Begraven gedichten

Van de hand van een oude gedaante


Dichten: louter
steenkolen slijpen,
geen diamanten
in spe meer.

 

DE LEVENDE VAAS

In dit maanhuis staat
een aanraakbaar zinnebeeld.
Naakt van nachtlichtklei.

De maan, overvol,
vult haar zwarte haar met licht.
Zij draagt de melkweg.

Haar mondrood vraagt je
de weg naar een aanraking.
Ergens drinkt een hert.

Jouw ontloken huid
zoent de heelheid van haar huid.
Zij likt je tanden.

Hoe zoekt je hand haar;
zij ringt zich om je vingers.
O juwelenschat!

Bewijs van liefde:
haar benen slaan op je in.
Een zwaan vliegt zich los.

Je vreugde is moe,
haar glansogen vallen dicht.
Een wolk dooft de maan.

 

VOLKOMEN

Haar te zien is toegezongen worden;
zij is een melodie in de langzame wind,
klinkend uit de schelp van een droom.

Hoe kan het fluisteren van haar huid
als een geurend schemerlichten
tastbaar zijn?

O haar ogen zijn bevloeide
manen en haar slanke gebaren
spelen mij hoog uit de nacht tegemoet.

Haar te zien is helemaal volkomen.

 

WAAN
(Naar Willem Kloos)

Haar ogen zijn als manen vol van licht,
dat niet weerkáátst wordt, maar ze stil doorstroomt -
mij toevloeit als een lichtwind langs't geboomt'
van wimperrijen sierlijk opgericht.

Mijn nacht - een donker waas, dat zich verdicht
wanneer'k het wil doorzien - heeft haar omzoomd;
zo schouwt zij't Licht waarvan ik heb gedroomd
en schenkt mij, als die droom, een vergezicht.

O diep vermoeden in haar blik ontdekt,
dit màg niet zijn de Zin waar'k zo naar smacht:
zij is, schoon hóger, toch uit stòf verwekt.

En manen zijn onzichtbaar als de nacht
het Licht aan't oog niet langer nog onttrekt...
Behelst het schíjn, géén Wézen, wat mij wacht?

 

CUPIO DISSOLVI

Een wilgestille avondluwte,
vol van oude vluchten,
ben ik spoorloos ingeslopen,
hol van hoge zuchten.

Zeer alleen en zonderling,
zoekend in de kilte,
zal ik, langzaam schemerend,
opgaan in de stilte.

Die ene schim, zij wenkt me,
ik huiver aan haar borst,
tastend in haar nevelkleed,
dronken van de dorst.

 

HANDEN

Al waren het alleen je handen,
je streelgave, blootgevende, hunkerrankige handen,
ik voelde je héél bij me,
je vormen, je spieren en je geheimste huid
met mijn geheimste huid, mijn spieren en mijn vormen
samengekomen
in onze handen.

 

CONCEPTIE

Hij daalt in het teken
der eindeloze ingang en hij rijst
in het teken der onbegonnen
aanvang.

Zijn hoofd staat open
in de spiraal der alwind,
wentelend rond de as van zijn hartslag.
Zijn geslacht groeit op

uit een eerste grond;
dromend wichelt hij het kind,
dat zich - nog bijna al -
in zijn vrouw ontgint.

 

UITKEER

Stier uit de lucht,
neergelaten aan een touw;

vogel als een vrucht, vallend
uit een boom in de rouw.

Alleen wat lelijk is, blijft.

O verloren hoofd, mijn
lippen gaven zich prijs - ik
ben een dier geboren en ik
val, voorgoed van de wijs.

 

VERWACHTING

Arme ondermijnde,
geloof je nog in een tegoed?
Waartoe bleef je?

Allerteerste, in de eerste
windselen van vlees en bloed,
leef je?

Hoe moet het nu met je?
Ons lichaam is vernield;
ik sloeg mijn spiegelbeeld

tot poeder en ik slikte,
ik ademde de vlijmende ruis
uit mijzelf in.

O ik doe zo'n pijn;
kan het ooit geheeld?
Waar is ons huis?

Ik wou zo graag een moeder
zijn - wie is in wie
verstikt... door wie bezield?

 

LICHAAM

Mijn borst is ingeklonken
onder mijn slinkend gewicht.

