A New Church‎ > ‎

Quo Vadis? De Katholieke Kerk

Quo Vadis? De Katholieke Kerk

 

Axiomas voor een postmodern Christendom:

         Voor gans het mensdom zou het moreel gedrag in alle sferen van de menselijke activiteit, zowel publiek als privaat, moeten gebaseerd zijn, niet op geboden en verboden, maar op de Gulden Regel, die aanvaard geworden is als algemene gedragsregel door alle geloofsgemeenschappen.

         Het nieuwe apostolaat van alle Christelijke Kerken zou als stelregel moeten hebben bijstand te verlenen aan alle mensen om het goede te doen en het kwade te laten, om de Acht Zaligheden en andere teksten van de Bergrede (Mat. 5-7) van  Jezus Christus te realiseren in hun dagelijks leven, en niet in het bekeren van de mensen tot catechismus-christenen.

         Globalisatie: wereldevolutie van diversiteit naar uniformiteit en eenheid is de enige weg van de toekomst voor de mensenwereld. Ook voor de geloofsgemeenschappen is er geen andere weg om door geleidelijke toenadering te komen tot de finale eenvormigheid en eenheid.

·         De goederen in de aarde en in de zeeën zijn niet het exclusief bezit mogen van de landen die zich er juist boven of in de nabijheid ervan bevinden maar het bezit van alle bewoners van de aarde. Dit zou juridisch en internationaal moeten vastgelegd worden.

De politieke, economische en financiële wereld is op weg naar eenwording tot een wereld van meer en meer onderlinge samenwerking met democratische regeringen. De problemen die nog opduiken zijn tekenen van een overgangsperiode die nog een lange tijd kan aanslepen, maar zal onomkeerbaar leiden tot de uiteindelijke eenheid van de mensenwereld met één regering en één wereldtaal.

    Ook voor de religieuze wereld is er geen andere weg, die echter schijnbaar trager zal verlopen. De Katholiek Kerk is geroepen om in deze evolutie een voorlopersrol te vervullen. Deze rol is reeds zichtbaar in haar baanbrekend werk in de interreligieuze dialoogbeweging.

    Deze rol zal de Katholieke Kerk alleen maar kunnen vervullen als de kerkleiding er toe komt de oude geloofswaarheden te hertalen in woorden die aanvaardbaar zijn voor de postmoderne mens en ook aanvaardbaar voor de andere geloofsgemeenschappen. Voor zover ik heb kunnen nagaan, is, naast Roger Lenaerts s.j., Prof. Em. Jan W. Stoop, ook Kinderarts, de enige in Nederland en België, en ook daarbuiten, die openlijk uitkomt voor een hertaling van veel geloofswaarheden, o.a. over de erfzonde, in zijn boek “Darwin, liefde en God” (Art. in TERTIO van 6 juni jl.). Het stemt volledig overeen met wat ik hier probeer naar voor te brengen.

De nieuwe ‘Katechismus van de Katholieke Kerk’ van 1993, met laatste gecorrigeerde uitgave in 1997, is tot stand gekomen na jarenlange samenwerkende studie van bisschoppen en theologen, en zogezegd ook een resultaat van het Tweede Vaticaans Concilie. In de verklarende tekst staat er: De catechismus is bedoeld als wereldcatechismus en bevat de hele leer van het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965). Spijts enkele veranderingen in de interpretatie van veel geloofswaarheden sinds het einde van WO II, is hiervan echter weinig of niets terug te vinden in de 2865 artikelen, gespreid over meer dan 700 pagina’s. De beschrijving van de geloofswaarheden in deze catechismus bewijst dat de kerkleiders van het Vaticaan, spijts de vernieuwingen voorgesteld door het Tweede Vaticaans Concilie, geankerd blijven in dezelfde manier van denken als 60 jaar geleden! De geboden van deze catechismus blijven dus geboden te onderhouden op straf van doodzonde.

