Straatnamen

Al in de late middeleeuwen bood het ontgonnen gebied rond Berkel en Rodenrijs de reiziger een aangename route om van Rotterdam naar Delft te reizen. De weg voer via Hillegersberg langs Bergschenhoek naar Berkel, Pijnacker en Delfgauw. Ook kon men vanuit Rotterdam via de Doenkade en de Rodenrijseweg naar Delft of Zegwaart en Zoetermeer. Langs deze belangrijke doorgaande routes stonden dan ook vele boerderijen en herbergen.

Berkel en Rodenrijs was hierdoor zo langgerekt dat men het in zogenaamde “stocken” had verdeeld. Zo waren er de Rodenrijsestock (de huidige Rodenrijseweg) en de Kerckestock, het gebied rond de oude dorpskerk. De Noordeindestock (de Noordeindseweg) liep van de Driesprong bij Zoetermeer tot halverwege de huidige Noordeindseweg. Het resterende stuk tot de dorpskom werd de Molenstock genoemd, naar de daar ooit aanwezige korenmolen. Sinds die molen in de 80-jarige oorlog was verbrand wordt dit gebied ook wel Spaanse Buurt genoemd. Een aantal markante plekken uit de 20e eeuw hebben ook –zij het in de volksmond- namen gekregen. Voorbeelden zijn de Rooie Brug, de Machienbrug, Siberie en de Bocht van Van Rijn.

Op oude kaarten vindt je nog meer namen die al lang in de vergetelheid zijn geraakt en namen die nu nog bekend voorkomen.

Op de beroemde kaart van de gebroeders Kruikius uit 1712 zijn er velen te lezen. De historie achter zo’n naam is nu vaak niet meer te achterhalen, tenzij het “gebruiksnamen” zijn zoals Voersloot, Keursloot, Sliksloot, Middeltochtsloot en Kerksloot.

Andere namen zijn moeilijker te verklaren wanner je leest Quakelsloot, Bijtebiertjessloot, Slimme Camp, Schoonstede (-sloot), de Zijde en de Zijpe.

Straatnamen werden in deze gemeente te pas en te onpas uitgedeeld.

Pas 6 á 7 jaar geleden is er een lijn ingekomen, toen een straatnamencommissie werd benoemd. Vòòr 1950 waren er in Berkel en Rodenrijs nog niet zo veel straatnamen.

Het dorp: bestond uit de Herenstraat, Kerkstraat, Kerksingel, Nieuwstraat, Ds.van Koetsveldsraat, Berkelseweg, Westersingel.

Het Noordeinde: Noordeindseweg, Vogelaarstraat, Noordersingel, Meerweg, Middelweg, Pastoor Verburghweg, Strikkade, Kleihoogt, (vroeger Oude weg genaamd), Pissenkade (voetpad)

Het Zuideinde: Rodenrijseweg, Sportlaan, Bonfut,(vroeger voetpad), Zwarte weg, Zwarte pad, Stationsweg, Landscheidingsweg, (nu: Doenkade) Zuidersingel, Laan van Koot, Molenweg, Tuinpad, Zwetkade, Molenkade, Combinatieweg (Boezemweg).

En meer westwaarts richting Pijnakker: Klapwijkseweg, Leeweg, Meerweg en Westpolder.

Rond 1952/53 werd het dorp voor de eerste maal uitgebreid, en wel met de straatnamen van koninklijke huize: Oranjestraat, Wilhelminastraat, Julianastraat, prins Bernhardlaan, Beatrixstraat, Irenestraat, Margrietstraat, Marijkestraat, Emmastraat, aangevuld met de Weth.Schipperstraat, Burg. Grundemannstraat, Egmondstraat, De Wildert en De Vaert. Het flatje aan de Wilhelminastraat tussen de Oranjestraat en de Julianastraat wordt door oude Berkelaren nog steeds de nieuwbouw genoemd.

