTOFFEN
** Etherische olie met terpenen o.a.: alfa- en beta-fellandreen, alfa-pineen1; zuren o.a.: angelica- en valeriaanzuur
** Bitterstoffen
* Furanocumarinen o.a. bergapteen2 (fotosensibiliserend)
* Looistoffen
* Vitamine C. (blad ± 50 mg, stelen ± 10 mg)

FARMACOLOGIE, ALGEMENE FARMACOLOGISCHE WERKING
** Aperitivum en digestivum
* Tonicum amarum
** Carminativum (vooral fructus)
* Licht kalmerend met krampstillende werking
* Hoestsedativum.
* Remmende (inhiberende) werking op bijnieren (Valnet, Durrafourd, Lapraz)
* Oestrogeenachtige werking (Fauron / Moatti)

- Relatie met Acorus calamus en carminativa: Anisum, Foeniculum, Carvi
- Furano-cumarinen kunnen foto-dermatosen veroorzaken. Het inwendig gebruik van het kruid is echter zonder risico o.a. omdat deze cumarinen weinig in water oplosbaar zijn. (literatuur 3 en 4).

MEDISCH GEBRUIK / INDICATIE

MAAG-DARM
** Maagatonie, maagzwakte, anorexia.
R./ 
Angelica Ø
Pimpinella anisum Ø
Trigonella foenum graecum Ø
Ber.: gelijke delen
Dos.: 10 tot 70 dr. 3 x daags

* Aerofagie, gasvorming
* Braakneiging, misselijkheid Zie ook Mentha
* Gastritis, Ulcus ventriculi Zie o.a. ook Calendula, Matricaria, koolsap

ZENUWSTELSEL
* Neuro-vegetatieve dystonie, angsten (e.o. radix)
** Migraine (pijnstillend, spijsvertering) 
R./ 
Angelica Ø
Melissa Ø
Passiflora Ø
Ber.: gelijke delen
Dos.: 50 dr. 3 x daags

HORMONAAL
* Amenorroe, wegblijvende menstruatie * Dysmenorroe
R./ 
Leonurus Ø 30 ml
AngelicaØ 95 ml
Dos.: 70 dr. 2 x d.

* Acné hormonaal, vooral hypofolliculinie
* Haaruitval met hormonale oorzaak 
R./ 
Salvia e.o. 1 g (20 dr)
Cypres e.o. 2 g (40 dr)
Humulus Ø 30 ml
Angelica Ø 95 ml
Dos.: 70 dr. 2 x daags

UITWENDIG
* Kneuzingen, blauwe plekken (?) Vers gekneusd blad als kompres

RECEPTUUR EN BEREIDINGSWIJZEN
Infuus: Radix 30 g/1 l.
Fructus conc. (gekneusd zaad, vrucht) tot 30 g/1 l.
Dosering: Een volle eetlepel (2-4 g) per kopje (ca. 150 ml)
Vinum: 50 g radix + folium recentes 1 l rode wijn Ber.: 3 dagen mac. Dos.: 2 likeurglazen daags
Likeur: 40 g stengels (vers) + snuifje nootmuskaat + snuifje kaneel + 1 l alc. 70% Ber.: mac. + siroop 1 l water + 500g suiker
Tinctuur: 100 g rad. rec. Ber.: mac. in alc. ged. 4 d., uitpersen Alcohol 40 % 1 l en nog 4 dagen laten staan.

Species: 
R./ 
Angelicae rad. 20
Calami rhiz. 20
Melissae fol. 10     Ber.: inf. 15'.
Fragariae fol. 10     Ind.: maagklachten van nerveuze aard.

Engelwortellikeur met jonge bladstelen
  • 100 g jonge engelwortelstengels
  • 2 kaneelstokken 
  • 2 kruidnagels 
  • 1 l brandewijn min. 40° 
Doe alles samen in een bokaal of fles en laat 4 tot 6 weken trekken. 
Maak na die zes weken een siroop van 0,5 l water en 0,5 kg suiker Laat koken tot een lichte siroop. Laat afkoelen. Filter de engelwortel-brandewijn en doe er de suikersiroop bij. 

