Voorwoord-visie-overzicht


[ Commentaar graag naar Eric en Wil, email info@ericwil.nl ]

Homo Viator

de menselijke soort is eeuwig op weg

naar steeds meer waarheid, werkelijkheid en menswaardigheid

[ de Weg is Wijzer dan het WereldWijde Web van WegWijzers ] 

 

De volgende tekst vond ik vorig jaar (2006) in een handboekje over interreligieus werken: “Humor komt in de Heilige Boeken weinig voor. Waarom is dit eigenlijk zo? Is humor niet toegestaan, of verkeerd? Of heeft het te maken met eerbied voor de beschreven heilige personen?” En ik vroeg me af “Staat humor dan inderdaad op gespannen voet met religieus georganiseerde heiligheid? Humor en religie, is dat een onmogelijk huwelijk?

 

Het betrokken boekje besteedde ook aandacht aan de verschijnselen zoals de religieus georganiseerde ‘schijnheiligheid’, ‘bekeringsijver’ en ‘geweld’. En zonder er te diep op in te gaan begreep iedere lezer wel dat deze zulke verschijnselen nou niet bepaald bij humor horen. Humor is een wezenlijke factor in de zorg voor een goede balans in dit leven en in ons begrijpen van de werkelijkheid. Echte, fijnzinnige, geestige en spirituele humor (en daar hoort ook de tragische en ironische humor bij), op een basis van zelfrelativeringsvermogen, realiteitszin, kritisch onderzoek en aanvaardende liefde, die humor is een teken van spirituele en intellectuele gezondheid. Maar is díe humor wel aanwezig bij bloedserieuze gelovigen en ideologen? Ook ideologieën zijn (pseudo-)religies.

 

“Met ideologische religie vergaat je het lachen. Religie, dat is huilen met de pet op”, verzuchten velen, “Met religie is het miserabel gesteld, dus de humor van religie ontgaat je nu ten enen male. Religie/ideologie moet kennelijk een bloedserieuze zaak blijven, niet een zaak voor natuurlijke, spontane, geestelijk volwassen en spirituele levensvreugde maar letterlijk een dodelijk ernstige zaak.”  Humor is daarbij Uit den Boze.

 

En dan besef je pas hoe mysterieus en fascinerend het kernvermogen van gezonde humor is, vooral zodra het om zuivere, oorspronkelijke en dieptespirituele humor gaat, gepaard aan intellectuele ontwikkeling. Humor is veelal bedoeld als taboedoorbrekend, speels aan het licht brengend, lichtvoetig aan de kaak stellend, gesprek openend, communicatie vergemakkelijkend. Humor biedt iemand de mogelijkheid om iets te berde te brengen zonder daar meteen op afgeschoten te worden. Humor is dan niet als een meningvormende actie bedoeld, maar als een uitnodiging om 'de ernstige kwestie’ nou eens in een ander licht te bekijken. Humor is trouwens een ultiem geneeskruid van de geest, en tevens een goede thermometer voor spirituele gezondheid. Daalt de humortemperatuur tot onder nul, dan moeten we weer te rade gaan bij de oorspronkelijke Warmtebron binnen in ons. Die laat onze humortemperatuur altijd weer op een gezonde warmte terugkomen. Ware liefde en warme, speelse humor kunnen elkaars hemelse partners worden. Het onschatbare vermogen tot humor kan alleen ontwikkeld worden bij een voldoende geoefend relativeringsvermogen, een vermogen tot overzicht en een open-minded georiënteerd zijn, maar vooral bij voldoende zelfkritisch vermogen. En dan hoeft die humor nog niet eens expliciet tot uitdrukking gebracht te worden, wij kunnen ook over de oorspronkelijke, 'stille humor' beschikken, de humor die leeft in de grond van ons eigen hart.

 

Naar buiten gebrachte humor, in een opmerking, een cartoon, een stripverhaal (ik hou bijvoorbeeld van stripverhalen als 'Het Dagboek van Dingeman' in dagblad Trouw) kan mensen tot nadenken brengen. Het Westen, zo gewend aan cartoons over macht- en gezagsdragers en over vigerende hypes, bracht na 11 september 2001, door Denemarken gelanceerd, cartoons uit over het islamisme. De Deense cartoonist en zijn gezin leven nu in constant levensgevaar. Gelukkig is dat nog niet het geval met de komiek/buikspreker Jeff Dunham met zijn performance Achmed the Dead Terrorist, te zien op YouTube. Religieus/ideologisch fanatisme kenmerkt zich door spirituele en filosofische ontwikkelingsachterstand, en de kweekfijver daarvoor blijft de sfeer van georganiseerd, geregisseerd, georkestreerd, collectief en uniformistisch geloof waarbij de fanaat continu en monomaan geobsedeerd blijft door de 'roeping' om op devote wijze Gods strafmaatregelen tegen 'de ongelovigen' te moeten uitvoeren teneinde beloond te worden in het paradijs.

 

Deze website ontstond na 6 jaar verwerking van het nine/eleven-gebeuren, voor vele auteurs het opstarten van een compleet nieuw tijdperk voor de mensheid, de menselijke soort, eeuwig op weg naar steeds meer waarheid, werkelijkheid, zelfkennis en menswaardigheid.

 

Zelfrelativeringsvermogen, humor, verwondering, verbazing, vertedering en soms oprechte schrik, zijn in dit unieke tijdperk niet alleen mogelijk maar ook hard nodig, naast een realistische vaststelling dat religie niet zomaar verdreven kan worden uit het publieke domein. In tegendeel: Religie is in de 21e eeuw massaal teruggekomen in het publieke domein. De boeken over ons geloofsleven puilen de winkels uit. We zijn in een tijd beland van een groeiende democratisering van spiritualiteit en geloofsleven. En in dit nieuwe rijdperk is voor iedere nadenkende wereldburger een compleet historisch overzicht toegankelijk, van de evolutie van de menselijke religiositeit, van de even religieuze politieke ideologieën (zoals bijvoorbeeld gebaseerd op het materialisme), van de ontwikkeling van het visionair holisme en van de vestiging van de nieuwe wetenschappen. Deze kennis vormt de basis van het nieuwe denken.

