Er was er eens een oude boer

die elke dag een rondje om zijn land liep.

Hij bekeek dan het gewas, de omheining,

de droogte of de natheid

en de ruim honderd melkkoeien.

Op die manier bleef hij op de hoogte

van hoe alles ervoor stond

en kon hij ’s avonds zijn zonen

vertellen wat hij wel of niet goed vond.

 

Op een dag had hij zijn inspectie weer uitgevoerd

en liep, stevig leunend op zijn wandelstok,

over het zandpad richting boerderij.

Geheel in gedachten verzonken

keek hij naar zijn versleten klompen,

die om en om vooruit zwaaiden.

Nee, echt sterk ter been was hij niet meer.

Plotseling werd hij opgeschrikt

door een jammerend gesnik…

Voor hem, aan de rechterkant van het pad,

zat een jong, engelachtig meisje.

 

De tranen stroomden over haar natte wangen

en door het onophoudelijke gehuil,

trilde zij over haar hele lichaam.

De oude boer trok, zo snel hij kon,

zijn kiel uit en legde deze

over haar schokkende schouders.

‘Meisje, meisje, wat een verdriet…’

Moeizaam ging hij op een grote steen

naast haar zitten en dacht na…

 

‘Ben je verdwaald…? Of heb je…’

Hij wist eigenlijk niet goed

wat hij moest zeggen…

Na een tijdje werd het gesnik minder

en het meisje richtte haar hoofd op.

Zij keek hem met grote,

verwonderlijk waterige ogen aan

en probeerde te glimlachen.

 

‘Ik ben een kans, een gemiste kans…’

Er volgde een diepe zucht

en ze sloeg haar ogen neer.

‘Maar mensen merken mij niet op,

als ik toch heel duidelijk langskom.

Ze zien me gewoon niet staan,

terwijl ik toch speciaal voor hen daar ben.

Ik ben een mislukkeling!’

 

De oude boer schoof zijn pet naar achter

en spuugde het laatste restje pruimtabak uit.

Was dit echt? Of was dit een slechte grap?

Zijn wijsheid overwon het van zijn wantrouwen,

hij wilde haar helpen en dat zou hij dan ook doen…

Iedereen verdient een tweede kans...

Hij krabde even onder zijn pet en schraapte zijn keel.

 

‘Iedereen verdient een tweede kans,

maar misschien moet je het dan anders brengen.

De eerste kans hebben ze niet gezien,

je moet zorgen, dat je bij de tweede keer

veel meer aanwezig bent.

Desnoods gebruik je een vermomming,

zodat je er heel opvallend uitziet.’

Hij keek weer richting het meisje,

maar zij was er niet meer.

Alleen zijn jasje lag verfrommeld op de plek

waar zij zojuist nog had gezeten.

 

Was dit een droom geweest?

Knaagde de ouderdom nu niet meer alleen aan zijn benen,

maar ook aan zijn waarnemingsvermogen?

Langzaam stond hij op, schudde onbegrijpend

zijn hoofd en vervolgde zijn weg over het zandpad.

Nu moest hij wel denken aan zijn eigen gemiste kans…

Door een onbeduidend voorval,

had hij ruzie met zijn oudere broer gekregen.

En toen deze hem na jaren belde,

had hij direct ‘de hoorn op de haak gegooid.’

Daar had hij achteraf best spijt van gehad,

maar hij kon zijn broer niet terugbellen,

want hij had geen telefoonnummer van hem.

 

Toen hij eindelijk bij de boerderij aankwam,

zag hij nog juist de postbode het erf affietsen.

Uit de brievenbus stak een envelop…

Een brief van zijn broer…

Hij besefte, dat dit zijn tweede kans was

en greep deze met twee handen aan.

Ergens achter hem klonk zacht gegiechel,

hij draaide zich om en probeerde

te ontdekken waar dat geluid vandaan kwam.

 

Daar in de verte, midden in het weiland,

danste een engelachtig meisje…