Engelwortellikeur met zaden
  • 50 g engelwortelzaadjes 
  • 5 g anijszaden 
  • 5 g venkelzaden 
  • 5 g koriander zaad 
  • 250 cl alcohol van 90 graden 
  • 1,5 l water 
  • 500 g suiker 
Kneus de zaden, giet de alcohol er over en laat 14 dagen trekken. 
Kook het water met de suiker  tot siroop. 
Filter de alcohol en doe die bij de koude siroop. 
Vul af in kleine flesjes

Confiture d'angélique
Une recette provenant de l'ouvrage "Desserts, Entremets et Goûtés" de Reine Chezelle datant de 1946. Ce livre appartenait à la maman d'un de nos confrères Fin Goustier. Il s'agit de la recette de la confiture d'angélique.
Celle-ci se fait avec des tiges très jeunes (car ensuite elles deviennet dures et filandreuses et il faut les peler pour les utiliser ce qui est fastidieux). Une fois coupées en petits tronçons on les met dans l'eau bouillante jusqu'à ce qu'elles soient bien molles puis on les refroidit dans de l'eau froide où on les laisse reposer 6 heures durant (le temps de refroidissement donné dans cet ouvrage peut sans problème être raccourci à une demie-heure). Suivant la recette ci-contre il faut faire un sirop de sucre au petit boulé (environ 115°, ou quand une boule de sirop plongée dans l'eau forme une boule malléable), mette l'angélique et faire monter au grand boulé (125° à 130°). Mais pour plus de simplicité on peut se contenter d'ajouter 700 g de sucre pour 1 kg de tronçons d'angélique ainsi que des zestes de citron et des petits morceaux de pomme (ou un peu de pectine) et faire cuire comme n'importe quelle confiture jusqu'à ce que la consistance soit satisfaisante pour la mettre en pot.

GESCHIEDENIS EN WETENSCHAPPELIJK ONDERZOEK
- Werd vroeger in de Scandinavische landen vooral gebruikt tegen scheurbuik.
- Paracelsus: Introductie als antipestmiddel. Milaan - 1510.
- Hondius: leerdicht.
Als de peste door het landt
Henen loopt en Godes handt
Op der aerden is verheven;
Doe elck een saetgen geven
Dach voor dach om op te vasten
Van d'oprechte Angelica.
- Fuchs - 1543: "... heilichgeestwortel tegen pest".
- Kloosters: Panacée in wijn 'Radix Sancti Spiritus'.
- College of Physicians - 1665: Angelicawater tegen pest met nootmuskaat.
- Eind 17de eeuw: Nog weinig gebruikt, alleen tegen 'vuile winden'.
- N. Lémery - 1698: Traité des Drogues simples. Hart- en maagversterkend, tegen hoofdpijn, transpiratiebevorderend, depurativum en toniserend.
- Valnet: Annibal Camoux stierf in 1759, leeftijd 120 jaar, kauwde elke dag op Engelwortel.
- Britisch Pharmaceutical Codex - 1934: Zaden verwerkt in Warburg's Tincture tegen krampen.
- Vroeger in zeer veel preparaten, vooral likeuren, o.a. Chartreuse, Benedictine, Eau de Mélisse, Elixir van Matthiolis, Crollius, enz..

Oudere referenties
1. Héthelyi e.a.: Herb. Hung. 24/149-185.
2. Dr. C. André en Prof. Dr. A. Vercruysse: Plantaardige geneesmiddelen in de gezondheidszorg.
Redactie dr. R.P. Labadie, hfdst. 8: Gaschromatografische analyse van de coumarinederivaten.
3. O. Schimmer e.a.: Planta Med. 40/68 - 1980.
4. O. Schimmer e.a.: Planta Med. 47/79 - 1983.