N.B. Echter wordt door diverse bewoners aangeven reeds hun huis te hebben betrokken in de Julianastraat en de Oranjestraat in 1949 en 1950.

Rond 1956 werd de Anjerdreef aangelegd, deze begon op de Rodenrijseweg bij de boerderij de “Klokkenwoning” (fam Olsthoorn) en liep langs het huidige Park Rodenrijs en eindigde weer op de Rodenrijseweg bij de “Hazenwoning” (van Winden), hier werd toen de Bloemenbuurt gebouwd.

Tussen 1958/59 werd er in Rodenrijs een nieuw wijkje gebouwd nl : De Vosmaerstraat, van Heesplein en de Rosemondsingel.

Rond 1959 /1960 werd de uitbreiding van het dorp doorgezet met de straten Coornwinderlaan, Ruijterstraat, Luijtensstraat, Huijgenslaan, Van Aalststraat, Verveenstraat, Rippingstraat, Krugerlaan, Langeveldstraat, Erberveltplein en Erberveltstraat, Montignylpein en Montignystraat, v.d.Voortstraat, Dr.Vlamingstraat, Van Naeldwijcklaan, Milliadaplein, Past. Velthuysestraat.

Componistenbuurt: Hier werd in 1970 met de bouw begonnen, hier werden internationale en nationale componisten met een straat vereerd. We noemen de Andriessenstraat, Anrooystraat, Diepenbrockstraat, Pijperstraat Zweersstraat, Lisztstraat, Brahmsstraat, beethovenstraat, Handelstraat, Schumanstraat, Wagnerstraat, Verdistraat, Sweelinckstraat, Bachplein, Mozartplein, Berliozplein, Schubertplein, Wagenaarplein.

Edelsteen buurt: Ook rond 1970 is men hier met de bouw begonnen, met de Edelsteenweg als hoofdweg, vervolgens Agaat, Diamant, Robijn, Saffier, Opaal, Smaragd, Spinel, Topaas en Veldspaat.

De Sterrenwijk: met de bouw werd in 1971 aangevangen, op 1 oktober 1971 is de eerste paal gelagen door prins Claus. Er werd voor het eerst in clusters gebouwd. Langs de Sterrenweg, kwamen vervolgens de Orionstraat, Poolsterstraat, Grote Beerstraat, Mercuriusstraat. Met vanaf de Planetenweg, de clusters van de Planeten, Jupiter, Saturnus, Venus, Pollux, en Castor.

Met de bouw van de Wilgenlaan, Berkenlaan, Beukensingel, en Lindenlaan, is rond 1967 gestart, hier liggen ook de Kastanjestraat en –Plein, de Prunusweg, Spireastraat, Ribesstraat, Magnoliastraat, Forsytiastraat, en Rododendronstraat. Zo is er dus ook een bomenbuurt.

Rond 1980 –1982 is men in zuidelijke gedeelte van de Westpolder (–4,9 NAP), tot aan de tocht, begonnen met de aanleg van de Roofvogelweg een zijweg van de Anjerdreef. Later is deze weg Vogelweg gaan heten, daar er in de “Vogelbuurt” ook andere vogels dan roofvogels werden benoemd. We noemen: Condorweg, Buizerdhof, Arendshof, Havikenhof, Uilenhof, Sperwerhof, Valkenhof, Blauwborst, Tapuit, Ooievaar, Kemphaan, Korhoen, leeuwerik, Watersnip, en Grutto.

In het noordelijke gedeelte van de Westpolder (–5,0 NAP) is de woningbouw begonnen rond de jaren 1990. Dit is de Weidebuurt geworden, waar alleen weidebloemen als straatnaam voorkomt zoals, Ranonkelweg, Ranonkelpad, Weegbreeplantsoen, Zilverschoon singel, Boterbloemstraat, Koekoeksbloemstraat, Zwanebloemstraat, Pinksterbloemstraat, Sleutelbloemstraat, Speenkruidstraat, Pijlkruidstraat, Pijlkruidpad.

