Wetenschap - Religie - Waarheid


[ Commentaar graag naar Eric en Wil, email info@ericwil.nl ]

 

Wijlen Paus Johannes Paulus II gaf de instructie uit om wetenschap en religie te combineren in opvoeding en onderwijs, “gelijk de twee vleugels aan de ene vogel waarmee de vogel opwiekt teneinde te waarheid te zoeken.” [1] Eigenlijk zou in opvoeding en onderwijs één aspect niet mogen ontbreken: het tegelijkertijd ontwikkelen van onze wetenschappelijke en onze religieuze vermogens, in harmonie met elkaar. Deze twee innerlijke vermogens vormen volgens bahá’ís de “twee vleugels aan de ene vogel[2].

 

Het gaat daarbij eerst - heel basaal - om opvoeding van verstand en hart samen, van rede en geloof samen, van rationaliteit en intuïtie samen. Van jongs af aan zouden kinderen al kennis moeten maken met de vaardigheid om bij iedere ‘waarheid’ te kunnen beseffen uit welke bron en op welke manier die ‘waarheid’ tot hen kwam (epistemologie) en of die ‘waarheid’ verwijst naar de zintuiglijke bestaanswereld (ontologie) of uitsluitend naar innerlijke dynamiek (psychologie).

 

Op rijpere leeftijd kunnen kinderen dan steeds bewuster opgevoed worden in het partnerschap van wetenschap en religie en in de wetenschap/religie-dialoog. Van jongs af aan zouden mensen dan al een goed beeld verkrijgen van wat de wetenschap wel en niet vermag. Zowel het wetenschapkritische- als het religiekritische vermogen zou moeten worden aangescherpt.

Het is een bekend feit dat zelfs knappe koppen eigenlijk maar weinig toegerust zijn met deze drie vermogens van epistemologie, ontologie en psychologie (uitgebreider: geesteswetenschappen).

 

Shoghi Effendi drong er sterk op aan om een gezond logisch denkvermogen te ontwikkelen:

“Wat wij bijzonder hard nodig hebben is het gezonde logisch denkvermogen dat een wetenschappelijk geoefende geest te bieden heeft.” [3] Wanneer dergelijke intellectuele vermogens worden gekoppeld aan een gezond geloofsleven ontstaat een enorm educatief potentieel. “Vóór alles schiep God het denkvermogen. Al bij het ochtendgloren van de schepping werd het bestemd om te worden geopenbaard in de menselijke tempel.” [4]

 

Bij de ontwikkeling van religieuze vermogens krijgt de mens van jongs af aan dan al een goed beeld van de aard, de functies en de beperkingen van persoonlijke en collectieve geloofs-systemen in de vorm van religies, levensbeschouwingen, ideologieën en culturen. Belangrijk is immers de oefening tot bewust onderkennen van je eigen basisovertuigingen (basic beliefs).

Het gaat hier dus om het vormen van zelfkennis en een zelfkritisch vermogen aangaande de uitgangspunten, aannamen, axioma’s, vooronderstellingen, geloofsovertuigingen, vooroordelen, dogma’s, tradities, drogbeelden, mens- en wereldvisies van waaruit je persoonlijk gemotiveerd wordt tot percepties, interpretaties, houdingen, gedragingen en handelingen in de concrete omgang met de realiteit. "Religieuze overtuigingen, hoe dierbaar ook, dienen zich gewillig en dankbaar te onderwerpen aan een onafhankelijke toets, met behulp van wetenschappelijke methodes". [5] Ik zal hieronder wat meer bahá’í-gedachtegoed ventileren over de hoogst actuele kwestie van de verhouding tussen wetenschap en religie.