 

Maar tegelijk is in de 21e eeuw, met name na 11 september 2001, een nieuwe religie uit de kast gekomen, een doodserieuze religie, met grote bekeringsijver, charismatische leiders die de barricades beklimmen en een virulente djihad zijn begonnen tegen alle andere religies, die van de antitheïstische sciëntisten. Het Sciëntisme is een cluster van samenhangende dogma’s, o.a. dat van het materialisme, het naturalisme, het reductionisme en het toevallisme. Het gaat hier om een diep en devoot geloof dat ‘dé wetenschap’ gaat zegevieren over alle bestaande religies, want die zijn niets-anders-dan schadelijk bijgeloof.

 

En uit díe jihadisten (de ‘militante nieuwe atheïsten’) komt al helemaal geen humor. Hun heilige strijd tegen alle bijgeloof wordt wel met veel intellectueel verbaal spervuur gevoerd, scherp van de tongriem gesneden, de lachers op de hand krijgend, maar van enige spiritueel-intellectuele ontwikkeling is niet te merken. Van een voldoende geoefend relativeringsvermogen, een vermogen tot geesteswetenschappelijk en filosofisch overzicht en een open-minded oriëntatie of voldoende zelfkritisch vermogen is niets te merken. Echte, fijnzinnige humor, op een basis van gewone realiteitszin, kritisch onderzoek en aanvaardende liefde, díe gezonde humor is niet aanwezig bij de bloedserieuze en religie-hatende sciëntisten… Hun thermometer voor spirituele gezondheid wijst vrieskou aan, en deze nieuwe lichting van wetenschappers maken de wetenschap zelf helaas te schande.

 

Geef mij maar het type échte doordenkers, filosofen zoals Levinas of Luc Ferry. Maar daarover later. Eerst wat van mijn persoonlijke ervaringen met het zogenoemde ‘civiele sciëntisme’:

 

Ik was een keer ingegaan op een uitnodiging om te komen spreken. En inderdaad gebruikte ik toen een enkele keer het begrip ‘God’. Na de pauze schoot een vinger de lucht in met de opmerking “U had het over ‘God’, maar God bestáát niet eens, dat heeft de wetenschap allang bewezen!”. “Nee”, antwoordde ik, “God bestaat niet, gelijk heb je.” Kennelijk schoot dat even het verkeerde keelgat binnen. “U bent een draaikont, meneer, eerst hebt u het over ‘God’ en nu zegt u dat God niet bestaat.” Ik zei dat ik in God was gaan geloven en dat ik niet had gesproken over een ‘God’ die voor ons gemak de tijd nam om te ‘bestaan’ tussen alle bestaande zaken in onze empirisch aanwijsbare, tastbare, berekenbare wereld. Ik zei dat ik zeer gelukkig was met de omstandigheid dat de natuurkunde niet over een methode beschikte om Gods ‘bestaan’ te bewijzen en om dan vervolgens die ‘bestaande God’ aan allerlei wetenschapstechnische metingen en wegingen te onderwerpen teneinde ‘de structuur van God’ wetenschappelijk te analyseren, zoals Steven Hawkins dat uitdagend voor mogelijk hield. Het leuke van die avond was dat de jonge man niet gefrustreerd de zaal uit liep. Kennelijk miste die student de vurige ijver tot missionering van ‘het nieuwe sciëntisme’ en het militante ‘nieuwe atheïsme’. Ook al moest hij nog steeds niets van religie hebben (voor mij zeer begrijpelijk overigens!), hij zou thuis nog eens verder over “God” nadenken, zei hij, ook al had hij gedacht dat hij over “God” al uitgedacht was.

 

Ik herinner me ook een markant gebeuren op een openbare avond in Utrecht waar ik was uitgenodigd om een inleiding te houden over het Bahá’í-geloof’. Er waren zo’n 30 belangstellenden in die kleine zaal. Op de voorste rij zaten twee jonge mannen met een nogal sombere gelaatsuitdrukking. Somber van kritische ernstigheid, dacht ik bij mezelf. We waren aangeland in het reguliere eindgedeelte van zo’n avond: vragen en antwoorden. Als eerste schoot de vinger omhoog van één van de twee jonge vrienden: “Meneer, u had het over 'vrije wil', en daar klopt natuurlijk niks van, mensen hébben helemaal geen vrije wil, dat heeft de wetenschap allang bewezen.” Ik dacht razendsnel terug; had ik het dan over ‘vrije wil’? Nee, ik kon het me echt niet herinneren. Ik had het over een geloof, het Bahá’í-geloof, en misschien had ik ook het woord ‘religie’ gebruikt, maar ‘vrije wil’? Wel, in elk geval hadden de jonge mannen die term gehoord, dus nam ik hen net zo serieus als hun eigen uitstraling dat van me eiste en vroeg “Hoe zit dat dan? Kun je me dan uitleggen hoe je hier op deze regenachtige avond, op de fiets in dit zaaltje in Utrecht terecht gekomen bent, op de voorste rij bent gaan zitten en deze vraag over ‘vrije wil’ voorlegt? Is dat dan allemaal ‘zonder vrije wil’ gebeurd? Zijn jullie dan echt als twee automaten, als twee zombies helemaal naar dit zaaltje gedirigeerd, toevallig hier op de voorste rij komen zitten om vervolgens geheel toevallig en willoos die vraag te stellen? Zijn jullie dan, zoals neurobioloog Dick Swaab het uitdagend noemt, niets-anders-dan een machine? Zijn jullie dan niet geheel vrij om zelf te beschikken waaraan je een kostbare avond besteed?” En ik vroeg naar vingers in de zaal van mensen die óók willoos en zonder vrijheid naar deze lezing waren komen luisteren. Er gingen geen vingers omhoog en kennelijk had ik de twee tóch niet serieus genoeg genomen, de twee schoten uit hun stoel en verlieten de zaal. Hun blik was nóg ernstiger en geslotener dan voorheen. Ik had echt met ze te doen, die ijverige studenten. Ze kwamen binnen met een ernstige missie, en nu vertrokken zij zonder dat stralende gevoel van ‘mission completed’.

