Inhoudsstoffen‎ > ‎

Looistoffen / Tanninen

Er zijn twee groepen looistoffen, de in water oplosbare en de vaste looistoffen. De eerste zijn derivaten van enkelvoudige fenolische zuren zoals galzuren of ellagzuur, wanneer ze verhit worden in zuur dan geven ze pyrogallol vrij , een antiseptische substantie die ook giftig is voor de lever. In water oplosbare looistoffen worden bruin als ze aan de lucht worden blootgesteld, en zijn ook verantwoordelijk voor de bruine kleur van veel tincturen.

Vaste looistoffen zijn meer resistent tegen het splitsen van de moleculen en laten zich daardoor ook minder makkelijk analyseren, ze zijn verwant aan flavonoïden. Wanneer ze worden verhit in zuur dan hebben ze de neiging rode kleurstoffen te vormen die ook wel phlobaphenen worden genoemd (dit zijn de roodachtige afzettingen die zich in sommige tincturen vormen, de aanwezigheid van deze stof is een aanwijzing voor een hoge concentratie van vaste looistoffen in een plant, bijvoorbeeld de wortels van de tormentil en de adderwortel. Na verhitting blijft de stof catechol over. Vaste looistoffen hebben geen nadelig effect op de lever en verdienen dus de voorkeur.

Waarschijnlijk zijn looistoffen het tweede verdedigingsmechanisme geweest dat planten ontwikkelden om te overleven op het land. Net als flavonoïden zijn looistoffen oplosbaar in water en bevinden zich in de vacuole van levende cellen. Ze zijn geel of bruin van kleur en komen vooral voor in de bast van bomen. Coniferen, eiken, thee hebben een hoog gehalte aan looistoffen

Mensen maken al duizenden jaren gebruik van looistoffen om dierenhuiden in leer te veranderen, dit is te danken aan de samentrekkende werking van looistoffen, deze ‘adstringerende’ werking is ook merkbaar als men een kruid met veel looistoffen proeft, de mond trekt samen.

Looistoffen hebben een aantal eigenschappen gemeen:
  • ze zijn oplosbaar in water en/of alcohol
  • ze breken proteïnen af, vooral prolinerijke proteïnen zoals gelatine, polysacchariden, sommige alkaloïden en enkele glycosiden (therapeutisch zijn ze dan ook wel ingezet om bepaalde vergiftigingen met alkaloïden tegen te gaan)
  • veel looistoffen worden niet geabsorbeerd door de ingewanden, maar een belangrijk deel bereikt toch de lichaamsvloeistoffen als oplosbaar tannine en worden door de nieren ook uitgescheiden als deze stof.
  • verminderen de afscheiding van klieren
  • verminderen de gevoeligheid (pijnstillend)
  • zijn ontstekingsremmend
  • opdrogend effect bij wonden
  • werken als een lokale verdoving
  • antibiotisch
  • zijn bloedstelpend


Gebruik van tanninen bij brandwonden
Het gebruik van tanninen bij de behandeling van tweede- en derdegraads brandwonden werd als eerst beschreven door Davidson in 1925.9 Er werd vermindering van pijn en infectierisico, verbetering van de wondgenezing en verlaging van de mortaliteit geconstateerd. In het begin van de jaren 40 raakte het gebruik van tanninen in opspraak door publicaties over een vermeend hepatotoxisch effect. Zowel in patiënten als in proefdieren werden morfologische veranderingen van de lever gerapporteerd, variërend van oedemateuze zwelling en vetophoping tot cellulaire necrose van grote delen van de centrale zones rond de leveraders. De behandeling van brandwonden met tanninen werd gestaakt. 

Als er nu kritisch naar die studies gekeken wordt, kan er worden geconstateerd dat levernecrose niet uitsluitend is gerelateerd aan behandeling met tanninen, maar dat deze effecten ook optreden bij patiënten die op een andere manier behandeld worden. In de brandwond zelf komen toxinen vrij die slecht zijn voor de lever. Door verbeterde isolatietechnieken is de zuiverheid van tanninen sterk gestegen. Rond 1940 was de zuiverheid nog 35%, voor 1985 60% en sinds 1988 is de zuiverheid minimaal 98%.10 De dosering is verlaagd en de manier van toediening is veranderd, waardoor de tanninen nu minder snel in de lever terechtkomen.

In 1982 werd het gebruik van tanninen opnieuw geintroduceerd door de Duitser Hettich. Een brandwond bleek goed te reageren op een mengsel van mercurochroom of povidonjood, tanninen en zilvernitraat. Dit had als voordeel dat chirurgische ingrepen aan het verbrande oppervlak uitgesteld konden worden en uitgevoerd wanneer de patiënt van de eerste gevolgen van het trauma hersteld was. Daarnaast werd er bij tweede graads brandwonden een nieuwe epitheellaag gevormd, zodat er minder huidtransplantatie nodig was en het nieuwe epitheel zonodig weer gebruikt kon worden als huidtransplantatiemateriaal voor grote stukken derde graadsverbrandingen
Dierexperimenteel onderzoek bij Yorkshire varkens toonde aan dat brandwonden behandeld met tanninen een soepele, duurzame korst induceerden, zonder het verstoren van de normale groei van het epitheel.

