Artikelen‎ > ‎

Vrouwen en mannen in de kerk

Een uitdaging van de praktijk aan de theorie

Welke plaats nemen vrouwen in de kerk in? Afgelopen jaar is er in Dienst veel over deze vraag geschreven. Naar aanleiding van het deputatenrapport ‘M/V in de kerk’ zijn er verschillende publicaties in Dienst verschenen. De laatste publicatie werd geschreven door de mensen die deelnamen aan het empirische onderzoek van deputaten M/V. Samen met een aantal deputaten, Joop Schreuder, Mieke Brink en Mieke Wilcke mocht ik als adviseur meedenken over de theologische vragen die er op dit gebied liggen.

Wat de discussie over de plaats van vrouwen in de kerk lastig en gevoelig maakt is, dat iedereen bij deze discussie betrokken is. Ieder mens is zelf man of vrouw. Veel mannen houden van een specifieke vrouw, van hun vriendin of echtgenote, van hun eventuele dochters. Iedere man heeft ooit een moeder gehad en de meeste mannen respecteren deze vrouw en houden van haar. Dat maakt het voor zowel mannen als vrouwen lastig, zo niet onmogelijk, om objectief naar vragen op dit terrein te kijken.  

Mijn eigen zoektocht in deze discussie begon met de overtuiging, dat het niet goed is dat vrouwen een ambt bekleden, ook al begreep ik dat niet. Ik wilde onderzoeken waar dit verbod in de Bijbel stond of wat de kerk hierover had besloten. Al zoekend kwam ik tot ontdekkingen, die Nienke en Maarten Verkerk in hun artikel ook noemen: de teksten waarop voornamelijk gebaseerd wordt, dat vrouwen geen ambt mogen bekleden, 1 Korinte 11 en 14 en 1 Timoteüs 2, zijn op het eerste gezicht duidelijk, maar bieden in tweede instantie ruimte voor veel vragen. En ook het begrip ‘ scheppingsorde’ is een begrip waar exegetische kanttekeningen bij te zetten zijn. Verderop in dit artikel kom ik hier op terug.

Zoekend kwam ik tot de voorlopige conclusie: blijkbaar is het onterecht dat wij mannen het ambt voor vrouwen gesloten houden. Maar ook die conclusie bleek niet houdbaar. Als de Bijbel iets niet expliciet verbiedt, is het dan dus toegestaan? Als iets in de Bijbel soms wordt genoemd is het dan gebruikelijk en zouden wij het zo ook moeten doen? In veel andere situaties gaan christenen hier niet op die manier mee om: de Bijbel verbiedt nergens expliciet aan kleine kinderen om voor te gaan in een kerkdienst. Toch is er bij mijn weten geen theoloog die hier voor pleit. De Bijbel kent wereldwijd rondreizende predikers, zoals Paulus, Timoteüs en Barnabas. Maar wij kennen dit soort predikers nauwelijks tot niet. Dus blijkbaar kun je uit het spreken of zwijgen van de Bijbel niet altijd lijnrechte regels voor onze tijd halen.

Nu zie ik dat bepaalde groepen mensen die serieus de Bijbel willen lezen tot de conclusie komen dat de Bijbel aan vrouwen verbiedt om een ambt te bekleden en dat andere groepen die even serieus de Bijbel willen lezen tot de conclusie komen dat de Bijbel vrouwen toestaat een ambt te bekleden. De laatste groep is in tweeën verdeeld: de ene groep stelt, dat Paulus in de genoemde teksten weliswaar vrouwen verbiedt om een ambt te bekleden, maar dat dit niet een altijddurend verbod is (bijvoorbeeld omdat hij dit aan een specifieke groep vrouwen verbood). De andere groep stelt, dat Paulus dit in de genoemde teksten niet verbiedt, maar dat wij deze teksten op een andere manier lezen dan Paulus ze had bedoelt. Ook hierop kom ik verderop in dit artikel terug.