 

Het gaat dan uiteindelijk om een vruchtbare wisselwerking tussen geloofswaarheden van religie en inzichten van wetenschappelijk onderzoek.“Religieuze leiders zullen wetenschap en religie dienen te aanvaarden als twee onmisbare kennissystemen die moeten samenwerken als de mensheid vooruitgang wil boeken. Als religieuze overtuigingen en opvattingen in tegenstelling blijken te zijn met de bevindingen van de wetenschap, zijn het slechts bijgelovigheden en fantasieën.” [6]

 

‘Abdu'l-Bahá zei het elders nog wat sterker, en legt het primaat dan bij de wetenschap: "Brengt uw gehele geloofsovertuiging in harmonie met de wetenschap. Als religie, ontdaan van bijgeloof, tradities en onbegrijpelijke dogma's haar overeenkomst toont met de wetenschap, dan zal er in de wereld een grote éénmakende, reinigende kracht zijn die alle oorlogen, onenigheid, tweedracht en strijd zal wegvagen en dan zal de mensheid verenigd worden in de kracht van de Liefde Gods. God heeft religie en wetenschap als het ware tot maatstaf gemaakt van ons begrip. Weegt alle dingen in déze weegschaal. Ik zeg u: weegt met het tegenwicht van rede en wetenschap zorgvuldig alles af wat u als religie wordt aangeboden. Als het deze test doorstaat, aanvaardt het dan, want het is de waarheid! Zo niet, verwerpt het dan, want het is onwetendheid! Wij kunnen wetenschap als de éne vleugel en godsdienst als de andere vleugel beschouwen. Een vogel heeft twee vleugels nodig om te kunnen vliegen: één vleugel alleen zou geen zin hebben. Iedere religie die in strijd is met wetenschap of zich er tegen verzet, is louter onwetendheid want onwetendheid is het tegengestelde van kennis. Religie die alleen uit riten en ceremoniën van vooropgezette ideeën bestaat is niet de waarheid. Laten wij er ernstig naar streven het middel te zijn voor het in overeenstemming brengen van geloof en wetenschap." [7]

 

“Religie en wetenschap zijn de twee vleugels waarop 's mensen verstand omhoog kan wieken, waarmee de mensenziel vooruit kan gaan. Het is niet mogelijk met slechts één vleugel te vliegen! Zou een mens trachten te vliegen met alléén de vleugel van religie, dan zou hij snel terechtkomen in de poel van bijgeloof, terwijl hij anderzijds met alleen de vleugel van wetenschap ook niet vooruit zou komen, maar in het troosteloze moeras van materialisme zou wegzinken.” [8]

 

Er is een bepaalde mentaliteit die wetenschap en religie strikt van elkaar gescheiden wil houden (East is East and West is West; never the twain shall meet). Deze zogenoemde ‘mentaliteit van het scheidingsdenken’ is eigenlijk een onvermogen om twee taalsystemen, twee kennisdomeinen in harmonie naast elkaar te kunnen hanteren binnen de realiteit van de overlap tussen die twee magisteria: “De scheiding van wetenschap en religie is slechts één voorbeeld van de neiging van de menselijke geest (die noodzakelijkerwijs in haar vermogen is begrensd) om zich op één voortreffelijkheid, één aspect van waarheid, één doeleinde met uitsluiting van andere te concentreren. Dit leidt in extreme gevallen tot fanatisme en volstrekte vervorming van de waarheid en in alle gevallen meer of minder tot onevenwichtigheid en onnauwkeurigheid.” [9] Vervorming van de waarheid door fanatisme; niet alleen religionisten zijn daar debet aan, ook wetenschappers (zie voorgaand stukje over sciëntisme).

 

