Jezus tot God verklaard

Jezus tot God verklaard in de 4de E. AD

In 301, Grigor Lusavorich (later St. Gregory the Illuminator) bekeert de Armeense koning Tiridates IV tot het christendom, en het christendom wordt staatsgodsdienst, in dit land als eerste in de wereld. In 326 werd het christendom eveneens staatsgodsdienst in Iberië (Oost-Georgië), onder koning Mirian III en koningin Nana. In het Romeinse rijk komt er een einde aan de christenvervolgingen van Diocletianus (303-305) en Galerius (305-311). Tijdens de regering van Constantijn de Grote (Keizer 308-337) wordt in het edict van Milaan (313) godsdienstvrijheid toegestaan. In feite worden vanaf dat moment de niet-christelijke godsdiensten benadeeld. Ten tijde van het Edict van Milaan was waarschijnlijk nog slechts 10% van de bevolking van het Romeinse Rijk christen, maar veertig jaar later was dat al ongeveer de helft. Het kortstondige streven van - vermoorde - keizer Julianus de Afvallige om de christelijke vloedgolf te stuiten, liep op een mislukking uit. Onder keizer Theodosius I wordt het christendom in 380 zodanig bevoordeeld dat we kunnen spreken van staatsgodsdienst. Vanaf 392 worden alle andere godsdiensten verboden. In de eerste eeuwen van het christendom was er een voor die tijd ongelofelijke uitwisseling van ideeén, van geschriften zoals van Irenaeus van Lyon en de meer Arisch getinte school van Alexandrië, en van talrijke ontmoetingen. Irenaeus van Lyon schreef zijn Tegen ketterijen c. 175-185 CE. Zijn werk is van onschatbare waarde voor moderne wetenschappers in hun poging om de inhoud van de gnostische leer in de 2de eeuw te ontdekken. Irenaeus biedt ook de eerste expliciete getuigenis van de vier canonieke evangelies. In die tijd vertegenwoordigden de bisschoppen ook tijdelijke macht zodat de eerste acht eucumenische concilies samengeroepen werden door de dienstdoende keizer en niet door de paus of de bisschoppen.

Bij de dood van Theodosius I (395) wordt het Romeinse Rijk definitief gesplitst in het West-Romeinse Rijk met hoofdstad Rome, en het Oost-Romeinse Rijk (ook wel Byzantijnse Rijk genoemd), met hoofdstad Constantinopel. Parallel hieraan zal zich de komende eeuwen ook een splitsing ontwikkelen tussen westers christendom en oosters christendom. De voor het christendom zo beslissende vierde eeuw begon nog met vervolgingen onder keizer Diocletianus. Tijdens diens bewind werd het Mithraïsme nog als staatsgodsdienst bevestigd. De ommekeer werd ingeluid met de komst van Constantijn als keizer van het West-Romeinse Rijk. Hij versloeg zijn rivaal Maxentius bij de Pons Milvius in 312. Een legende vertelt dat Constantijn aan de vooravond van deze beslissende slag in een droom een visioen van het kruis zou hebben gekregen. In 313 kondigde hij in zijn rijk godsdienstvrijheid af (edict van Milaan). In het jaar 324 versloeg Constantijn zijn medekeizer in het oosten Licinius, en vanaf dat moment kende het rijk na lange tijd weer één heerser.

Het concilie van Nicea

Constantijn wenste die eenheid duurzaamheid te verlenen door haar te bouwen op één religie. Het Mithraïsme dat vrouwen van de inwijdingsweg weerde, leek hem daartoe niet zo geschikt. Het christendom dat, in vele vormen weliswaar, ruim verbreid was in zijn rijk, bood betere perspectieven.
Om de vele stromingen op één lijn te brengen nodigde hij de bisschoppen van de belangrijkste stromingen uit bij elkaar te komen in Nicea (het huidige Iznik), dicht bij de hoofdstad Byzantium, die naar hem Constantinopel zou gaan heten. Op 19 juni van het jaar 325 startte daar het eerste eucumenische concilie onder leiding van de keizer zelf. De belangrijkste doelstelling was het formuleren van een credo (= ik geloof) waarin de gemeenschappelijke geloofswaarheden zouden worden vastgelegd.