In de argumentatielijnen, zoals die beschreven zijn in het deputatenrapport hebben we deze verschillende groepen willen laten zien. Het belang hiervan is, dat hiermee de discussie minder ‘gevaarlijk’ wordt: in Nederland is de vraag, welk standpunt iemand had in deze discussie vaak gebruikt om te zien of iemand niet ‘schriftkritisch’ was. Kort door de bocht gezegd: mensen waren bang dat, wanneer iemand begint met te stellen, dat teksten van Paulus tijdgebonden zijn (en geen geldigheid hebben voor onze tijd) het uitloopt op het steeds verder afbreken van de Bijbel doordat je zo steeds meer teksten vind die ook tijdgebonden zijn, waar we nu dus ook weinig tot niets meer mee kunnen. Afgezien van de vraag hoe terecht deze kritiek is hebben we deze discussie willen ontzenuwen door te laten zien dat er ook een groep mensen is, die van mening is dat we de teksten niet goed lezen. De teksten zijn nog steeds van belang, maar volgens deze mensen staat er niet wat we altijd dachten dat er stond. Als die verschillende groepen er zijn onder mensen die zichzelf tot orthodoxe, schriftgetrouwe christenen rekenen is de vraag naar je mening over vrouwen in het ambt niet langer per definitie een breekpunt waar het gaat om schriftgezag.

Het belang van de discussie op dit moment

Nienke en Maarten Verkerk wijzen er in hun artikel op, dat het standpunt van de Nederlands Gereformeerde Kerken over de vrouw in het ambt als een struikelblok wordt gezien in de samensprekingen met de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Toch is over de positie van vrouwen binnen de GKv geen officieel kerkelijk standpunt over ingenomen. Integendeel: waar de GKv in het verleden meermalen de gelegenheid heeft gehad om hier uitspraken over te doen (bijvoorbeeld in de discussie rondom het vrouwenstemrecht in de jaren ’90) zijn die uitspraken steeds vermeden. GKv en NGK hebben op dit punt geen botsende kerkelijke standpunten of uitspraken.

Wel zijn beide kerken het over een ander standpunt eens: dat er in een kerk over besluiten die veranderingen van ingrijpende aard met zich meebrengen op landelijk niveau moet worden gesproken. Dat besluiten rondom de positie van de vrouw in het ambt hier bij horen werd onder andere zichtbaar in de NGK toen een landelijk deputaatschap de opdracht voor het rapport ‘Vrouwelijke Ouderlingen en Predikanten’ kreeg. Bij de vraag of vrouwen toegelaten kunnen worden tot de ambten van ouderlingen en predikanten worden de afvaardigingen van alle kerken betrokken omdat het hier om een zaak van alle kerken gaat: stel dat de NGK en de GKv tot eenheid zouden komen maar hier niet over zouden spreken, dan zou een plaatselijke kerk geconfronteerd worden met de vraag of zij een vrouwelijke ouderling, van een voormalige NGK, dient toe te laten in de raad van een voormalige GKv gemeente. Zeker bij zaken die zo ingewikkeld liggen als deze (wat Nienke en Maarten duidelijk laten zien) is het voor de meeste plaatselijke kerken ondoenlijk op die vraag een afgewogen antwoord te formuleren. Dus dient er in de gezamenlijke GKv-kerken serieus over deze vraag en over het antwoord van de NGK nagedacht te worden voordat er verdergaande samenwerking met de NGK mogelijk is. Dit nadenken is nodig omdat de NGK dit zelf ook hebben gedaan.

Dit nadenken over ingrijpende veranderingen is een vorm van recht doen aan de traditie. In onze kerken houden wij rekening met twee gezaghebbende bronnen: Bijbel en traditie. De Bijbel heeft het laatste woord, maar als de Bijbel niet duidelijk is, is het verstandig niet zomaar af te wijken van hoe men hierover in het verleden heeft geschreven of hiermee heeft gehandeld.

Een vraag die mij dan ook geregeld wordt gesteld in het kader van mijn onderzoek is: hebben we het dan 2000 jaar verkeerd gehad? Hebben theologen 2000 jaar zitten slapen en ontdekken we nu pas echt wat Paulus zei?