Net zoals er een vruchtbare dialogische wisselwerkingsrelatie tussen man en vrouw in een goed huwelijk plaats vindt, zo zullen de vruchten geplukt worden van een volcontinue dialoog en samenwerking tussen wetenschap en religie: “Aangezien de uitdaging bestaat uit de versterking van de vermogens van de mensheid door middel van een geweldige uitbreiding van de toegang tot kennis, moet de strategie die dit mogelijk kan maken opgebouwd worden rondom een voortgaande en steeds krachtiger wordende dialoog tussen wetenschap en religie. Het is overduidelijk - of zou reeds overduidelijk moeten zijn - dat op elk gebied van menselijke activiteit en op elk niveau de inzichten en vaardigheden die de wetenschappelijke verdienste vertegenwoordigen, zich tot de kracht van geestelijke overtuiging en morele principes moeten wenden om de juiste toepassing ervan te verzekeren. Mensen moeten bijvoorbeeld leren hoe feiten van veronderstellingen te scheiden - ja zelfs om onderscheid te maken tussen subjectieve gezichtspunten en objectieve realiteit. De mate waarin individuen en instituten die op deze wijze zijn toegerust bij kunnen dragen aan menselijke vooruitgang zal echter bepaald worden door hun toewijding aan waarheid en hun onthecht zijn aan de drijfveren van hun eigen belangen en hartstochten”.[10]

 

De meeste mensen zijn het hartgrondig eens met de volgende uitspraak van ‘Abdu’l-Bahá:

“De mens heeft twee vermogens; en zijn ontwikkeling twee aspecten. Het ene vermogen staat in verbinding met de materiële wereld, waardoor hij in staat is tot materiële vooruitgang. Het andere vermogen is geestelijk, en door de ontwikkeling daarvan wordt hij zich bewust van zijn innerlijke potentiële natuur. Deze vermogens zijn als twee vleugels. Beide behoeven ze ontwikkeling, want vliegen op één vleugel is onmogelijk. Materiële vooruitgang in de wereld is een voldongen feit, maar er is grote behoefte aan geestelijke vooruitgang die daarmee parallel zou moeten lopen. Wij moeten er voortdurend en zonder rusten naar streven om de ontwikkeling van de geestelijke aard van de mens te bevorderen.” [11]

 

Zowel de wetenschap als instituut als de beoefenaren van wetenschap zijn geestelijk van aard, ook al beschikken zij over zeer omvangrijke en hoogwaardige materiele voorzieningen en technologische hulpmiddelen om wetenschap te bedrijven. Volgens ‘Abdu’l-Bahá zou de wetenschap zich echter niet moeten beperken tot het bestuderen van materiele verschijnselen alleen. De geesteswetenschappen zouden opnieuw ontwikkeld moeten worden. Vooral religie, in al haar verschijningsvormen, zou op een nieuwe belangstelling van de wetenschap moeten kunnen rekenen, waaronder natuurlijk ook de religie van het sciëntisme of de ideologie van het materialisme. Hoe ziet de geloofsbasis van het wetenschapsbedrijf eruit? Uit welke ‘basic beliefs’ is de wetenschap opgebouwd? Hoe ziet ‘de psychologie van de wetenschapper’ eruit?

 

Voor godgelovige mensen wordt religie gezien als goddelijk, en wetenschap per definitie als een ‘aardse, niet-goddelijke activiteit’. ‘Abdu’l-Bahá wil ons echter duidelijk maken dat wetenschap goddelijk van origine is! Inderdaad lijkt het wel alsof ‘Abdu’l-Bahá een hogere pet op heeft van de goddelijkheid van wetenschap dan die van religie. Kijk maar naar de volgende uitspraken:

 

“De mensheid beschikt over vele kwaliteiten, maar wetenschap is de edelste van allemaal. Het specifieke onderscheid dat de mens ver boven het dier verheft, moet worden toegeschreven aan deze superieure gave. Zij is een gave van God; niet van stoffelijke aard, maar goddelijk.

Kennis is de belangrijkste emanatie van God naar de mens toe. Alle geschapen wezens belichamen het potentieel tot stoffelijke perfectionering, maar het vermogen tot intellectueel onderzoek en het verwerven van kennis is een hogere gave die alleen specifiek aan de mens gegeven is. Andere levende wezens en organismen zijn verstoken van dit potentieel vermogen en deze verworvenheid. Deze liefde voor de ware werkelijkheid heeft God in de mens ingeschapen of neergelegd.

Alle zegeningen zijn van goddelijke oorsprong, maar geen enkele laat zich evenaren met de capaciteit tot intellectueel onderzoek; dit is een niet aflatende gave die vruchten van oneindige vreugde oplevert. De mens heeft altijd deel aan deze vruchten.

