Ontstaansgeschiedenis omgeving Nijmegen

We boffen in Nijmegen om in een omgeving te wonen die landschappelijk zeer interessant is. Kort bij elkaar zijn hier wel vijf landschapstypen te onderscheiden.

 

1.    Het rivierenlandschap. (De Ooijpolder)

2.    Het stuwwallenlandschap.(De Duivelsberg)

3.    De spoelzandvlakte. (Heumensoord)

4.    Het tongbekken. (Het tongbekken van Groesbeek)

5.    Het rivierduinengebied. (Van de Hatertse en Overasseltse vennen)

Het landschap is gevormd door de natuur en de invloed van de mens. Voor het ontstaan van het landschap in de omgeving van Nijmegen is de ijstijd belangrijk geweest. Zo’n 200.000 jaar geleden werd het klimaat op de aarde veel kouder. Het ijs van de Noordpool breidde zich toen veel verder naar het zuiden uit. Dit ijs kwam net tot in Nijmegen. Een ijstong heeft  het tongbekken in Groesbeek gemaakt. Het ijs heeft de stuwwal bij de Duivelsberg opgeworpen. Toen het ijs afsmolt is de spoelvlakte van Heumensoord ontstaan. Voor en na de ijstijd was het hier ook er koud. De rivieren de Rijn en de Maas  gedroegen zich toen anders dan nu in een zachter klimaat. In die tijd  is de basis gevormd voor het rivierengebied van de Ooijpolder en de Hatertse en Overasseltse vennen.

De landschappen in Nederland zijn geen zuivere natuurlandschappen meer De landschappen die wij hier kennen zijn een gevolg van de natuur én het doen laten van de mens.  Niet in de laatste plaats denken we bij dat menselijk handelen aan negatieve zaken zoals vuilstortplaatsen, autokerkhoven etc. Er zijn echter ook positieve kanten. Met name het Nederlandse landschap is door de mens veel afwisselender gemaakt dan het van nature was. Vooral het werk van de boer is daarbij belangrijk geweest. Denk bijvoorbeeld aan boomsingels en heggen als perceelsafscheidingen. Zo ook  de toenemende soortenrijkdom als gevolg van het telkens afmaaien van het gras, de ontwikkeling van heidegebieden, het voorkomen van karakteristieke boerderijen met erfbeplanting, knotwilgen langs de sloten. Het zijn allemaal landschapselementen die we mooi vinden en die er niet zouden zijn zonder het werk van de boer. Het zijn tevens landschapselementen die onderhouden moeten worden.

Men stelt wel dat rond het jaar 1900 het landschap in Nederland optimaal was en dat het daarna bergafwaarts is gegaan. De eisen die een modern economische bedrijfsvoering stelt aan de boer doen hem grijpen naar middelen die het landschap verarmen.

Door ruilverkaveling verdwijnen karakteristieke heggetjes en weggetjes. Drainage verbetert de grondwaterstand, hierdoor verdwijnen plassen en poelen, maar ook hun karakteristieke flora en fauna. Prikkeldraad is gemakkelijk te onderhouden dan meidoornheggen, als broedplaats voor vogels, op zijn zachts gezegd, minder geschikt. Ook de selectie van zaaigoed en de toepassing van kunstmest doen niet alleen de akker onkruiden tussen het graan verdwijnen, ook de soortenrijkdom op de bermen gaat hierdoor sterk achteruit. Al deze problemen worden meer en meer onderkend, maar de ideale oplossing, het boerenbedrijf uitoefenen zoals dat rond 1900 gebeurde, is om velerlei redenen niet haalbaar. Er wordt echter mede door de grote invloed van natuurbeschermingsorganisaties tegenwoordig veel gedaan om de situatie voor de flora en fauna te verbeteren. Door bepaalde gebieden aan te wijzen als landschapsparken kan men met beheersvoorschriften en subsidies proberen om zeer bijzondere agrarische gebieden te behouden. Meer daarover is te vinden via de links naar die organisatie bij de rubriek links op deze site.

Op mijn website zal ik mij voorlopig richten op de eerste twee landschapsonderdelen.

Als eerste:

Het rivierenlandschap de Ooijpolder.

Het Ooijpoldergebied zoals het er nu uitziet is vooraal bepaald door  de gebeurtenissen in en rond de meanderende (kronkelende) rivier de Rijn/Waal.



Door erosie (uitschuring) ontstaat een rivierbedding. Als het water heel langzaam stroomt of praktisch stilstaat wordt de bedding weer opgevuld.