Nog bied ik het hoofd aan
dit in oorsprong stranden

der beleving van het land mij
voor mijn geboorte beloofd,

en recht in mijn gezicht je
niet aan mij geschonken.

 

WET

Haar lichaam leverde mij uit aan mijn lichaam;
weerloos tastte ik naar wat
als het ware mijn eigen inwendige
meer dan het hare
ingehouden
had.

Mijn lichaam leverde mij uit aan haar lichaam.

 

DE WAARNEMER

Zuivere ruimte: een
uiterste woestijn, waarin
nomaden zonder lichamen
zwerven in abstracto.

Zij nemen af en toe
- door de einder om de oase
van mijn vlees en bloed -
deel aan mijn bestaan.

Zo blijk ik bij benadering
geheel van hen te zijn:
eenzelvig incarnerende
betekenissenschijn.

 

De albatros reist
op de uitgestrekte wind,
sierlijk en rotsvast.

 

NACHTLIED

Deze blauwe, open middag
hangt, aan een draad van goud,
hoog en zingend
mijn middelste oog -
de leeuwerik aan de hemelboog.

Dit verzin ik nu de nacht
neemt van mijn vage lichaam
de gewende grenzen over;

hij geleidt mij langs de aarde,
wikkelt linten poollicht om mijn ogen,
geeft mijn mond te eten van een eiland
waar de vruchten geurig vibreren;

laat woestijn mijn tred verslinden,
brengt mij onder in een peinzend woud,
zet mij naakt op een rijzende berg
die mijn herkomst van zich af schudt;

strijkt mijn haren langs de sirocco,
legt mijn hand op de flank van een hengst,
schuift de lippen van een geisha
om mijn toegespitste bloed;

voert mijn oren naar de diepe
torenklok die mij een boot maakt,
deinend op een bronzen zee.

Maar alleen naar het hoogblauwe licht
heeft mijn leeuwerikhart
altijd heimwee.

 

NATUURSTAAT

Aan deze ingrijze eenheid van zee,
lucht en zand blootgesteld en
tegen deze bittere wind in,
sta ik aan de rand van dit eiland
over te geven - ik, de nietige
hoeder van mijn ingrijze hart,
spoorloos in dit verband.

 

TERZIJDE

Hoe de wereld
als het oog van mijn vader
mij uitscheidt en

de waarheid als
de hand van mijn moeder langs
mij afglijdt.

 

LIED VAN EEN OPEN PLEK

Wat doe ik in dit bos, wat doe ik
hier, ik loop, ik zet mijn passen uit.
Stilte van fijne regen omhangt me,
ha, mijn wangen zijn eindelijk nat.

Opgehouden, vochtig licht valt
zigzag door een gewelf van verlaten
kronen en een lucht van zink, humus
wacht mij op als een bladspiegel.

Leeg bleef het huis waarin ik niet
woon, stedeling bij wijze van verblijf,
verstekeling in een stad die muurvast
aangemeerd ligt aan de tijd.

'k Moet nu weg, dacht ik, maar
de weg achtervolgde me als een schijnbaar
nieuwe draad zich trekkend uit een
trui die mijn moeder mij breide.

Tot ik omgekeerd overvallen
word door deze open plek, een synchroon
wijken van wolken en kruinen: hoog
springt de hemel op uit een modderplas.

Eén moment ben ik licht hoe
diep mijn silhouet ook door het blauw valt.
Vogelzang druppelt niet uit het lover toch
hoor ik, even, zoiets als een lied.


De leeuwerik brult
op koninklijke hoogte
uit dat ik er ben.

 


© Peter

SCHILDERING VAN MIJN NATUUR

drieluik van donkere tonen
in alle ultramarijn
met rood magenta en zwart
op gebaard door bellen blazende
verf - bont amorf uit het niets

groen en oranje en geel
mengen zich nog ingehouden
in de ernstige monochromen
maar gelukkig dansen ze mee
op het bal van de conceptie

ultramarijne verduistering
vanuit het rood - als firmament
rond ondergaande zon en maan
schijnende absolute ruimte noch
verlicht noch onverlicht

descent into limbo - maar

de zomen van de regenboog
zijn die niet rood en magenta
met na het rood opnieuw
naar magenta neigend paars
tegen het blauw van de dampende kosmos?