Kortom, het is een zegening die geen einde kent en een goddelijke gave, het meest verheven geschenk dat God aan de mens heeft toebedeeld.

Een mens die over kennis beschikt is een zuivere graadmeter en representant van het menselijk geslacht, want via processen van inductieve benadering en onderzoek is hij op de hoogte van al die zaken die met het leven van de mensen te maken hebben. Hij bestudeert het staatsbestel, heeft begrip voor sociale problemen en werkt mee aan het weefsel en de structuur van de beschaving. In feite kan men kennis vergelijken met een spiegel waarin de eindeloze vormen en beelden van de bestaande dingen zichtbaar worden en zich weerspiegelen. Het is de basis bij uitstek van alle individuele en nationale ontwikkeling. Zonder deze basis van intellectueel onderzoek is ontwikkeling gewoon onmogelijk. Streef daarom met grote toewijding naar kennis en kundigheid over alles wat binnen het bereik van deze wonderbare gave ligt. De superieure vermogens van de mens, met inbegrip van het vermogen tot het vergaren van kennis, liggen buiten bereik van de natuur. Het betreft hier krachtvelden waardoor de mens verschilt en zich onderscheidt van alle andere vormen van leven. Dit is de gave van goddelijk idealisme, de kroon die het hoofd van de mens siert. Niettegenstaande de gave van dit bovennatuurlijke vermogen is het verbazing- wekkend dat materialisten zichzelf nog steeds als gevangenen van de natuur zien. Wij moeten God dankbaar zijn voor deze gaven, voor deze vermogens die Hij ons gegeven heeft, voor deze kroon die Hij ons op het hoofd heeft geplaatst.” [12] De kroon op ‘homo sciëntificus’. We zijn dus, meer dan ‘homo religiosus’, een gelovige soort die zijn eigen geloofsleven bewust kan bestuderen, dus ‘homo religiosus-sciëntificus’. Laten we bij deze gecombineerde naam echter goed beseffen dat de menselijke soort in allereerste instantie ‘homo religiosus’ is, dat dus ook de wetenschappelijke mens primair ‘homo religiosus’ blijft. We zijn nog maar zo’n drie eeuwen ‘homo sciëntificus’, en dat betekent dat díe kant van onze soort nog in de allereerste kinderschoenen verkeert.

 

Ik zei eerder: Op rijpere leeftijd kunnen kinderen dan steeds bewuster opgevoed worden in het partnerschap van wetenschap en religie en in de wetenschap/religie-dialoog.

In het Westen worden we politiek en bestuursmatig steeds meer geconfronteerd met eenzelfde probleem als dat van de ‘scheiding’ tussen de magisteria van wetenschap en religie. Deze scheiding is niet echt mogelijk, blijkt nu overduidelijk. En scheiding tussen kerk en staat is in de geschiedenis ook nooit gerealiseerd, ondanks de trotse proclamatie van de Laïcité. De twee magisteria – of het nu wetenschap en religie betreft, of het wereldse en religieuze bestuur  – dienen weliswaar goed onderscheiden te worden, maar kunnen niet ‘gescheiden’ worden, noch theoretisch, noch praktisch. Ze zullen juist tot volwaardige dialoog en samenwerking geleid moeten worden. We beginnen te beseffen dat het euvel niet in de verschillen tussen die twee magisteria zit, maar in onszelf, in onze sterke neiging tot (artificieel) ‘scheidingsdenken’.

 

Stel je voor dat je ‘de twee vleugels’ aan de ene vogel van elkaar scheid. De vogel zal sterven.

De twee vleugels zijn juist midden in de vogel integraal met elkaar verbonden, in een bestuurlijk perfect en harmonieus partnerschap. Het artificiële scheidingsdenken is alleen in de sfeer van technisch wetenschappelijk onderzoek mogelijk waarin men verschijnselen isoleert uit hun context teneinde meer controle over dat gescheiden verschijnsel te hebben. In het echte leven zullen we het dialogische denken en het samenwerkingsdenken moeten ontwikkelen.

