De Tweede Axiale Periode


[ Commentaar graag naar Eric en Wil, email info@ericwil.nl ]

Karen Armstrong[1] schrijft over de Eerste Axiale Periode (of ‘Spiltijd’) binnen de religieuze evolutie van de mensheid. Het gaat dan om het tijdperk waarin de grote pre-moderne religies ontstonden, van 800 v.Chr tot 200 v.Chr, een opmerkelijk korte periode eigenlijk. Maar als je het ontstaan van het christendom en de islam – als vrucht van die Spiltijd – daarbij wil insluiten, kom je natuurlijk op een langere periode uit, grofweg van 800 v.Chr tot 800 n.Chr.

 

Karen Armstrong bouwt in haar boek voort op werken zoals van Karl Jaspers[2] en vele andere representanten van de Tweede Axiale Periode die in de Moderniteit na de Verlichting ontstond.

In de Eerste Spiltijd ontstonden o.a. het monotheïsme, het confucianisme, het taoïsme, het hindoeïsme, het boeddhisme, maar ook het Grieks filosofisch rationalisme (de Ionische Verlichting). Historici spreken van de Spiltijd vanwege de centrale rol die deze inneemt in de spirituele ontwikkeling van de mensheid. Het is in deze unieke periode dat zich voor het eerst een collectief geloof vestigde in de Ene, de Alles-Overkoepelende (‘De Transcendente’), de absoluut onkenbare Ultieme Werkelijkheid, Oppermacht of Godheid. Die nieuwe religieuze notie genereerde een enorm verenigende kracht onder stammen, volkeren en culturen die voorheen met elkaar streden om de overwinning van de eigen godheid (of van hun diverse goden) boven die van de anderen. 

 

Frits de Lange[3], een uitgesproken ‘kind van de Tweede Axiale Periode’ en tegelijk een ethicus in het christelijk serieuze Kampen, schrijft over deze nieuwe tijdgeest in een recent verschenen boek[4] over de publieke rol van religie in Nederland. Ook hij haalt dan eerst de Eerste Axiale Periode aan: “De legitimatie van menselijke macht lag Boven, en niet beneden bij het volk dat ze regeerden. De holistische samenlevingscultuur was tot ongeveer 1000 voor Christus dominant. Daarna - in de periode tussen 800 en 200 voor Christus, door Karl Jaspers de ‘Achsenzeit’ genoemd - staan de stichters van de grote religies op (Lao Tse, Boeddha, de profeten van Israël, Zarathustra). Zij zijn volgens Gauchet[5] de uitvinders van dé ultieme transcendentie. Met het geloof in een transcendente Schepper-God wordt er een eerste bres geschoten in het gesloten blok van de metafysisch gelegitimeerde machtsordening. God en wereld vallen niet meer samen, maar zijn van elkaar gescheiden; er ontstaat (na het holisme van destijds) een ontologisch ‘dualisme’. Er ontwikkelen zich vormen van monotheïsme die de gesloten eenheid van de politiek-sacrale orde doorbreken - op pregnante wijze in de profetische kritiek - in naam van de persoonlijke Gans Andere.” En dan vervolgt hij: 

 

“Toch duurt het tot aan de verbreiding van het christendom voordat de uittocht uit het land der religie (‘1a sortie de la religion’) kan worden voltrokken. Het christelijke geloof radicaliseert de transcendentie van God in een ongehoorde zin: door haar geïncarneerd te zien, in de mens Jezus van Nazareth. In het Koninkrijk Gods zijn dienaars heersers, laatsten worden er eersten, de minsten gelden er als de belangrijksten. Christus’ 'macht' berust in het feit dat hij van alle macht afziet. Tegenover de oorlog verkondigt hij de liefde. Jezus is volgens Gauchet een ‘omgekeerde Messias’ (un messie a 1'envers). ‘Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld.' (Joh. 18:36) De transcendentie van God wordt immanent. God, oneindig van de wereld gescheiden, ontledigt zich. Hij onderwerpt zich in vrijheid aan de condities van de menselijke wereld. Het menselijke leven krijgt als woonplaats van God een glans van heiligheid. Het profane krijgt, juist in zijn profane hoedanigheid, een sacrale betekenis.”[6]

 

De mensheid leeft nu (vanaf de 18e eeuw) in de turbulentie van de ‘Tweede Axiale Periode’, een pijnlijke, veel onschuldige slachtoffers eisende, maar in elk geval unieke (voor de eerste keer een mondiale en universele) herbezinning op ‘het verschijnsel religie’ tegenover de Verlichting, de wetenschap annex technologie, de globalisering en de moderniteit, de evolutietheorie en de zogenoemde 'nieuwe wetenschappen’ (kwantumtheorie, de wetenschappen van de complexiteit, de systeemwetenschappen, de informatiewetenschappen, etc, zoals besproken op vorige pagina's).