is de regenboog gods kleuren-
leer - circulair in dubbel opzicht
als de mare van een sfeer
met meer dan af te meten dimensies
ja bijvoorbeeld drie en een?

zo ook de laagste en hoogste tonen
samenkomen in ontloken
leegte die als maat van tijd
stilte is en ultrasymfonische
bloeiend witte ruis?

o klankzee van kleuren mijn heerlijke moeder!

voor Peter



© Theo

sleuteloog in oude stut
restant van uitgeputte hoop
vergoten levenswater
getransmuteerd in melkachtig
iriserende stralen

sleuteloog in oude stut
geduldig als de zerk
op het graf van de kameel
(hier eerder van de koe gezien
misschien de boerenschuur)

sleuteloog in oude stut
tekenloze hoeder
houten schim van zielskracht
schijn van een aangemeerd later
open slot op de hemel

sleuteloog in oude stut
van niets het kale gezicht
wachtend op de sloop
toch net zo goed als Stonehenge
een ode aan het licht

Als haiku:

oude houten stut
sleutelvormig gat
passend iriserend licht

voor Theo


HEELAL

Talloze mensen,
talloze dieren,
talloze werelden -

één tegenwoordigheid.

Talloze ogen -
één ziende;
talloze oren -
één horende;
talloze neuzen -
één ruikende;
talloze tongen -
één proevende;
talloze lichamen -
één bewegende.

Talloze malen stervende -
één overlijdende;
talloze malen ter wereld komende -

o uitéénlevend ik!

Rozegemarmerd hemelsblauw
om de rode avondzon;
ook dood zal ik zijn -

als altijd en overal.

 

ROES

Steen is licht,
licht is lucht,
lucht is water,
water is steen.

De berg licht zich op
als een wolk,
water ratelt als een tolk,
de oceaan meandert.

Klei, geest en bloed verlangen
elkaar en ademen wild
in elkaar.

Aa is ui,
ui is ei,
ei is oe,
oe is aa.

De oceaan raast naar de zon,
de zon brandt kringen om
mijn ogen en valt in eeuwige sneeuw.

Ruis versteent,
steen reist.

Ga ver,
verga en
her-
ontsta.

 

AANZIJN EN WEDERKEER

Vlammenkransen in bloeiend lazuur,
irissen spiegelen zich in uw ogen;
buiten de ruimte ontkiemde hun vuur -
krachtens ons gezichtsvermogen?

Letterreeksen op duurzaam papier -
sticht u ter plekke hun zinsverband?
Beeld van betekenis brandend alhier -
houdt dit zonder ons ook stand?

Spierdiafragma, talende zin,
zien en inzicht: primair amalgaam;
't zaad van de bloem valt samen met haar begin -
is de oorsprong van't woord...ons verstaan?

 

SPIRAAL

Geest, o vurige,
wentelende wind,
brandende trap
tussen aarde en ether,

gij verbindt
lichaam en heelal
schijnbare en ware
zin waarin ik plaats vind.

 

SCHEPPING

Gedachten
over zichzelf:
lege mazen,
vangend niets
dan zichzelf.

Hoe transparant is water
dat zijn
diepte griezelig nabij
maar ondoorgrondelijk ver-
schijnen laat.

Hoe wit bleef deze bladzij.

 

EVOLUTIE

Elk ding is
ooit een uit-
vinding geweest,
letterlijk
toen het ont-
brak aan taal.

 

VERWEZEN

Schijnsels die mijn lichaam door laat,
werpen zich als schaduwen
uit het licht waarom het gaat.
Neonlijnen, symfonieën,

bloemengeuren, strelingen:
blinde vlekken
waarachter het onthuld staat.
Tergend hangt mijn firmament

los in zijn voegen;
de eeuwigheid staat op een kier -
daardoor is niets meer zichtbaar
dan wat zich nooit verraadt.

 

TRAMHALTE MET LICHTBAK

Een klein meisje kijkt hardnekkig
in het papieren oog van een jochie
dat - verschijnend achter glas -
een paars verpakte reep merkchocolade
als een godsgeschenk boven zijn engel-
achtige hoofdje ten hemel heft.

