Berkel(olie)veld



Op de foto links zien we de Doenkade richting Bergschenhoek, genomen vanaf het kruispunt met de Oude Bovendijk.
Bij de witte tank links stond de boortoren van een van de eerste drie Berkelputten.
Op de kaart rechts zien we de Oude Bovendijk en ook de Doenkade die hier nog met een behoorlijke bocht loopt.
Het latere "rechtdoor"-traject is hier reeds wit ingetekend.  De ja-knikker staat met een symbool aangegeven langs de weg (onder het woord Zuidpolder).  Er is overigens een tweede ja-knikker rechts daaronder ook ingetekend.
(bron: foto's via Aad van Herk)

De Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) ontdekte het Berkelveld begin jaren vijftig van de vorige eeuw en sloeg er in 1953 de eerste drie putten, Berkel 1-2-3. Dat was niet op de locatie in Rotterdam, maar enkele kilometers noordelijker, op het grondgebied van de toenmalige gemeente Berkel en Rodenrijs, nu deel uitmakend van de gemeente Lansingerland.
Berkel 1 was langs de Provincialeweg bij de Oude Bovendijk (zie kaartje rechtsboven), Berkel 2 zat in een park in Schiebroek, Berkel 3 was op het vliegveld en Berkel 4 t/m 26 worden nu geabandonneerd en zitten langs de van Hoogendorpweg in Rotterdam.


Berkelveld boringlocatie BRW-1 in 1971

Die eerste drie putten leverden crude (ruwe olie) op die NAM met tankwagens via doorpompstation Vlaardingen transporteerde naar Shell in Pernis.
Het bedrijf stopte deze putten rond 1996/1997 en abandonneerde ze medio 1998.

Abandonneren is NAM-jargon voor: installatieapparatuur verwijderen, putten veilig afsluiten en het terrein terugbrengen in oorspronkelijke staat.

 

Oliewinningsinstallaties krijgen doorgaans de naam van de eerste put die er geslagen wordt.
Wat de naam Berkel-4 verklaart voor de locatie waar NAM vanuit Schiebroek nieuwe putten sloeg in het Berkelveld, dat deel uitmaakt van de zogeheten Rijswijkse winningsvergunning.

Ook veel andere velden in Zuid-Holland, zoals Rotterdam en Botlek, vallen binnen deze vergunning.

De jaknikker, zoals wij die kennen, is een variant op de uitvinding van ene Walter Trout. Niet die van de (blues)band met dezelfde naam, hoewel dat wellicht een nazaat is, maar de Walter Trout die begin 20e eeuw werknemer was bij een machinefabriek in Oost-Texas.

Tot die tijd pompten olieboeren het zwarte goud veelal omhoog met pompen, voor het grootste deel gemaakt uit hout, die een horizontale beweging omzetten in een verticale.
De ingenieuze pomp die Trout in 1925 ontwierp, beweegt verticaal, maar werkt ook nog eens met een contragewicht, waardoor de efficiency van het pompen enorm toenam.

Over functie en werking van een jaknikker (beam pumping unit) bestaan weleens misverstanden.

De jaknikker zelf is het zichtbare gedeelte van een ondergronds mechanisch pompsysteem dat in een olieput is geïnstalleerd. Dit pompsysteem is een zogeheten plunjerpomp (sucker rod pump).
Die bevindt zich onder in de olieformatie en is met een stangenstelsel (sucker rod string) verbonden aan de jaknikker. De jaknikker zorgt ervoor dat de plunjerpomp de noodzakelijke op- en neergaande beweging kan maken.

Binnen een jaar was de eerste pump jack van Trout aan het werk op een Amerikaans olieveld en was de opmars van de innovatieve jaknikker niet meer te stuiten. In Nederland mag zijn rol zijn uitgespeeld, net over de grens in Duitsland staan er nog verschillende in de VS zelfs nog tienduizenden.
Ook bestaan er diverse fabrieken die nog steeds nieuwe jaknikkers produceren.

