Er was er eens een koekoek, die woonde in een klok.

Hij woonde daar al jaren en had er best naar zijn zin.

De klok was zelfs naar hem vernoemd,

de klok van de koekoek werd de Koekoeksklok genoemd.

Ondanks dat hij zich daar goed thuis voelde,

kriebelde iets diep van binnen bij hem, hij wilde meer.

 

Ieder uur kwam hij even uit zijn klok en riep dan luid zijn naam.

Dit deed hij om de mensen te laten weten, dat hij er nog was,

met als bijkomend voordeel, dat iedereen die het hoorde

ook direct wist hoe laat het was op dat moment.

Want, als het één uur was, riep hij één keer zijn naam.

Was het twaalf uur, dan deed hij dat gewoon twaalf keer.

 

Op het middaguur was hij altijd vrij lang aan het roepen

en verbaasde zich altijd over hetgeen hij dan kon zien.

In de kamer waar zijn klok hing veranderde niet veel,

maar als hij door het raam naar buiten keek, zag hij steeds iets anders.

Hoge bomen soms vol met groene blaadjes, soms geheel uitgekleed.

Een watertje en een groot grasveld, waar vaak rare vogels rondstapten.

 

Toen hij op zekere dag weer druk bezig was met het roepen van zijn naam,

zag hij dat het raam een stukje open stond en nam een kloek besluit.

Vlak voordat hij de klok in moest en het deurtje zou gaan sluiten,

sloeg hij zijn vleugeltjes uit en vloog wat houterig naar de vensterbank.

Het was niet echt een schoonheid van een landing, maar wel een pijnlijke.

Hij schoof door en sloeg met een klap tegen de sponning van het raam.

 

Wat wil je ook, jaren had hij in die klok gezeten en niet veel beweging gehad.

Nu ging hij, zonder eerst goed geoefend te hebben, spontaan een stukje vliegen.

Daardoor liet onze koekoek zich toch echt niet uit het veld slaan,

want juist dat veld was de reden van zijn daad, hij wilde naar dat grasveld.

Daar waar die andere rare vogels waren die hij eens wilde ontmoeten

en dat water, de hoge bomen, de bloemen en wat hij nog niet had kunnen zien.

 

Hij verkoekoekde zich en sprong door het open raam het avontuur tegemoet.

Druk wapperend met zijn vleugels en als een razende tol ronddraaiend,

landde hij als een volleerd kamikazepiloot, met een klap op het grasveld.

Direct kwam er een mus aangehipt en bekeek de koekoek aandachtig.

“Tsjilp tsjilp…” zei de mus en keek hem met een schuin kopje aan.

“Koekoek?” antwoordde hij, nog enigszins beduusd van de harde landing.

 

“Tsjilp tsjilp!” riep de mus nu luid. “Koekoek!” was weer het antwoord…

Hoe goed zij ook hun best deden, ze begrepen elkaar absoluut niet.

Heel begrijpelijk als je bedenkt, dat een mus ‘Tsjilps’ spreekt en

een koekoek ‘Koekoeks’. Dat zijn nou eenmaal twee totaal verschillende talen.

De mus haalde even zijn vleugeltjes op, draaide zich om en hipte weer weg.

De koekoek krabbelde overeind en waggelde een beetje teleurgesteld verder.

 

Nu kwam hij een imposant zwarte kraai tegen, die pal voor hem ging staan.

“Krakra!” bulderde de kraai. “Koekoek…” fluisterde de koekoek zacht.

De kraai keek hem met grote kraalogen aan, haalde ook zijn vleugels op en vloog weg.

Onze koekoek voelde zich opgelucht en keek de kraai na, zolang als hij kon.

Hij bestudeerde min of meer de vleugelbewegingen en besloot dat ook zo te proberen.

Na enige mislukte pogingen, lukte het hem eindelijk om op een tak van een boom te komen.

 

Hier ontmoette hij een duif, die vreselijk lomp was maar ook heel vriendelijk.

“Roekoe,” riep de duif. “Koekoek,” antwoordde de koekoek.

Hoewel het ‘Roekoes’ en ‘Koekoeks’ twee romavogelse talen zijn, begrepen zij elkaar niet.

Daarbij moet wel aangetekend worden, dat de duif met een vreselijk dialectisch accent sprak.

Vervolgens kwam hij een specht tegen, die niets zei maar direct op hem begon in te hameren.

Dit deed de specht ook altijd in een boom en onze koekoek was nou eenmaal van hout.

 

Geschrokken vloog de koekoek snel weg en dat lukte hem nu al een stuk minder houteriger.

In de verte zag hij wat huisjes en een kerk met een hoge toren, waaraan een klok prijkte.

Weliswaar was het een kerkklok, maar door de cijfers en wijzers was het voor hem vertrouwd.

Daar voelde hij zich op zijn gemak en besloot om hier zijn uurlijks geroep te hervatten.

Precies om vier uur deed hij een stapje naar voren en haalde diep adem en toen…

Toen barstte er een orkaan van geluid los, veroorzaakt door de enorme kerkklok.

(Voor alle duidelijkheid: dat was dus niet het grote uurwerk aan de buitenkant,

  maar die gigantische andere klok, aan de binnenkant van de toren.)

 

Onze koekoek schrok zich wezenloos en kukelde van schrik de toren uit…

Gelukkig was hij nog net niet bewusteloos van schrik, anders had hij zich nooit meer

kunnen herinneren hoe dat met die vleugels ook weer ging, hoe je dus moest vliegen.

Vlak boven de grond kreeg hij weer grip op zichzelf en begon snel te wapperen.

Zo snel als hij kon vloog hij terug naar het grasveld, terug naar het openstaande raam.

Hier had hij nu alle tijd om bij te komen, het deurtje van zijn klok was nog gesloten.

 

Toen om vijf uur het deurtje openging, vloog de koekoek snel naar binnen.

Wat een avontuur, wat een belevenissen en wat blij was hij om weer thuis te zijn.

Thuis in zijn vertrouwde koekoeksklok en bezig met zijn vertrouwde bezigheden.

Hij was zo gelukkig, dat hij weer heelhouts teruggekeerd was,

dat hij besloot om vanaf dat moment ook op de halve uren naar buiten te komen.

Hij riep dan zijn halve naam “Koek”, want dat was voldoende voor een half uur.

 

Niet iedereen is in de wieg gelegd om ontdekkingsreiziger te worden.

De meeste van ons hebben gewoon een eigen plekje nodig…