 

De mensheid (als geheel) wordt gedreven tot een wereldwijde herdefinitie, niet alleen op ‘het verschijnsel religie’, maar ook tot een herdefinitie van “God”, een universele heroriëntatie in de verhouding van de menselijke soort (homo religiosus) tot de ultieme Transcendentie. Deze ‘herbronning’ maakt het wellicht mogelijk om de naam “God” gaandeweg te zien als een soort meta-naam, ter aanduiding van ons Eeuwige Mysterie, die Onkenbare Essentie Zelve, het Eeuwig Opperwezen, die Ultieme Werkelijkheid, de Tao, de Transcendente, de Bron, de Here der Heerscharen, de Here der Heren, de Schepper, de 'Ik-Ben', Allah, Jehova, YHWH, Elohim, Brahman, Ein-sof, de Alziel, Al Dath, El Sjaddai, de Enige Absolute, de Einöde, Hari, de Boeddha, de Dharmakaya, Krishna, Shiva, G’d, Adonai, Vishnu, Heilige Vader, Ahura Mazda, Hakadosj Baroech Hoe, Odin, Tloque Nahuaque, Rama, Hasjem of welke naam wij ook voor de/het Transcendente gebruiken. De Griekse naam voor de Godheid is Theos, maar Theos blijkt nu – in onze Tweede Axiale Periode – als immanente transcendentie werkzaam, of als transcendente immanentie. In plaats van een eenzijdig omhoog gerichte, verticale transcendentie is er steeds meer sprake van een vorm van horizontale transcendentie of een benedenwaarts gerichte dieptetranscendentie.

 

Het Theïsme was oorspronkelijk trouwens al het geloof dat God zowel transcendent als immanent werkt; God is dus tegelijkertijd de Onkenbare, oneindig ver boven de mensen verheven, maar tegelijkertijd de (kenbare) Aanwezige in het wereldgebeuren en in onszelf. Echter vele theïsten en monotheïsten geloven behalve in God als Opperwezen ook in het bestaan van andere, minder machtige ‘onsterfelijke’ wezens en verschijnselen, maar geven hen andere namen, zoals engelen, demonen, etc. In het panentheïsme (Grieks: pan=alle, en=in en Theos=God) behoudt God zijn transcendente karakter en wordt God gezien als zowel de schepper, als de Oorsprong van een universele moraal. Maar binnen het panentheïsme is God vooral immanent in de gehele schepping actief aanwezig, het universum is deel van God, en God Zelf is dan de drijvende kracht of de Attractor achter het universum en de evolutie. In tegenstelling tot het zogenoemde ‘pan-theïsme’ (zonder -en-) – alles, het Universum, de Kosmos, de Natuur is God Zelf, in al Zijn aspecten – gaat het pan-en-theïsme er dus van uit dat God tegelijk meer is dan het waarneembare universum omdat God alle bestaanswerelden omvat, deze ‘creëert’, door ze voor ons van Zijn benamingen en betekenissen te voorzien, vanuit een periodieke heroriëntatie in onze verhouding tot “God”.

 

Er is in onze Tweede Axiale Periode niet alleen een steeds intensiever interreligieus verkeer (voorzichtig ontmoetend, beginnend dialogiserend, zelfs coöpererend), maar ook intra-religieus worden gelovigen geconfronteerd met hun eigen geloofsleven en hun collectief Verbond. Intrareligieus dialogiseren is in het Westen wel op gang gekomen, maar de verspreiding daarvan over andere blokken in de wereld gaat natuurlijk heel traag. Mensen gaan maar langzaam over van een traditionele religiositeit naar een zelfbewuste, meer zelfkritische en verantwoorde religiositeit.

