Rabbijn Awraham Soetendorp over Heschel

De fluistering van de waarheid

Door:
rabbijn Awraham Soetendorp



Vanaf zijn installatie in 1968 als rabbijn van de Haagse gemeente heeft rabbijn Soetendorp zich niet alleen ingezet voor de opbouw van die gemeente, maar ook voor vele joodse- en humanitaire aangelegenheden in binnen- en buitenland.


Rabbijn Soetendorp werkt parttime voor de LJG Den Haag en is verder beschikbaar voor andere organisaties waaronder Het Verbond.
Door zijn publicaties in dagbladen en tijdschriften, gesprekken en interviews voor radio en TV is rabbijn Soetendorp regelmatig één van de belangrijkste spreekbuizen van de joodse gemeenschap in Nederland.

Denkend aan Abraham Joshua Heschel sta ik wederom op Arlington Cemetery, de begraafplaats in Washington, waar die dagen van februari 1968 oorlogsdoden uit Vietnam ter aarde werden gedragen.

Gesteggel bij het gerechtshof had geleid tot een uitspraak die ons, ‘geestelijken bezorgd om Vietnam’ en uit alle delen van de Verenigde Staten samengekomen om tegen de gewelddadige oorlogsvoering in Vietnam te protesteren, had overvallen. Ons kon niet de toegang worden geweigerd, maar wel het recht om te spreken.

Abraham Joshua Heschel en Martin Luther King Jr. stonden op het podium zij aan zij, wellicht voor de laatste keer. Immers nauwelijks twee maanden later werd King vermoord, de man, maar niet zijn droom. Wie de uurlange stilte inleidde met de woorden ‘Let us pray’ en wie besloot met ‘Ameen’, weet ik niet meer met zekerheid, maar de trilling van de meest welsprekende stilte, zoals deze werd gedragen door twee Menschen die zich de Goddelijke ontroering hadden eigengemaakt, is nooit van mij geweken.

Hier was en is de Kol demama daka, de suizende stilte waarin God zich manifesteerde aan Elia. In de woorden van Heschel: ‘... de fluistering van de waarheid, niet luider dan stilte, maar aansporend tot niet aflatende actie’. En: ‘De meester van het universum tracht de mens voor zich te winnen’.

Eens na de gewetensmars in Selma, arm in arm met Martin Luther King, hadden leerlingen van de Jewish Theological Seminary hun leraar gevraagd wat hij tijdens deze confrontatie met onrecht had geleerd. ‘Te bidden met mijn voeten’, had hij, opkijkend van zijn boeken, geantwoord.

Ik herkende in hem mijn vader, die mij na terugkomst van een lezing toevertrouwde ‘Jongen, ik heb vanavond met stenen gesjouwd’. Schleppen, en tegelijkertijd weten dat uiteindelijk de Tora óns meer heeft gedragen, dan wij de Tora. ‘De Tora is niet de wijsheid maar de bestemming van het joodse volk. Zij bevat niet onze literatuur maar onze essentie.’

Heschel leefde - letterlijk tot zijn laatste dagen - de wonderbaarlijke tweevoudigheid van de joodse ervaring: alleen te kunnen worden gegrepen door de mystieke vervoering, wanneer je daarvoor en daarna de straat opging om met gebalde vuisten te protesteren tegen de rassenscheiding, die ‘de scheiding van God zelve was’. En, weliswaar met vuile handen, alleen dan innerlijk ongeschonden uit de strijd te kunnen komen, wanneer je daarvoor en daarna gedichten bleef schrijven.

In zijn magnus opus, de in het Iwriet geschreven theologie van Jodendom getiteld Tora uit de hemel is de spiegel van de generatie, vereenzelvigt Heschel zich met de harteschreeuw van Mosjè, die volgens de midrasj werd geconfronteerd met de latere marteldood van Rabbi Akiva, de grootste der leraren. ‘Zoe Tora we zoe schara?’ - Is dit de beloning voor het leven met de Tora?

Hij, geboren in Warschau in 1907, die Martin Buber korte tijd was opgevolgd in Frankfurt, ternauwernood ontsnapt aan de nazi’s, bleef niet op de veilige oever. Hij was de onaangepaste overlevende, die de gezapige, in zichzelf gekeerde joodse gemeenschap wakker schreeuwde om de confrontatie met de Almachtige God, die de mens hartstochtelijk nodig heeft, aan te gaan.

‘Wat is de mens? Een wezen in barensweeën, met de dromen en plannen van God, met Gods visioen van een bevrijde wereld, van de verzoening van hemel en aarde, van een mensheid die waarachtig Zijn evenbeeld is, Zijn wijsheid, rechtvaardigheid en mededogen weerspiegelt. De droom van God is niet alleen te zijn, de mensheid te hebben als partner in het drama van de voortdurende schepping. Met alles wat we doen, met elke daad die wij uitvoeren, bevorderen of belemmeren wij het drama van verlossing: wij verminderen of versterken de macht van het kwaad’.

Met het laatste rapport van de Verenigde Naties in handen, waarin onomstotelijk vast is komen te staan dat het menselijk handelen in grote mate debet is aan de levensbedreigende opwarming van de aarde, kunnen wij de dwingende woorden van Heschel slechts beamen.

In de hitte van de strijd om de waardigheid van de mens te behouden, in de meest onmenselijke omstandigheden, is Abraham Joshua Heschel gestorven, daags na een televisie-opname. Aan het slot van die uitzending kreeg hij even gelegenheid om, zoals hij tevoren had bedongen, het woord te richten tot de jongeren. ‘Ik wil een paar dingen tot de jongeren zeggen, en ik heb maar één minuut. Ik wil tegen de jongeren zeggen: Er is een betekenis voorbij het absurde. Zij moeten wéten dat elke daad, hoe gering ook, elk woord betekenis heeft, en dat ieder zijn bijdrage kan leveren aan de verlossing van de wereld, ondanks al wat absurd is, alle wanhoop en alle teleurstelling ten spijt. En bovenal, vergeet nooit dat de betekenis van het leven ons vermogen is om het vorm te geven alsof het een kunstwerk is. Jullie zijn geen machines, jullie zijn jongeren...’. En hij eindigde met de zin: ‘Eén van de belangrijkste dingen is de mens te leren om te kunnen vieren’.

Zó blijf ik hem zien, klein, onweerstaanbaar groot, met gegroefd gelaat waar een lach doorheen breekt, met wilde witte haren, de hand uitgestrekt om mij mee te nemen in de dans, in het ritme van de nigoen, de oorverdovende fluistering van de waarheid. Sjabbes voor altijd.

w: 116 pixels
h: 58 pixels