Z Naturforsch C. 2004 Jul-Aug;59(7-8):523-7.Antiproliferative effect of Angelica archangelica fruits.Sigurdsson S1, Ogmundsdottir HM, Gudbjarnason S.
The aim of this work was to study the antiproliferative effect of a tincture from fruits of Angelica archangelica and the active components using the human pancreas cancer cell line PANC-1 as a model. Significant dose-dependent antiproliferative activity was observed in the tincture with an EC50 value of 28.6 microg/ml. Strong antiproliferative activity resulted from the two most abundant furanocoumarins in the tincture, imperatorin and xanthotoxin. The contribution of terpenes to this activity was insignificant. Imperatorin and xanthotoxin proved to be highly antiproliferative, with EC50 values of 2.7 microg/ml and 3.7 microg/ml, respectively, equivalent to 10 and 17 microM. The results indicate that furanocoumarins account for most of the antiproliferative activity of the tincture.

In Vivo. 2005 Jan-Feb;19(1):191-4.Antitumour activity of Angelica archangelica leaf extract.Sigurdsson S1, Ogmundsdottir HM, Hallgrimsson J, Gudbjarnason S.
The purpose of this study was to examine the effect of a leaf extract from A. archangelica on the growth of Crl mouse breast cancer cells in vitro and in vivo.

MATERIALS AND METHODS:
The antiproliferative activity of the extract was measured by 3H-thymidine uptake in the Crl cells in vitro. Twenty mice were injected with the Crl cells, and 11 of them were fed A. archangelica leaf extract, and the progress of the tumours was followed.

RESULTS:
The leaf extract was mildly antiproliferative on the Crl cells with an EC50 of 87.6 microg/ml The antitumour activity of the extract was expressed in the mice by marked reduction in tumour growth. In the experimental animals, 9 out of 11 mice developed no or very small tumours, whereas control animals, not receiving the extract, developed significantly larger tumours (p<0.01), as estimated by Mann-Whitney U-test. The antitumour activity of the leaf extract could not be explained by the antiproliferative activity of furanocoumarins present in the extract.

CONCLUSION:
The results demonstrate the antiproliferative activity in vitro and antitumour activity in vivo of a leaf extract from A. archangelica



Angelica monograph
Scientific Name(s): Angelica archangelica L., synonymous with Archangelica officinalisHoffm. Family: Apiaceae (carrots)
Common Name(s): European angelica , Echt engelwurz (German)


Often used as a flavoring or scent, angelica has been used medicinally to stimulate gastric secretion, treat flatulence, and topically treat rheumatic and skin disorders; however, there is little documentation to support these uses.

Botany
Angelica is a widely cultivated, aromatic biennial, northern European herb with fleshy, spindle-shaped roots, an erect stalk, and many greenish-yellow flowers arranged in an umbel. The seeds are oblong and off-white. It is similar to and sometimes confused with the extremely toxic water hemlock, Cicuta maculata .
There are several recognized varieties of A. archangelica , wild and cultivated. In the US, A. atropurpurea L. often is cultivated in place of the European species.

History
Angelica has been cultivated as a medicinal and flavoring plant in Scandinavian countries since the 12th century and in England since the 16th century. The roots and seeds are used to distill about 1% of a volatile oil used in perfumery and as a flavoring for gin and other alcoholic beverages. The candied leaves and stems are used to decorate cakes. The oil has been used medicinally to stimulate gastric secretion, treat flatulence, and topically treat rheumatic and skin disorders.

Chemistry
The volatile oil contains many monoterpenes; β-phellandrene is the principal component of var. angelica , while sabinene is the most abundant monoterpene of var. sativa . 1 Sesquiterpenes also are numerous in the oil; α-copaene and other tricyclic sesquiterpenes are characteristic constituents. 2 Supercritical fluid extraction has been studied as an alternative method of extracting angelica volatiles. 3 The shelf life of the root is limited because of the loss of the volatile oil while in storage.
The small organic acid, angelic acid, was the first compound purified from the root in 1842. 4 15-pentadecanolide ( Exaltolide ) is a fatty acid lactone constituent of the root with a musk-like odor, used as a fixative in perfumes. 5
As with most of the many species of angelica, A. archangelica contains a wide variety of coumarins and their glycosides. The angular furanocoumarins, archangelicin 6 and angelicin, 7and congeners 8 are present in the roots, and many glycosides and esters of linear furanocoumarins also have been reported.
A trisaccharide, umbelliferose, originally was isolated from angelica roots. 9