 

De evolutie van waarheid

 

Hoe relativerend we ook kunnen zijn over waarheid, we kunnen niet ontkennen dat de mensheid geestelijk evolueert en steeds meer waarheid ontwikkelt. Natuurlijk zijn er nog vele mensen die op deze ontwikkelingsweg achterblijven of fel gekant zijn tegen dit proces, maar we kunnen niet beweren dat de mensheid stil staat op haar weg naar steeds meer waarheid.

 

Er zijn auteurs[13] die zelfs beweren dat de mensheid juist nu aangeland is in een zeer belangrijke fase van haar geestelijke evolutie. Zij spreken van een cruciale versnelling in de accumulatie van kennis en van een ware ‘kwantumsprong’ in de gemeenschappelijke bewustzijnsverhoging. De massamedia, de ICT-technologie gekoppeld aan het wereldwijde internet zijn cruciale hulpmiddelen die door wetenschappers aan deze revolutionaire kennisvermeerdering zijn bijgedragen. Wat de technologische vorderingen nu aan de eenwording van de mensheid en het wereldgeweten bijdragen overtreft alles waar religies toe in staat zijn. Vandaar dat velen zijn gaan spreken van de wereldheerschappij van de ‘informatietechnocratie’ in plaats van die van een theocratie of een kalifaat. Vrijwel alle mensen op aarde zagen tegelijkertijd in ‘real-time’ op de televisie hoe het schokkende ‘nine/eleven’ zich afspeelde (zie video[14]), en vrijwel iedereen op aarde wordt nog steeds via internet en andere massamedia op de hoogte gehouden van de onophoudelijke stroom van aanslagen op ongelovigen, steeds op dezelfde leest van ‘dat historische moment dat de wereld voorgoed zou veranderen’.

 

“De wetenschappelijke en technologische vorderingen die zich voordoen in deze ongewoon gezegende eeuw duiden op een grote sprong vooruit in de maatschappelijke evolutie van de planeet, en ze reiken de middelen aan waarmee de praktische problemen van de mensheid opgelost kunnen worden. Zij verschaffen zeker de geëigende middelen voor het bestuur van het complexe leven van een verenigde wereld. Toch blijven er obstakels overeind staan. Twijfels, misverstanden, vooroordelen, achterdocht en bekrompen eigenbelang bedreigen naties en volkeren in hun onderlinge betrekkingen.” [15] Hoeveel vooroordelen, achterdocht en bekrompen eigenbelang er ook overwonnen moeten worden, één ding is ons wel duidelijk: de mensheid is aan haar eenwordingsproces begonnen, niet alleen technisch en lichamelijk, maar ook op het geestelijke strijdtoneel dat nog steeds teveel slachtoffers eist.

 

Ilya Prigogine zei in 1981 “Onze tijd wordt inderdaad gekenmerkt - en dat zal nog duidelijker blijken aan het einde van deze eeuw - door een zoeken naar eenheid-in-verscheidenheid. Een van degenen die het best de noodzaak inzag van dat zoeken naar een eenheid die verder reikt dan het domein van de wetenschap, was Teilhard de Chardin. Voor mij is de belangrijkste les van de twintigste eeuw dat de toekomst niet ‘bestaat’. De toekomst wordt door ons ‘gemaakt’. Een van de belangrijkste feiten van de twintigste eeuw is dat wij zelfs ideologisch niet meer geloven dat de toekomst ‘bestaat’ - en dat om talrijke redenen. We zijn ons bewust geworden dat de toekomst binnen in ons eigen innerlijk ‘aanwezig’ is!” [16] Dit is al een ware evolutiesprong van ‘waarheid’ te noemen.