Als inleiding: De geloofsgemeenschappen, zowel als de wetenschap, zoeken naar waarheid, naar de oorsprong van dit universum, naar de betekenis van leven en dood, naar de betekenis van de mens als een samenspel van geest en materie. De recente toenadering in wederzijds begrip en erkenning tussen de leiders van de geloofsgemeenschappen en de wetenschappers volgt uit de aanvaarding dat waarheid verondersteld is dezelfde te zijn voor de spirituele als voor de seculiere wereld. Wat voor de postmoderne mens aanvaardbaar is als waarheid over God en over de mens in zijn relatie tot het Goddelijke en tot de wetten van de natuur, moet ook aanvaardbaar zijn voor de wetenschap. Hierbij een poging om enkele basiselementen van het katholiek geloof voor te stellen als meer aanvaardbaar voor de postmoderne mens, en wat ook van kapitaal belang is, aanvaardbaar voor de andere geloofsgemeenschappen en voor de wetenschap, een poging van ‘hertaling’ van geloofswaarheden en liturgische praktijken, zoals het veranderende Godsbeeld, de voorstelling van Jezus Christus en Maria, de Erfzonde, Zonde en Verlossing, met als slot enkele vernieuwende gedachten over de Eucharistieviering en de plaats van de Eucharistie in het kerkgebouw.

God

Het antwoord van God aan Mozes vat nog het best samen wat God en het Goddelijke betekent: “Ik ben Hij die is” (Exodus 3-14). God is! Hij is het zijn in zijn volheid. Het goddelijke is eeuwig, het kent geen verandering, geen heden en geen verleden. In God bestaat geen tijd en geen ruimte, want tijd en ruimte veronderstellen voortdurende verandering. Het eeuwige en tijdloze bestaan is onbeperkt, eindeloos, zonder begin en zonder einde. Het is immaterieel, het is een spiritueel zijn. God moet oneindig mooi en goed zijn. Niet mannelijk, niet vrouwelijk, Het kent geen geslacht. De mens heeft Het doorheen de geschiedenis beoordeeld als man en soms ook als vrouw, als vader of moeder. In de islam drukt men de eigenschappen van God uit door Hem 99 namen te geven. De menselijke geest is een afstraling van de oneindige eeuwige Geest (God) die de oerknal veroorzaakt heeft om door de eeuwenlange evolutie van materie, over planten en dieren, de mens met zijn menselijke geest te laten onstaan naar zijn beeld en gelijkenis met zijn menselijke geest. Daardoor heeft God een onverbrekelijke band van liefde tot stand gebracht en dit bevestigt in de persoon van de mens Jezus in zijn Bergrede, zoals beschreven in Matt. 5-7. Dit is een evolutie die ook in de andere geloofsgemeenschappen tot een zelfde resultaat is gekomen, in de Islam met de Kohran, in het Boeddhisme met het ‘Alles/Niets’, in het Hindoeisme met zijn eeuwenoude Veda Schriften en zijn drievuldigheid van Brama, Vishnu, Krishna.  

    De mens met zijn intellectuele en spirituele capaciteit staat onder al het bestaande het dichtst bij God,en de mens is de enige onder al het bestaande - materie, planten en dieren -, die in de evolutie van al het geschapene bewust kan worden van een oneindig spiritueel zijn dat hij God genoemd heeft. De evolutie van de mens van een dierlijk zijn tot een wezen begaafd met verstand en vrije wil en daardoor tot een bewustzijn van goed en kwaad, is een door God gewilde oerevolutie van groei van schijnbaar levenloze materie, over de planten en dierenwereld heen, tot de huidige wereld van de mensen met hun kennis en nu ook met hun beheer van deze evolutie van materie tot groeiende spiritualiteit. Dit betekent een aanhoudende groei in diversiteit in de planten en dierenwereld, en alleen in de mensenwereld betekent het ook een groei in homogeniteit, in samenwerking en in eenheid. Deze evolutie komt nu, meer dan vroeger, klaar en duidelijk tot uiting in de politieke, financiële en industriële sectoren overal in de wereld, en waarvan de Europese Unie het beste voorbeeld is. Het recente zoeken van de politieke wereld naar samenwerking met de religies en andere levensbeschouwingen om samen oplossingen te vinden voor de nog resterende problemen van milieu, aarde en zelfs het heelal, maakt ook deel uit van deze evolutie naar conformiteit en eenheid.