NAM ging van start met Berkel-4 in 1984. In totaal boorde zij op deze locatie 25 putten, waaruit de nu werkloze jaknikkers olie oppompten uit een aardlaag op zo’n 1.400 meter diepte.
Voor de olie die zij won, bouwde NAM een behandelingsinstallatie – Berkel ROV (Ruwe Olie Verwerkinginstallatie). De ROV ligt een kleine kilometer ten westen van Berkel-4. Deze installatie ontdeed de ruwe olie van het water uit de grond-formatie en pompte die vervolgens via een pijpleiding naar de raffinaderijen in Pernis.

In de dertig jaar waarin NAM olie won uit Berkel-4 leverde dat zo’n 26 miljoen vaten op. In een olievat gaat 159 liter olie, wat betekent dat in Schiebroek een plas van meer dan vier miljard liter van het zwarte goud is opgepompt. Daarmee zijn zo’n 1.650 zwembaden van Olympische afmetingen te vullen.

 

Veel olie, maar toch ‘slechts’ 44 procent van de hoeveelheid crude die het veld bevat.

NAM onderzoekt of daarvan nog meer te winnen valt. Als het antwoord positief is, zal zij dat niet doen vanaf de Berkel- 4-locatie. De aardoliemaatschappij geeft namelijk na het abandonneren deze weer terug aan de Rotterdamse deelgemeente waarvan NAM het huurt. De gemeente wil het huurcontract, dat loopt tot 2018, niet verlengen. In feite is dat de belangrijkste reden dat NAM de winning er stil legt. Hillegersberg-Schiebroek heeft andere plannen met de grond, al is nog niet bekend wat er dan mee gaat gebeuren.

 

Als NAM vermoedt dat er inderdaad mogelijkheden zijn om nog meer olie uit het veld te halen, dan zal zij dat waarschijnlijk doen vanaf eerdergenoemde behandelingsinstallatie ROV. De plannen zijn in ontwikkeling om vanaf daar olie te winnen uit een dieper gelegen olievoerende laag in het Berkel-veld. Daarbij zal de aardoliemaatschappij geen jaknikkers inzetten, maar een nieuw type pomp. “Waarom zouden we dat eigenlijk doen?”, was de retorische vraag die Van de Leemput stelde tijdens de sluitingsceremonie. “We gaan als samenleving toch helemaal over op hernieuwbare energie?” Hij beaamde dat de ontwikkelingen op dat vlak erg hard gaan, maar dat we het daarmee vooralsnog niet zullen redden. Volgens de NAM-directeur groeien de wereldbevolking en de vraag naar energie zo hard dat ‘we nog tientallen jaren fossiele brandstoffen zullen moeten winnen’.

 

De Jaknikkers in Schiebroek verdwijnen niet naar de schroothoop. Voor zeker drie van deze ‘symbolen van de olie-industrie’ is al een bestemming gevonden. NAM heeft zelf al een jaknikker staan bij het kantoor in Assen en in Schoonebeek prijkt er een midden in het dorpscentrum. Voor de jaknikkers van Berkel-4 is al interesse getoond door diverse partijen. De deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek zou er wel ergens een willen plaatsen. Het regiokantoor van NAM op het terrein van Shell in Pernis wil er ook wel een voor de deur. En een verhuist er naar het Openluchtmuseum in Arnhem om daar aangedreven door een motortje nog jaren door te knikken.