Voor de fietsers is deze wijk ontsloten met de bouw van de Weidebloemtunnel, onder de Klapwijkseweg en vaart door.

Inmiddels is men in de Meerpolder gestart met de woningbouw i.v.m. de VINEX.

Ron Tousain en Johan Koot, 2004

Verklaring van historische straatnamen in Berkel en Rodenrijs

Straatnamen in Nederland en Berkel en Rodenrijs

Mw. dr Els Ruijsendaal

Samenvatting van de lezing die gehouden werd tijdens de oprichtingsvergadering op 1 november 2004.

Als mensen zich ergens vestigden, het begin van de nederzettingentijd dus,gaven ze de plaats waar ze woonden aan door die plaats met de toen bekende woorden, aan te duiden: over de berg (Overberg), over de akker (Overakker), ter heiden (Terheijden), als de waterwerken hun beslag krijgen, woonden men an de dijk (Andijk).

Binnen de gebieden staan boerderijen en waar het nu om gaat, vooral de ruimte tussen de boerderijen en huizen.

Daar loopt men achterom naar de andere boerderij. Het karakter ervan is ook meteen duidelijk: in veel gevallen is het ook een informele naam gebleven.

Het taalkundig uitgangspunt is in principe een absoluut helder uitgangspunt: de namen zijn niet bewust gegeven door de vroegste taalsprekers, zij zijn ontstaan in gebruik! Niemand noemt een straatje een molensteegje als er geen molen te bekennen is; niemand kan toch een straat die naar de kerk liep, weidestraat genoemd hebben; niemand had het over achterom als hij voor iets langs liep. De naam, als je die tenminste op de juiste manier kunt achterhalen, geeft dus een heldere indicatie omtrent het ontstaan, de eerste fase.

De taal verandert voortdurend: veranderende en nieuwe klanken, nieuwe woorden, zelf gemaakt of geleend, nieuwe structuren van de woorden en de zinnen. Namen veranderen dus ook, maar minder en op een andere manier.

Het maakt namen tot een onmisbare, maar daarom nog niet altijd betrouwbare, getuige van vroeger leven.

Ik had dit verhaal anders moeten beginnen: stel je voor dat mensen zich vestigen in een veenlandschap of in de polder, dan kunnen ze dat alleen doen op hoger land.

Een dam of een dijk (Rotterdam, Schiedam, Bovendijk enz.) van Het Hoge Land, van de Kleihoogt, wat het zuidelijke deel betreft, tussen bocht van de Ruivensche Vaart en de Meerweg de oudste polderweg is, op grond van het feit dat de slotengraverij eraan aangepast is geweest, en dus niet voor niets d’Oude Wegh heet.

Voor Berkel en Rodenrijs is het van belang te weten wat deze namen precies betekenen.

Roderinse komt voor in een stuk uit 1130-1161, dat ± 1420 gekopieerd is; in 1156 zien we Roderisa.

Let wel, zonder –n. De huidige stand van zaken houdt het op een kleuraanduiding in het bijvoeglijk naamwoord en rijs als ‘rijshout, takken’. In Rijs, Rijsbergen, Rijswijk, Rijsenburg enz. zien wij hoe veelvuldig dit materiaal genoemd wordt.

Waarom dan Rodenrijs met een –n? Wij hebben heel veel aardrijkskundige namen in een naamval, want dat zijn in het gesprek, in de aanduiding de meest voorkomende woordvormen: u bevindt zich altijd in, op of bij iets, u reist naar iets, u komt van iets. In, op, bij, naar, te, van hebben de derde naamval bij zich (Terschelling, vandaar ook Den Helder, Den Haag, Kortenhoef. Rodenrijse daar moet je je in bevinden, daar kom je vandaan en dan gebruik je een derde naamval.