Dat is een terechte vraag. Maar een vraag die voorbij gaat aan de geschiedenis. De eerste 1900 jaar van die 2000 jaar hoefden theologen zich niet bezig te houden met de vraag of vrouwen een ambt zouden mogen bekleden. Dit is bijvoorbeeld bij Calvijn goed zichtbaar. In zijn commentaren besteedt hij nauwelijks aandacht aan deze vraag. Hij besteedt hooguit aandacht aan de vraag of vrouwen diaken kunnen worden. Maar predikant [1] was uitgesloten: voor het predikantschap is een opleiding noodzakelijk. En tot de 19e eeuw was het voor gezinnen zo goed als onmogelijk om zowel jongens als meisjes een opleiding te laten volgen. Hier was het geld niet voor aanwezig, maar belangrijker nog: vrouwen waren nodig als ‘manager’ van het huishouden. Er bestonden geen vaatwassers, wasmachines, kledingzaken, elektriciteit en al die andere zaken die het huishouden in onze tijd veraangenamen. Vrouwen werkten thuis of in de huishouding bij iemand anders, mannen werkten buitenshuis. Dus mannen volgden een opleiding buitenshuis en vrouwen volgden binnenshuis een opleiding die gericht was op het doen van de huishouding en het opvoeden van kinderen. Pas met de industriële revolutie en de daarna volgende feministische golf kwam hier verandering in en gingen de eerste vrouwen naar de universiteit. Voor zij afgestudeerd waren was de 20e eeuw begonnen. In de doopsgezinde kerk is dit zichtbaar: hier verscheen begin 20e eeuw een vrouwelijke predikant. Maar al heel snel stak de storm van de 20e eeuw op: twee wereldoorlogen met daartussen in een economische crisis gaven mensen niet de luxe om zich bezig te houden met ingrijpende veranderingen in de maatschappij, laat staan in de kerk, die op dit gebied in de praktijk de maatschappij volgt. Pas in de jaren ’50 en ’60 kwam er ruimte voor vrouwen om buitenshuis iets met hun studie te gaan doen. Dit resulteerde in de tweede feministische golf: vrouwen begonnen plaatsen op te eisen in het werk buitenshuis. Op theologisch terrein werd het nu pas relevant om eens wat beter te gaan kijken naar wat de Bijbel zegt over de plaats van man en vrouw. Tot deze tijd had het heersende rolpatroon goed aangesloten bij wat men op het eerste gezicht in de Bijbel aan gegevens hierover vond. Maar vanaf 1954 ontstaat er op theologisch terrein discussie over bijvoorbeeld de vraag wat Paulus nu eigenlijk bedoelt als hij de man het ‘hoofd’ van de vrouw noemt. Vanaf die tijd ontstaan er wereldwijd groepen christenen die met andere exegeses van cruciale teksten komen en barst de discussie los. Binnen de GKv was dit niet de meest geschikte tijd om deze discussie te voeren: de GKv was vanaf de jaren ’50 tot de jaren ’80 bezig om zichzelf na twee scheuringen als kerk weer op te bouwen en te positioneren in de maatschappij als eigen zuil. Dus op de vraag of men het 2000 jaar verkeerd heeft gehad is mijn antwoord, dat tot een jaar of 20 geleden de vraag of de Bijbel toestaat dat vrouwen een ambt bekleden binnen de GKv nauwelijks speelde om sociaal-economische redenen, zodat er voor theologen weinig reden was om eens een tweede keer naar de betreffende teksten te kijken.

Nu die omstandigheden zijn veranderd mag je mijns inziens de traditie bevragen: deze traditie was ontstaan doordat het sociaal-economisch gezien eeuwenlang onpraktisch was om vrouwen in het ambt te bevestigen. Nu de sociaal-economische noodzaak voor de traditie wegvalt is het legitiem om de traditie te bevragen op haar nut voor deze tijd.