    Onder alles wat de mens tot uiting brengt met zijn intellect en zijn zintuigen is liefde bij uitstek het spirituele kenteken van de mens. Liefde is de enige spirituele activiteit die men dan ook kan veronderstellen, als een essentiële eigenschap, aanwezig te zijn in God. Dit ligt waarschijnlijk aan de basis van het beschouwen van God door het christendom als een persoon, waarin de liefde zich uitdrukt binnen God tussen de drie personen van de Drievuldigheid, Vader, Zoon en Heilige Geest. Deze liefde binnen God, van God naar de mensen en van de mensen tot God kan gezien worden als hoogste godsdienstuiting. Ook in het hindoeïsme heeft men een drievuldigheid van Brahma, Vishnu en Shiva, waarbinnen ook een liefdeverhouding beschreven wordt. 

    De evolutie van diversiteit naar homogeniteit en eenheid, die zich nu sneller en sneller ontwikkelt in onze wereld op politiek, economisch en financieel gebied, is ook op gang gekomen in de religieuze wereld. Vooral dank aan de interreligieuze dialoogbeweging komen de religies dichter tot elkaar en zal ook bij hen het beeld van God groeien in conformiteit en eenheid.

Jezus Christus

Ieder mens heeft door zijn spiritueel vermogen deel aan God, aan de Ultieme Spirituele Realiteit. In de materiële wereld is niets gelijk; alles is onderhevig aan verandering, aan verbetering of verslechtering, aan een hoger of lager spiritueel zijn. De graad van deelname van de mens in het goddelijke zal verschillend zijn bij ieder mens. Deze graad van deelname wordt in de kinderjaren en ook later, zonder twijfel beïnvloed door opvoeding, begeleiding, onderwijs, en door het dagelijks gedrag van de mens. De mystieke heiligen in de katholieke kerk, zoals de apostel Johannes, Theresia van Avila, Johannes van het Kruis, Eckhart, Ruisbroec en vele anderen, ook in andere religies, zijn op een hogere manier dan de gewone mens met God verbonden. 

    Als grondlegger van het christendom, kan van Christus gezegd worden dat hij op een ng hogere wijze met God verbonden was. Hij noemt God zijn Vader  en zichzelf noemt hij naar een Bijbelse spreekwijze Zoon van God, wat zeker niet betekent dat hij zichzelf aanzag als God. De oneindige, onuitsprekelijke God, zoals hierboven beschreven, kàn geen mens worden en geen mens zijn. Zo kàn een mens ook geen God worden. Dat een mens God kan worden is ook volgens de Bijbel een onaanvaardbare stelling. Er zijn geen goden en er is geen God buiten de éne God:  Jesaja 45,5: “Ik ben de HEER, er is geen ander; buiten mij is er geen god”. Nergens in de Evangelies en de brieven van Paulus en de andere Apostelen wordt Jezus betiteld als God. Daaruit volgt mijn besluit dat men van Christus kan zeggen dat hij in zeer hoge mate vervuld was van het goddelijke, maar niet dat hij God is. De lichamelijke verrijzenis van Jezus en de lichamelijke ten hemel opneming van Maria zijn fysisch-wetenschappelijke onmogelijkheden. De voorstellingen ervan in de evangelies moeten hertaald worden als eigentijdse voorstellingen die onderhevig zijn aan interpretaties die door de eeuwen heen afhankelijk geweest zijn van de groei in kennis van de tijd waarin de sprekers of schrijvers leefden en van de betekenis van hun woorden en verhalen. Van de woorden en daden van Christus kan men zeggen dat ze goddelijk geïnspireerd zijn, maar ook mens-gebonden zijn. 

     Jezus, samen met Paulus en de evangelisten, spreekt als een mens van zijn tijd met beelden van zijn tijd, die geïnterpreteerd moeten worden tegen de achtergrond van later verworven kennis en inzicht. Hetzelfde kan ook gezegd worden van veel van de woorden van de andere religiestichters. Geen van hen kan  niet de volledige waarheid van het goddelijke omvatten en nog minder uitdrukken in menselijke woorden. Ieder van hen is als mens beperkt in zijn/haar kennis van de waarheid en kan zich zeker geen onfeilbaarheid toeeigenen. De geloofswaarheden, die zij verkondigen, kunnen wel op vele punten elkaar aanvullen. En hier komt de interreligie dialoogbeweging tot zijn recht in de wederzijdse waardenuitwisseling en zo in het nader tot elkaar brengen van de religies. Op deze manier worden de religies meer gelijkvormig en is elk op zijn eigen evolutieweg naar eenvormigheid, weliswaar in een nog verre toekomst. Het meest unieke van de leer van Christus is zijn uitdrukkelijke verkondiging van de liefde, als grootste kenmerk van het goddelijke, en van de plicht van liefde van de mens tot God en van de mensen tot elkaar, zelfs tot de vijand. Meer dan in de dogma's van de Kerk, ligt de essentie van het Christendom bevat in de BERGREDE zoals men die kan lezen in het Evangelie van Mattheüs, hoofdstukken 5 t/m 7. Al het bovenstaande is ook de weg naar een vlottere samenwerking tussen de religies en de politieke wereld.