 

De verwarring en kakofonie tussen wetenschap en religie is tot een maximum gekomen, is vaak mijn gevoel. Vooral het mengen, roeren en verwisselen van categorieën van denken is maximaal. We hebben te maken met nogal wat categoriefouten, zowel binnen het denken van wetenschappers als dat van religionisten. Kennelijk wordt er op academisch niveau weinig tot niets gedaan aan epistemologie en ontologie. Zaken zoals ‘vrije wil’, ‘geest’, ‘ziel’, ‘God’, etc, vallen epistemologisch en ontologisch niet onder het magisterium van de wetenschap maar binnen het domein van de religie. En hoe gerenommeerd het wetenschapsbedrijf ook is, het blijft een uiterst merkwaardig verschijnsel dat er zoveel wetenschappers zijn die met vurig charisma en geschoolde eloquentie publiekelijk naar buiten treden met het lanceren van ieder weer hun eigen “goede zaak”, hun eigen nieuwe religie op basis van ‘wetenschappelijke feiten’. Dit is een boeiende drive, en die (emotioneel zwaar beladen) sciëntistische drive leent zich kennelijk niet makkelijk tot een redelijk debat of dialoog. Ik zie in die drive (plus de bijbehorende verwarring) meer een natuurlijk, evolutionair proces van verandering in de gelovige geest van de menselijke soort homo religiosus. De drive tot bestrijding van alle, welig tierende bijgeloof en een heilige strijd om waarheid, een ware verlichtings-djihad.

 

Mijn opvoeding was, zoals ik me die nu op m’n 67e herinner, van onduidelijk-atheïstische aard. We deden thuis vaak wat lacherig om religieus gedrag, we vergeleken het met Guna-Guna, de Stille Kracht, want we leefden toen in Nederlands-Indië. ‘Gelovigheid’, dat vonden we ook altijd een beetje griezelig, want achter schone beloften verscholen zat er altijd wel weer iets dreigends. Nee, werken, werken, en daarna van het verdiende geld ook verdiend genieten, zo reduceerden we onze werkelijkheid voor het gemak. Ook ik vond mijzelf een atheïst, maar dan eentje van ongebonden aard, dus van de vrij zoekende soort. Met die status van ‘zoeker’ werd ik door m’n achterban gezien als ‘dromer’ en ‘zwever’, niet erg geschikt voor dé realiteit van het leven. En dan werd ik later ook nog ‘theïst’, zo noem je dat dan. Ik ging namelijk in het ‘werken’ van een (boven-antropomorfe) Bron-van-alles geloven, vooral na het lezen van de openbaringsteksten in de schitterende Bahá’í-mystiek[1]. Vanaf toen werd ik dus de zwever-ten-top volgens mijn achterban, een ‘godgelovige’, bah, ‘van ’t padje af’, zegt men tegenwoordig. Maar wellicht was ik van aard altijd al een ‘spiritueel atheïst’… (Ik ontmoette in mijn leven trouwens nooit twee dezelfde atheïsten)

 

Van jongs af aan was ik eigenlijk al gefascineerd door die grenzeloze veelheid aan termen en benamingen, de attributies die de grote mensen aan alles geven, de cognities waarmee we alles reconstrueren, de aanduidingen die we gebruiken om het onduidelijke te verduidelijken. ‘Atheïst’, ‘theïst’, etc, ik raakte niet alleen betoverd door alle terminologie, maar werd me gaandeweg bewust dat ik ook zelf in die toverkring gevangen zat. Je kunt dan maar beter een bewuste tovenaarsleerling zijn dan een onbewuste, begon ik te beseffen. Dus speelde ik maar mee in Het Grote Spel van de menselijke terminologie. Maar als tovenaarsleerling bleef ik me steeds sterker afvragen Wie is dan toch de Meester Tovenaar in dat Grote Narratieve Theater op aarde? Gezien het feit dat er eerder een spel met spelregels gespeeld wordt dan zonder spelregels, en gezien onze ervaring dat het wereldgebeuren net zo’n herkenbare en organische drama-orde vertoont als de gehele kosmos doet, leek het mij dat wij met al onze woorden-alchemie als marionetten aan de touwtjes hangen van een regelgevende Meester-Alchemist, een Super-Narraticus die binnen in ons zowel als Dramaturg als Regisseur optreedt. Het meest logische zou immers totale chaos zijn, maar juist die wonderlijke orde valt op. Kijk maar eens naar de immense diversiteit binnen de menselijke soort, in talen, culturen, religies, tradities, raciale herkomst, ontwikkelingsniveau, welstand, macht, nog afgezien van de zeer uiteenlopende niches waarin wij basaal en fysiek op moeder aarde leven. Dat de menselijke soort zich als geheel ziet en die diversiteit weet te overbruggen met een overkoepelend bewustzijn is voor mij uiterst boeiend! De universele gestalte ervan weerspreekt ieder ‘radicale nominalisme’ en modieus postmodernisme!