 

De wetenschap/religie-dialoog stimuleert intrareligieuze heelwording en volwassenwording, en maakt vervolgens de interreligieuze harmonie en samenhang mogelijk. De menselijke soort, ‘homo religiosus’, steeds sterker vertegenwoordigd als ‘civil society’, ontwikkelt nu gaandeweg een universele basisreligie, een ‘civil religion’.  Maar binnen de civiele religie heeft zich inmiddels ‘civiele sciëntisme’ ontwikkeld, het geloof bij de gewone burger dat het de wetenschap is die uiteindelijk alles te weten komt en zelfs uitsluitsel gaat verlenen omtrent zingeving, ethiek en beschaving.

 

Wat mij in eerste instantie boeit is het feit zelf dat we überhaupt in staat zijn tot zo’n historisch overzicht van de religieuze evolutie van de mensheid. Dit historiserende vermogen, en vooral de groeiende bewustwording van onszelf als ‘gelovige soort’ in een religieuze evolutie is één van de belangrijkste kenmerken van de Tweede Axiale Periode waar we sinds de Verlichting in terecht gekomen zijn. Karen Armstrong is kind van de Tweede Axiale Periode, net zoals wij allemaal dat zijn. Bewustwording van jezelf als religieus wezen en het bijbehorende zelfkritische vermogen heeft velen in staat gesteld om de nodige psychologische afstand te beoefenen tot het eigen geloofsleven. Bij Karen Armstrong resulteerde die psychologische afstand zelfs in een compleet loslaten van een christelijke zelf-identificatie. Eén van de aspecten van de Tweede Axiale Periode is dan ook het secularisatieproces, met name vanuit West Europa. Mensen verlaten hun traditionele en collectieve geloofsverband in een verlangen naar een dogmavrije individuatie. Het aantal seculiere christenen groeit, zoals er al een groot percentage seculiere joden bestaan. En vandaag de dag verschijnt in het openbaar het eerste cohort seculiere moslems. Er is sprake van een sterk toenemende bevrijding, ontgrenzing en ontremming van persoonlijke religiositeit. En in dat kader van de individualisering en individuatie(!) van religie ontstaat er ook een democratisering van de spiritualiteit.

 

De uitspraak “De transcendentie van God wordt immanent. God, oneindig van de wereld gescheiden, ontledigt zich. Hij onderwerpt zich in vrijheid aan de condities van de menselijke wereld. Het menselijke leven krijgt als woonplaats van God een glans van heiligheid”, wordt gebruikt om van de al te letterlijk gebruikte verticale dimensie af te zijn, en om van “De Grote Baas Boven”, daarginds, boven de wolken, oneindig van de mensen gescheiden, voorgoed af te zijn. Díe God is immers een God van het kwalijke spiritueel materialisme. (Zie vorige pagina op deze site.)

 

De wetenschap/religie-dialoog

 

Volgens de fanatieke Godbestrijder Richard Dawkins is het niet een almachtige God die weet wat goed voor ons is, maar het almachtige Gen. Het zijn de lichamelijke genen en de geestelijke memen die van ons gebruik maken om zichzelf voort te planten op lichamelijk en op geestelijk gebied, volkomen volgens de darwinistische evolutieregels. De mentale memen zijn net zulke zelfreproducerende machientjes als de biologische genen. Richard Dawkins is dé representant bij uitstek van het materialistisch reductionisme en van het mechanistisc deterministische denkmodel.

 

Maar Steven Gould beweerde wat anders, namelijk dat niet het religieuze geloof van de mens de vijand is van kennis en wetenschap, maar het irrationalisme, het magische ‘bijgeloof’. De meeste (redelijk) gelovige mensen hebben er namelijk geen moeite mee om de kennis van de wetenschap te accepteren, want de ‘feitelijke toestand’ van de wereld, welke die ook is, kan onmogelijk het ware religieuze onderzoek bedreigen. Steven Gould is representant van de erkenning van de twee afzonderlijke ‘magisteria’[7], het magisterium (domein) van de wetenschap en het magisterium van de theologie en religie. Deze twee magisteria kunnen elkaar in de beschaving aanvullen. [Maar dan moet God niet gezien worden als een “God van de gaten”, de voorlopige opvuller van wetenschappelijk nog niet onderbouwde hypothesen.]