Microscopisch onderzoek toonde aan dat met tanninen behandelde brandwonden minder tekenen van ontsteking gaven. Verder onderzoek toonde aan dat bij tanninen in combinatie met zilversulfadiazine of andere klinisch toegepaste antimicrobiële middelen dezelfde heilzame effecten optraden.
De positieve effecten van tanninen bij dierproeven werden bevestigd in klinische trial met patiënten. Behandeling van brandwonden met tanninen leidde tot verbeterde korstvorming, weinig granulatieweefsel en ontsteking van het wondbed, verminderde excudatie van wondvocht, versoepeling van het litteken weefsel en verminderde hypertrofie. Uit eerdere onderzoeken blijkt dat de werkzaamheid van tanninen is toe te schrijven aan de eiwitbindende en immuunmodulerende capaciteit. Het eiwitbindende vermogen van tanninen zorgt voor hechting aan collageen, hierdoor treedt er een versnelde korstvorming, verminderde uitscheiding van wondvocht en verbeterde wondgenezing op. De immuunmodulerende activiteit wordt verantwoordelijk gehouden voor betere wondgenezing en verminderde littekenvorming.



Tannins are polyphenols that are obtained from various parts of different plants belonging to multiple species. Deriving it name from the technical word ‘tanning’ that meant converting animal hides to leather through chemical processes; tannin is basically used for this function. It is found in abundance in the tree bark, wood, fruit, fruitpod, leaves, and roots and also in plant gall. Since earlier times, people obtained tannin for tanning from plants like wattle (Acacia sp.), oak (Quercus sp.), eucalyptus (Eucalyptus sp.), birch (Betula sp.), willow (Salix caprea), pine (Pinus sp.), quebracho (Scinopsis balansae).

Tannins are found as shapeless yellowish or light brown masses like powder, flakes or sponge. Interestingly, tannins are found almost in all plants and in all climates all over the world. Although algae, fungi and mosses do not contain much tannin. The percentage of tannins present in the plants, however, varies. While they are present in significant proportions in some plants, many others have too little of them. Tannins are usually found in large quantities in the bark of trees where they act as a barrier for micro-organisms like bacteria and fungi and protect the tree. Apart from tanning, tannins are also used in dyeing, photography, refining beer and wine as well as an astringent in medicines. Significantly, tannins form a vital element of tea!

Tannins can be classified into two broad groups - hydrolysable tannins and condensed tannins.
Hydrolysable tannins are basically derived from simple phenolic acids like gallic acid or ellagic acid and when heated they give away pyrogallol. Pyrogallol is also known as hepatotoxic and has antiseptic as well as caustic properties. Owing to the hepatotoxic property, plants that have a concentration of tannins are not appropriate for application on open wounds. When out in the open air hydrolysable tannins normally change to a brownish color and are accountable for the brown color of many plant dyes.

On the other hand, condensed tannins, also known as non-hydrolysable tannins, do not split easily and hence it is difficult to analyze these. Condensed tannins are basically flavonoid dyes formed through bio-synthesis of flavins and catechins. When these non-hydrolysable tannins are heated up in acids they synthesize to yield a red insoluble substance known as tannin reds or phlobaphenes. Phlobaphenes are flushed precipitates found in some plants that have reddish tints and this is an indication that these plants have rich concentration of condensed tannins. When condensed tannins are heated, catechol emerges as the final product. Unlike hydrolysable tannins, condensed tannins do not possess any trace of hepatotoxicity or any adverse side effects and hence are favorable for use.

In addition to hydrolysable and condensed tannins, other examples of polyphenols include arbutin derived from uva ursi (Arctostaphylos uva-ursi), rugosin-D obtained from meadowsweet (Filipendula ulmaria) and sanguin H-6 from raspberry leaves (Rubus idaeus).

Interestingly, all tannins have several common properties amongst them. While the tannins are soluble in water and alcohol, they do not dissolve in organic solutions. Again, when reacted with nitrogenous bases, polysaccharides, some alkaloids, few glycosides and proteins all tannins form precipitates. Medically, tannins are used as antidotes to poisoning by alkaloids depending on their capacity to form insoluble tannates. However, only dilute solutions of tannins are applied for this work. Finally, almost all tannins consumed remain exuded during the digestive process, and different quantities of it enter the body fluids and are emitted by the kidney.

The above-mentioned properties of tannins should always be kept in mind while applying extracts from tannin-rich plants for medicinal purpose. Tannin is basically an astringent that means that it tauten the pores and pulls out liquids from plants. In plants, tannins are large astringents molecules that easily attaches with proteins. To find the truth about these properties of tannins you may try a few small experiments. If you put tannin on your skin, you will witness it to shrink and if you apply if on your face you will notice wrinkles appearing. At the same time, tannins help to draw out all irritants from the skin. These properties impart medicinal qualities to tannin which is applied on the skin to pull out poisons from bee stings or poison oak bringing in instant relief.