Maria

Wie het bovenstaande aanvaard, kan Maria niet meer de moeder van God noemen. Volgens de wetten van de natuur, kan een maagd geen kind baren zonder inbreng van mannelijk zaad. Indien de mens Jezus aangezien wordt als de zoon van Maria, dan is Jozef zijn vader. Men kan ook niet meer spreken van de onbevlekte maagd Maria, in de betekenis van ‘zonder geslachtelijk verkeer’. Ieder mens wordt geboren als kind van God, vrij van zonde, en dus ook Maria. Het woord ‘onbevlekt’ kan eventueel wel gebruikt worden in de betekenis dat Maria in haar leven niet gezondigd heeft. Maria, de moeder van Jezus, is en zal ook altijd de verhevenste onder de vrouwen blijven in het christendom, en ook in de islam. Zoals men Christus geen God kan noemen, kan men Maria ook niet de moeder van God noemen. God kan noch fysisch noch volgens de Bijbel, een moeder hebben. Dit alles moet alleen maar hertaald en herwoord worden tot geloofswaarheden, aanvaardbaar voor de postmoderne mens. Men vermijdde dus best woorden zoals moeder van God, maagd Maria.

Zonde en Verlossing

Er zijn honderden definities van wat zonde betekent. De mens heeft de vrijheid op basis van zijn geweten zelf te beslissen over goed en kwaad. Het goede en het kwade kunnen gedefinieerd worden als alle gedachten en daden die de mens nader brengen tot God of hem ervan verwijderen, een vermeerdering of een vermindering in zijn spirituele mensheid. Het goede doen is een toenadering tot God, een vermeerdering van het goddelijke, van het spirituele in de mens. Toegeven aan het kwade heeft als gevolg een verwijdering van God, een vermindering van het goddelijke en van het spirituele in de mens. Wanneer men in deze zin over zonde spreekt, spreekt men niet over een toestand binnen in de mens maar over een relatie of een band van de mens met God, met de Ultieme Spirituele Realiteit. De mate van deze relatie hangt volledig af van de mens zelf, en is niet iets waarvan de mens moet of kan verlost worden. De mens moet zichzelf verlossen! Het lijden en de dood van Christus moeten dus ook losgemaakt worden van een verlossing van zonden. De betekenis van Jezus ligt op de eerste plaats in zijn woorden en in zijn werken, terwijl zijn lijden en dood een historische gebeurtenis is die de neiging tot het kwade aantoont in zijn vervolgers. Ieder mens, die op deze wereld geboren wordt, draagt het goddelijke in zich en is dus een kind van God. Dit kind moet niet verlost worden van zonde, want zonde kan niet aanwezig zijn in een kind. Zonde of toegeven aan het kwade komt slechts met het groeien van het kind tot volwassenheid.

    De Kerk moet als hoofddoel hebben, niet de mens te verlossen, maar door gepaste begeleiding de mens te helpen niet toe te geven aan zijn neiging tot het gemakkelijke, tot het minder goede, tot het kwade. Religies, instituten, regeringen, kortom alle organisaties door mensen opgericht, moeten als inherent doel hebben hun leden en onderdanen te begeleiden en te ondersteunen om meer en beter mens te worden met als leidinggevende grondwet de door alle religies aanvaarde gulden regel “Doe niet aan anderen …”. 

De Eucharistieviering en de plaats van de Eucharistie in het kerkgebouw.