 

Ook die wetenschappers die zich uitsluitend met de bouw van de ‘materie’ of met de exacte natuurkunde bezig houden kunnen niet buiten het gebruik van metaforen om de werkelijkheid voorstelbaar te maken, ook al worden die ‘verbeeldingen’ steeds abstracter. En die laatste ontwikkeling is voor vele gevestigde religies een grote uitdaging. In de 20e eeuw leek het (in het Westen!) dat de traditionele religies zouden verdwijnen door de volwassenwording en dominantie van de wetenschap. Velen ontwikkelden dan ook een soort ‘nieuwe religie’, namelijk die van het sciëntisme, de doctrine dat ‘geloof in de wetenschap’ alle andere geloofssystemen zou vervangen. In het communistische denksysteem (gebaseerd op een doctrinair materialisme) werd dit geloof als politieke ideologie gedurende een aantal decennia dwingend voorgeschreven en in praktijk gebracht. Dit streng dogmatische, autoritaire en totalitaire denksysteem heeft miljoenen andersgelovigen het leven gekost.

 

Maar in het vrije Westen ontwikkelde zich juist een open debat tussen wetenschap en religie, en dat wetenschap/religie-debat ontwikkelde zich tot een ware wetenschap/religie-dialoog. Wetenschap en religie kunnen nu gezien worden als dè twee complementaire bronnen van kennis, inzicht en werkelijkheidsoriëntatie. Dit is één van de belangrijkste kaderdoorbrekende gedachtegangen. Het nieuwe denken resulteert op een groeiend aantal plaatsen, bijvoorbeeld op het gebied van sociaal-economische ontwikkeling in de nieuwetijds praxis van de samenwerking van wetenschap en religie als ontwikkelingspartners.

 

De twee Boeken van God

 

God schrijft voor de mensheid niet één maar twee Boeken, twee ‘vervolgverhalen’, het (textuele) Boek van God’s Woorden en het (non-textuele) Boek van de Natuur.

 

Het éne Boek van God’s verhalen voor de mens werd periodiek geopenbaard en op Schrift gesteld, dat zijn de diverse en samenhangende openbaringsgeschriften gedurende de evolutie van de menselijke religiositeit. Al God’s openbaringsteksten in de geschiedenis vormen - in hun essentiële kern - één samenhangende, organische eenheid van goddelijke tekstopenbaring. Buiten die universele kern zijn er allerlei tijdgebonden teksten geopenbaard die bij ieder nieuw tijdperk weer vervallen. En ik ben ervan overtuigd dat er inmiddels héél wat religieuze overtuigingen en dogma’s zijn vervallen. De kunst is om nu samen op zoek te gaan naar geloofswaarheden die in alle religies met elkaar overeen komen teneinde daar de harmonieuze samenhang en de organische eenheid in te ontdekken. Dit, terwijl we ons tegelijkertijd ervan bewust zijn dat álle religieuze waarheid contextgebonden, tijperkgebonden relatief is. Het gaat dus om een gezamenlijk vinden van een dynamisch evoluerende samenhang, niet om een statische! In dit Tweede Axiale Tijdperk zijn statische religies ten dode opgeschreven.

 

Het andere Boek is Zijn (empirische) ‘Boek van de Natuur’. Dat tweede Boek van God is de natuur zelf, dus niet in tekstvorm. De natuur is God’s Wil en de belichaming van God als “Schepper”. Dat Boek van de Natuur is niet als Geschrift neergedaald, maar dat Boek is er altijd al (zelfs al vóór de eerste tekstuele godsopenbaring aan de mens) en moet gelezen worden met het wetenschappelijk geoefende oog, methodisch, met de ratio, de rede. Zoals God in Bahá’u’lláh openbaarde: "De Natuur is in wezen de belichaming van Mijn Naam, 'de Maker', 'de Schepper'. Haar manifestaties zijn door variërende oorzaken verschillend, en in deze diversiteit bevinden zich tekenen voor mensen met inzicht. De Natuur is God's Wil en de uitdrukking daarvan in en door de afhankelijke wereld. Ze is een beschikking van de Voorzienigheid, die is bepaald door de Beschikker, de Alwijze. Zou iemand beweren dat zij God's Wil is, gemanifesteerd in de bestaanswereld, dan zou niemand deze bewering mogen betwijfelen. Zij is begiftigd met een vermogen welks realiteit het verstand der geleerden te boven gaat. Waarlijk, iemand met inzicht kan daarin niets anders waarnemen dan de uitbundige pracht van onze Naam, 'de Schepper'. Zeg: Dit is een werkelijkheid welke geen verval kent, en de Natuur zelf is verzonken in verbijstering tegenover haar openbaringen, haar onweerstaanbare bewijzen en haar uitbundige luister welke het hele universum omvatten." [8]