The other remedial values of tannins include application on burns to heal the injury and on cuts to stop bleeding. Tannin’s ability to form a strong ‘leather’ resistance on the exposed tissues helps in protecting the wounds from being affected further. While it stops infection from above, internally tannin continues to heal the wound. In case of third degree burns using strong tannin sources will not only prevent septicemia, but also help to save life. This traditional method has been practiced by most medicos in all countries. On the other hand, when a tannin-rich solution is poured on the flesh, it generates a sealing 'eschar' that often helps in growing new skin albeit temporarily. This technique requires repeated washing of the wound with tannins and this helps to eliminate the bacteria too. Hence, tannins are also said to have antiseptic properties. Interestingly, this practice is still followed in the primary health care centers in China and is also recommended as a first-aid treatment at places where emergency medical services are still inadequate or faulty.

Tannins can also be effective in curbing hemorrhages as well as restrict bare swellings. While tannins are proved haemostatics, they are also beneficial when applied on mucosal coating in mouth. Hence, herbs possessing tannins are widely used as mouthwashes, eyewashes, snuff and even as vaginal douches and also treat rectal disorders.

Harvesting
While obtaining tannins, it is best to collect the tannin-rich tree barks in the spring for this is the time when the juices begin to come up in the trees and the leaves being to sprout. During this time, you need not work hard to peel off the bark; they will come out without much effort. Although people may use bark collected during any time of the year, during spring the concentration of tannin is maximum in the bark. The concentration of tannin is more in the inner bark (cambium layer) of the tree. In addition, an older tree has more tannin than a younger one and there is more tannin in the lower parts of the tree than the upper parts. Then there are again different timings for de-barking different trees for tannin. It is said that a fir tree can be de-barked for tannin only when it is 30 years old, while it is best to de-bark an oak tree between 15 and 30 years. However, there is difference of opinion in this regard, as many others are of the view that the best time to de-bark oak trees for tannin is between 30 and 35 years.



Gerbstoffe

Gerbstoffe sind Arzneimittel, die Eiweisse fällen und eine abdichtende und entzündungshemmende Wirkung aufweisen. Sie werden unter anderem bei Hauterkrankungen und bei Durchfall angewendet. Die meisten Gerbstoffe sind pflanzlichen Ursprungs.
synonym: Adstringentien, Adstringentia

Wirkungen
  • adstringierend: zusammenziehend, gerbend
  • abdichtend
  • entzündungshemmend
  • sekretionshemmend
  • peristaltikhemmend
  • antimikrobiell, antiviral
  • Plaquehemmend
  • antioxidativ
Indikationen
Innerlich:
Durchfall
Harnwegsinfekte

Äusserlich:
Entzündungen im Mund- und Rachenraum (z.B. Aphthen, Zahnfleischentzündung)
Entzündliche, nässende und juckende Hauterkrankungen verschiedener Ursache, z.B. Windeldermatitis, Intertrigo, kleine Verbrennungen, Juckreiz, speziell im Genito-Anal-Bereich
Kinderkrankheiten: Masern, Windpocken, Röteln
übermässiges Schwitzen

Wirkstoffe

1. Catechingerbstoffe
Catechingerbstoffe sind Oligomere Proanthocyanidine und Polymere Proanthocyanidine, d.h. Oligomere und Polymere der Catechine Catechin, Epicatechin und anderen Flavonoiden. Abbauprodukte sind die Gerbstoffrote (Phlobaphene).
DL-Catechin:

2. Hydrolysierbare Gerbstoffe (Gallotannine)
Ester der Gallussäure und Derivate mit Zuckern und -derivaten, z.B. Glucose. Beispiel: Hamamelitannin
Gallussäure:

3. Kaffeesäure- und Phloroglucinderivate
Derivate der Kaffeesäure und von Phloroglucin
z.B. die Labiatengerbstoffe, Rosmarinsäure

4. Weitere Gerbstoffe
Aluminiumionen /-salze: z.B. Alaun, Essig-weinsaure Tonerde-Lösung, Aluminiumchlorid, Aluminiumlaktat
Tannosynt®

Gerbstoffdrogen:
  • Brombeere
  • Cranberry
  • Eiche
  • Erdbeere
  • Hamamelis
  • Heidelbeere
  • Himbeere
  • Frauenmantelkraut
  • Grapefruit
  • Nussbaum
  • Pflanzengallen (Tannin)
  • Ratanhia
  • Rhabarber
  • Schwarze Johannisbeeren
  • Rotwein
  • Schwarztee
  • Tee
  • Tormentill
Kontraindikationen
äusserlich: z.T. hautreizend, deshalb keine Anwendung in den Augen
innerlich: gemäss Packungsbeilage
Schwangerschaft und Stillzeit: siehe Fachinformation

Unerwünschte Wirkungen
innerlich: Verstopfung
äusserlich: Hautreaktionen, Hautreizungen

Comments