 

Nog negen stuks stonden er gestaag te knikken, op de NAM-oliewinninglocatie Berkel-4 in de Rotterdamse deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek. Met een druk op een knop schakelden NAM-directeur Bart van de Leemput en lid dagelijks bestuur deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek Chantal Zeegers vrijdag 30 augustus alle elektromotoren uit van deze laatste jaknikkers van Nederland

 

Het opruimen van Berkel-4 gebeurt in drie fasen: voorbereiding (jaknikkers en installatieapparatuur weghalen), buizen eruit halen met een boorinstallatie, en hierna het terrein opruimen. Bepaald geen experiment voor NAM, het bedrijf heeft de afgelopen jaren al vele locaties in Nederland geabandonneerd. Om overlast voor de omgeving zoveel mogelijk te voorkomen, heeft NAM een heel scala van (geluidsbeperkende) maatregelen getroffen. Zoals het gebruikmaken van de stilste boorinstallatie, op rails (om niet steeds te moeten afbreken en weer opbouwen), een tien meter hoog geluidscherm, constante geluidmeting om binnen de norm te blijven en het voorkomen van vrachtverkeer door de naastgelegen woonwijk. Ter illustratie: voor het aan- en afvoeren van alle materialen voor de boorinstallatie zijn zo’n 100- 110 vrachtwagens nodig. Daarnaast zijn voor het geluidscherm van 165 meter 35 vrachten nodig. Als de boorinstallatie in bedrijf is, zijn er ongeveer vijf tot acht transportbewegingen per dag, afhankelijk van de fase waarin het project zich bevindt.

 

Nu staan er nog negen ja-knikkers op Berkel-4. Van de 25 putten die er ooit zijn geboord – die zijn niet allemaal in productie genomen – zijn er nog 22 over. Daar zijn olieputten bij, maar ook ‘injectieputten’. Via die laatste putten gaat het zogenoemde ‘formatiewater’, dat de jaknikkers met de olie mee omhoog pompen, terug het veld in. Bij een nieuwe put pomp je vrijwel alleen olie op. Hoe langer een put in productie is, hoe meer formatiewater er mee omhoog komt.

 

Na het gereedmaken van de 22 putten en aanpassing van de locatie komt de ‘boorinstallatie’. Daarmee boren ze de cementen verbuizing, per put zo’n 1.300 tot 1.400 meter, er uit. Ook proberen ze de pijpen zo veel mogelijk terug te winnen. Het metaal reinigen ze en gaat naar de schroothandel, want daar kunnen ze niets meer mee.”

Gelijktijdig gaan cementpluggen in de putten, op drie verschillende diepten, die voorkomen dat er olie of andere (vloei)stoffen omhoog kunnen komen. Om zeker te stellen dat de verbinding met de oliehoudende laag helemaal dicht is, volgt na het zetten van iedere plug een observatieperiode van drie maanden. Volgens de projectleider kunnen de pluggen in lengte variëren van zo’n 150 tot 250 meter. Eind 2016 is de boortoren klaar met zijn werk.

 

Daarna komt de fase van sanering. Ze hebben nagenoeg alles in kaart gebracht. Overal staan peilbuizen en we monitoren jaarlijks hoe de locatie erbij ligt. Ze kennen de grondwaterbewegingen en ze hebben diverse onderzoeken laten doen om te weten wat er ondergronds aan de hand is. Dat breiden ze nog uit omdat de ontruiming nu werkelijkheid wordt.
Het saneren gaat in overleg met onder anderen Staatstoezicht op de Mijnen (SODM) en een aantal overheidinstanties. En in overeenstemming met de daarvoor bestaande verplichtingen.

 

Men gaat terug naar de oorspronkelijke situatie zoals die was toen ze het veld kregen en in overleg met de gemeente gaan ze verder afstemmen hoe ze het terrein opleveren. Na de oplevering in 2018 kan de gemeente hier in principe doen wat ze wil. Is er nog geen bestemming dan volgen ze de standaardprocedure. Wat inhoudt dat ze zo’n drie meter onder het maaiveld de casing (het omhulsel waardoor de pijpen in de put zijn gebracht/ red.) afsnijden. Dan komen ze de eerder aangebrachte cementplug tegen en daar lassen ze een plaat op. Ze brengen exact in kaart wat ze hier achter laten. Zodat precies bekend is waar de putten zaten en op welke diepte we de casing hebben afgesneden.