 

Bovenstaande openbaringstekst is niet ‘wetenschappelijk’ maar mystiek. Dit soort teksten zijn in religieuze taal geschreven voor de theologische belevingswereld van de mens, en zijn niet bedoeld als ‘hypothese’ die wetenschappelijk ‘getoetst’ moet worden. De twee magisteria van theologie en natuurwetenschap zijn twee verschillende magisteria! Net zoals de tekst in Genesis niet bedoeld is voor het wetenschappelijk laboratorium, niet bedoeld voor devote creationisten die tegen de evolutieleer zijn, niet bedoeld voor een soort ‘wetenschappelijke methode als ‘Intelligent Design’, net zo is bovenstaande, mystieke tekst dat ook niet.

 

Wij mensen zijn ‘aan de ene kant’ (van de éne medaille) deel van de natuur en ‘aan de andere kant’ (van diezelfde medaille) deel van de menselijke spiritualiteit.

 

In het Westen praten we nu weliswaar over een ‘herleving van de religie’, maar de realiteit wijst op iets geheel anders: In het Westen is er een bevrijding, een ontgrenzing en een ontremming gaande van de natuurlijke, menselijke religiositeit, en niet een ‘herleving van religie’. Onder een ‘religie’ verstaan we immers het onderlinge verband en verbond tussen gelijkgelovigen, zoals in een kerk of in een ideologie. Maar de ‘samenbindende kracht’ van religie (=’religare’) onder een verbond en neemt juist af. De secularisatie, de leegstroom van kerken, blijft zich gewoon voortzetten. Mensen in het seculariserende Westen moeten het steeds minder hebben van opgelegde ‘gelijkgelovigheid’, zij moeten het steeds minder hebben van georganiseerde godsdienstigheid met een top-down bestuurlijke structuur.

 

Vanaf het begin dat geen begin heeft…..

 

“Evenals het begrip ‘geloof’ bestaat vanaf het begin dat geen begin heeft en zal voortduren tot het einde dat geen einde heeft, zo zal de ware gelovige eeuwig leven en blijven bestaan. Zijn geest zal zich eeuwigdurend bewegen rondom de Wil van God. Hij zal blijven bestaan zolang God Zelf blijft bestaan. Hij is onthuld door de Openbaring van God, en is verborgen op Zijn bevel.” [9]

 

De voortreffelijkheid van de nieuwe goddelijke dispensatie is onmetelijk verheven boven ons bevattingsvermogen. Hoe omvangrijk onze kennis en begrip ook is, we gaan gesluierd:

“Zoudt gij de dichte sluier die uw blik verblindt, vaneenscheuren, dan zoudt gij zulk een milddadigheid waarnemen waarmee niets kan worden vergeleken of geëvenaard vanaf het begin dat geen begin heeft tot het einde dat geen einde heeft.” [10]

“Hij die zich laaft aan de wateren van Mijn Openbaring zal alle onvergankelijke vreugden smaken welke door God bevolen werden vanaf het begin dat geen begin heeft, tot aan het einde dat geen einde heeft.” [11] En Hij openbaart Zich immers als Koning van het koninkrijk van namen: Vanaf het begin dat geen begin heeft, heb Ik vanuit het rijk van eeuwigheid verkondigd dat Ik God ben en er geen ander God is buiten Mij, de Helper in Nood, de Bij-Zich-Bestaande. En tot het einde dat geen einde heeft zal Ik, temidden van het koninkrijk van namen, verkondigen dat Ik God ben en er geen ander God is buiten Mij, de Alglorierijke, de Meest-Geliefde.” [12]

 

Kunnen wij God’s Essentie begrijpen of Zijn mysterie beschrijven?