Uses and Pharmacology
Angelica has been used medicinally to stimulate gastric secretion, treat flatulence, and topically treat rheumatic and skin disorders.Sedation
Angelic acid was formerly used as a sedative. The angular furanocoumarin angelicin also has been reported to have sedative properties, although recent experimental evidence of this is limited. The carminative action of the volatile oil is because of an unremarkable monoterpene content.

Animal data
Research reveals no animal data regarding the use of angelica for sedation.Clinical data
Research reveals no clinical data regarding the use of angelica for sedation.Other uses
Angelica root oil was preferentially relaxant on tracheal smooth muscle preparations compared with ileal muscle. 10 The oil had no effect on skeletal muscle in a second study. 11 The calcium-blocking activity of angelica root has been examined relative to solvent used in extraction, and furanocoumarins were identified as the likely active species. 12 The root oil has been found to have antifungal and antibacterial activity. 13

Dosage
Angelica root typically is given at doses of 3 to 6 g/day of the crude root. 14

Pregnancy/Lactation
Documented adverse effects. Emmenagogue effects. Avoid use. 15

Interactions
Theoretically, there is a possible increased risk of bleeding when using angelica root concurrently with warfarin. The additive or synergistic effects of coumarin or coumarin derivatives possibly may be present in angelica root. 16 , 17 Because warfarin has a narrow therapeutic index, it would be prudent to avoid concurrent use.

Adverse Reactions
The linear furanocoumarins are well-known dermal photosensitizers, while the angular furanocoumarins are less toxic. 18 The presence of linear furanocoumarins in the root indicates that the plant parts should be used with caution if exposure to sunlight is expected. The coumarins are not important constituents of the oil, which, therefore, gives the oil a greater margin of safety in that respect.

Toxicology
Poisoning has been recorded with high doses of angelica oils.

Bibliography
1. Kerrola K, et al. Characterization of volatile composition and odor of Angelica ( Angelica archangelica subsp. archangelica L.) root extracts. J Agric Food Chem . 1994;42:1979-1985.
2. Jacobson M, et al. Optical isomers of α-copaene derived from several plant sources. J Agric Food Chem . 1987;35:798-800.
3. Kerrola K, et al. Extraction of volatile compounds of Angelica ( Angelica archangelica L.) root by liquid carbon dioxide. J Agric Food Chem . 1994;42:2235-2245.
4. Buchner L. Justus Liebigs Ann Chem . 1842;42:226.
5. Stanchev S, et al. A short synthesis of 15-pentadecanolide. Tetrahedron Lett . 1993;34:6107-6108.
6. Nielsen B, et al. The structure of archangelicin, a coumarin from Angelica archangelica L. subsp. litoralis Thell. Acta Chem Scand . 1964;18:932-936.
7. Corcilius F. Isolation of a new coumarin. Arch Pharm 1956;289:81-86.
8. Härmälä P, et al. A furanocoumarin from Angelica archangelica . Planta Med . 1992;58:287-289.
9. Wikström A, et al. La structure d'un isomère du raffinose isolé des racines de l' Angélica archangélica L. subsp. norvégica (Rupr.) Nordh. Acta Chem Scand . 1956;10:1199-1207.
10. Reiter M, et al. Relaxant effects on tracheal and ileal smooth muscles of the guinea pig. Arzneimittelforschung . 1985;35:408-414.
11. Lis-Balchin M, et al. A preliminary study of the effect of essential oils on skeletal and smooth muscle in vitro. J Ethnopharmacol . 1997;58:183-187.
12. Härmälä P, et al. Choice of solvent in the extraction of Angelica archangelica roots with reference to calcium blocking activity. Planta Med . 1992;58:176-182.
13. Opdyke D. Angelica root oil. Food Cosmet Toxicol . 1975;13:713.
14. Blumenthal M, Brinckmann J, Goldberg A, eds. Herbal Medicine: Expanded Commission E Monographs . Newton, MA: Integrative Medicine Communications; 2000.
15. Ernst E. Herbal medicinal products during pregnancy: are they safe? BJOG . 2002;109:227-235.
16. Miller L. Herbal medicinals: selected clinical considerations focusing on known or potential drug-herb interactions. Arch Intern Med . 1998;158:2200-2211.
17. Heck A. Potential interactions between alternative therapies and warfarin. Am J Health Syst Pharm . 2000;57:1221-1227.
18. Ceska O, et al. Naturally occurring crystals of photocarcinogenic furocoumarins on the surface of parsnip roots sold as food. Experientia . 1986;42:1302-1304.