 

Tegelijkertijd voelde ik dat het onmogelijk is om geheel vrijblijvend, buiten enig verband of verbond, volstrekt in je uppie te conceptualiseren en te reconstrueren, als een soort afdrijvende wolk, met vertrouwen op ‘blinde, spontane zelforganisatie’. Dus kwam ik toch maar ‘bij de les’ en sloot me aan bij een gemeenschap van medemensen (ik koos voor de bahá’ís) die wilden leren van de Vriend die in ons hart woont. Zelforganisatie in een chaotisch systeem is immers alleen mogelijk is als er aan dat deelsysteem creatief vernieuwende en sociaal organiserende informatie en energie wordt toegevoegd.

 

En geleidelijk aan werd ik gefascineerd door dat strikt bi-polaire functioneren (in allerlei mogelijke dimensies) vanuit ons immer intentionele en tendentieuze bewustzijn. Zeer basaal denken wij steeds in een bipolair schema van “goed vs kwaad”, “waar vs onwaar”, “recht vs krom”, “juist vs onjuist”, “mooi vs lelijk”, “gezond vs ongezond”, “rechtvaardig vs onrechtvaardig”, “wij vs zij”, "de goeden vs de slechten", “gelovigen vs ongelovigen”, “correct vs fout”, “domineren vs onderschikken”, “macht vs onmacht”, “vrij vs gebonden”, “erkend vs miskend”, “volwaardig vs onvolwaardig”, “verbondenheid vs afgescheidenheid”, vaak voortspruitend uit “bevredigend vs onbevredigend”, “genotvol vs ongenietbaar”, “gelukkig vs ongelukkig”, “vreugde vs verdriet”, “aangenaam vs onaangenaam”, “veilig vs onveilig”, “vertrouwd vs vreemd”, “rationeel vs irrationeel”, “benoembaar vs onbenoembaar”, “zeker vs onzeker”, “berekenbaar vs onberekenbaar”, “normaal vs abnormaal”, “gewenst vs ongewenst”, “voordelig vs onvoordelig”, en ga zo maar door. Binnen zo’n multidimensioneel raamwerk van bipolariteiten heeft iedere individuele mentaliteit zo zijn/haar eigen ‘bias’ of ‘vaste plaats uit-het-midden’, naar eigen snit en naar eigen ervaringshistorie. En veelal kenmerken al die bipolariteiten zich als simplistische dichotomieën. We zouden af moeten van het scheidingsdenken in óf/óf-dichotomieën en de weg moeten bewandelen van het én/én/én-denken. De allerbelangrijkste ‘én’ is dan juist ‘de derde én, het onbenoembare, datgene wat we (nog) niet weten. Met een goeie vragenlijst zou je bij iedereen zijn/haar positie in het multidimensionele raamwerk van bipolariteiten kunnen bepalen.

 

Fascinerend bleef voor mij die bipolaire spanningsverhouding tussen de diverse vormen van atheïsme aan de ene kant en de diverse vormen van theïsme aan de andere kant. Daarmee samenhangend, op latere leeftijd, werd ik geboeid door die fascinerende bipolariteit tussen de diverse vormen van ‘reductionisme’ en de diverse vormen van ‘holisme’. Ik werd er gaandeweg gewoon psychofilosofisch van. Want in praktijk ontwaarde ik alle mogelijke dimensies verenigd in alle mensen die ik ontmoette (inclusief in mijzelf), maar ook bij de meest orthodoxe gelovige en de meest orthodoxe atheïst. Het grenzeloze scala van kleuren en vormen tussen die twee ontologiserende uitersten in ieder individueel medemens: schitterend!

 

“Reality is in the eye of the beholder”, begon ik te merken. Ieder mens zelf verleent aan zijn of haar wereld de nodige namen en attributen op volstrekt eigen manier, naar eigen psychische make-up, naar eigen fysieke begrenzingen. Ofwel: ieder mens ontologiseert (reduceert) op eigen wijze de realiteit waarin hij/zij zelf leeft, steeds binnen een bepaald leefmilieu. Wezenskenmerk van de menselijke soort, zo moest ik wel vaststellen. De menselijke soort, een ontologiserende gemeenschap, bijeengehouden door een (onbenoembaar!) universeel bewustzijn.

 

De ontologiserende soort? Homo ontologicus? Wij zijn sterk geneigd om letterlijk alles in onze leefwereld te ‘substantialiseren’, te ‘verdinglijken’ en te ‘ver-beelden’ om vervolgens die ‘ding-beelden’ van allerlei namen en attributen te voorzien, ze te ‘benoemen’ teneinde ze te laten ‘zijn’ en ze vervolgens goed van elkaar te kunnen onderscheiden zodat we met alles in onze wereld steeds beter om kunnen gaan. Zonder die ontologisering, zonder die kennis van zaken komen we niet ver. Maar… niet alle verschijnselen zijn zo makkelijk te ontologiseren. Bepaalde zaken zijn eigenlijk helemaal niet te ontologiseren. En juist die niet te ontologiseren zaken zijn voor mij zo boeiend. Bijvoorbeeld al het fenomeen dat ‘dé werkelijkheid’ niet is te ontologiseren, domweg omdat de werkelijkheid ons ontologiserende bewustzijn omvat, en niet andersom, want daar gingen we (ontologisch) juist al van uit, althans…, in welke werkelijkheid leven zelfverklaarde reductionisten anders? De werkelijkheid afwijzen èn tegelijk ‘wetenschappelijk bewijzen’ dat de werkelijkheid “niets-anders-dan een neurolomodulair product is”, een illusie is? Over het ontologiseren door verstokte reductionisten is al veel geschreven.