“Iedere poging die vanaf het begin dat geen begin heeft, is gedaan om zich God voor te stellen en te kennen wordt ingeperkt door de eisen van Zijn eigen schepping - een schepping die Hij door de werking van Zijn eigen Wil en voor geen ander doel dan voor Zichzelf in het leven riep. Onmetelijk verheven is Hij boven de inspanningen van het menselijk verstand om Zijn Essentie te begrijpen of van 's mensen tong om Zijn mysterie te beschrijven.” [13] Nee, God gebeurt, Hij is op mysterieuze wijze aan het werk: “Om deze reden werden vanaf het begin dat geen begin heeft, de poorten van goddelijke barmhartigheid opengeworpen voor de gehele schepping, en de wolken der Waarheid zullen tot het einde dat geen einde heeft hun gunsten en milddadigheden steeds doen neerdalen op de vruchtbare bodem van menselijke bekwaamheid, werkelijkheid en persoonlijkheid. Op deze wijze is God steeds te werk gegaan vanaf het begin der tijden tot in alle eeuwigheid.” [14]

 

“Het is ontegenzeggelijk de invloed van de opeenvolging van deze Manifestaties van het goddelijke, vanaf het begin van de ons bekende geschiedenis, die de kiemkracht vormt in de cultivering van de menselijke natuur. Religie, zo weten we allemaal, raakt aan de wortels waaraan motivatie ontspringt. Deze zelfde kracht, die in vroegere eeuwen zo doeltreffend heeft gewerkt, blijft een onuitwisbaar kenmerk van de menselijke geest.” [15] “Ieder mens is in staat, en zal in staat zijn, zelf de Schoonheid van God, de Verheerlijkte, naar waarde te schatten. Ware hij niet met dit vermogen begiftigd, hoe zou hij dan voor zijn falen ter verantwoording kunnen worden geroepen? Het geloof van een mens kan slechts door hemzelf worden bepaald.” [16]

 

de volgende pagina gaat nader in op het spiritueel materialisme >


[2] Karl Jaspers: Vom Ursprung und Ziel der Geschichte, 1949. Maar meerdere denkers bevestigden die conclusies, bijvoorbeeld Bellah (Beyond Belief, 1976), Eisenstadt (The origins and diversity of axial age civilizations, 1986), Hick (An interpretation of religion, 1989), en vooral: Lambert (Religion in Modernity as a New Axial Age, 2000)

[3] Hoogleraar ethiek aan de Theologische Universiteit Kampen. Hij publiceerde o.a. over de individualisering van de ethiek en de evolutie van de moraal. Zie http://home.hetnet.nl/~delangef

[4] Ongewenste Goden; de publieke rol van religie in Nederland, Red. Marcel ten Hooven en Theo de Wit, SUN, 2006, ISBN 90 8506 202 0

[5] Gauchet, M., Le désenchantement du monde; une histoire politique de la religion. Paris: Gallimard (1985), en La conditon historique; entretiens avec François Azouvi et Sylvain Piron. Paris: Stok, 2003

[6] Zie hoofdstuk 6, Persoonlijke bezieling, Frits de Lange in Ongewenste Goden; de publieke rol van religie in Nederland, Red. Marcel ten Hooven en Theo de Wit, SUN, 2006, ISBN 90 8506 202 0

[7] Stephen Jay Gould’s Non-Overlapping MAgisteria: http://www.stephenjaygould.org/library/gould_noma.html

[8] Bahá'u'lláh, Tafelen van Bahá'u'lláh, p.142

[9] Bahá'u'lláh, Bloemlezing LXXIII

[10] Bahá'u'lláh, Bloemlezing LIII

[11] Bahá'u'lláh, geciteerd door Shoghi Effendi in De Beschikking van Bahá’u’lláh, 1934

[12] Bahá'u'lláh, The Summons of the Lord of Hosts, Súriy-i-Haikal / Súrih of the < xml="true" ns="urn:schemas-microsoft-com:office:smarttags" prefix="st1" namespace="">Temple, #45, p. 24

[13] Bahá'u'lláh, Bloemlezing CXLVIII

[14] Bahá'u'lláh, Bloemlezing XXVII

[15] Open brief aan de religieuze leiders van de wereld – UHG 2002

[16] Bahá'u'lláh, Bloemlezing LXXV