3. Zelfverwezenlijking

Ieder biologisch groeiproces vertoont niet alleen enkele min of meer duidelijk te onderscheiden perioden, maar ook een gestadige voortgang naar een toestand van volle wasdom of volwassenheid. Met het woord ontplooiing wordt aangegeven, dat alles wat tenslotte bereikt wordt, als mogelijkheid van het begin af aanwezig geacht wordt.

Hoe het hoogtepunt van deze ontwikkeling, ontplooiing of verwezenlijking er uit zal zien, hangt af van drie factoren:

a. De kwaliteit en de begrenzingen van de aangeboren mogelijkheden;

b. De bevorderende en remmende invloeden van het milieu waarin de ontwikkeling plaats vindt.

c. De groeikracht.

Over een geestelijk groeiproces valt in eerste instantie ongeveer hetzelfde te zeggen. Omdat dit echter een menselijke ontwikkelingsgang is, valt er een dimensie meer te signaleren, namelijk die van het menselijk bewustzijn. Het menselijk bewustzijn is een andere soort 'van de dingen afweten' dan het instinctieve weten van bijvoorbeeld de trekvogels. Het levert de vierde factor, namelijk:

d. Het besef bij de eigen ontwikkelingsgang betrokken te zijn.

Dit besef stimuleert tot het verlenen van zin aan het leven, het toekennen van waarde, het stellen van doelen, het vatten van moed en het organiseren en uitvoeren van de reis.

Hoe uiteenlopend dit besef gebruikt wordt, blijkt niet alleen uit de vele levensstijlen die we te zien krijgen, maar ook uit de verscheidenheid van benamingen onder welke ons de zelfverwezenlijking wordt aangeboden, zoals zelfverwezenlijking, geluk, zaligheid, extase.

Vaak worden zulke idealen zonder veel schroom vervangen door maatschappelijke doelstellingen als positie, rijkdom, macht en populariteit. Hoe zulke doelen ook worden aangeboden, moeilijk te verbergen blijft, dat een mooie vlag niet altijd een goede lading dekt. Wat bijvoorbeeld wordt aanbevolen als verruiming van het gewaarworden, versterking van de assertiviteit, het toelaten en uiten van gevoelens, kan onder bepaalde omstandigheden de geestelijke groei belemmeren.

Als een redelijk ontwikkeld gemeenschapsgevoel aanwezig is, maar als de communicatie met de realiteit toch niet optimaal verloopt, kan een bezinning op en een training in betere technieken de communicatie verbeteren en de zelfontplooiing bevorderen. Zijn er echter sterke minderwaardigheidsgevoelens aanwezig, zodat alleen sterke overcompensaties helpen kunnen, dan krijgt al het gedemonstreerde een ander gezicht. Gevoeligheid wordt dan prikkelbaarheid, kwetsbaarheid, angst of sentimentaliteit. Gevoelsuitingen gaan verwijdering teweegbrengen in plaats van communicatie en toenadering. Ze gaan kwetsend werken, soms onbewust als bij het enfant terrible, soms halfbewust als bij de hystericus, die meer gevoelens speelt dan hij werkelijk in huis heeft, soms bewust als bij de egoïst, die met gevoelsuitingen manipuleert ten eigen bate.

Gewaarwordingtheorieën en trainingen kunnen gesteund door een ontwikkeld gemeenschapsgevoel ogen en oren openen voor bijvoorbeeld de taal van het lichaam: zijn organen, zijn houdingen, zijn bewegingen en gevoelens. Zonder dit gemeenschapsgevoel worden deze ervaringen louter in dienst gesteld van de compensatie van het minderwaardigheidsgevoel. De gevolgen tonen zich dan als vlucht in dagdromen of in egotripperij, al of niet met drugs of met een goeroe.

Terwijl de mens met een gezond gevoel van eigenwaarde kan genieten van de oasen en bergtoppen, ook nadat hij ze heeft verlaten, zal de ontmoedigde en dus egocentrische mens in zijn topervaringen willen blijven wonen, wat een krampachtige toestand oplevert.

Evenals dit bij het ideaal van de veiligheid het geval is, ligt ook bij het ideaal van de zelfverwezenlijking de impasse op de loer als men duidelijk voor de onmogelijkheid komt te staan zijn idealen dichter te benaderen. We zien dan twee pogingen om aan deze impasse te ontkomen.

De eerste poging is die van de godsdienstige mens. Zelf noemt deze het de volledige overgave aan God, die of als beloning of uit genade deze beide idealen vervult. Aan de niet-godsdienstige mens komt het voor, dat de gelovige zich een fictieve God heeft geschapen om zich zo te verzekeren van veiligheid en zaligheid.

De tweede poging is die van de humanist. Hij ziet het ideaal niet als een thuishaven die je bereiken moet om aan een totale ondergang te ontkomen, maar als een vuurtoren, die wel een richting aangeeft, maar niet bereikt moet worden. Omdat hij niet gelooft in een hiernamaals of in het eeuwige leven noch voor de individuele mens noch voor de mensheid in zijn geheel en omdat hij ook niet gelooft in het volmaakte, moet hij het doen zonder de hoop erop. Dat betekent niet dat hij daarom behoeft af te zien van het streven ernaar. In het vocabulaire van de humanist kunnen woorden als eeuwig, voor altijd, volmaakt, volkomen zeker aanwezig zijn als bruikbare ficties.

Voor wie zich onderweg voelt naar een grotere vrijheid met een daardoor groeiende verantwoordelijkheid, zijn de vragen naar persoonlijke veiligheid, volmaaktheid en zaligheid minder belangrijk dan de vraag naar bevordering van het welzijn van de mens en gemeenschap voor een zo lang mogelijke termijn. Te erkennen en aanvaarden dat deze termijn zowel voor de individuele mens als voor de menselijke gemeenschap eindig is, vraagt moed. Deze moed kan men zichzelf en anderen niet aanpraten. Moed kan men scheppen, vatten, doorleven. Deze moed tot onvolkomenheid behoort tot het domein van de 'common sense', ontkent de risico's niet, maar aanvaardt ze als erbij behorend.