Invloed van vrouwen in de kerkelijke praktijk

Annemiek de Jonge wijst er in haar artikel terecht op dat de kerkelijke praktijk vervreemdend kan werken voor vrouwen die sinds kort kerkdiensten bezoeken.
Tegelijk denk ik dat voor deze mensen het probleem in de praktijk kleiner zal zijn dan Annemiek dit beschrijft. In 2004 heb ik een onderzoek gedaan naar de participatie van vrouwen binnen de GKv. Dit onderzoek is meegenomen in het onderzoek van deputaten M/V. Uit beide onderzoeken komt naar voren dat vrouwen erg veel doen binnen de GKv. In een kerkdienst waar ik recent voorging viel me dit nogmaals op: in het voortraject had ik contact met minimaal drie vrouwen die verschillende taken in de voorbereiding van de kerkdienst hadden: de preekvoorziener was vrouw, de contactpersoon voor asielzoekers was vrouw, de persoon die de combinatie tussen jeugdwerk en voorganger coördineerde was vrouw. Bij aankomst werd ik onthaald door een vrouwelijke koster en welkom geheten door een vrouwelijk welkomstcommissielid. De lezingen in de dienst werden door een vrouw gedaan. Alleen de organist en de kerkenraad bestonden uit mannen. Nu kan deze situatie uitzonderlijk zijn, maar dat is ze naar mijn eigen ervaring niet. Vrouwen vervullen steeds vaker cruciale rollen in de kerk. Het is zeker niet langer zo dat mannen de boel regelen en al helemaal niet zo dat vrouwen niet serieus genomen worden en als vulling van de kerkzaal fungeren. Natuurlijk, de kerkenraad bestaat volledig uit mannen. En de predikanten ook. Maar dit is in het bedrijfsleven nauwelijks anders. In de Volkskrant top-200 van meest invloedrijke Nederlanders bevinden zich onder eerste vijftig maar zeven vrouwen. Loop ik de hele lijst langs, dan kom ik (mits goed geteld) op 32 van de 200 uit. Ik denk dat niet-christelijke vrouwen die de kerk leren kennen over het algemeen niet spontaan verbaasd zullen zijn als ze ontdekken dat leidersrollen in de kerk voornamelijk door mannen worden vervuld. Het is maar de vraag of vrouwen ambtelijke en invloedrijke functies ambiëren. Annemiek geeft dit zelf ook aan in haar artikel.

Wanneer het gaat over het kerkelijke ambt is het voor mij daarnaast steeds meer de vraag in hoeverre dit ambt nog een functie met een status is. In veel kerken wordt het steeds moeilijker mensen te vinden die een ambt willen bekleden. Meer en meer lijkt het een kwestie van opoffering te worden. De status van het ambt lijkt te dalen. Is het nog steeds zo dat ambtsdragers in de praktijk leiding geven aan de gemeente? In hoeverre heeft de kerkenraad echt invloed op wat er door de vrouwelijke scriba’s en commissieleden wordt gedaan? Gaan vrouwen hun gang binnen de kerk onder leiding van ambtsdragers of gaan ze hun gang? Hier ligt stof genoeg voor een onderzoek.

Naar mijn indruk is de inzet en invloed van vrouwen binnen de GKv, zeker binnen de minder traditionele gemeenten, nauwelijks minder dan die van mannen en in een aantal gevallen duidelijk groter.

Argumenten voor blijvende bezinning op dit onderwerp

De vorige paragraaf lijkt er voor te pleiten om het ambt gesloten te houden. Vrouwen hebben nu ook genoeg invloed in de kerk, ook al bekleden ze geen ambt. Waarom de theorie bevragen als de praktijk de theorie duidelijk inhaalt en daarmee de discussie achterhaald maakt?

Daar zijn verschillende argumenten voor aan te voeren. Pragmatische argumenten, zoals het voorkomen van valkuilen waar men binnen de PKN mee worstelt, zijn daar deel van. Maar er zijn ook meer principiële argumenten. Gereformeerde kerken hebben zich voor hun praktijk eeuwenlang op de Bijbel beroepen. Tot vijftig jaar geleden was men het er nog over eens, dat de Bijbel vrouwen verbood onderwijs of leiding te geven en te spreken in de kerk. Om die redenen was het onwenselijk dat gereformeerde vrouwen in het bedrijfsleven leidinggevende taken vervulden en was het ambt gesloten voor vrouwen: een ambtsdrager geeft onderwijs en leiding en is in het geval van de predikant sprekend aanwezig tijdens de dienst.