De adem van het kleine meisje
bevochtigt het oog van haar evenbeeld.
Ze probeert hem te ontlokken zijn licht-
gevende gift en de boodschapper
blijft onberoerd. Moeder trekt dochter
als een zuignap van het sacrale glas.

Bidprenten stralen van inwendig neon
waar vroeger bij kaarslicht mariabeelden
manend langs de weg verschenen.
Maar geen gebed kan een lichtbak vermurwen,
geen kinderhand dringt door tot zijn mysterie.
God was nog niet ongenaakbaar genoeg.

 

VERBREIDING

Pogen het zelf te bevatten:
uitgekeken ogen sparen -
atlas van de wereld apart,
niet in zichzelf te ontwaren.

Laat ik mij in het geheel,
niet in gedachten verdiepen;
(vergat ik dit gedicht maar,
voor'k het uit kon typen).

Denken, haal mij als adem,
raak nooit in gedachten bekneld;
ogen, neem mij op, ik
beweeg mij vrij in de wereld!

 

MONUMENT

Iets van wat
voor'k het wist
tegenwoordig was,
zet zich, als beslist,
onophoudelijk af -

dit nu vindt
woord voor woord
plaats in één moment:
tekst als van tijd
in zichzelf een monument.

 

ZWERVER

Zijn geest is een kast
vol wanen, die als weefsels
wachten in kamferdampen -
permanent ondragelijk.

Zijn lichaam heeft hem
op zijn rug, als een mars-
kramer, die iets onverkoopbaars
rondtorst in een andere tijd.

De dieren die hem kruisen
aait hij, de mensen keert hij
zijn rug toe en niemand
ziet wat hem tot last is.

 

GELIJKENIS

Dit lichaam voelt verlaten aan,
het stort traag om iets in,
dat het verval zijn gang laat gaan,
omdat ik niets begin.

Het heeft zichzelf ooit opgericht,
ik ben erin ontwaakt,
en moest toen leren dat het licht
er los van is gemaakt.

Ik weet niet of mijn stem ontstond
of ergens wordt bestuurd;
de woorden waren in mij rond,
maar altijd uit mijn buurt.

En wie mij opgeleverd heeft
mag lijken op een god,
die aan zichzelf de voorkeur geeft
bóven het noodlot...

Zijn lichaam voelt verlaten aan,
het stort traag om iets in,
dat het verval zijn gang laat gaan
omdat ik niets begin.

 

GESTELDHEID

Mijn ogen zijn van angst.
Mijn keel is van angst.
Mijn armen zijn van angst.
Mijn handen zijn van angst.
Mijn hart is van angst.
Mijn rug is van angst.
Mijn buik is van angst.
Mijn benen zijn van angst.
Mijn voeten zijn van angst.

Hij is helemaal van angst.

 

DEUNTJE

Mijn hoofd is niet van mij.
Mijn leven is me al voorbij.

Ik ben een namaakgodje,
waarvan het mechaniekje
piept bij elke poging
tot vrije beweging.

Zijn hoofd is niet van mij.
Mijn leven is zoals het zij.

 

GEDENKSTEEN

Hoe uitsluitend
van betekenis
te zijn

buiten zichzelf
als zijn eigen ge-
denksteen.

 

ik
vorm alleen
een leeg aspect
van mijn omgeving

 

ONDERWERP

Alles om hem heen
beweegt in een
systeem, waaraan
hij ontbreekt.

Toch kan hij
nooit ontkomen
zijn aan zijn
omgeving.

 

DE VRAAG
(gesloten begraafplaats)

Wat rest nog
een overschot aan tijd?
Donker ligt gebeente

onder ingelijfd gesteente,
dat zich traag verweert
tegen de vergank'lijkheid -

zerken gaan ter ziele.
Maar eeuwig herstelt zich
de vraag.

 

God draagt alles.
Leven in liefde is altijd mogelijk.
Haar te zien is helemaal volkomen.

ą
Ikje Ergens,
1 jul. 2013 07:42
ą
Ikje Ergens,
14 jul. 2013 14:03
ą
Ikje Ergens,
1 jul. 2013 07:41
ą
Ikje Ergens,
1 jul. 2013 07:59
ą
Ikje Ergens,
1 jul. 2013 07:42
ą
Ikje Ergens,
1 jul. 2013 07:57
Comments