Link references


Scientific name: Angelica sylvestris
Family: Apiaceae
All the plants growing in the garden and in the wild have a story to tell. The more we learn about a plant’s story, the more we understand about its usefulness.

The popular group called ‘angelica’ is named after the Greek angelos, which means ‘a messenger’.
In Christian myth, angelica revealed itself as a cure to the plague in an archangel’s dream, and for centuries it was placed above all other healing herbs. The English herbalist and botanist John Parkinson (1567–1650), in his work Paradisi in Sole Paradisus Terrestris (Park-in-Sun’s Terrestrial Paradise, 1629) wrote: “it is so goode an herbe that there is no part thereof but is of much use.”

There are around thirty species of angelica, but it is garden angelica (Angelica archangelica) that is most mentioned in old and new herbal texts.

The wild angelica (Angelica sylvestris) with its tall, furrowed purplish stalks and delicate umbels of flowers that, as Geoffrey Grigson says, “seem to have been dipped in claret”, is an almost forgotten plant.
Its species name Sylvestris means “wild, of or from woods or forests”, yet it is angelic by association to A. archangelica and has acquired many archangel names through time.

Wild angelica (A. sylvestris) is a native British species, but by the days of the great herbalists, such as Parkinson, Gerard, and Culpeper, the species known as garden angelica (A. archangelica) had made its way across Europe (originating from Syria according to some authorities) to cooler, northern climates as far as Lapland and Iceland.

How to Use Wild Angelica
The leaf stalks have traditionally been blanched and eaten as a celery substitute. Goes well combined with rhubarb in various deserts, jams and sauces.
The leaves are aromatic and have a mild liquorice flavour which goes well in salads. Great with poultry or fish.
Bygone cookbooks often had recipes for candied Angelica flower stems and leafstalks, which where used in confectionary, cakes and pastries.
The young flower heads while still enclosed in their sheaths can be eaten in salads, omelettes or grilled and served with oil and vinegar.
The roots and seeds are used to make an essential oil to flavour ice cream, cordials, sweets and various bakery products.
Used in alcoholic beverages such as gin, vodka, Tatra, Liqueur d’Angelique, vermouth, Chartreuse, Benedictine Liqueur etc.

The dried leaves where once used in the preparation of hop bitters.
All parts of the plant can be brewed into a tea.



Angelica sylvestris, L. (uit het bos) de engelwortel (wordt ook wel verward met de berenklauw) is een water minnende tweejarige. Dat betekent dus dat het kruid het eerste jaar stengelloos is en een bladrozet met meterslange bladeren vormt die drievoudig geveerd zijn. Het tweede jaar ontstaat er een dikke, gegroefde en holle stengel met aan de top kogelronde schermen die eerst roze zijn en later wit verkleuren in juli, bloeit vrijwel de hele zomer tot in de herfst.
Kan een meter hoog worden of meer.
De stengel is roodachtig en bedekt met een wit dons wat er met de vinger gemakkelijk afgewreven kan worden.
De plant wordt 3‑4 jaren oud.
Een geurende plant, maar minder dan de archangelica.
Groeit op vochtige plaatsen, weiden, beken en oevers.
 