 

Teilhard de Chardin heeft een belangrijke bijdrage geleverd door aan te tonen dat de evolutie zowel tot de fysieke wetmatigheden van het universum behoort, alswel binnen het bewustzijn van de mens een bifurcatiemoment[17] bereikt heeft naar een convergerende ontwikkelingslijn. Sedert de verschijning van de mens beschrijft de evolutie niet langer meer een divergerende koers, niet langer meer een uitwaaiering zoals dat in het planten- en dierenrijk het geval is, maar een convergerende koers. Biologisch en geestelijk vormt de mens één soort en er bestaat niet het minste gevaar dat de mensheid uiteen zou vallen in verschillende biologische soorten. In tegendeel, de verscheidene ‘rassen’ gaan zich steeds meer mengen, en in die zin groeit er een heel ander type ‘diversiteit’, biologisch dus een ware eenheid-in-verscheidenheid. Geestelijk is de menselijke soort nu in de fase aanbeland van een convergentie van bewustzijn op zeer hoog complexiteitsniveau. Dat is een uniek fenomeen, je zou het een soort evolutiesprong naar een nieuwe orde kunnen noemen die zich – verhuld in alle ‘chaos’ – nu afspeelt. We zijn de getuigen van een voortdurende toenadering tussen alle volkeren, rassen en culturen, en we beleven een intense uitwisseling van wetenschap, religie, kunst en vooral persoonlijke contacten.

 

Teilhard komt tot de vaststelling dat wetenschap en religie niet alleen met elkaar te verzoenen zijn maar elkaar in zeker opzicht als partners versterken. Hij zag ‘stof’ en ‘geest’ als twee facetten van éénzelfde werkelijkheid, als een bipolariteit van die éne werkelijkheid, als ‘une bifacialité et une biaxalité’ van de grondstof van de werkelijkheid, oftewel: ‘monoduaal’[18]. Meer dan ooit voelen we het mysterie der dingen aan. De wereld brengt ons op een volstrekt nieuwe manier weer tot verwondering. De ontdekkingen van de wetenschap op het gebied van de elementaire deeltjes en de kosmologie zijn zo betoverend, dat we van de ene verwondering in de andere vallen.

 

Prigogine voegt er echter waarschuwend bij “Maar we moeten het nog wel eerst eens worden over wat we met ‘eenheid’ bedoelen! Aan het einde van deze eeuw gekomen moeten wij namelijk gewetensvol de diversiteit van het pluralisme aanvaarden. Het zoeken naar een te sterke eenheid, vaak ingevuld als uniformiteit, heeft de mens en zijn geschiedenis veel kwaad berokkend omdat het vaak gepaard ging met een gevoel van superioriteit en van totalitair denken. En dat moeten we met alle middelen zien te vermijden.” [19] Hij zei dat zo’n 20 jaar vóór ‘nine/eleven’, maar ook hij zou moeten toegeven dat je op dat gebied niet alles kunt vermijden. En al eerder hadden we dit thema besproken: Nog té veel mensen zijn bevangen van een totalitair, autoritair of fascistisch geloofssysteem, compleet met trekken van grandiositeit, suprematie, en van een ontwijfelbaar triomfalisme. De geschiedenis heeft ons veel geleerd over de gevolgen van een bundeling van deze mentaliteiten en het ontstaan van totalitaire regimes, ook al vestigt zo’n regime zich met een radicale dodingscultuur in een guerrilla van ‘cellen’ in wereldwijd verborgen netwerken.

 

Maar los van deze religieuze waanzin is er wel degelijk sprake van een essentiële evolutie in de religiositeit van de mensheid. Wat de evolutie van geloofswaarheid betreft – en welke waarheid is niet religieus van aard?! – is er een sterke uitspraak van de visionair Pierre Teilhard de Chardin: “Wij zijn er ontwijfelbaar getuige van – gedurende de laatste eeuw – dat er zich een nieuw geloof vestigt: de religie van de evolutie!” [20] Waar hij over schrijft, is de evolutie van religie en de evolutie van het collectiefmenselijke bewustzijn. De menselijke soort wordt door hem zelfs omschreven als “de evolutie die zich van zichzelf bewust wordt.” [21] Het geloof in evolutie, als een steeds verder voortschrijdende ontwikkeling van steeds complexere patronen van bewustzijn (drager van waarheid) en steeds complexere en omvattender gemeenschappen van waarheid, dat geloof is niet meer uit te wissen. Het geloof dat de mensheid aan de drempel van eenwording staat, en pragmatisch eigenlijk al één is, ook die overtuiging is niet meer uit te wissen. De menselijke soort ontwikkelt een essentieel hoger ‘complexiteits-bewustzijn’ in het huidige proces van geestelijke eenwording, de realisatie van de zogenoemde ‘noösfeer’. En deze noösfeer is de bekroning van heel het kosmische evolutieproces.