 

Al ons ontologiseren gaat gepaard met het denken/voelen in “Goed vs Kwaad”. In België zat ik eens in een forum tussen de andere sprekers van die dag. We hadden het op dat kleine symposium over de cultuur van het vrije en rijke Westen, over ‘vrije markt werking’, over de technocratie, over de macht van de poen, het consumentisme, de amusementsindustrie, de seksualisering, de ontremming van directe behoeftebevrediging, over decadentie, kortom over een crisis en de mogelijkheden tot overkoming van die crisis. Een deelnemer vroeg waar we toch het lef vandaan haalden om over een ‘crisis’ te praten. Het was immers allemaal pure sociale democratie wat er plaats vond, en “hebben de sprekers soms iets tégen democratie?” kwam er uit zijn mond. De oogjes tintelden van triomfalisme. Want wie durft heden ten dage nog iets te beweren tégen de goede zaak van de ‘sociale democratie’ in? Ik antwoordde “Wat bedoel je met democratie?” en meteen straalde zijn triomf nóg duidelijker uit zijn ogen. Zie je wel, die spreker moet nog vragen wat ‘democratie’ is, wat dóet hij nog in een forum? Maar ik herhaalde stoïcijns “Wat versta jij onder democratie?”

 

Kennelijk begon de triomf wat af te nemen en hij gooide het over een andere boeg. “Er ís helemaal geen 'crisis' mensen, dat is uw denken in goed en kwaad, en daar moeten we zo langzaam eindelijk eens van af, al dat religieuze ‘denken in goed en kwaad’. U moet maar eens net als ik leren om neutraal te denken, democratisch!”. “Aha”, zei ik, “dus jouw opvatting van democratie is pure neutraliteit, misschien zelfs het streven naar een ‘neutrale staat’, de afschaffing van het denken in goed en kwaad en het opvoeden van de mensen in het neutrale denken?” “Já inderdaad!”, zei hij, en de triomf kwam weer wat terug. Ik vroeg hem toen “Is volgens jou het afleren van het denken in goed en kwaad en het aanleren van het neutrale denken een goede zaak?” “Já inderdaad!”, zei hij, “dát zou een goede zaak zijn!”, en heel langzaam begon hij wat door te krijgen, er kwam wat kleur op de wangen, in België zegt men dan ‘het muntje begon te vallen’. Toch gooide hij het met een volgende poging weer over een andere boeg "Ik bedoel eigenlijk dat we maar eens wetenschappelijk moeten gaan denken, dus waardevrij, zonder zingeving, zónder 'goed en kwaad' erin." Ik vroeg "Dus waardevrij wetenschappelijk denken, dát is pas écht goed?..."

 

Een flink aantal auteurs zijn de laatste jaren, als gevolg van het Nine/Eleven-gebeuren, de huidige veelheid van terroristische aanslagen en de toenemende problemen met de djihad van extremistische islamisten tegen het Vrije Westen en ter wereldwijde vestiging van een theocratisch regime onder een dictatoriaal Kalifaat, zelf een virulente djihad begonnen tegen letterlijk alle vormen van geloof en religie in de wereld. “Geloof en religie, dat is ‘de macht van het kwaad’, wij wetenschappers hebben de taak om alle religie voorgoed uit te roeien!, schreeuwen de militante ‘nieuwe atheïsten’ in volle zalen, vaak beloond met een donderend applaus. Wederom: een heilige taak, een goede zaak om al dat kwaad te bestrijden… Een heilige Zaak, een nieuwe religie...

 

Geen wonder dat ik gefascineerd blijf door dat strikt bi-polaire functioneren (in allerlei mogelijke dimensies) vanuit ons immer intentionele en tendentieuze bewustzijn, steeds in een bipolair schema van “goed vs kwaad”, “waar vs onwaar”, “recht vs krom”, etc, etc, zie het voorgaande. Probeer zelf maar eens ‘neutraal’ te denken. Sterker nog, probeer het denken nou eens geheel te ‘bevrijden’ van gevoelens en emoties. Ooit een ‘neutraal mens’ tegengekomen? en beviel dat goed

 

De ontologiserende soort? Homo ontologicus? De soort die aan letterlijk alles in haar leefwereld wel namen en attributen móet toeschrijven? Al was het maar om te overleven? In evolutionaire zin hebben we onszelf nu al van allerlei soortnamen voorzien: de soort de weet heeft van haar eigen weten (homo sapiens sapiens); de soort die het geloven niet kan laten, hoe ‘rationeel’ zij ook wil functioneren (homo religiosus); de soort die systematisch en methodisch kennis van haar leefwereld vergaart (homo sciëntificus); etc, etc. En op die gebieden van zelfkennis, geloofsleven en wetenschap is de menselijke soort voortdurend ‘op weg’, voortdurend in evolutie (homo viator, zie plaatje bovenaan deze pagina en zie ook plaatje op pagina evolutie), wetende dat er geen granietvast eindpunt op die weg zal zijn, maar dat De Weg Zelf elke keer weer belangrijker blijkt dan de vele wegwijzers op die Weg, en belangrijker dan ieder fictief ‘Eindpunt’ (dé Graal, dé Steen der Wijzen, dé Theorie over Alles, dé Heilsstaat, dé Waarheid, dé Godheid Zelve zijn, of wat dan ook).

