Vrolijk fluitend wandelde hij over het pad,

de zon scheen heerlijk en een licht briesje vergezelde hem.

Links en rechts wuifde het gras met hem mee

en in de verte stonden een paar bomen licht te wenken.

 

Hij had al een lange weg afgelegd

en hij wist, dat hij nog een eind te gaan had,

het maakte hem niets uit.

Hij werd er alleen maar blijer van;

wat zou hij nog allemaal mogen meemaken,

en te zien krijgen.

 

Hij had alle tijd van de wereld,

er was geen enkele reden tot haast,

alleen maar genieten.

Tot dit moment had alles hem meegezeten,

de omstandigheden waren steeds ideaal

en het pad was goed begaanbaar.

 

Hij wist nog niet, dat alles kan veranderen.

Hij had nog nooit een obstakel op zijn weg gehad.

Dat ging nu toch echt gebeuren,

toen het pad naar rechts afboog.

 

Voor hem lag een prachtige weide,

zo mooi en uitnodigend, dat hij besloot

van het gras zijn pad te maken.

Hier voelde hij zich helemaal vrij,

hij deed zijn schoenen uit en liep

met blote voeten over het gras.

 

Het obstakel kwam voor hem

in de vorm van een brede sloot,

waar hij plotseling voor stond.

Deze was te diep om doorheen te gaan

veel te breed om overheen te springen,

en het begon al te schemeren.

 

Daar in de verte zag hij een hooischuur,

de ideale plek om te overnachten.

Hij zou en moest daar komen.

Met een lange stok onderzocht hij

heel precies de diepte van de sloot,

maar hij kon de bodem niet raken.

Nog eens berekende hij zijn kansen

voor een sprong, maar hij besefte

dat het echt onhaalbaar was.

Moedeloos zakte hij in het gras

en gespannen tuurde hij naar de overkant.

Wat nu te doen...

 

Gevangen door deze tegenslag

concentreerde hij zich alleen maar op het water

en de hooischuur aan de overkant.

Als hij eerst eens rustig had rondgekeken,

dan had hij wat verderop de plank gezien,

die over de sloot lag…