 

“Het is de mensheid als geheel”, zegt Teilhard, “de gezamenlijke mensheid, die door God gesommeerd wordt om de uiteindelijke daad te verrichten waarbij de totale kracht van de aardse evolutie zal worden vrijgemaakt zodat die kan bloeien; een daad waarin het volle bewustzijn van iedere individuele persoon zal worden ondersteund door dat van iedere andere.” En hij voegt daar aan toe “Visies zoals deze, ik weet het, lijken niet te ontspruiten uit het christelijke perspectief; en juist daarom lijken de meeste mensen met zo’n visie voorlopers te zijn bij de opkomst van een religie die voorbestemd is om alle eerdere religies te vervangen.” [22]

En als hij het over ‘voorlopers’ heeft, dan doet hij dat, bedoeld of onbedoeld, als een duidelijke vingerwijzing naar groeperingen zoals de Teilhardianen zelf, naar de bahá’ís, of naar gemeenschappen zoals die van Sri Aurobindo, etc.

 

Als hij het heeft over ‘de opkomst van een religie die voorbestemd is om alle eerdere religies te vervangen’, dan lijkt hij het expliciet over de Bahá’í-religie te hebben. Hij zegt dan letterlijk:

“Wat mij betreft aanvaard ik de realiteit van de beweging die zich neigt te onderscheiden, midden in de boezem van de Mensheid, als een congregatie van gelovigen die zich wijdt aan de grote taak van ‘Voortschrijden in éénheid!’. Meer nog, geloof ik in de waarheid daarvan.” [23]

 

Dit is de reden waarom in een bahá’í studiedocument[24] aan "de planetisering van de mensheid" (van Teilhard de Chardin) wordt gerefereerd: “De Grote Vrede waarnaar het hart van mensen van goede wil door de eeuwen heen is uitgegaan, waarvan zieners en dichters ontelbare generaties lang in visioenen hebben getuigd en die door de heilige geschriften van de mensheid keer op keer werd beloofd, is nu ten langen leste binnen het bereik der naties gekomen. Voor het eerst in de geschiedenis is het voor iedereen mogelijk de gehele planeet, met al haar volkeren in hun eindeloze verscheidenheid, in één perspectief te overzien. Wereldvrede is niet alleen mogelijk, maar zelfs onvermijdelijk. Ze is het volgende stadium in de evolutie van onze planeet, in de woorden van een groot denker [Teilhard de Chardin] "de planetisering van de mensheid".

 

“De mensheid, de koploper van de evolutie van het bewustzijn, doorloopt stadia die vergelijkbaar zijn met de perioden van baby- en kindertijd en de puberteit in het leven van haar individuele leden. Deze tocht heeft ons aan de drempel gebracht van onze langverwachte volwassenheid als een verenigd mensenras. De oorlogen, uitbuiting en vooroordelen die onvolwassen stadia in dit proces hebben gekenmerkt, zouden geen reden tot wanhoop moeten zijn, maar een aansporing om de verantwoordelijkheden van een gemeenschappelijke volwassenheid op ons te nemen. De vele passages van Bahá'u'lláh's geschriften die handelen over de volwassenwording van de mensheid zijn doortrokken van zijn gebruik van licht als een metafoor om de transformerende kracht van eenheid vast te leggen. "Zo krachtig is het licht van eenheid", verklaren zij met nadruk, "dat het de hele aarde kan verlichten." Deze verklaring plaatst de huidige geschiedenis in een perspectief dat sterk verschilt van dat wat aan het einde van de twintigste eeuw gangbaar is. Zij zet ons aan om - temidden van het lijden en de teloorgang van onze tijd - de invloed van de krachten te gaan zoeken die nu het menselijk bewustzijn voor een nieuw stadium in zijn evolutie vrijmaakt. Zij roept ons op tot nieuw onderzoek van hetgeen zich de afgelopen honderd jaren heeft afgespeeld, en van de gevolgen die deze ontwikkelingen hebben gehad op de heterogene menigte volkeren, rassen, naties en gemeenschappen die deze ondergaan hebben.” [25]