 

Tijdelijk hoog water. Dichtbij de rivier waar het water nog vrij snel stroomt wordt grof materiaal afgezet, verder weg fijner materiaal.

Het grove zanderige materiaal langs de rivier vormt de zogenaamde stroomruggronden. Het fijnere kleiige materiaal dat verder van de rivier wordt afgezet, klinkt, nadat het water zich heeft teruggetrokken, veel sterker in dan de zanderige stroomruggronden. Verder van de rivier vandaan ontstaan de zware komkleigronden. De rivierbedding ligt op een gegeven moment hoger dan de komkleigronden. Bij een eventuele doorbraak zoekt het water toch weer de laagste gedeelten op en verandert de rivier dus van loop.


Een meanderende rivier vertoont aanslibbing in de binnenbocht en uitschuring in de buitenbocht. Wanneer dit maar lang genoeg doorgaat wordt op natuurlijke wijze een rivierbocht afgesneden. Een dergelijke oude rivierarm noemen we een strang.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In het rivieren gebied liggen de komklei gronden lager dan de stroomrug.

Ter illustratie een doorsnede:

Omdat de komklei t.g.v. inklinking lager ligt, komt het grondwater er dichter aan het oppervlak. De kommen zijn daardoor, nogal drassig en uitsluitend geschikt voor grasland. Toen de mens het gebied in bezit nam werden en er nog wat elementen toegevoegd aan het landschap.

 

 

 

 

Sinds er dijken zijn komen er ook dijkdoorbraken voor. Bij zo'n dijkdoorbraak ontstaat een wiel of waal. Dit is een diep rond kolkgat. De nieuwe dijk moest om dit zeer diepe gat heen gelegd worden. De dijken in het rivierengebied danken hieraan veelal hun zeer kronkelig verloop. Kwam de nieuwe dijk tussen het wiel en de rivier te lopen dan spreken we van een buitengedijkt wiel, anders van een binnengedijkt wiel. Door het water werd uit het kolkgat veel zand van vóór de ijstijd omhoog gebracht. Dit zand werd om het kolkgat heen weer neergelegd. We noemen dit overslaggronden. De zanderige overslag gronden zijn erg geschikt voor tuinbouw.




In de Ooijpolder vinden, we niet alleen strangen en wielen, maar ook tichelgaten en ontgrindingen. Uit tichelgaten haalde men de tichelaarde voor de steenfabrieken. De Ooij is lange tijd als 'overlaat' gebruikt. Bij hoog water zette men bij Millingen sluisjes open. Hat water stroomde via de Ooy uiteindelijk weer in de Waalbedding. Het feit dat de Ooy deze overlaatfunctie heeft gehad is nog te zien aan de kademuur bij boerderij 'De Plak’.

De op een verhoging gelegen boerderij “De Plak”.




Achterzijde van boererij “De Plak” nabij het plaatsje Ooij.







De elektriciteitshuisjes op ‘poten'. Ook deze herinneren er nog aan dat het land hier onder water kwam te staan.

en het feit dat het Nederlandse gedeelte van de Ooij nauwelijks heggen en oudere boomsingels heeft herinneren ons ook nog aan de overlaatfunctie van de Ooij. Verder valt te vermelden dat het Hollands Duits gemaal zowel de Nederlandse als de Duitse polders bemaalt. Foto volgt.

                                                                                                                                             

 

                                                                                                                                                                                                                  

Het hoog gelegen kerkje van Persingen. 


Het dorpje Persingen ligt op een voormalige rivierduin, dat we ook wel 'donk' noemen. Na de ijstijd groeide er nog weinig in dit gebied omdat het nog steeds erg koud was. De rivieren hadden zand in en naast hun bedding neergelegd. Als dit zand opgedroogd was ging het verstuiven en er ontstonden rivierduinen.

Onderstaand plaatje laat dit schematisch zien.

 

Bron: De bodemkaart van Nederland, 1975.


Een kronkelende rivier blijft niet altijd in dezelfde bedding stromen. We hebben dit eerder in het verhaal al gezien. Onderstaande kaartjes laten zien dat de Waal in de loop der tijd zijn bedding nogal eens heeft verlegd.

Bron: De bodemkaart van Nederland, 1975.

Het stuwwallenlandschap, de Duivelsberg.   volgt:

Bronnen: IVN

Nijmegen en Omgeving   Wordingsgeschiedenis

Door Rinie Beckers

   Hans van Rooijen


 


 
 
 

Ooijpolder