Naast de bouwstijl, het kruisbeeld en de heiligenbeelden, is het vooral de Eucharistie met de godslamp die het sacrale uitmaakt van een katholiek kerkgebouw. Sinds de tijd dat er een altaar dichter bij de gelovigen geplaatst werd en dat de Eucharistie in veel gevallen bewaard wordt in een zijaltaar is het sacrale verdwenen uit onze katholieke kerkgebouwen. De knieval of hoofdbuiging als eerbetuiging bij het binnenkomen en het weggaan wordt alleen nog gedaan door een zeer kleine minderheid van de aanwezigen, omdat er geen bewustzijn meer is van een goddelijke tegenwoordigheid in het kerkgebouw.

    Bij het laatste avondmaal zei Jezus “Dit is mijn Lichaam”- “Dit is mijn Bloed”. Er kan sterk aan getwijfeld worden of Hij dit letterlijk bedoelde. Wat Hij bedoelde was zonder twijfel: “Dit ben Ik, aanwezig onder u tot het einde der tijden”. Dit betekent dat Jezus en de Drie-Ene God aanwezig is in de Eucharistie. De verrijzenis van Christus en zijn hemelvaart zijn niet verklaarbaar zonder de Eucharistie. De permanente aanwezigheid van Jezus in de Eucharistie is de enig mogelijke betekenis van zijn verrijzenis. Dit maakt een essentieel deel uit van de godsopenbaring in de leer van Jezus. De Drie-Ene God was op uitzonderlijke wijze aanwezig in de persoon van Jezus en blijft in nagedachtenis aan Hem op een even uitzonderlijke wijze onder ons aanwezig in de Eucharistie tot het einde der tijden. Alleen deze manier van hertaling van het dogma van de incarnatie is begrijpelijk voor de moderne mens en maakt deze katholieke leer ook meer aanvaardbaar voor de andere religies. 

    Indien we geloven dat er door het eucharistisch gebed een echte verandering plaats grijpt in het brood en de wijn, waarbij Jezus, niet met zijn lichaam en bloed, maar wel op een speciale manier aanwezig komt in deze offergaven, dan moeten we ook als normale gevolgtrekking een ereplaats geven aan de Eucharistie door deze te plaatsen niet in het tabernakel van een zijaltaar maar wel in het hoofdaltaar. Indien we, op basis van de woorden van Christus bij het laatste avondmaal, aanvaarden dat God op een zeer speciale manier aanwezig is in de Eucharistie, dan is een logische gevolgtrekking daarvan dat de verering van de Eucharistie tot uiting wordt gebracht bij de behandeling van de Eucharistie. Omwille van de verhevenheid van de Eucharistie komt daarom het uitnemen en terugplaatsen ervan in het tabernakel als unieke taak toe aan de celebrant, die dan de communie uitreikt aan zijn lekenassistenten en dan de kelk(en) of patenen met de hosties aan hen doorgeeft ter uitreiking aan de gelovigen. Alle assistenten staan daarbij dan recht in eerbiedige houding gericht naar de Eucharistie. 

    De positie van de celebrant achter het dienst-altaar en gericht naar het volk, is nu algemeen aanvaard. Om de eucharistie te revaloriseren, zou deze positie echter beter herzien worden. Deze positie is volledig aanvaardbaar voor de dienst van het Woord, de Communie en de afsluitende riten. Voor de dienst van de Eucharistie echter, zou de positie van de celebrant en zijn assistenten, van na het einde van de preek, beter gericht zijn naar het hoofdaltaar waarin de eucharistie zich bevindt, waarbij de celebrant en zijn assistenten aan de voorkant staan van het dienst-altaar, gekeerd naar God, aanwezig in het hoofdaltaar. De celebrant treedt dan immers op als vertegenwoordiger en plaatsvervanger van het aanwezige volk en dit wordt het best vertolkt door zijn gericht staan naar het hoofdaltaar. Het terug plaatsen van de eucharistie na de communieuitreiking gebeurt best door de celebrant om zo de aanwezigheid van Jezus in het tabernakel te benadrukken en waartegenover de buiging bij het binnenkomen en bij het buitengaan ook zijn echte betekenis krijgt.

 

Lucien Cosijns, Binnensteenweg 240/A26, 2530 Boechout, Belgium

T. +32 3 455.6880     lfc.cosijns@gmail.com

www.interfaithdialoguebasics.info

 

 

 

Comments