[1] Like two wings: Combine religion and science in education, 2006. Zie op http://www.ndsmcobserver.com

[2]  ‘Abdu’l-Bahá in Toespraken in Parijs, 1910: “Wij kunnen wetenschap als de ene vleugel en godsdienst als de andere vleugel beschouwen. Een vogel heeft twee vleugels nodig om te kunnen vliegen: één vleugel alleen zou geen zin hebben.”

[3] Shoghi Effendi, brief van 19 oktober 1993, aan een gelovige

[4] 'Abdu'l-Bahá in Het geheim van goddelijke beschaving, vert. J.de Vries. Zie http://www.bs.ericwil.nl

[5] Brief van het Bahá’í-hoofdbestuur aan de religieuze leiders van de wereld”, dd April 2002

[6] ‘Abdu’l-Bahá, Promulgation of Universal Peace, Bahá’í Publishing Trust, Wilmette, IL, 1982, p.181

[7] ‘Abdu’l-Bahá in: Toespraken in Parijs, 1910

[8] ‘Abdu’l-Bahá: Toespraken in Parijs pagina 161

[9] The Universal House of Justice, Messages 1963 to 1986, p. 390

[10] Bahá’í International Community: The Prosperity of Humankind, 1995

[11] ‘Abdu’l-Bahá: Promulgation of Universal Peace, page 60

[12] ‘Abdu’l-Bahá: Promulgation of Universal Peace, p. 49-51

[13] Om er maar een paar te noemen: Pierre Teilhard de Chardin, Peter Russell, Sri Aurobindo, Ervin Lazlo, Fritjof Capra, Ilya Prigogine, Marilyn Ferguson, Anna Lemkow, Margaret Wheatley, Edward deBono, Bill Grassie, Robert Muller, Hans Küng, Ewert Cousins, Alvin Toffler, Ken Wilber, Paul Davies, David Bohm, John Naisbitt.

[15] Universele Huis van Gerechtigheid, brieven periode 1983 - 1988

[16] Ilya Prigogine (1917-2003). In 1977 ontving hij de Nobelprijs scheikunde voor zijn bijdrage aan de irreversibele thermodynamica (de dynamica van onomkeerbare warmteprocessen). Van zijn werken noemen we: La Nouvelle Alliance (1979) - met Isabelle Stengers - Order out of Chaos (1984) - met Isabelle Stengers (Nederlandse vertaling Orde uit chaos, Uitgeverij Bert Bakker). De citaten zijn uit een Brussels TV-interview in 1981

[17] Een bifurcatie (Latijn: tweevork) is een gaffelvormige splitsing of tweedeling; een revolutiepunt. A bifurcation as a qualitative change of the attractor of a dynamical system as the result of a moving parameter.

[18] Voor uitleg zie eerdere noot bij ‘monoduaal’.

[19] Prigogine in het eerder genoemd TV-interview in 1981

[21] Oorspronkelijk een uitspraak van Julian Huxley, geciteerd in Teilhard de Chardin’s ‘Het verschijnsel Mens’

[22] T. de Chardin, The Future of Man, 1920

[23] T. de Chardin, The Future of Man, 1920

[24] Het studiedocument Belofte van Wereldvrede, 1985

[25] Bahá'í International Community in: Wie schrijft de toekomst?