 

Wij mensen…, wij zijn mysterieuze creaturen. Zoals God heeft gezegd: "De mens is Mijn mysterie en Ik ben zijn Mysterie" [2] Het mysterie ‘mens’ leeft op basis van tekens en teksten, geschreven, gesproken, gezongen, aangeheven of op andere wijze gedramatiseerd. Fascinerend, hoe wij bezielde tekstverwerkers zijn, spirituele spijsverteerders, betoverende verhaalmakers. Wij zijn zelf geweven van verhaaldraden en we maken ons verhalend aan elkaar kenbaar, opdat de ander ons kan leren kennen en liefhebben, opdat de ander in onze tekens en teksten kan gaan geloven, en vertrouwen in ons kan stellen. Daarbij is de mens in staat tot een waarlijk fascinerende retoriek. Geen enkele andere diersoort genereert en verwerkt zoveel tekst als de menselijke soort. Geen enkele andere diersoort scant zo’n enorme overvloed aan tekstmateriaal af als de mens, marketingteksten, wegwijzers, uithangborden, propagandateksten, boekteksten, pamfletten, kranten, ondertitelingen, ideologische, religieuze, heilige teksten; de mens is waarlijk een ‘tekstgestuurd wezen’ op weg naar steeds meer werkelijkheid.

 

Het merendeel van ons emotionele en motivationele leven wordt door teksten bepaald. Geen enkele andere diersoort gebruikt teksten als virtuele gebeurtenissen en als inspirerende bronnen voor zingeving, levensoriëntatie, vereniging, samenwerking en beschavingsopbouw.

Het mysterie ‘mens’ onderscheid zich van het dier als ‘homo narraticus’, de verhalende soort die met woorden creëert. Als ‘geschapen medeschepper’ wellicht[3], immers "In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen." [4] En:Het Woord was in de wereld, de wereld is door hem ontstaan.[5] In dit verband is het ook eens goed om de boeken van Carles Taylor te lezen, bijvoorbeeld Bronnen van ons 'zelf'.

 

Mijn visie en mijn dagelijkse ervaring is dat de menselijke soort zich kenmerkt door te leven vanuit complete overtuigingensystemen, dua als gelovige soort, als homo religiosus. Steeds is homo religiosus bezig met interpretatieve zingeving, met het ontwerp van Heelbeelden, met overtuigde ideologieën, met idealismen en utopieën. Het is de mens niet mogelijk om niet te geloven! 

Geen enkele andere primaat is voorzien van zo’n creatief, hypermobiliserend geloofsbewustzijn. De menselijke soort onderscheidt zich van de andere soorten vooral als de soort die leeft in allerlei verbondsvormen rondom transcendentale dimensies (verticaal of horizontaal of beide) waaromheen uitgebreide zingevingsystemen gegenereerd worden, zoals ideologieën, culturen, godsdiensten, utopische bewegingen, dogmatisch of lichtvoetig, of het nu een politieke ideologie geld, of één van de theïsmen, atheïsmen of humanismen, holistisch, dualistisch, of reductionistisch en monistisch, een sciëntisme, naturalisme, materialisme, ietsisme, universalisme, gnosticisme, particularisme, exclusivisme, een soloreligie, etc, maar vooral ook: alle mogelijke combinaties daarvan in homo religiosus, onze gelovige soort!

 

In ons dagelijkse leven handelen we vanuit ons vertrouwen op onze dagelijkse aannamen, vooronderstellingen en vaste overtuigingen op basis van onze behoeftepatronen ondersteund door emergente meta-modellen (paradigmata), vóór-beelden[6], iconen en idolen. Wat dat laatste betreft: sinds de Eerste Axiale Periode[7] werd God tot het ene, absolute hoogtepunt van adoratie, de Grote Baas Boven, de Absoluut Onkenbare. In de hele dierenwereld zijn er geen andere soorten die tempels bouwen voor de aanbidding van de Ene transcendente Godheid Die Zich regelmatig liet verwoorden. Kerken en moskeeën met zo hoog mogelijke kerktorens, of minaretten die het dichtste bij Allah komen, overkoepelde ruimtes om daarin als ‘ware gelovigen’ samen te komen teneinde de triomf van de eigen religie voor te bereiden. Echter dat laatste is nu onderhevig aan verandering sinds het aantreden van de Tweede Axiale Periode[8] vanaf de 19e eeuw! Deze ‘Tweede Spiltijd’ is het tijdperk waarin de drijfveer escaleert om nu – vanuit het Westen - eens en voor altijd af te rekenen met ‘al dat bijgeloof’ binnen de menselijke soort. Zoals psychologisch al verwacht kon worden, wordt die zelfbevrijding – zoals in de pubertijd – buiten proporties overdreven. Er zijn dan mensen die letterlijk ál het spirituele uit de wereld willen uitdrijven, al het metafysische, mystieke, mythologische eerst willen vervangen door de eenzijdigheid van mathematisch-logische syllogismen en algoritmen en vervolgens al die syllogismen en algoritmen uiteindelijk door de mechanica van de menselijke maat en maakbaarheid, de utopie van de transhumanistische Technocratie. Puberteit is een moeilijke periode.

 

Vanaf midden 19e eeuw breekt voor de gehele menselijke soort een nieuw denken door. Het denken in compleet nieuwe metaforen die niet meer uitsluitend uit onze dagelijkse ervaring met de fysieke natuur en met de verschijnselen aan de hemel gehaald worden, maar ook uit onze zelf ontdekte intellectuele abstracties uit de ‘nieuwe wetenschappen’ zoals de complexiteits-, kwantum-, chaos-, systeem-, neuro-, informatie- en evolutiewetenschappen.