Met Berkel zien wij een aaneengroeiing van berk en lo. Berk komt in veel samenstellingen voor: Berkhout, Berkenwoude enz. En over lo hebben wij het al gehad. Bos speelt in beide namen een rol en dat kan ten tijde van het ontstaan ook heel goed kloppen. De naamkunde drijft voor een groot deel op veldnamen.

Veel woonplaatsen of straat- en pleinnamen komen daaruit voort. Denk aan de wijze waarop een stad zich uitbreidt: boeren worden weggewerkt: de stad slorpt het boerenland op met woningbouw. De boer is definitief de buur geworden: het is hetzelfde woord: buur/boer betekent huis en de buurt geeft aan dat het een kleine huizengemeenschap is: de plaatsjes die Buren heten, of Kloosterburen, Siddeburen, of Ten Boer, Boerdijk, Oosterboer: het zijn allemaal woningen bij elkaar die een boerschap of buurschap vormen. Als de stad ze heeft opgevreten, zijn ze een buur of buurt in de stad.

Berkel en Rodenrijs bestaat uit lintbebouwing, die door bewoning en functie wel een centraal gedeelte heeft.

Berkel en Rodenrijs ligt landinwaarts, achter de strandwallen, waarachter in het zich verzoetende water van de strandmeervorming (met eilandjes) planten gingen groeien. Het afsterven van planten veroorzaakt een veenlaag.

Het hoge water bracht zand en klei mee, die de natuurlijke rand ervan vormden. Deze oeverwallen rond veen werden al heel vroeg bewoond. De Rotte en de Oude Leede zijn van die oude veenstromen overgebleven.

Beantwoorden latere benamingen daaraan? Natuurlijk: woorden als dijk en dam, verlaat en plaat zijn overal terug te vinden en dus ook van de beschermingen daaromheen van klei en zand: Dijkweg (dijk), Rotterdam, Wildersekade, Leede enz. Bewoning kwam op de oeverwallen en de ontginningen kwamen op gang: het bos ging wijken.

Hoe meer organisatie, des te meer ontginning. Als via versterkte hofboerderijen verdere hoeven met de ontginning bezig waren, was het natuurlijk nodig water voor het achterland tegen te houden. Men legde dijken aan, in de Schie werd een dam gelegd. De Oude dijk, tussen Kleiweg en ’s-Gravenweg, werd uitvalsbasis voor meer bescherming tegen het water.

Sloten en dijken eromheen: zo wordt in veen gewerkt. Het droogleggen van veen zorgde voor bewoningsmogelijkheid en voor turf. Voor Rodenrijs was de sloot tussen Oude Leede en Rodenrijsekade het startpunt, voor Berkel de Oude Leede. Zo kom je dus in de straatnamen van Berkel en Rodenrijs terecht.

De Oude Leede: lee, leide, lie, liede, van oudned. leitha = waterloop, bij het ww. lijden, leiden (doen gaan, voeren).

De Schutsluis, in de Berkelse Zweth: de hoeveelheid gras die in één keer met de zeis kon worden afgemaaid, heette in het Mnl. swade, swat en werd daarmee tot een landmaat en dus werd het ook wel een veldnaam: dat swatland – dat land van swatgrootte, vgl. Zwetakker (bij Andijk).

De negen Swaadt is zo’n voorbeeld (Oudwaterlands). Via een afleiding sweththe is het ook grens gaan betekenen.

De Zwethsloot heeft dus met maten van het land te maken, wellicht de breedte van de sloot.

Kerksloot is duidelijk, kerkcingel ook. Kerkheul en Leeheul: waternamen heul, hoel, hool: overdekte doorgang door water, een duiker, ook wel brug.

Kwakel is een hoge, smalle brug. Klapwijk een klaphek slaat dicht met een klap, een klapbrug insgelijks.

Veldnaam Klapwijkse hek van de tol, die naar de meren 'Meerhek’ genoemd werd. Stock = veenstok

De Wildert de wildernisse, natuurlijk maar evenzoveel een waternaam.