Onder druk van de praktijk is de theorie geleidelijk opgerekt. Zo werd de theorie van toepassing verklaard op de kerk en niet op het bedrijfsleven. Politieke partijen en managementfuncties werden ook door gereformeerden steeds verder opengesteld voor vrouwen. In de kerk gebeurt momenteel hetzelfde: de theorie wordt steeds meer van toepassing verklaard op het ambt: ambtelijk onderwijs, leiding geven en spreken is niet toegestaan aan vrouwen, catechese, commissievoorzitterschap of het voorlezen van Bijbelteksten of presenteren van een kindmoment zijn wel toegestaan. Theoretisch zou de volgende stap zijn om de theorie alleen van toepassing te verklaren op een steeds smaller wordend deel van de kerkelijke praktijk. Een voorbeeld kan zijn dat de theorie van toepassing wordt verklaard voor het werk van de ouderling. Het predikantsambt, als dienaar van de gemeente en het diakenambt, als ambt met een minder direct leidinggevend patroon, kunnen dan gezien worden als ambten die eindverantwoordelijkheid verschuldigd zijn aan de raad van ouderlingen en dus opengesteld kunnen worden voor vrouwen (mits diakenen en predikant zich onthouden van het werk van de ouderlingen). Maar hiermee nemen de kerken zichzelf als traditiekritisch, Bijbelgetrouw weinig serieus. Op deze manier wordt de theorie, die in zekere mate te funderen is op de traditie, tot leer verheven. Ruimte voor nieuwe inzichten op grond van de Bijbelteksten is er dan nauwelijks. Juist nu zouden de GKv de moed moeten hebben te zoeken naar een nieuwe theorie of, wanneer de theorie stevig gefundeerd blijkt op de Bijbel, voor een praktijk dienen te kiezen die anders is dan de maatschappelijk geaccepteerde. Maar op dit moment lijkt men in de praktijk de theorie uit te hollen en zich steeds meer te schamen voor eigen stelligheid in het verleden. Daarmee verliest de theorie als Bijbelgetrouwe theorie steeds meer haar status en haar recht van spreken. De praktijk en de maatschappelijke wenselijkheid van die praktijk winnen het dan geleidelijk van de onderbouwing.

Een ander argument om de theorie kritisch te bekijken is gebaseerd op 1 Timoteüs 5:17,18 waar Paulus stelt dat werkers in de kerk eer dienen te ontvangen. Vrouwen mogen steeds vaker het werk doen, maar de eer en status, die, zeker vroeger, met de titel ‘ambtsdrager’ meekomen worden hen onthouden. Mij lijkt dit lijnrecht in te gaan tegen Bijbelse noties waar de werker in de gemeente (en in het Oude Testament onder andere de leviet, de priester en de profeet) juist met ontzag en respect behandeld diende te worden. In het werk van gemeenteleden ontmoeten wij God, die via deze mensen contact met de wereld maakt. De welkom-hetende vrouw heet de mensen welkom namens God in Zijn huis. De vrouw die de kinderen naar voren roept om hen extra uitleg te geven doet dit door de kracht van de Heilige Geest met het doel hen namens God het evangelie te leren begrijpen.

Naar mijn mening zouden de kerken hun theologische kracht in mogen zetten om ook op het tweede gezicht naar de zogenaamde zwijgteksten te kijken. Wanneer men dan tot de conclusie zou komen dat het spreken van de Bijbel hier te veel vragen oproept kan men alsnog besluiten om openlijk vrouwen toe te laten tot alle functies die zij nu steeds vaker in de praktijk gaan bekleden en zou men het al dan niet benoemen van vrouwen tot ambtsdragers tot een vraag kunnen maken waar de plaatselijke kerken in wijsheid mee om dienen te gaan. Komt men anderzijds tot de conclusie dat het spreken van de Bijbel in dit opzicht helder en duidelijk is, dan is het van belang om niet bang te zijn voor enerzijds liberale en anderzijds behoudende kritiek en een standpunt in te nemen wat recht doet aan het gevonden spreken. Wanneer men tot de conclusie komt dat de Bijbel sprekende, onderwijzende en leidinggevende vrouwen wel toestaat hoeft hen de eer van hun werk niet langer onthouden te worden, komt men tot de conclusie dat de Bijbel de genoemde taken aan vrouwen onthoudt, dan zullen mannen in de kerk hun verantwoordelijkheden dienen te nemen op gebieden waar nu steeds meer vrouwen worden ingezet.

Enkele exegetische kanttekeningen

Aan het begin van dit artikel stelde ik, dat er bij de exegese van kernteksten diverse kanttekeningen te plaatsen zijn. Maarten en Nienke Verkerk geven hier al enkele van aan.

Het doel van dit artikel is niet om alle exegetische problemen aan te geven. Daar is dit artikel te kort voor. Wel wil ik een paar voorbeelden noemen.