 

De evolutiewetenschappen bestuderen o.a. de levensvormen binnen hun strikt eigen niches[9]. Ook onze geestelijke, spirituele en religieuze evolutie speelt zich natuurlijk in niches af. Alle wereldreligies[10] verwijzen naar een hogere werkelijkheid die voor ons in wezen onkenbaar is, en dat is geheel verenigbaar met de evolutietheorie! Die voorspelt immers dat het kenvermogen van de mens steeds een ‘aanpassing’ is (een ‘adaptatie’) aan een veranderende ‘niche van kennis’. Het is volgens de evolutionaire visie dus zeer natuurlijk dat de niche van de menselijke soort niet alleen fysiek, maar ook intellectueel deel uitmaakt van een grotere en complexere werkelijkheid. Wij mensen hebben binnen onze niche een geheel eigen ‘logisch systeem’ ontwikkeld (op basis van onze zogenoemde ‘logische regels’), maar velen denken vervolgens dat dit logisch systeem meteen ook ‘hét enig ware logische systeem’ is om de werkelijkheid te omvatten. Dit, terwijl een ‘grotere werkelijkheid’ waarin onze logica niet van kracht is, voor ons natuurlijk ook niet te begrijpen is! En daarom hebben wij binnen onze begrensde natuurlijke werkelijkheid (dus zonder universeel omvattende logische regels) ook niet het epistemologische recht om te zeggen dat ‘de werkelijkheid’ géén paralogische eigenschappen kan hebben. De vraag blijft dus bestaan: is het echt waar dat onze logische regels ook ‘altijd’ waar zijn? Kunnen onze logische regels wel een soort 'universele' kracht dragen, terwijl er inmiddels (virtueel) andere logische systemen zijn ontwikkeld? Dat de mens in zijn leefwereld überhaupt gebruik maakt van meerdere, volstrekt uiteenlopende vormen van logica, dat mag toch als algemeen erkend worden verondersteld.

 

Waarom verdelen we ‘dé werkelijkheid’ niet gewoon in deelgebieden, het ons bekende gebied waarin onze ‘strenge’ logische regels wel gelden en onbekende deelgebieden waarin deze regels niet gelden. En vervolgens concluderen we dat onze ‘logische ruimten’ worden begrensd door onze eigen logische regels. Kortom: de ruimten waarbinnen deze regels gelden, is het deelgebied waarvoor wij evolutionair wel zijn ‘aangepast’. En de ruimte waar deze regels niet gelden, een deelgebied is waar wij evolutionair niet voor zijn ‘aangepast’ (ge-adapteerd).

 

Het komt dus echt neer op[11] ‘vertrouwen’, op waar we in ‘geloven’, en vooral: wat volgens ons ‘goed werkt’. Hoe ‘rationeel’ of ‘wetenschappelijk’ we onze eigen geest ook noemen, zij blijft gebaseerd op een zeer brede geloofsbasis, op een heel fundament van vertrouwensartikelen, op een systeem dat bestaat uit een grote verscheidenheid aan (vaak onbewuste!) uitgangspunten, aannamen, axioma’s, vooronderstellingen, geloofsovertuigingen, vooroordelen, dogma’s, tradities, drogbeelden, mens- en wereldvisies, paradigmata van waaruit we persoonlijk gemotiveerd worden tot percepties, interpretaties, houdingen, gedragingen en handelingen in de concrete omgang met onze realiteit. En met die gelovige geest proberen wij dan onze eigen geest te bekijken en te bestuderen, vanuit allerlei standpunten. Het lijkt vaak op de gymnastische oogbewegingen waarmee we proberen ons eigen netvlies te zien. Hoe scheel we onze ogen ook trekken om te proberen ‘inwaarts’ te kijken, we krijgen het niet voor elkaar om zintuiglijk en rationeel onze blikrichting om te draaien. Hetzelfde geldt voor de geest of de ‘ziel’: wàt we ook doen, we kunnen ‘de waarnemer zelf’ binnen in ons niet waarnemen, we kunnen ons niet bewust zijn van hoe we ons bewust zijn. [Hoe ‘zelfbewust’ we onszelf ook beleven… ;-}]

 

Alle andere diersoorten noemen we vaak ‘louter instinctief’, dus niet-rationeel redenerend, niet-calculerend, niet-cognitief, niet-abstraherend, niet-reflectief, niet-intellectueel, niet-wetenschappelijk, niet-evangeliserend, niet-ideologisch, niet-religieus! [We kunnen wel praten over een ‘bidsprinkhaan’, maar die weet niet eens wat bidden is.] Alleen de mens ontwikkelt allerlei religieuze denkbeelden en complexe bouwwerken over ‘de werkelijkheid’, allerlei geloofsartikelen van waaruit de mens vervolgens zijn leven leeft. Daarbij is alleen de mens een tekstontwikkelend, tekstverwerkend en vooral een ‘tekst-gestuurd’ wezen. En alle teksten waar de mens zich door laat besturen variëren qua impact en besturingskracht naar de mate van de belovende, ‘overtuigende’ en ‘vertrouwenwekkende’ inhoud ervan, dus naar de mate van ‘religieuze spin’, de mate van de symbolische of utopische overtuigingskracht en charisma.

De vraag hoe wij over religie en godsdienst denken wordt in hoge mate beperkt door de (vaak verouderde) tekstuele(!) begrippen waar we over kunnen beschikken. Wanneer deze begrippen geen hout meer snijden, hoeft dat niet te betekenen dat religies of godsdiensten zelf verdwijnen. Godsdienst wordt niet alleen uitgelegd als een manifestatie van de hoogste, de eerste en transcendentale ‘Bron’ van de werkelijkheid, maar zeker ook als een conceptuele ‘omgang’ met de contingentie waarmee ‘het heil’ de mens overkomt. Religie zelf blijft mensenwerk, hoezeer wij ook ons best doen om te begrijpen wat De Onbenoembare Zelf van ons wil.