 

(Bron: Shell)

 

                                                                            Locatie Berkel-4 in 1984

 

 

IN MEMORIAM BRK-10 (1957-2013)

 

Ook afgedankte apparaten hebben recht op een in memoriam. Hommage aan de laatste jaknikker van Nederland.

 

Arbeidsethos en plichtsbesef, gegoten in olijfkleurig staal: zo kun je de laatste jaknikker van Nederland gerust typeren. Niet gehaast, niet aarzelend, maar vastbesloten en gestaag liet hij meer dan een halve eeuw lang zijn paardenkop op en neer gaan. Over zijn jongere jaren is weinig bekend. Wel staat vast dat de firma Thomassen in het Gelderse plaatsje De Steeg hem vervaardigde in 1957. Met een gewicht van tien- tot twintigduizend kilo behoorde hij tot de middenklasse van de Nederlandse jaknikkers.

 

 De firma Thomassen was vaste leverancier van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM). Deze werd in 1957 opgericht om zoveel mogelijk aardolie in de Nederlandse bodem te vinden en omhoog te halen. De zoektocht naar olie leidde eveneens tot de ontdekking van grote gasvoorraden, die een belangrijke pijler van de naoorlogse Nederlandse economie zouden worden. Maar toen de jonge jaknikker in de zomer van 1957 naar Schoonebeek werd verscheept, stond niemand daar nog bij stil.


Zijn huidige naam, BRK-10, kreeg de jaknikker pas op zijn 23ste. De NAM plaatste hem toen op een winningslocatie bij de Rotterdamse wijk Schiebroek, Berkel-4 geheten.
'Berkel' verwijst naar de naam van het olieveld, Berkelveld, dat zich in een aardlaag bevond van ongeveer 1.400 meter diep.
De BRK-10 kwam met 21 andere jaknikkers op het driehoekige terrein te staan.

 

Dagelijks pompte de BRK-10, samen met de andere jaknikkers, gemiddeld ongeveer 100 kubieke meter olie omhoog. Hij functioneerde zonder noemenswaardige mankementen, laat staan onvoorspelbaar uitvalgedrag.
Voor zijn regelmatige zuigbeweging had hij geen complexe elektronica of slimme software nodig.
Een elektromotor en een robuuste tandwielkast vormden zijn kloppend hart; het drijfwerk, wat contra-gewichten met drijfstangen en de pompstang aan de paardenkop waren zijn dag en nacht doorwerkende ledematen.
Via de christmastree (de afsluiting van het boorgat die in de verste verte niet op een kerstboom lijkt) stroomde de opgepompte olie naar een reservoir.

 

Toen zijn einde naderde, had de BRK-10 met zijn collega's van Berkel-4 meer dan 4 miljoen kuub olie uit Berkelveld opgepompt. Ze haalden echter steeds meer water met de olie omhoog en bovendien liep het huurcontract van de NAM met de overheid af. De jaknikkers moesten weg.

 

Op 30 augustus 2013 kwam NAM-directeur Bart van de Leemput met een bestuurslid van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek naar de locatie om deze officiëel te sluiten. Negen jaknikkers waren toen nog in gebruik.

 

Op dat moment toonde de BRK-10 zijn grootse aard: hij ging gewoon door met jaknikken. Waarmee hij eigenlijk, voor het eerst in zijn bestaan, een imposant 'nee schudden' liet zien. Pas ruim een maand later, op 2 oktober om 15.00 uur, trok een NAM-medewerker ook bij hem de stekker eruit. De BRK-10 knikte voor de laatste keer ja en liet zijn paardenkop voor altijd zakken.

 

Vanaf medio mei staat de laatste jaknikker van Nederland opgebaard in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem.

 

(Bron: De Volkskrant, 2014)