Naam.
(Dodonaeus) (a) ‘De kleine of tweede soort heet in het Latijn Angelica minor of Angelica silvestris, dat is kleine Angelica of wilde Angelica, hoewel ze niet wilder is dan de grote. Dan of deze soort van Angelica hetzelfde gewas is dat van Theophrastus Magudaris in het Grieks genoemd wordt en in het Latijn ook met dezelfde naam bekend is, te weten de tweede soort van Laserpitium, dat laten we iedereen noch wat overwegen en naarstig onderzoeken. Deze wilde Anglica wordt van Camerarius Angelica silvestris montana of berg Angelica genoemd tot onderscheidt van de andere wilde Angelica die in de hoven al te veel groeit en de andere kruiden aldaar verdrukt en van die Strentzel of Giersick in het Hoogduits genoemd wordt’.

(b) In de middeleeuwen heette het ook Fistula pastoris. Van de holle stengels werden wel fluiten gemaakt door de herders, Duitse Hirtenpfiff, Engels ait-skeiter: haverschieter, kinderen schoten haver door de holle stengels, Bachrorhr, Bangele, Buchel, Moosror, Pfissenroghr, Spickror, Sprussenrohr, Streurohr, Wasser-Pfiffen, Ziegarohrl  en Ziger-Chrut.

(c) Engelse ground ash, de esachtige bladeren en wild angelica. Duits Krodeln, Wielehuolern, Lauskraut, Anejelken; uit Angelica,  Erdholla; aardvlier, Hanala (huhnlein) Gugali. Wald-Engelwurz.

Cracht ende werckinghe vlgs Dodonaeus 1544

A   Tsaet van Angelica gedroncken iaecht af duer den Camerganck die coude taye fluymen ende es mits dyen seer goet den ghenen die cort van adem ende van borsten sijn/ ende die eenighe vallende sieckte hebben/ ende dijsghelijck den vrouwen die van dopclimmen van der moeder sieck sijn.

B   Tselve saet es oock goet tseghen die weeckicheyt ende alle vercoutheyt ende verstoptheyt van der lever ende tseghen die verouderde geelsucht. Tot den selven ghebreken dienen oock die wortelen seer wel.

C   Tsaet gheroken maeckt die slaperachtighe menschen wacker/ ende met olie vermengt eest seer goet tseghen die pijne ende groote rasernie in thooft/ daer op ghestreken.

D   Tselve saet van Angelica met Ruyte ghewreven beneempt dat voortsgaen van den quaden voorts etende sweeringhen.

E   Die wortel van Angelica schoon ghescrabt ende in die fistulen ghesteken verteert ende neempt af die herde canten van der selver.

F   Tsap dat uut den groenen bloemen gheperst es/ es seer goet in die draghende oft sweerende ooren ghedaen.

G   Van den Angelica scrijftmen oock nu ter tijt/ dat die wortelen seer goet sijn tseghen alle vergiftheyt pestilentien ende quade fenijnnighe oft stinckende lochten/ in der naer volghende maniere ghebruyckt.

H   Als yemant teghenwoordich die haestighe sieckte heeft oft vergheven es/ zoo salmen terstont van dese wortel ghepoedert een vierendeel loots tswinters met wijn ende tzoomers met water van Roosen drincken ende daer mede wel ghedeckt ligghen tot datmen wel ghesweet heeft.

I   Dese selve wortel nuchter inghenomen oft alleen in den mont ghehouwen bewaert oock ende bescermt den mensche van der haestighe sieckte/ van alle quade lochten ende fenijn.

K   Oock scrijft men den Angelica toe dat die bladeren daer af met Ruyte ende huenich vermenght seer goet gheleyt sijn op die beten van verwoede honden/ ende van slanghen ende nateren/ alsmen terstont daer datmen ghebeten es wijn drinckt daer die wortelen oft bladeren van Angelica in ghesoden sijn.

 
Comments