Een eerste is de scheppingsorde. Alleen op basis van Nieuwtestamentische gegevens kan een status op basis van scheppingsorde geconstateerd worden. De scheppingsverhalen zelf laten hier weinig ruimte toe. De schepping van de vrouw wordt in Genesis 1 duidelijk als deel van het totale scheppingsproces geschetst. Op de zesde dag werden wilde dieren, vee, kruipende dieren, man en vrouw geschapen. Wanneer de orde van scheppen bepalend is voor de status van het geschapene leidt dit, wanneer de schepping van man en vrouw als afzonderlijke scheppingsdaden bezien moeten worden, ofwel tot de conclusie dat de vrouw de kroon op de schepping is ofwel dat wilde dieren, vee en kruipende dieren een hogere status dan de man bezitten.
Om te komen tot een rangorde op basis van scheppingsvolgorde dienen de gegevens uit Genesis 1 ondergeschikt gemaakt te worden aan de gegevens in 1 Timoteüs 2, waar Paulus opmerkt dat eerst Adam werd geschapen en pas daarna Eva. Opvallend hierbij is, dat Paulus niet vermeldt dat Adam dus over meer prioriteit of een hogere status beschikt dan Eva: in zijn betoog mist daarom een voor ons cruciale schakel. Op wat voor manier de opmerking dat eerst Adam geschapen is functioneert in zijn betoog is onduidelijk. Voor Paulus en Timoteüs lag de denksprong die Paulus maakt voor de hand, voor mensen die 2000 jaar later leven is die denksprong veel moeilijker reconstrueerbaar.

Dat vraagt om voorzichtigheid in het verklaren van de relatie tussen deze uitspraak en het verbod op gezag en onderwijs voor vrouwen in het vorige vers. Dat Adam om zijn eerder geschapen-zijn een hogere status heeft dan Eva en dat vrouwen in het algemeen, als dochters van Eva, zich daarom bescheiden dienen op te stellen ten opzichte van mannen, de zonen van Adam, is een mogelijkheid. Een andere mogelijkheid is, dat er mensen waren die leerden dat de vrouw, of Eva, eerst geschapen was en daarna de man, of Adam. Een scheppingsvolgorde die in veel godsdiensten voorkomt: aangezien een man geen kinderen kan krijgen moet de eerste mens volgens hen wel de moeder zijn geweest van de tweede [2]. Of mensen die aan het later geschapen-zijn van Eva een bepaalde status voor vrouwen ontleenden. Of vrouwen die zichzelf onbescheiden boven mannen plaatsten op grond van de status die Maria als moeder van Jezus had. Zo zijn er nog veel meer mogelijkheden te bedenken. Het juiste verband vraagt om zorgvuldige bestudering van de tekst en van andere gegevens die bekend zijn over de situatie waarin Paulus deze brief aan Timoteüs schreef.

Een ander voorbeeld is de schepping van de vrouw als helper van de man. ‘Helper’ kan uitgelegd worden als de assistente, de mindere. Maar zowel in het Hebreeuws als in het Nederlands is dit niet vanzelfsprekend. Een aantal voorbeelden: een leraar helpt een leerling bij zijn huiswerk. In dat geval is de leraar de helper. De helper helpt op basis van grotere expertise en heeft een hogere status dan de geholpene. Vervolgens helpt een leerling een leraar met het schoonvegen van het bord. De leerling is de helper. De helper heeft een lagere status dan de geholpene en iets van de status van de geholpene straalt uit naar de helper (de leerling kan trots zijn dat juist hij de meester mag helpen). Nog later werken twee leerlingen samen aan een werkstuk. Beide helpen elkaar. Hun status ligt gelijk. Met deze voorbeelden, die zowel in het Nederlands als in het Hebreeuws opgaan, wil ik aangeven dat puur op grond van het benoemen van de vrouw als helper van de man er niet tot statusverschil valt te komen.

Daarbij is de lading van het woord ‘heersen’ onduidelijk. Nienke en Maarten Verkerk trekken in hun artikel mijns inziens te snel een lijn tussen heersen en onderdrukking en verkrachting. Het gebruikte woord voor heersen wordt zowel positief als negatief gebruikt: in psalm 8:7 wordt het heersen van de mens over de werken van Gods handen in de NBV zelfs met ‘toevertrouwen’ vertaald. Heersen wordt in onze cultuur al snel als onderdrukking gezien. Macht corrumpeert. Maar in de Bijbel is Heer een erenaam. Heersen en gezag dragen vormen een zinvolle toevoeging aan de schepping.

