Geschiedenis

(Kijk ook op dorpsachief)

De geschiedenis van Kloosterhaar hangt nauw samen met die van het naburige Sibculo, waar in 1406 een Cisterciënzer klooster gesticht werd. De gebieden Sibculo (Sebbekeloe) en Balderhaar (Berlehare) werden al in 1253 genoemd in het "Oorkondenboek van Utrecht".
Na een tijdje kregen de monniken de beschikking over de uithof Berlehare (1416) en de Striepe (1418), waar zij een kudde van 1000 schapen hielden. Het klooster Sibculo is een zeer belangrijk klooster geweest met vele bezittingen. Bij de Congregatie van Sibculo waren vele kloosters aangesloten. Rond 1580, tijdens de Reformatie, kwam er een eind aan het bestaan en op 11 maart 1604 besloot Ridderschap en Steden van Overijssel om de kerk van Sibculo af te breken. De bouwmaterialen werden verkocht aan boeren in de omgeving, die hiermede hun boerderijen verbeterden of opbouwden. De oudste boerderijen van Sibculo zijn dan ook opgetrokken van materialen van het oude klooster. Er bestaan aanwijzingen dat deze boeren van oorsprong lekenbroeders of meijers (=huurders) van het oude klooster waren. In 1776 werd het gehele gebied Sibculo-Kloosterhaar, dat ruim 1850 hectare groot was, door de provincie verkocht aan vijf eigenaren.

Rond 1800 zijn langs de oude kloosterweg naar Balderhaar verspreid boerderijen gesticht. Dit gebeurde voor het merendeel door boeren van Duitse afkomst, zoals de families Spalink, Luisman, Wigger, Markflüwer, Meijer, Olthof en Berghuis, die hier een bestaan probeerden op te bouwen. Deze boeren zetten uit eigen middelen een boerderijtje op de grond van de grootgrondbezitter. Hun bestaan vonden ze in de verbouw van boekweit en in de schapen- en bijenhouderij. Daarnaast deden ze voor eigen verbruik wat aan vervening. De toenmalige burgermeester Weitkamp van Ambt Hardenberg vertelde toendertijd dat Kloosterhaar vroeger de welvarendste buurtschap zijner gemeente was waar boekweit en schapenteelt een ruim bestaan opleverden.


Water en veen
De Greupe, een beekje dat op Duits grondgebied ontsprong, naar Sibculo liep en van daar via een dijksloot naar de Vecht, vormde lange tijd de enige ontwatering. In de eerste helft van de negentiende eeuw werd de vervening echter groter aangepakt door onder andere Berend Venebrugge.  Hij kanaliseerde een oude loop van de Bergentheimerbeek en verlengde deze tot aan de Duitse grens. Dit werd de Mollinksvaart (Oude Vaart) genoemd. Echter met de aanleg van het kanaal Almelo-de Haandrik in 1850 en de aftakking naar Kloosterhaar (Van Royenswijk) in 1856 werd deze vaart overbodig en werd de vervening pas goed aangepakt. Door het hoogteverschil tussen Kloosterhaar en Bergentheim van 7 meter kwamen er in de Van Royenswijk drie sluizen te liggen. Ook waren er na verloop van tijd twee ophaalbruggen, namelijk aan de Groenedijk en de Verlengde Broekdijk. De Veenderij Van Royen is van zeer grote invloed geweest op de verdere ontwikkeling van ons dorp.


Kerk en school

In 1862 werd hier een windkorenmolen gebouwd en er vestigden zich enkele bakkers. Door de werkgelegenheid die de vervening met zich meebracht, vestigden zich hier veenarbeiders, veelal uit Drenthe afkomstig. In 1892 werd hier vooral door veel inspanningen van godsdienstonderwijzer Fredriks (Fredriksstraat) een hervormde kerk gesticht, in 1894 gevolgd door een school (nu het dorpshuis). In 1904 schreef de toenmalige hoofdmeester J. Duijtsch (Duijtschstraat) nog een brief aan het gemeentebestuur met het verzoek tot aanleg van een weg, omdat wanneer men vanuit Kloosterhaar naar Hardenberg wilde dit alleen kon bij langdurige vorst of over Duits grondgebied! Inwoners van Kloosterhaar hadden vroeger vrijstelling tot het betalen van invoerrechten.

