Gezang 56

Ga in het schip, zegt Gij


Gezang 56 is een van de liederen die ik speel uit deze bundel. De tekst is van Muus Jacobse, een pseudoniem van Klaas Hanzen Heeroma. Het is geschreven bij de pericoop over Jezus die wandelt over zee in de versie van Marcus 6: 45-52, dus zonder Petrus die overboord stapt en even later door twijfel bevangen wordt en wegzinkt. De melodie is van Jaap (Jacobus Franciscus Maria) Geraedts. J. Jongepier heeft de zetting in het bruine boek gemaakt. Als ik het lied speel moet ik denken aan mijn puntertochten door de Kop van Overijssel. De punter is een traditioneel schip, ook in de visserij gebruikt, met mogelijk wortels in de Romeinse tijd. In de video op deze pagina horen we de zetting van gezang 56 zoals ik die speel voorzien van foto's van die vaartochten. Ook de dichter Muus Jacobse past in het het lied het de pericoop op het eigen leven toe. Het is een klein preekje in de dop. En dat laat goed zijn engagement als dichter zien zo als dat ook duidelijk wordt in zijn biografie.

Klaas Hanzen Heeroma 

Klaas Hanzen Heeroma wordt op 13 september 1909 in Hoorn op het eiland Terschelling geboren. Hij groeit op in Zwolle en studeert letteren in Leiden bij Albert Verwey die hij bewonderd vanwege zijn betrokken en bevlogen dichterschap. Van 1937-1948 is hij redacteur voor het Woordenboek der Nederlandse Taal.  Hij is van 1949 tot 1952 hoogleraar in Djakarta en van 1953 tot zijn dood in 1972 hoogleraar aan het Nedersaksisch institituut in Groningen.  Een uitgave van hem van het Gruuthuse handschrift wordt het middelpunt van een debat omdat hij beweert dat Jan Moritoen, een regent uit Brugge, de schrijver moet zijn en dat hij op grond van "de evocatie der verbeelding" ook verschillende biografische gegevens kan achterhalen. Veel critici vinden dit onwetenschappelijk. Ook heeft hij een theologische publicatie op zijn naam staan: Nader tot een taaltheologie. Het is de neerslag van een lezingenserie voor de radio.

Als dichter koos hij voor het pseudoniem Muus Jacobse,  de naam van een doopsgezinde grootvader aan moeders kant, die op het eiland Marken woonde en visser was. Ik hoor in de naam Muus het woord muze, een verwijzing naar het dichterschap en beschouw het feit dat de "echte" Muus Jacobse visser was als een verwijzing naar de leerlingen van Jezus. De eerste poging om zich als dichter te presenteren doet in de jaren dertig en begin jaren veertig. Hij streeft naar een derde reveil van het Christelijk geloof. Het eerst was dat van Da Costa en het tweede van Kuyper. Nu werd het tijd voor een derde reveil vond Heeroma. Er worden verschillende bundels van hem  gepubliceerd, maar de  critici zijn negatief en veel respons op zijn streven naar een derde reveil kreeg hij niet. Wel wordt hij redacteur van het blad Opwaartsche Wegen. Hij probeert diet blad tot instrument te maken van zijn derde reveil. De dichter verkondigt. Het eindigt met een conflict.

In de oorlog wordt hij dichter van het verzet en als zodanig geciteerd door Wilhemina en ontvangt hij ook een prijs.

In de jaren vijftig wordt lid van het team dichters rond Martinus Nijhoff dat werkt aan een nieuwe psalmberijming. Hij werkt ook met deze dichters aan nieuwe gezangen en nieuwe vertalingen van geestelijke liederen. De samenwerking met dichters als jan Wit, Willem Barnard, Ad en den Besten en Jan Willem Schulte Nordholt koestert hij. Een aantal van zijn liederen worden in een nadere selectie voor het Liedboek verwijderd. Dat doet hem pijn en hij overweegt om al zijn bijdragen terug te trekken. Dat doet hij niet zodat dit mooie lied als gezang 56 terug te vinden is.

Jaap Geraedts

Jaap Geraedts wordt op 12 juli 1924 geboren in 's-Gravenhage. Zijn vader is docent aan het Konklijk conservatorium en zo krijgt Jaap de muziek al met papalepel ingegoten. Ook Jaap gaat naar het  datzelfde conservatorium en later naar het conservatorium in Brussel. Hij studeert af op de vakken fluit, directie en compositie. Hij wordt voor de Haagse Post muziekredacteur en componist. Interessant in verband met lied  is dat Jaap Geraedts 12 zeereizen heeft gemaakt voor de Holland-Amerikalijn. Hij is door deze maatschappij gevraagd op deze reizen scheepsconcerten en muzikale causerieën te organiseren. Op deze reizen onstaat het Atlantisch Koraal, een fantasie voor Carillon en saxofoonkwartet op "God moves in a mysterious way" (gezang 447: God gaat zijn ongekende gang).

In de melodie die hij voor gezang 56 schrijft zijn de beweging van het schip en dat van de golven is er te horen. dat is althans de bedoeling van Geraedts

Het lied

het eerste vers geeft de opdracht van Jezus weer:  "Ga in het schip, steek van het strand, vaar tegen wind en tij, vaar naar de overkant, wacht daar op mij."

Jacobse noemt het getij. Maar in het meer van Galilea is geen eb en vloed. Wel was er getij rond Marken toen de Visser Muus Jacobse daar werkte voor zijn brood. Het klinkt alsof ook Muus Jacobse de zee wordt opgestuurd. Voor een moeilijke en zware tocht naar de overkant waar Jezus op ons zal wachten. Het wordt zo een metafoor voor de kerk die door de tijd vaart vanaf de  komst van Jezus tot zijn wederkomst. Of een metafoor voor ons leven, want ook wij zijn op weg naar de overkant van ons leven, van de doodszee waar Jezus op ons wacht. En Jezus gaat niet mee aan boord. Hij blijft achter, alleen zijn herinnering aan hem gaat mee. Het lijkt alsof hij ons verlaten heeft: "Geeft gij ons steen voor brood, laat Gij ons alleen in de nood." Zinnen die slaan op de bitterheden die mensen overkomen in het leven, op de moeilijkheden die kerk moet trotseren. En dan is Jezus niet meer als een schim aan de horizon. 

Het lied heeft de vorm van een gebed en dat gebed krijgt zijn spits in de volgende zinnen: Kom van de kim en spreek het scheppingswoord weer in in onze ziel. God wordt gevraagd bij ons te komen en aanwezig te zijn in zijn Woord, in de taal. Opdat we het geloof weer krijgen. en wij weer met hem in verbinding staan.  Het lied eindigt met Jezus die ons de hand reikt om samen naar de overkant te gaan.

Een eenvoudig en wondermooi lied.
Comments