 

Wij, de ontologiserende soort, de soort die het ontologiseren gewoonweg niet kan laten, maken van letterlijk alles een beeld in ons menselijke bewustzijn. We ver-beelden ons heel wat, en dat doen wij voornamelijk antropomorf, vanuit het beeld en de gelijkenis van onszelf! We zijn dus ook een ‘antropomorfiserende soort’. Maar gelukkig onderzoeken wij onze eigen drang en dwang om alles te ontologiseren en te antropomorfiseren ook. Dat doen we binnen de onderzoeksgebieden van de ‘ontologie’ en de ‘epistemologie’.

 

De ontologie of zijnsleer: de leer van ‘alles wat is’, de leer van de algemene eigenschappen der dingen, tevens de leer van de onderwerpen van het menselijk denkvermogen. Het ‘ontologisme’ is een filosofische stellingname dat al onze kennis haar oorsprong vindt in de ‘aangeboren of onmiddellijk gekende’ idee van ‘het zijn’. De natuurwetenschappen zijn zijnswetenschappen die gespecialiseerd zijn in een methodisch verantwoord ontologiseren van alles en nog wat binnen de grenzen van onze beperkte bestaanswereld.

 

De epistemologie is de leer betreffende de aard, de methoden en de grenzen van de menselijke kennis. Synoniemen zijn: kenleer, kennisleer, kennistheorie, wetenschapsfilosofie, wetenschapsleer, wetenschapstheorie. Kortom: epistemologie is het vraagstuk van de herkomst van onze kennis. Waarom weet je wat je weet, waar heb je het vandaan, op welke manier ben je aan je kennis gekomen?

 

Ontologie en epistemologie behoren samen op te trekken: Bij alle namen en attributen die we aan verschijnselen toedichten (onze ontologie) moeten we ons steeds afvragen “waar heb ik dat vandaan gehaald, hoe moet ik dat verantwoorden?” (onze epistemologie). Dit is een grondvoorwaarde voor al onze menselijke kennis, en het geldt vooral voor gecertificeerde wetenschappers.

 

De menselijke soort is al doende onoverkomelijk geneigd tot ontologiseren. Het lijkt wel op een ingebouwde dwangmatigheid waarbuiten we niet goed kunnen leven. Dat puur menselijke ontologiseringsvermogen evolueert en verfijnt zich voortdurend, op zoek naar een steeds redelijker menswaardigheid. Door mij – en door vele visionairs – wordt De Transcendente gezien als de centrale, innerlijke en onkenbare(!) Bron van het benamingsvermogen van de mens, de “Koning-van-namen”. Wij hebben Hem, door Hemzelf, “God” leren noemen.

 

Het ‘Eerste Woord’ was en is – religieus gesproken – altijd bij God, de innerlijke, immanente Transcendente, de Schepper. Philip Hefner[12] noemt de mens een ‘geschapen medeschepper’ (created co-creator). De menselijke soort is daarbij de enige soort die haar eigen kennis kan overstijgen (transcenderen) en daarmee ‘zelfkennis’ kan verkrijgen door naar de Bron in de eigen gewetensruimte te luisteren. Bij geen enkele andere soort is dat eeuwig zelfreflecterende vermogen waargenomen. Het mysterie mens is daarbij het enige wezen dat niet alleen "bottom-up" ontdekkend bezig is, maar ook “top-down” de openbaringen van God in zichzelf (!) beluistert.

 

Het fenomeen 'goddelijke openbaring' zoals bekend binnen de premoderne religies van de Eerste Axiale Periode lijkt onder het modernisme en post-modernisme aan betekenis te hebben verloren, maar ik voel me een kind van de Tweede Axiale Periode en zie een zich vernieuwende betekenis van 'openbaring' die samen gaat met het nieuwe denken. Ik begin mijn verhaal bij de tijd van Darwin, Einstein en meer significante onderzoekers en ontdekkers die de Tweede Axiale Periode vanuit de wetenschap concipieerden en veronderstel een cycluswending bij de vestiging van de Verlichting aan de basis van de Westerse samenleving in de 19e eeuw. Wat de 20e eeuw betreft is de mensheid langzaam het critische denken gaan ontwikkelen.

 

Bij het lezen en gebruiken van de website kan men onder iedere pagina op 'HND-inhoud' klikken om steeds terug te keren naar de inhoudslijst of rechtsonder op de link naar de vervolgpagina om teksten in hun volgorde te lezen, of op de volledige updatelijst van meer dan 85 pagina's om zelf te kiezen wat men wil lezen.

 

naar de inleiding>

of meteen door naar Een profielschets van het nieuwe denken>


[1] Zie o.a. http://nl.wikipedia.org/wiki/Bahai

[2] Bahá’u’lláh, Bloemlezing CX

[3] ‘Created co-creator’, zie werken van Philip Hefner, verderop vermeld

[4] De Bijbel, Vertaling in opdracht van het Nederlands Bijbelgenootschap, Johannes 1

[5] Johannes 1.10, NBV

[6] Examplers. (bijvoorbeeld ‘Abdu’l-Bahá is “The Perfect Example”)

[7] De korte Eerste Axiale Periode is van 800v.Chr.-200v.Chr., de lange van 800v.Chr.-800na.Chr. In die Eerste Axiale Periode ontstonden dé Grote Religies rondom de Ene, Transcendente, Ultieme Bron van werkelijkheid.

[9] Alle levensvormen nestelen zich in zeer specifieke ecosystemen, biotopen, habitats oftewel 'niches'.

[10] En dan maak ik hier gebruik van het essay van Jan Riemersma: Waarom Evolutie Religie niet uitsluit, 2007

[11] De uitdrukking “Het komt dus echt neer op…” is in feite ook weer een reductionisme van de holist!

[12] Boeken van Philip Hefner zijn The Human Factor: Evolution, Culture, and Religion (Minneapolis: Fortress Press 1993) en Technology and Human Becoming (Minneapolis: Fortress Press 2003).