Deze lange geïsoleerdheid is er mogelijk ook de oorzaak van dat bijgeloof hier nog lang de vrije hand had, zoals personen die met de helm geboren waren, of heksen konden. Dikwijls werden er ook dwaallichtjes gezien!


Middenstand en verenigingsleven
In 1917 werd door de veenarbeiders een vakbondsafdeling van het toenmalige N.V.V. opgericht, diverse stakingen hebben plaatsgehad om te vechten voor een beter bestaan. De middenstand werd in 1919 uitgebreid met de Coöperatieve winkel-bakkerij "De Dageraad”. In de jaren ’20 kwamen daar nog twee café's, een fietsenmaker, een kruidenierszaak en een garage bij. Voor de oorlog was er al een bloeiend verenigingsleven met o.a. de in 1920 opgerichtte muziekvereniging "Crescendo", en de in 1922 opgerichtte voetbalvereniging (de oudste van de gemeente Hardenberg). Ook was er al een korfbal- en een zangvereniging.

Werkkampen
In de crisisjaren dertig werden hier twee werkkampen gebouwd voor onderdak van werklozen elders uit het land, die hier te werk gesteld werden in de ontginningswerkzaamheden. Tijdens de mobilisatieperiode werden hierin soldaten gehuisvest. Van 10 juli t/m 3 oktober 1942 werden beide werkkampen bevolkt met ruim 170 Groninger joodse mannen die hier gedwongen tewerk werden gesteld in de ontginning. Op 3 oktober werden ze onder het mom van ’gezinshereniging’ overgebracht naar Westerbork waar inmiddels hun vrouwen en kinderen ook al naar toe gebracht waren voor verder transport naar de vernietigingskampen. Slechts weinigen van hen hebben dit overleefd! Op 20 april 2005 zijn ter herdenking aan deze tragedie monumenten onthuld bij beide voormalige werkkampen. De oorlogsperiode zijn wij, ondanks dat wij zo dicht aan de grens wonen, vrij ongeschonden doorgekomen Wel zijn twee inwoners van Kloosterhaar die lid waren van de verzetsgroep Bergentheim gefusilleerd. Dat was een zware slag, maar verder had men hier genoeg te eten en kon men zodoende hongerige mensen uit het westen helpen. Ook hebben in Kloosterhaar talloze mensen als onderduiker de oorlog doorgebracht. In deze oorlogsperiode vestigde zich hier ook onze eerste huisarts, dr. A. P. M. de Jong.

In de naoorlogse tijd werd de ontwikkeling met voortvarendheid aangepakt met woningbouw. In 1950 werd de oude kerk, die door talloze verbouwingen onstabiel was geworden, vervangen door een prachtige kerk, opgetrokken in Twents-Nedersaksische stijl en ontworpen door de bekende Twentse architect Jan Jans. In 1951 werd het dorp beter ontsloten door een brede verkeersweg van Bergentheim naar Langeveen. De Van Royenswijk werd hiervoor gedempt en hierop kwam grotendeels de nieuwe weg te liggen, de Van Royensweg genaamd. In de verdere jaren '50 werd hier veel energie en aandacht gestoken in de verdere ontwikkeling van ons dorp, waarbij zelfs een aparte stichting werd opgericht ter behartiging v/d Sociale en Culturele belangen van Kloosterhaar. Deze stichting heeft er voor gezorgd dat hier een Groenekruisgebouw kwam (inmiddels weer opgeheven), een kleuterschool en het dorpshuis ‘t Haarschut, dat in 1960 als oude openbare school vrijkwam na de bouw van de nieuwe school. Ook heeft zij veel energie gestoken in het tot stand komen van het zwembad in 1968. Nadat het veen grotendeels verdwenen was en er zich nieuwe brandstoffen hadden aangediend (olie/gas), werd vooral ook door de grote woningbehoefte in Nederland het zeer geschikte zand dat hier was achtergelaten in de laatste ijstijd, ontdekt. In 1960 vestigde zich hier de "Anker" Kalkzandsteenfabriek, dat haar hoofdgrondstof zand, hier uit de bodem haalt. Ook andere ondernemers ontdekten hier het geschikte zand, zoals Sierink zand- en grind en Mega-Mix. Kloosterhaar heeft zich de laatste dertig jaar gestaag uitgebreid. De tegenwoordige uitbreiding van Kloosterhaar vindt plaats in het nieuwbouwplan “de Meerstal”.

Comments