Het Niceaanse Credo

Het spectrum van ideeën dat in Nicea vertegenwoordigd was, was sterk gekleurd door de invloed van Irenaeus en zijn opvolgers en vooral geïnspireerd door het evangelie van Johannes. De strijd spitste zich toe rondom de goddelijkheid van Jezus. De Alexandrijnse groep, onder leiding van bisschop Alexander, verdedigde de volledige goddelijkheid van Jezus (het homo-ousion = wezensgelijkheid), tegenover het standpunt van de Arianen, aanhangers van de Libische priester Arius, die Jezus minder goddelijk achtten dan de Vader. Uiteindelijk bleek een meerderheid Alexanders visie te steunen en werd gekozen voor de formulering dat Jezus 'God uit God, Licht uit Licht, ware God uit de ware God, geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader' zou zijn. Een kwestie van meerderheid van stemmen.

De strijd tussen de christelijke stromingen was daarmee nog geenszins beslecht. In de loop van de decennia na Nicea werd de belangrijkste voorvechter van het Niceaanse credo, bisschop Athanasius van Alexandrië. Hij werd zelfs enkele malen verbannen uit zijn stad omdat het Ariaanse gedachtegoed door een grote meerderheid van priesters en bisschoppen werd omarmd. Eerst in 380 werd het orthodoxe (= Niceaanse) christendom door keizer Theodosius tot staatsgodsdienst uitgeroepen en vanaf dat ogenblik werden afwijkende ideeën te vuur en te zwaard bestreden. Dit betekende niet alleen het einde van de godsdienstvrijheid, het betekende ook het einde van de tolerante Romeinse cultuur. Het vormde de doodsteek voor de ontwikkeling van filosofie en wetenschap. Volgens de gangbare opvattingen beginnen de Middeleeuwen in het jaar 476 bij de val van Rome, wellicht is het gepaster om de middeleeuwen te laten beginnen bij een gebeurtenis als de bestorming en verwoesting van het Serapeion met zijn enorme bibliotheek in Alexandrië in het jaar 391 door fanatieke, fundamentalistische, orthodoxe christenen, opgehitst door de lokale bisschop. Vele schatten van tien eeuwen wetenschap van de oude Grieken tot de moderne Hellenisten gingen daar toen in vlammen op. Enkele jaren daarvoor, in 367, had bisschop Athanasius een paasbrief laten uitgaan naar alle christenen in Egypte waarin hij de canonieke bijbelboeken opsomt en tegelijk een banvloek uitspreekt over alle andere geschriften. In een klooster van Pachomius te Chenoboskion (nabij het huidige Nag Hammadi) besluiten de monniken een aantal teksten in een kruik te begraven voor betere tijden. Het Thomas-evangelie en vele andere teksten gingen ondergronds als apocriefe geschriften.

Belang voor de interreligieuze dialoog

De eeuwenlange traditie dat Jezus Christus vereerd en aanbeden werd als God door bijna alle christelijke kerken is de belangrijkste reden dat er geen echte vooruitgang te bespeuren valt in de dialoog tussen de wereld religies. In de evolutie van miljarden jaren van de mensheid is er een ontegensprekelijke ontwikkeling naar samenwerking, conformiteit en uiteindelijke eenheid op alle gebieden. Dit is vooral klaar en duidelijk zichtbaar in onze wereld sinds het einde van WII met de oprichting van tientallen internationale organisaties en fusies in de economische, financiële en zelfs politieke wereld. Onder de stichters van de wereldreligies is Christus de enige die als God aanbeden wordt. Met het niet meer aanvaarden van het dogma van en het geloof in de godheid van Christus vervalt de belangrijkste hinderpaal tot echte interreligieuze dialoog.

              De gelovigen voorbereiden op dit afscheid nemen van het geloof in de godheid van Christus is, met woord en geschrift, het werk van theologen, schriftgeleerden en specialisten in vergelijkende godsdienstwetenschappen.

 

 

Lucien Cosijns, Binnensteenweg 240/A26, 2530 Boechout, Belgium

T. +32 3 4556880   lfc.cosijns@gmail.com

www.interfaithdialoguebasics.info

 

Comments