Tegelijk gaat het hier wel om een heersen in verband met een vloek. Een vloek waar vrouwen zich gezien de nadruk op het niet heersen van vrouwen over mannen blijkbaar volgens velen nog steeds aan moeten houden. Een vloek waar mannen, gezien de industrialisatie en de onbediscussieerde gemakken die dit voor het arbeidsproces met zich meebrengen, blijkbaar onderuit mogen proberen te komen. Het is opvallend, dat de relationele vloek als zo belangrijk wordt gezien waar de gedeeltes van de vloek over het in pijn kinderen ter wereld brengen of het zwetend je brood verdienen als minder belangrijk en aanvechtbaar mogen worden gezien. Dat is niet consequent.

Ondanks dat wijst de praktijk uit dat in onze tijd, waar letterlijk zweten voor je brood voor de meeste mensen niet noodzakelijk is, werk tot geestelijk zweten blijft leiden. Er ontstaan nieuwe ziekten, zoals stress en burnout als gevolg van de geestelijke uitputting die het gevolg is van hard werken. Blijkbaar beschrijft de oude vloek nog steeds een aanzienlijk deel van de werkelijkheid. Dit is ook zichtbaar aan de ‘vrouwelijke’  kant van de vloek: het openstellen voor vrouwen van functies met een hoge status gaat in de meeste gevallen gepaard met een statusverlaging van de betreffende functies. Dat mag aan het denken zetten over wat er op dit moment met de status van het ambt gebeurd.

Een uitdaging voor mannen en vrouwen

Het vraagstuk naar de rollen van mannen en vrouwen leidt tot uitdagingen op theologisch en maatschappelijk terrein. Is het uitsluiten van vrouwen uit het ambt maatschappelijk ongewenst? Zo ja, waarom lijkt het uitsluiten van vrouwelijke imams dan voor de maatschappij geen probleem te zijn? Of ervaren wij als christenen zelf het gesloten houden van het ambt als een ongewenst fenomeen voor niet-gelovigen en schamen we ons plaatsvervangend? Ik neig soms tot deze laatste conclusie.

Werken binnen de discussie man-vrouw-ambt vraagt om eerlijkheid. Eerlijkheid naar jezelf over je motivaties, over je eigen man- of vrouwzijn. Over je eigen wensen als vrouw of je eigen angst voor concurrentie als man. Om open durven kijken naar exegetische keuzes uit het verleden. Om moed om die exegetische conclusies ter discussie te stellen zonder het gezag van de Bijbel ter discussie te stellen. Om lef om uitspraken te doen die mensen niet leuk vinden. Om fijngevoeligheid bij het uiten van conclusies die mensen pijn gaan doen.

Maar bovenal om gebed tot God. De God die man en vrouw naar Zijn beeld schiep. Die Zelf man noch vrouw is maar op een onbegrijpelijke manier boven dit onderscheid staat. De God, die Zijn kerk al 2000 jaar bewaard heeft wanneer zij op Hem vertrouwde en dat ook in de 21e eeuw zal doen als mensen oprecht Hem willen dienen.

Johan Harmanny is in 2006 afgestudeerd op een vergelijking tussen de daadwerkelijke rol van vrouwen in de GKv en de theoretische onderbouwing van die praktijk. Sinds die tijd werkt hij aan een promotiestudie over dit onderwerp. In dat kader is hij als adviseur betrokken geweest bij deputaten M/V in de kerk.


  [1] Ik beperk me hier tot het ambt van predikant. Bij het ambt van ouderling zijn vergelijkbare bewegingen waarneembaar.  
  [2] Varianten hierop: moeder Aarde die haar kinderen het leven geeft. Lucy, de opgegraven ‘eerste mens’, die de moeder van de mensheid is, over-verering van Maria als ‘moeder Gods’ die dichter bij de mensen staat dan Jezus, de moedergodinnen Demeter van de Grieken, Asjera in Kanaän, Nammu bij de Soemeriërs, Agni in India en Artemis in Efeze. De vrouw als eerste schepsel en moeder van de mensheid is een weidverbreide stelling.  
Comments